HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. telecommunicatie: iedere overdracht, uitzending of
ontvangst van signalen door middel van
telecommunicatie-infrastructuur;
c. telecommunicatienet of telecommunicatie-infrastructuur:
de infrastructuur die het transport mogelijk maakt van
signalen tussen gedefinieerde netwerkaansluitpunten via
kabelverbindingen, microgolfsystemen, optische middelen of
andere elektromagnetische middelen;
d. kabels: geleidingen bestemd voor telecommunicatie;
e. kabelwerken: de bij kabels behorende
ondersteuningswerken, beschermingswerken en
signaalinrichtingen, alsmede inrichtingen, bestemd om daarin
verbinding tot stand te brengen tussen kabels in, op of boven
openbare gronden enerzijds en kabels in gebouwen en daarmee
één geheel vormende gronden anderzijds dan wel tussen
laatstgenoemde kabels onderling;
f. kabelverbindingen: kabels en kabelwerken;
g. openbare gronden:
1 de openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende
stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viadukten,
tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken;
2 de wateren met de daartoe behorende bruggen, de
plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, welke tot gemene
dienst van allen zijn bestemd;
3 de spoorwegen met de daarbij behorende terreinen;
h. geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur: de
telecommunicatie-infrastructuur, bedoeld in artikel 3, eerste
lid;
i. kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur: de
infrastructuur die het transport mogelijk maakt van signalen
tussen gedefinieerde netwerkaansluitpunten via
kabelverbindingen;
j. openbaar telecommunicatienet:
telecommunicatie-infrastructuur, bedoeld in artikel 3, 3a of
13a, alsmede voor wat betreft de artikelen 29 en 29a, de
telecommunicatie-infrastructuur die door Onze Minister voor de
toepassing van de desbetreffende artikelen als openbaar
telecommunicatienet is aangewezen;
k. draadomroepinrichting: een inrichting of onderdeel
daarvan, bestemd om met gebruik van kabels en kabelwerken of
radioverbindingen tussen vaste punten, programma's te
verspreiden naar een of meer bij anderen in gebruik zijnde
gronden, woningen dan wel niet tot woning dienende gebouwen of
gedeelten van gebouwen;
l. programma: een programma als bedoeld in artikel 1,
eerste lid onder e, van de Mediawet (Stb. 1987, 249);
m. vaste verbinding: een mogelijkheid voor het directe
transport van signalen tussen twee netwerkaansluitpunten,
waarvan de totstandkoming niet door de gebruiker via een
netwerkaansluitpunt kan worden beïnvloed;
n. satellietverbinding: een vaste verbinding die tot stand
komt met behulp van een satelliet;
o. netwerkaansluitpunt: het geheel van fysieke
verbindingen, met hun technische toegangsspecificaties, die
deel uitmaken van een telecommunicatienet en nodig zijn om
toegang te verkrijgen tot dit net en om efficiënt via dit net
te kunnen communiceren;
p. randapparatuur: een inrichting die of een samenstel van
inrichtingen, dat is bestemd voor rechtstreekse aansluiting op
een openbaar telecommunicatienet door middel van een
netwerkaansluitpunt;
q. Europese Economische Ruimte: gebieden waarop het Verdrag
tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen
en Staal van toepassing zijn, onder de in die verdragen
neergelegde voorwaarden, en voorts de grondgebieden van de
Republiek Finland, met inachtneming van het tweede lid van
artikel 126 van de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte, de Republiek IJsland, het Koninkrijk
Noorwegen, de Republiek Oostenrijk en het Koninkrijk Zweden;
r. concessie: de concessie, bedoeld in artikel 3, eerste
lid;
s. vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 13a;
t. infrastructuurvergunning: een vergunning, verleend
krachtens de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur;
u. landelijke infrastructuurvergunning: de
infrastructuurvergunning zonder gebiedsbeperking;
v. dienstaanbieder: de natuurlijke of rechtspersoon die met
toestemming van de houder van een vergunning dan wel van de
houder van een machtiging op eigen naam of in naam van de
houder van die vergunning onderscheidenlijk van die machtiging
mobiele telecommunicatiediensten aanbiedt;
w. telecommunicatiediensten: diensten die geheel of
gedeeltelijk bestaan in de overdracht en routering van
signalen over de telecommunicatie-infrastructuur via
telecommunicatieprocédés, met uitzondering van radio-omroep en
televisie;
x. mobiele telecommunicatiediensten:
telecommunicatiediensten met en tussen mobiele gebruikers;
y. openbare telecommunicatiedienst: de bij of krachtens de
wet opgedragen telecommunicatiediensten bedoeld in artikel 4,
eerste lid, of artikel 13c, tweede lid, alsmede voor wat
betreft artikel 29a, de telecommunicatiedienst die door Onze
Minister voor de toepassing van genoemd artikel als openbare
telecommunicatiedienst is aangewezen;
z. spraaktelefoondienst: de commerciële exploitatie ten
behoeve van het publiek van direct transport en onmiddellijke
schakeling van spraak van en naar netwerkaansluitpunten van
een openbaar geschakeld telecommunicatienet, waarvan iedere
gebruiker van op een dergelijk netwerkaansluitpunt aangesloten
apparatuur gebruik kan maken om met een ander
netwerkaansluitpunt te communiceren;
aa. pakket- en circuitgeschakelde datadienst: de
commerciële exploitatie ten behoeve van het publiek van direct
datatransport van en naar netwerkaansluitpunten van een
openbaar telecommunicatienet, waarvan iedere gebruiker van op
een dergelijk netwerkaansluitpunt aangesloten apparatuur
gebruik kan maken om met een ander netwerkaansluitpunt te
communiceren;
bb. telexdienst: de commerciële exploitatie ten behoeve van
het publiek van direct transport van telexberichten
overeenkomstig de te Melbourne op 25 november 1988 tot stand
gekomen aanbeveling I 240 van de Internationale Raadgevende
Commissie inzake telegrafie en telefonie (CCITT), zoals deze
thans luidt of nadien is gewijzigd, van en naar
netwerkaansluitpunten van een openbaar telecommunicatienet,
waarvan iedere gebruiker van op een dergelijk
netwerkaansluitpunt aangesloten apparatuur gebruik kan maken
om met een ander netwerkaansluitpunt te communiceren;
cc. nummer: cijfers, letters of andere symbolen, al dan
niet in combinatie, die dienen voor toegang tot of
identificatie van gebruikers, netwerkexploitanten, diensten,
netwerkaansluitpunten of andere netwerkelementen;
dd. nummerplan: een plan houdende de bestemming van
nummers, daaronder mede begrepen gegevens over lengte en
samenstelling van de in het plan opgenomen nummers;
ee. apparaten: alle elektrische en elektronische apparaten
alsmede uitrustingen en installaties, die elektrische of
elektronische componenten bevatten;
ff. elektromagnetische storing: het elektromagnetisch
verschijnsel dat problemen in de werking van een apparaat kan
veroorzaken;
gg. elektromagnetische compatibiliteit: de eigenschap van
apparaten, om op bevredigende wijze in hun elektromagnetische
omgeving te kunnen functioneren zonder zelf elektromagnetische
storingen te veroorzaken die ontoelaatbaar zijn voor alles wat
zich in die omgeving bevindt;
hh. in de handel brengen: voor de eerste maal afleveren na
vervaardiging in de Europese Economische Ruimte of na invoer
in de Europese Economische Ruimte uit een land daarbuiten;
ii. verhandelen: verkopen, verhuren, op andere wijze ter
beschikking stellen, voorhanden of in voorraad hebben, ten
verkoop of te huur aanbieden, of afleveren, niet zijnde in de
handel brengen;
jj. college: het college, bedoeld in artikel 2 van de Wet
Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit.
2. Onder in de handel brengen van een apparaat wordt mede
verstaan: in gebruik nemen van een apparaat door degene die
het in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of
heeft ingevoerd uit een land daarbuiten.
Artikel 1a
1. Onze Minister kan tot een aanwijzing als openbaar
telecommunicatienet of als openbare telecommunicatiedienst
slechts besluiten
a. in het belang van het publiek als gebruiker van
telecommunicatie-infrastructuur,
telecommunicatie-inrichtingen, telecommunicatiediensten of
apparaten;
b. in het belang van andere aanbieders van
telecommunicatie-infrastructuur,
telecommunicatie-inrichtingen, telecommunicatiediensten of
apparaten;
c. indien de uitvoering van een bindend besluit van een
instelling van de Europese Unie of de nakoming van Nederland
bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke
organisaties dit vordert.
2. Onze Minister kan tot een aanwijzing als openbaar
telecommunicatienet of als openbare telecommunicatiedienst,
met betrekking tot artikel 29a, slechts besluiten indien de
aan te wijzen telecommunicatienetten of
telecommunicatiediensten een dominante marktpositie hebben.
3. Van de beschikkingen, houdende een aanwijzing als
bedoeld in het eerste lid, wordt zo spoedig mogelijk
mededeling gedaan in de Staatscourant onder vermelding van het
tijdstip waarop de beschikkingen van kracht worden.
Artikel 2
1. De bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze wet
gelden mede op en met betrekking tot installaties ter zee in
de zin van de Wet installaties Noordzee (Stb. 1964, 447).
2. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing ten
aanzien van het gebruik van elektromagnetische golven ten
dienste van een opsporingsonderzoek of het winnen van
delfstoffen als bedoeld in de Mijnwet continentaal plat (Stb.
1965, 428).
HOOFDSTUK II OPENBARE TELECOMMUNICATIENETTEN EN
TELECOMMUNICATIEDIENSTEN VOOR DERDEN
1. De geconcessioneerde
telecommunicatie-infrastructuur
Artikel 3
1. Ter bevordering van een doelmatige verzorging van
telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch
belang wordt aan een bij wet aan te wijzen rechtspersoon,
behoudens het bepaalde in artikel 3a, met uitsluiting van
anderen, concessie verleend voor de aanleg, de instandhouding
en de exploitatie van de telecommunicatie-infrastructuur, die
a. bestemd is voor telecommunicatie die, geheel of
gedeeltelijk, openbare gronden overschrijdt, en
b. dient ter uitvoering van de bij of krachtens artikel 4,
eerste tot en met vierde lid, aan de houder van de concessie
opgedragen diensten.
Onder de concessie, bedoeld in de vorige volzin, zijn mede
begrepen de aansluitingen op telecommunicatie-inrichtingen
buitenslands.
2. Onze Minister kent aan de houder van de concessie de
radio-frequenties toe welke nodig zijn voor de uitvoering van
de concessie, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen
worden gesteld.
3. Het college kent aan de houder van de concessie de
nummers toe of kan voor hem de nummers reserveren welke nodig
zijn voor de uitvoering van de opgedragen diensten, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, waarbij voorschriften en beperkingen
kunnen worden gesteld.
4. De houder van de concessie draagt er zorg voor dat de
capaciteit, de kwaliteit en de eigenschappen van de
geconcessioneerde telecommunicati-infrastructuur voldoen voor
een doelmatige verzorging van telecommunicatie.
5. De concessie is voor wat betreft de
telecommunicatie-infrastructuur waarop hoofdstuk IIA van
toepassing is, beperkt tot de aanleg en instandhouding van
kabelverbindingen.
6. Het is anders dan krachtens de concessie slechts
toegestaan telecommunicatie-inrichtingen als bedoeld in
artikel 21, 23 of 24 aan te leggen, in stand te houden,
aanwezig te hebben, te gebruiken of te doen gebruiken en te
exploiteren of te doen exploiteren met in achtneming van het
bepaalde bij of krachtens hoofdstuk III.
1a. Kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur
met vergunning
Artikel 3a
1. Ter bevordering van een doelmatige verzorging van
telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch
belang zijn degenen die daartoe krachtens de Vergunningenwet
kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur een
infrastructuurvergunning hebben verkregen gerechtigd tot de
aanleg, de instandhouding en de exploitatie van kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur met of zonder gebiedsbeperking
die
a. bestemd is voor telecommunicatie die, geheel of
gedeeltelijk, openbare gronden overschrijdt, en
b. dient ter uitvoering van de bij artikel 4b opgedragen
diensten of binnen de in artikel 4b bedoelde periode dient
voor het tegen vergoeding ter beschikking stellen van het
gebruik van vaste verbindingen.
2. Onder de infrastructuurvergunning zijn mede begrepen de
aansluitingen op telecommunicatie- inrichtingen buitenslands.
3. De houder van een infrastructuurvergunning zonder
gebiedsbeperking is, indien aan hem radiofrequenties zijn
toegekend, tevens gerechtigd tot de aanleg, de instandhouding
en de exploitatie van radio-elektrische zendinrichtingen die
bestemd zijn voor de doeleinden bedoeld, in het eerste lid,
onder a en b.
2. Opdrachten aan de houder van de concessie
Artikel 4
1. De houder van de concessie is in het belang van het
algemeen maatschappelijk en economisch verkeer verplicht bij
algemene maatregel van bestuur te omschrijven diensten welke
betrekking hebben op het directe transport van gegevens van en
naar netwerkaansluitpunten, te verzorgen en een ieder tegen
vergoeding het gebruik daarvan ter beschikking te stellen. Bij
die algemene maatregel van bestuur kan tevens aan de houder
van de concessie worden opgedragen een bij die maatregel te
omschrijven dienst met betrekking tot de telegrafie te
verzorgen en een ieder tegen vergoeding het gebruik daarvan
ter beschikking te stellen.
2. De houder van de concessie is verplicht om een ieder
tegen vergoeding het gebruik van vaste verbindingen ter
beschikking te stellen.
3. Bij de algemene maatregel van bestuur krachtens het
eerste lid worden geen diensten aangewezen die betrekking
hebben op het transport van gegevens met en tussen mobiele
gebruikers te land.
4. De houder van de concessie is verplicht aan de houder
van een vergunning behalve de in het eerste en tweede lid
bedoelde diensten, voorzieningen ter beschikking te stellen
ten behoeve van of direct verband houdende met koppelingen van
de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de
vergunning aan de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de concessie. De houder van de concessie
stelt de voorwaarden vast waarop hij bereid is de in die
voorwaarden genoemde voorzieningen in ieder geval aan een
ieder ter beschiking te stellen. Hij maakt deze voorwaarden
overeenkomstig door het college te stellen regels bekend. Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels
worden gesteld omtrent de in dit lid bedoelde voorzieningen.
5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, tweede
volzin, stelt de houder van de concessie op een desbetreffende
aanvraag binnen een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen termijn voorzieningen als bedoeld in het
vierde lid, eerste volzin, ter beschikking op door de houder
van de concessie met betrekking tot die aanvraag te bepalen
voorwaarden betreffende tarieven en technische specificaties.
De houder van de concessie gaat bij zijn aanbod uit van de
door de houder van de vergunning gevraagde voorzieningen,
tenzij deze technisch niet mogelijk zijn, de integriteit van
de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de
concessie in gevaar brengen, of redelijkerwijs niet
noodzakelijk zijn voor een doelmatige verzorging van de
diensten, te verlenen door middel van de
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de
vergunning.
6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing indien
door de houder van een vergunning vaste verbindingen worden
gevraagd ten behoeve van koppelingen als bedoeld in het vierde
lid.
7. In geval van toepassing van artikel 13x, derde lid,
onder b, kan Onze Minister aan de houder van de concessie de
verplichting opleggen zijn medewerking te verlenen aan het in
die bepaling bedoelde nummerbehoud.
Artikel 4a
1. De houder van de concessie is verplicht aan:
a. de houder van een infrastructuurvergunning,
b. de houder van een machtiging als bedoeld in de artikelen
17, 21 en 23, of
c. een natuurlijke of rechtspersoon die met gebruikmaking
van vaste verbindingen een geschakelde
telecommunicatie-infrastructuur tot stand heeft gebracht,
d. een natuurlijke of rechtspersoon die buiten Nederland
gerechtigd is telecommunicatie- infrastructuur aan te leggen
en in stand te houden, die hun telecommunicatie-infrastructuur
of telecommunicatie-inrichtingen gebruiken of doen gebruiken
voor het verzorgen van de spraaktelefoondienst en daarbij de
toegang tot netwerkaansluitpunten van eindgebruikers
controleren, behalve de in het eerste en tweede lid van
artikel 4 bedoelde diensten, voorzieningen ter beschikking te
stellen ten behoeve van direct verband houdende met
koppelingen van zijn geschakelde vaste
telecommunicatie-infrastructuur voor de spraaktelefoondienst
met de telecommunicatie-infrastructuur of de
telecommunicatie-inrichting van de onder a, b, c en d genoemde
personen teneinde te verzekeren dat de spraaktelefoondienst
die over bedoelde telecommunicatie-infrastructuren of
telecommunicatie-inrichtingen wordt verzorgd, voor de
eindgebruikers van die dienst over en weer toegankelijk is.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het
tot stand brengen van koppelingen tussen de
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie
en de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van een
infrastructuurvergunning met betrekking tot het ter
beschikking stellen van vaste verbinding.
3. De houder van de concessie stelt de voorzieningen,
bedoeld in het eerste lid, op een niet- discriminerende wijze
ter beschikking en draagt er zorg voor dat de tarieven voor de
voorzieningen op transparante wijze worden bepaald, op kosten
zijn georiënteerd, en in voldoende mate zijn uitgesplitst.
4. Artikel 4, vierde lid, tweede, derde en vierde volzin,
vijfde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing op
koppelingen als bedoeld in het eerste en tweede lid.
5. Onder de spraaktelefoondienst wordt voor de toepassing
van dit artikel mede verstaan een met de omschrijving van die
dienst in artikel 1, onder z, overeenkomende
spraaktelefoondienst, die van en naar netwerkaansluitpunten
van een niet openbaar telecommunicatienet wordt verzorgd.
Artikel 4aa
1. De houder van de concessie voldoet aan alle redelijke
verzoeken van degene die in of buiten Nederland
telecommunicatiediensten verzorgt voor het publiek om toegang
tot zijn vaste geschakelde telecommunicatie-infrastructuur
voor de spraaktelefoondienst op andere punten dan de
netwerkaansluitpunten die aan de meeste gebruikers worden
aangeboden.
2. Artikel 4a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing
op de in het eerste lid bedoelde verzoeken om toegang.
Artikel 4ab
Het college kan ontheffing verlenen van de in artikel 4a,
eerste lid, onderscheidenlijk de in artikel 4aa, eerste lid,
aan de houder van de concessie opgelegde verplichting voor
zover de gevraagde voorzieningen, onderscheidenlijk de
gevraagde toegang, betrekking hebben op de afhandeling van de
spraaktelefoondienst van en naar een ander land en het college
van oordeel is dat de houder van de concessie in betekende
mate in zijn belangen wordt geschaad doordat hij niet op een
vergelijkbare wijze en onder vergelijkbare voorwaarden
koppeling met, onderscheidenlijk toegang tot de in dat land
bestaande openbare geschakelde telecommunicatie-infrastructuur
tot stand kan brengen, onderscheidenlijk kan verkrijgen.
Artikel 4ac
1. Degene die op grond van artikel 4a, eerste lid,
koppeling van zijn telecommunicatie- infrastructuur of
telecommunicatie-inrichting met de geschakelde vaste
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie
tot stand wenst te brengen is, in het belang van het toezicht,
verplicht zich als een persoon die zijn
telecommunicatie-infrastructuur of telecommunicatie-inrichting
gebruikt of doet gebruiken voor het verzorgen van de
spraaktelefoondienst te laten registreren. Het college is
bevoegd te bepalen welke gegevens bij de aanvraag om een
registratie dienen te worden overgelegd.
2. Het college kan een registratie weigeren indien:
a. er grond is voor het vermoeden dat de activiteiten of
diensten in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet
zullen worden verricht, of
b. degene die om een registratie verzoekt zijn
telecommunicatie-infrastructuur of telecommunicatie-inrichting
niet gebruikt of gaat gebruiken op een wijze als bedoeld in
het eerste lid.
3. Een registratie wordt gewijzigd of beëindigd:
a. op verzoek van de geregistreerde;
b. indien blijkt dat de gegevens niet of niet langer juist
zijn,
c. indien de grond voor registratie is vervallen,
d. wegens het verrichten van activiteiten of diensten in
strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet, of
e. indien het belang van de veiligheid van de Staat dit
vordert.
4. De geregistreerde geeft aan het college onverwijld alle
wijzigingen door die van invloed zijn op de registratie.
5. Het college houdt een register bij van de registraties.
Het register ligt voor eenieder kosteloos ter inzage op een
door het college te bepalen plaats.
6. Het eerste tot en met het vijfde lid is van
overeenkomstige toepassing op degene die op grond van artikel
4aa de houder van de concessie verzoekt om toegang te krijgen
tot zijn vaste geschakelde telecommunicatie-infrastructuur
voor de spraaktelefoondienst op andere punten dan de
netwerkaansluitpunten die aan de meeste gebruikers worden
aangeboden.
2a. Opdrachten aan de houder van een
infrastructuurvergunning
Artikel 4b
1. De houder van een infrastructuurvergunning is in het
belang van het algemeen maatschappelijk en economisch verkeer
verplicht binnen een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen termijn na het afgeven van een
infrastructuurvergunning een ieder in het gebied waarop de
infrastructuurvergunning betrekking heeft tegen vergoeding het
gebruik van vaste verbindingen ter beschikking te stellen.
2. De houder van een infrastructuurvergunning is verplicht
binnen een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen termijn aan de houder van de concessie
onderscheidenlijk een andere houder van een
infrastructuurvergunning behalve de in het eerste lid bedoelde
dienst, voorzieningen ter beschikking te stellen ten behoeve
van of direct verband houdende met koppelingen van de
geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur
onderscheidenlijk de kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur van een andere houder van een
infrastructuurvergunning aan de kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de
infrastructuurvergunning. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in dit lid
bedoelde voorzieningen.
3. De houder van een infrastructuurvergunning stelt de in
het tweede lid bedoelde voorzieningen ter beschikking op door
hem daarvoor te bepalen voorwaarden betreffende tarieven en
technische specificaties binnen een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen termijn. De houder van de
infrastructuurvergunning gaat bij zijn aanbod uit van de door
de houder van de concessie onderscheidenlijk een andere houder
van een infrastructuurvergunning gevraagde voorzieningen,
tenzij deze technisch niet mogelijk zijn of de integriteit van
de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de
infrastructuurvergunning in gevaar brengen, of redelijkerwijs
niet noodzakelijk zijn voor een doelmatige verzorging van de
diensten te verlenen door middel van de
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie
onderscheidenlijk van een andere houder van een
infrastructuurvergunning.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien
door de houder van de concessie onderscheidenlijk een andere
houder van een infrastructuurvergunning vaste verbindingen
worden gevraagd ten behoeve van koppelingen als bedoeld in het
tweede lid.
5. De duur van krachtens het eerste en tweede lid bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijnen is er
op gericht de ongelijkwaardigheid in de mededingingspositite
tussen de houder van de infrastructuurvergunning en de houder
van de concessie te verminderen.
2b. Overige bepalingen in verband met de
opdrachten, bedoeld in 2 en 2a
Artikel 4c
1. Indien de houder van een infrastructuurvergunning en de
houder van de concessie dan wel houders van een
infrastructuurvergunning onderling geen overeenstemming
bereiken over de voorwaarden waaronder de houder van de
concessie met toepassing van artikel 4a dan wel de houder van
een infrastructuurvergunning met toepassing van artikel 4b,
voorzieningen of vaste verbindingen ter beschikking wil
stellen ten behoeve van de koppeling tussen de kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van een
infrastructuurvergunning en de telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de concessie dan wel ten behoeve van de
koppeling tussen de kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur van
infrastructuurvergunninghouders onderling, of weigert daartoe
een aanbod te doen, kan de houder van een
infrastructuurvergunning dan wel de houder van de concessie
het college verzoeken hierover een oordeel te geven.
2. De houder van de concessie en de houder van een
infrastructuurvergunning zijn verplicht aan het college binnen
twee weken alle benodigde gegevens te verstrekken die nodig
zijn om een oordeel als bedoeld in het eerste lid te geven.
3. Het college geeft binnen acht weken na het in het eerste
lid bedoelde verzoek, een oordeel. Indien het oordeel inhoudt
dat de door de houder van de concessie dan wel de door de
houder van een infrastructuurvergunning aangeboden voorwaarden
onredelijk zijn, of dat de houder van de concessie dan wel de
houder van een infrastructuurvergunning niet mocht weigeren
een aanbod te doen, kan het college een aanwijzing als bedoeld
in artikel 43 geven. De houder van de concessie dan wel de
houder van een infrastructuurvergunning is verplicht deze
aanwijzing op te volgen.
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, kan door het
college met ten hoogste 12 weken worden verlengd. Degene die
een verzoek heeft gedaan alsmede de andere betrokkene, bedoeld
in het eerste lid, worden van een verlenging uiterlijk een
week voor afloop van de termijn in kennis gesteld.
Artikel 4d
Artikel 4c is van overeenkomstige toepassing op de door de
houder van de concessie met toepassing van artikel 4a ter
beschikking te stellen voorzieningen of vaste verbindingen
alsmede op de door de houder van de concessie met toepassing
van artikel 4aa te verschaffen toegang tot zijn
telecommunicatie-infrastructuur voor de spraaktelefoondienst
op andere punten dan de netwerkaansluitpunten die aan de
meeste gebruikers worden aangeboden.
Artikel 5
Vervallen
Artikel 6
1. Van de met gebruikmaking van de krachtens artikel 4,
eerste en vierde lid, aan de houder van de concessie
opgedragen diensten of van vaste verbindingen getransporteerde
gegevens mag slechts ten behoeve van een goede uitvoering van
de dienst worden kennis genomen door het daartoe door de
houder van de concessie gemachtigde personeel belast met de
uitvoering van de krachtens artikel 4, eerste en vierde lid,
aan hem opgedragen diensten en van de zorg voor vaste
verbindingen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
houder van een infrastructuurvergunning.
2c. Gebruiksbepalingen vaste verbindingen
Artikel 7
1. Het is degene die de beschikking heeft over een vaste
verbinding tot 1 juli 1997 verboden de vaste verbinding te
gebruiken of te doen gebruiken voor het verzorgen van de
spraaktelefoondienst of de telexdienst.
1a. Het is degene die de beschikking heeft over een vaste
verbinding verboden de vaste verbinding te gebruiken of te
doen gebruiken voor het verspreiden van een programma tenzij
het gebruik ervan plaatsvindt in het kader van een machtiging,
verleend krachtens artikel 21, of in het kader van een
landelijke infrastructuurvergunning.
2. Het eerste lid en lid 1a zijn van overeenkomstige
toepassing op de houder van een infrastructuurvergunning die
zijn telecommunicatie-infrastructuur gebruikt of doet
gebruiken.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien
het daar omschreven gebruik geschiedt in het kader van
hoofdstuk IIA of in het kader van een machtiging als bedoeld
in artikel 17 die aan de machtiginghouder de bevoegdheid
verleent voor derden openbare mobiele telecommunicatiediensten
te verzorgen.
4. Onder spraaktelefoondienst onderscheidenlijk telexdienst
wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan een met
de omschrijving van die onderscheidene diensten in artikel 1,
onder z, onderscheidenlijk onder bb, overeenkomende
spraaktelefoondienst of telexdienst, die van en naar
netwerkaansluitpunten van een niet openbaar
telecommunicatienet wordt verzorgd.
5. Het college kan aan degene die de beschikking heeft over
een vaste verbinding nummers toekennen of voor hem nummers
reserveren ten behoeve van het verzorgen van
telecommunicatiediensten aan derden over zijn vaste verbinding
door hemzelf of door derden, waarbij voorschriften en
beperkingen kunnen worden gesteld.
Artikel 7a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
voor het verzorgen van telecommunicatiediensten voor derden
waarbij vaste verbindingen worden gebruikt, regels worden
gesteld in het belang van een doelmatige verzorging van de
telecommunicatie, de veiligheid van de Staat of de handhaving
van de rechtsorde. Daarbij kan worden onderscheiden naar
categorieën van telecommunicatiediensten.
2. Indien een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
het eerste lid verband houdt met de veiligheid van de Staat of
de handhaving van de rechtsorde wordt de voordracht ervan
gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie.
3. Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, kan behoren
het vereiste van registratie van degene die
telecommunicatiediensten voor derden verzorgt.
4. Het in het eerste lid bepaalde is mede van toepassing op
het verzorgen van diensten, niet zijnde de krachtens artikel
4, eerste lid, opgedragen diensten, door de houder van de
concessie met gebruikmaking van zijn infrastructuur en het
verzorgen van diensten door de houder van een
infrastructuurvergunning met gebruikmaking van zijn
infrastructuur.
5. Het college kan desgevraagd een bewijs afgeven dat in
overeenstemming met de Nederlandse regelgeving
telecommunicatiediensten voor derden worden verzorgd.
Artikel 7b
Het is verboden vaste verbindingen te gebruiken of te doen
gebruiken voor het voor derden verrichten van
telecommunicatiediensten zonder te voldoen aan de krachtens
artikel 7a, eerste lid, gestelde regels.
3. Algemene richtlijnen voor de houder van de
concessie
Artikel 8
1. Onze Minister geeft aan de houder van de concessie
algemene richtlijnen welke deze bij de uitvoering van artikel
3, vierde lid, en artikel 4, gehouden is op te volgen.
2. Deze richtlijnen hebben slechts betrekking op:
a. de capaciteit, kwaliteit en eigenschappen, waaronder de
technische aftapbaarheid, van de geconcessioneerde
telecommunicatie-infrastructuur;
b. het instandhouden van een goede dienstverlening;
c. de wijze waarop de houder van de concessie in een
daartoe door hem in te stellen afzonderlijk overlegorgaan
onder leiding van een door de Minister aan te wijzen
onafhankelijke voorzitter met representatieve organisaties van
direct belanghebbenden overleg dient te voeren over
aangelegenheden van algemene aard en landelijke strekking die
de uitvoering van de in de onderdelen a en b bedoelde taken
betreffen;
d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde
groepen van gebruikers met betrekking tot de toepassing van
door de houder van de concessie vast te stellen algemene
voorwaarden;
e. het opstellen van een financiële verantwoording van
activiteiten bedoeld in het eerste lid, welke gescheiden is
van die voor andere activiteiten;
f. het verstrekken van informatie aan Onze Minister die
Onze Minister nodig heeft in verband met de naleving van een
bindend besluit van een orgaan van de Europese Unie;
g. het verstrekken van informatie aan het college:
1. ten dienste van het toezicht op de uitvoering van
artikel 3, vierde lid, en artikel 4 en op de uitvoering van
het overige bij of krachtens deze wet bepaalde;
2. die nodig is in verband met het aan het college
gevraagde oordeel, bedoeld in artikel 40b.
Onverminderd het vorenstaande in dit onderdeel is het
college bevoegd te allen tijde inlichtingen te vorderen, voor
zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
nodig is. De houder van de concessie is verplicht de
gevorderde inlichtingen te geven.
3. De richtlijnen bedoeld in het tweede lid, aanhef en
onder b, bevatten uitgangspunten en maatstaven voor:
a. de wijze en mate van dienstverlening;
b. de tariefstructuur en de aanpassing van de tarieven;
c. de beveiliging van de geconcessioneerde
telecommunicatie-infrastructuur;
d. de geheimhouding met betrekking tot de in artikel 4,
eerste en vierde lid, bedoelde diensten en de vaste
verbindingen;
e. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met
betrekking tot de in artikel 4, eerste en vierde lid, bedoelde
diensten en de vaste verbindingen;
f. het verrichten van niet-rendabele deelactiviteiten
alsmede van overheidswege daarvoor te geven vergoedingen.
4. De richtlijnen kunnen, ter uitvoering van een bindend
besluit van een orgaan van de Europese Unie, ten aanzien van
de onderwerpen, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b,
bepalen dat de houder van de concessie in bepaalde gevallen
voorafgaande toestemming van het college behoeft.
5. De richtlijnen kunnen ten aanzien van de tarieven voor
het aan de houder van een infrastructuurvergunning
onderscheidenlijk de houder van een vergunning ter beschikking
stellen van diensten als bedoeld in artikel 4, eerste en
tweede lid, afwijkende bepalingen bevatten.
6. De richtlijnen bevatten alleen verplichtingen ten
aanzien van het door de houder van de concessie te bereiken
resultaat en niet ten aanzien van de wijze van bedrijfsvoering
om dit resultaat te bereiken.
7. Een besluit tot vaststelling of met betrekking tot
wijziging van de richtlijnen wordt genomen met inachtneming
van een bedrijfsmatige en op continuïteit gerichte exploitatie
door de houder van de concessie.
8. Een beroep door de houder van de concessie, gedaan
krachtens artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van
bestuur, op de vertrouwelijkheid van aan Onze Minister
onderscheidenlijk het college verstrekte informatie als
bedoeld in het tweede lid onder f en g is alleen toegestaan,
indien die informatie redelijkerwijs als vertrouwelijk moet
worden aangemerkt.
9. In onvoorziene omstandigheden kan de houder van de
concessie met machtiging van Onze Minister tijdelijk afwijken
van het ingevolge het derde lid onder b terzake van de
aanpassing van de tarieven bepaalde. Alvorens Onze Minister
beslist omtrent het verlenen van de machtiging hoort hij het
college.
10. De in het eerste lid bedoelde algemene richtlijnen
worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant.
11. Vier jaren na het van kracht worden van de richtlijnen
en vervolgens elke vijf jaren nadien dient onze Minister de
werking van die richtlijnen te hebben geëvalueerd.
3a. Bepalingen houdende algemene verplichtingen
voor de houder van een infrastructuurvergunning
Artikel 9
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot verplichtingen van de houder
van een infrastructuurvergunning. Deze regels hebben slechts
betrekking op:
a. de capaciteit, kwaliteit en eigenschappen, waaronder de
technische aftapbaarheid, van de vergunde
telecommunicatie-infrastructuur;
b. de wijze en mate van dienstverlening;
c. het opstellen van een financiële verantwoording van
activiteiten, bedoeld in artikel 4b, eerste lid, welke
gescheiden is van die voor andere activiteiten;
d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde
groepen van gebruikers met betrekking tot de toepassing van
door de houder van een vergunning vast te stellen algemene
voorwaarden;
e. het verstrekken van informatie aan het college ten
dienste van het toezicht op de uitvoering van de
infrastructuurvergunning en de daaraan verbonden voorschriften
en op de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de
Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur
en deze wet. Onverminderd het bepaalde in de eerste volzin is
het college bevoegd te allen tijde inlichtingen te vorderen,
voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
noodzakelijk is. De houder van een infrastructuurvergunning is
verplicht de gevorderde inlichtingen te geven.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, onder b, betreffen
in elk geval:
a. de tariefstructuur en de aanpassing van de tarieven;
b. de beveiliging van de telecommunicatie-infrastructuur;
c. de geheimhouding met betrekking tot de in artikel 4b,
tweede lid, bedoelde dienst en de vaste verbindingen;
d. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met
betrekking tot de in artikel 4b, tweede lid, bedoelde dienst
en de vaste verbindingen.
3. De inwerkingtreding van de krachtens het eerste lid aan
de houder van een infrastructuurvergunning te stellen regels
kan voor de onderscheidene regels of onderdelen daarvan
verschillend zijn;
4. De regels kunnen ten aanzien van de tarieven voor het
aan de houder van de concessie, de houder van een vergunning
onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
ter beschikking stellen van vaste verbindingen als bedoeld in
artikel 4b, eerste lid, afwijkende bepalingen bevatten.
5. De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen regels bevatten alleen verplichtingen ten aanzien van
het door de houder van een infrastructuurvergunning te
bereiken resultaat en niet ten aanzien van de wijze van
bedrijfsvoering om dit resultaat te bereiken.
6. De bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
stellen regels worden gegeven met inachtneming van een
bedrijfsmatige en op continuïteit gerichte exploitatie door de
houder van een infrastructuurvergunning.
7. Een beroep door de houder van een
infrastructuurvergunning, gedaan krachtens artikel 10, eerste
lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, op de
vertrouwelijkheid van aan het college verstrekte informatie
als bedoeld in het eerste lid, onder e, is alleen toegestaan,
indien die informatie redelijkerwijs als vertrouwelijk moet
worden aangemerkt.
8. In onvoorziene omstandigheden kan de houder van een
infrastructuurvergunning met machtiging van Onze Minister
tijdelijk afwijken van het ingevolge het tweede lid, onder a,
ter zake van de aanpassing van de tarieven bepaalde. Alvorens
Onze Minister beslist omtrent het verlenen van de machtiging
hoort hij het college.
4. Overige bepalingen
Artikel 10
1. De houder van de concessie onderscheidenlijk de houder
van een infrastructuurvergunning is gehouden bij de uitvoering
van de ingevolge deze wet op hem rustende verplichtingen
terzake van de verzorging van het internationale
telecommunicatieverkeer de daarop betrekking hebbende
verplichtingen na te komen, welke voortvloeien uit het op 6
november 1982 te Nairobi tot stand gekomen Internationaal
Telecommunicatieverdrag met daarbij behorende bijlagen en
reglementen (Trb. 1983, 164), zoals het thans luidt of nadien
is gewijzigd, en uit andere Nederland bindende verdragen of
besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
2. Onze Minister geeft in overeenstemming met Onze Minister
van Buitenlandse Zaken aan de houder van de concessie
onderscheidenlijk de houder van een
infrastructuurvergunningvoorschriften welke strekken tot:
a. het waarborgen van een goede toepassing van het eerste
lid;
b. het verlenen van de nodige medewerking aan Onze Minister
en Onze Minister van Buitenlandse Zaken bij de voorbereiding
van verdragen en besluiten als bedoeld in het eerste lid en
het in verband daarmee te voeren internationale overleg.
Artikel 11
1. De houder van de concessie kan toestaan dat de
uitoefening van het exclusieve recht krachtens de concessie
tot de aanleg, de instandhouding of de exploitatie van de
telecommunicatie-infrastructuur en van de terzake van de
uitoefening op hem ingevolge deze wet rustende verplichtingen
geheel of gedeeltelijk geschiedt door een andere
rechtspersoon, indien de desbetreffende rechtspersoon:
a. is opgericht in overeenstemming met het recht van een
der Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen,
b. het recht tot de aanleg, de instandhouding of de
exploitatie krachtens de concessie feitelijk uitoefent door
middel van een vestiging in de zin van artikel 1, eerste lid,
onder a of b, van de Handelsregisterwet,
c. een geplaatst kapitaal heeft dat voor ten minste 51
procent wordt verschaft door de houder van de concessie dan
wel door een rechtspersoon die voldoet aan het onder a tot en
met d bepaalde, en
d. een rechtspersoon is waarin de houder van de concessie
dan wel de rechtspersoon, bedoeld onder c, de bevoegdheid
heeft de meerderheid van de bestuurders te benoemen, te
schorsen en te ontslaan.
2. Onze Minister kan aan de houder van de concessie, op
diens verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid,
onder c en d gestelde eisen waaraan de in dat lid bedoelde
andere rechtspersoon moet voldoen. De ontheffing kan onder
beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften
worden verbonden.
3. In geval van toepassing van het eerste of tweede lid, is
de houder van de concessie jegens het college
verantwoordelijk. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste of
tweede lid, is jegens de houder van de concessie verplicht tot
naleving van de ingevolge deze wet op de houder van de
concessie rustende verplichtingen. De houder van de concessie
geeft aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste of tweede
lid, daartoe de nodige instructies die deze gehouden is op te
volgen.
4. In geval van toepassing van het eerste of tweede lid,
geldt het in de artikelen 3, vijfde lid, 5, 12, 13, 14, zesde
lid, 17, eerste lid, 18, 19, derde lid, onder a, 21, eerste
lid, 23, eerste en tweede lid, 25, tweede lid, 33, eerste lid,
36, 37 en 38 met betrekking tot de houder van de concessie
bepaalde mede ten aanzien van de rechtspersoon die krachtens
de toepassing van het eerste of tweede lid een exclusief recht
als daar bedoeld uitoefent.
5. De houder van de concessie deelt het college
voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid,
schriftelijk mede welke rechtspersoon de in dat lid bedoelde
aanleg, instandhouding of exploitatie geheel of gedeeltelijk
zal uitoefenen. Het college kan de houder van de concessie te
allen tijde verzoeken hem informatie te verstrekken over de
wijze waarop de houder van de concessie heeft verzekerd dat
wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid.
6. In de statutaire omschrijving van het doel van de
rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegeven
welke concessietaken door de desbetreffende rechtspersoon
zullen worden vervuld.
7. Onder toestaan als bedoeld in het eerste lid wordt
tevens begrepen het verlenen van medewerking aan overgang
onder algemene titel.
Artikel 12
1. De houder van de concessie onderscheidenlijk de houder
van een infrastructuurvergunning is voor de schade als gevolg
van het niet goed functioneren van de geconcessioneerde
telecommunicatie-infrastructuur onderscheidenlijk de
telecommunicatie-infrastructuur waarvoor een
infrastructuurvergunning is verleend en van tekortkomingen bij
de uitvoering van de krachtens artikel 4, eerste en vierde
lid, onderscheidenlijk artikel 4b, eerste en tweede lid, aan
hem opgedragen diensten en van de zorg voor vaste verbindingen
slechts aansprakelijk indien het schade betreft als gevolg
van:
a. dood of lichamelijk letsel;
b. een handelen in strijd met de artikelen 374, 374bis en
375 van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1984, 92);
c. het niet of onjuist verstrekken, het onzorgvuldig
beheren of verwerken van gegevens betreffende gebruikers van
de bedoelde diensten en van vaste verbindingen dan wel fouten
in administratieve inrichtingen samenhangend met die gegevens.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen
vastgesteld waarboven de aansprakelijkheid, bedoeld in het
eerste lid, zich niet uitstrekt, waarbij de hoogte van de
bedragen verschillend kan zijn voor onder meer de aard van de
gebeurtenis, de onderscheiden aan de houder van de concessie
onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
krachtens artikel 4, eerste en vierde lid, onderscheidenlijk
artikel 4b, tweede lid, opgedragen diensten en vaste
verbindingen.
3. De houder van de concessie onderscheidenlijk de houder
van een infrastructuurvergunning kan zich niet beroepen op een
uit het eerste en tweede lid voortvloeiende uitsluiting of
beperking van zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is
ontstaan uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij
met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en
met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
Artikel 13
Ter zake van de verzorging van het internationale
telecommunicatieverkeer is de houder van de concessie
onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
slechts aansprakelijk overeenkomstig de bepalingen van het
Internationaal Telecommunicatieverdrag met daarbij behorende
bijlagen en reglementen en andere Nederland bindende verdragen
of besluiten van volkenrechtelijke organisaties welke
betrekking hebben op het internationale
telecommunicatieverkeer.
HOOFDSTUK IIA VERGUNNINGEN VOOR SPECIFIEKE VORMEN VAN
OPENBARE MOBIELE TELECOMMUNICATIE
1. Vergunningen voor specifieke vormen van
openbare mobiele telecommunicatie
Artikel 13a
1. Door Onze Minister wordt op aanvraag vergunning verleend
voor de aanleg en instandhouding van
telecommunicatie-infrastructuur, nodig voor het voor derden
verzorgen van openbare mobiele telecommunicatiediensten door
middel van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
technische systemen.
2. De vergunning wordt verleend in het belang van een
doelmatige verzorging van de in het eerste lid bedoelde
diensten.
3. Een vergunning omvat niet de aanleg en instandhouding
van vaste verbindingen, bestaande in kabelverbindingen.
Artikel 13b
Bij algemene maatregel van bestuur wordt per technisch
systeem het aantal vergunningen bepaald dat kan worden
verleend. Het in de vorige volzin bedoelde aantal wordt
bepaald door de per systeem beschikbare radio-frequenties,
tenzij het aantal vergunningen per systeem bij algemene
maatregel van bestuur lager wordt gesteld, omdat een
doelmatige verzorging van de bij de vergunning opgelegde
diensten in het algemeen maatschappelijk en economisch belang
dit vordert.
Artikel 13c
1. De houder van een vergunning is gerechtigd alle mobiele
telecommunicatiediensten te verzorgen die mogelijk zijn door
middel van de hem toegestane telecommunicatie-infrastructuur
in samenhang met het desbetreffende technische systeem.
2. De houder van een vergunning is verplicht de bij de
vergunning opgelegde diensten landelijk te verzorgen en aan
een ieder tegen vergoeding het gebruik daarvan ter beschikking
te stellen.
3. De houders van een vergunning kunnen de diensten,
bedoeld in het eerste lid, door middel van gezamenlijke
telecommunicatie-infrastructuur aanbieden, mits onder hun
eigen naam en met inachtneming van de krachtens artikel 13l,
tweede lid, terzake voor hen geldende
vergunningsvoorschriften.
4. De houder van een vergunning kan de diensten, bedoeld in
het eerste lid, door een derde doen verrichten, met dien
verstande dat de diensten die de houder van de vergunning op
grond van het tweede lid zijn opgelegd, door de derde slechts
onder de naam van de houder van de vergunning mogen worden
verricht. Het in de vorige volzin met betrekking tot de derde
gestelde is niet van toepassing indien de derde niet is een
rechtspersoon, opgericht in overeenstemming met het recht van
een der Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen die zijn
statutaire zetel, zijn hoofdbestuur, of zijn hoofdvestiging
heeft binnen de Gemeenschap, danwel de derde niet kan aantonen
dat hij zich op een in rechte afdwingbare wijze heeft
verbonden een dergelijke rechtspersoon op te richten.
5. Bij toepassing van het vierde lid blijven de
verplichtingen van deze wet op de houder van de vergunning
toepasselijk.
6. De houder van de vergunning draagt er zorg voor dat de
derde, bedoeld in het vierde lid, de diensten uitvoert in
overeenstemming met de bij of krachtens de wet gestelde
voorschriften.
7. Indien de houder van een vergunning toepassing geeft aan
het bepaalde in het derde of vierde lid, doet hij daarvan
mededeling aan het college.
Artikel 13d
Het is de houder van een vergunning verboden de
telecommunicatie-infrastructuur waarop de vergunning
betrekking heeft, te gebruiken of te doen gebruiken voor
andere doeleinden dan de diensten die mogelijk zijn met het
desbetreffende technische systeem.
Artikel 13e
1. Tegelijkertijd met de verlening van een vergunning kent
Onze Minister bij beschikking tevens de radiofrequenties toe
ten behoeve van het uitvoeren van de vergunning.
2. Indien met toepassing van artikel 13i aan Koninklijke
PTT Nederland N.V. een vergunning wordt verleend, wordt onder
een toekenning als bedoeld in het eerste lid mede verstaan de
beschikking van Onze Minister dat reeds eerder aan Koninklijke
PTT Nederland N.V. als concessiehouder toegekende frequenties
kunnen worden aangewend voor de uitvoering van de vergunning.
3. Tijdens de looptijd van een vergunning kan Onze Minister
bij beschikking wijzigingen aanbrengen in de toegekende
radiofrequenties.
Artikel 13f
Het is anderen dan de houder van een vergunning verboden om
telecommunicatie-infrastructuur als bedoeld in artikel 13a,
aan te leggen of in stand te houden.
Artikel 13g
1. De houder van een vergunning dan wel de derde als
bedoeld in artikel 13c, vierde lid, dient de vergunning te
exploiteren door middel van een vestiging als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder a of b, van de
Handelsregisterwet. De houder van een vergunning dan wel de
derde, dient zijn boekhouding in Nederland te voeren. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de overige verplichtingen van de houder van
een vergunning. Deze betreffen:
a. de capaciteit, kwaliteit en eigenschappen, waaronder de
technische aftapbaarheid, van de
telecommunicatie-infrastructuur, bedoeld in artikel 13a,
eerste lid,
b. het gebruik van de radio-frequenties,
c. het instandhouden van een kwalitatief hoogwaardige en
innovatieve dienstverlening, aangepast aan de stand der
ontwikkelingen,
d. het instellen van een geschillencommissie voor bepaalde
groepen van gebruikers met betrekking tot de toepassing van
door de houder van een vergunning vast te stellen algemene
voorwaarden,
e. de verplichting zich te binden aan door Onze Minister
aan te wijzen, in internationaal verband gemaakte, afspraken
met betrekking tot de telecommunicatie-infrastructuur voor het
desbetreffende technische systeem en de daarmee te verlenen
diensten,
f. het verstrekken van informatie aan Onze Minister,
onderscheidenlijk het college, ten dienste van het toezicht op
de uitvoering van de vergunning en daaraan verbonden
voorschriften en op de uitvoering van het bepaalde bij of
krachtens deze wet.
2. De regels, bedoeld in het eerste lid, onder c,
betreffen:
a. de wijze en mate van dienstverlening, waarbij
onderscheid gemaakt kan worden tussen dienstaanbieders en
anderen,
b. de kenbaarheid van tarieven,
c. de beveiliging van de telecommunicatie-infrastructuur,
d. de geheimhouding met betrekking tot diensten, en
e. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met
betrekking tot diensten.
2. Verlening van vergunningen
Artikel 13h
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld omtrent de inhoud van aanvragen om een
vergunning en de daarbij over te leggen gegevens. Van de
aanvraag maakt in elk geval deel uit een technisch en
commercieel plan voor de aanleg, instandhouding en exploitatie
van de telecommunicatie-infrastructuur.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot de indiening en behandeling
van aanvragen om een vergunning. De procedure van behandeling
is ingericht op een per technisch systeem gelijktijdige
verlening van het beschikbare aantal vergunningen.
3. Een vergunning wordt geweigerd indien:
a. de aanvrager niet is een rechtspersoon, opgericht in
overeenstemming met het recht van een der Lid-Staten van de
Europese Unie of van een van de overige staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
en die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn
hoofdvestiging heeft binnen de Europese Economische Ruimte,
danwel de aanvrager niet kan aantonen dat hij zich op een in
rechte afdwingbare wijze heeft verbonden een dergelijke
rechtspersoon op te richten,
b. naar verwachting niet zal of kan worden voldaan aan het
bij of krachtens deze wet met betrekking tot vergunningen
bepaalde,
c. niet wordt voldaan aan de bij algemene maatregel van
bestuur aan de aanvragers te stellen eisen met betrekking tot
de liquiditeit, solvabiliteit, technische middelen, kennis en
ervaring, benodigd om de continuïteit van aanleg,
instandhouding en exploitatie van de desbetreffende
telecommunicatie-infrastructuur te waarborgen,
d. niet wordt doorstaan de vergelijkende toets tussen de
aanvragers en tussen de overeenkomstig het eerste lid bij de
aanvragen ingediende plannen op kwaliteitsaspecten, welke in
elk geval betreffen:
1. de onder c genoemde aspecten,
2. de kwaliteit van de te bieden
telecommunicatie-infrastructuur,
3. het voorgenomen gebruik van de beschikbare
radio-frequenties,
4. de diensten die de aanvrager zal aanbieden, en
5. de tarieven die de aanvrager zal toepassen voor de door
hem te leveren diensten.
Artikel 13i
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 13h verleent
Onze Minister aan Koninklijke PTT Nederland N.V. op aanvraag
een vergunning voor bij algemene maatregel van bestuur
aangewezen technische systemen. Van de aanvraag maakt in elk
geval deel uit een technisch en commercieel plan voor de
aanleg, instandhouding en exploitatie van de
telecommunicatie-infrastructuur.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag om een
vergunning als bedoeld in het eerste lid en de procedure
betreffende de indiening en behandeling daarvan.
3. Vooruitlopend op het verlenen van een vergunning
krachtens het eerste lid wordt aan Koninklijke PTT Nederland
N.V. een tijdelijke vergunning verleend, die van kracht wordt
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. Voor de
toepassing van de artikelen 13a, 13c, 13d, 13e, 13f, 13g, 13j,
13l, 13m, 13n, 13o, onder a, c en e, 13p, behoudens het
bepaalde in het tweede lid, onder d, 13q tot en met 13w, 41,
eerste lid, onder a, 48, vijfde lid, 48a, 54, 57, 59, 60,
eerste lid, 62, derde lid, en 64, eerste lid, wordt de
tijdelijke vergunning bedoeld in de vorige volzin, aangemerkt
als een vergunning krachtens artikel 13a.
Artikel 13j
In de vergunning wordt aangegeven voor welke
telecommunicatie-infrastructuur en voor welke opgelegde
diensten de vergunning strekt.
Artikel 13k
1. Vergunningen worden verleend voor een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen duur. Deze duur kan per
technisch systeem verschillend zijn.
2. Uiterlijk twee jaar voor de afloop van de
geldigheidsduur van een vergunning geeft Onze Minister aan de
houder van de vergunning kennis of de vergunning kan worden
verlengd en - indien dit het geval is - voor welke periode. De
in de eerste volzin bedoelde besluiten van Onze Minister zijn
gelijk ten aanzien van alle vergunningen, die voor hetzelfde
technische systeem zijn verleend. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt de procedure bepaald volgens welke
verlenging plaatsvindt.
Artikel 13l
1. Onze Minister kan aan een vergunning voorschriften en
beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen
kunnen worden gewijzigd. Alvorens Onze Minister een besluit
neemt met betrekking tot voorschriften en beperkingen, hoort
hij het college.
2. De voorschriften hebben in elk geval betrekking op:
a. de dekkingsgraad van de eigen
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de
desbetreffende vergunning,
b. de termijn waarop de houder van de desbetreffende
vergunning de telecommunicatie- infrastructuur, bedoeld onder
a, dient te hebben aangelegd,
c. de diensten die moeten worden aangeboden,
d. de termijn waarop de houder van de desbetreffende
vergunning de onder c bedoelde diensten landelijk dekkend
dient aan te bieden, en
e. de tarieven waartegen de houder van de desbetreffende
vergunning de onder c bedoelde diensten ten hoogste mag
aanbieden, met dien verstande dat dit voorschrift alleen
betrekking heeft op een periode van zes maanden, gerekend
vanaf het tijdstip waarop de houder van de vergunning als
zodanig aanvangt met het verzorgen van diensten.
3. Onze Minister kan aan een beschikking houdende
toekenning van radio-frequenties voorschriften en beperkingen
verbinden. Deze voorschriften en beperkingen kunnen worden
gewijzigd.
Artikel 13m
Van de verlening van een vergunning, van de beschikking
houdende toekenning van radio-frequenties en van de verlenging
van een vergunning wordt zo spoedig mogelijk mededeling gedaan
in de Staatscourant onder vermelding van het tijdstip waarop
de vergunning en de beschikking van kracht worden.
Artikel 13n
De houder van een vergunning is verplicht de vergunning,
zodra deze rechtskracht heeft verkregen, in al haar onderdelen
uit te voeren en met deze uitvoering onverwijld te beginnen.
3. Telecommunicatie-infrastructuur
Artikel 13o
De houder van een vergunning is, onverminderd zijn
bevoegdheid krachtens artikel 13a, gerechtigd bij de aanleg en
instandhouding van zijn telecommunicatie-infrastructuur
gebruik te maken van vaste verbindingen die:
a. hem door de houder van de concessie met toepassing van
artikel 4, tweede lid, ter beschikking zijn gesteld,
b. hem door de houder van een infrastructuurvergunning met
toepassing van artikel 4b, eerste lid, ter beschikking zijn
gesteld,
c. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de
vaste verbinding met toepassing van artikel 4, tweede lid, of
artikel 4b, eerste lid, heeft gehuurd van de houder van de
concessie onderscheidenlijk de houder van een
infrastructuurvergunning, ter beschikking zijn gesteld,
d. hem door een machtiginghouder met toepassing van artikel
22, tweede lid, onder a, dan wel artikel 23a, ter beschikking
zijn gesteld, of
e. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de
vaste verbinding met toepassing van artikel 22, tweede lid,
onder a, of artikel 23a heeft gehuurd van een geregistreerde
houder van een machtiging voor een draadomroepinrichting als
bedoeld in artikel 22a onderscheidenlijk de geregistreerde
houder van een machtiging voor een kabelinrichting als bedoeld
in artikel 23a ter beschikking zijn gesteld, of
f. door hemzelf met toepassing van artikel 13r zijn
aangelegd.
4. Koppelingen telecommunicatie-infrastructuur
Artikel 13p
1. De houder van een vergunning mag koppelingen tot stand
brengen of doen brengen tussen zijn
telecommunicatie-infrastructuur en de geschakelde
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de
concessie, tussen zijn telecommunicatie-infrastructuur en de
telecommunicatie-infrastructuur van een andere houder van een
vergunning alsmede tussen zijn telecommunicatie-infrastructuur
en een telecommunicatie-infrastructuur of
telecommunicatie-inrichting buiten Nederland.
2. De houder van een vergunning is gerechtigd bij het tot
stand brengen van koppelingen als bedoeld in het eerste lid
gebruik te maken van vaste verbindingen die:
a. hem door de houder van de concessie met toepassing van
artikel 4, tweede lid, ter beschikking zijn gesteld,
b. hem door de houder van een infrastructuurvergunning met
toepassing van artikel 4b, eerste lid, ter beschikking zijn
gesteld,
c. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de
vaste verbinding met toepassing van artikel 4, tweede lid, of
artikel 4b, eerste lid, heeft gehuurd van de houder van de
concessie onderscheidenlijk de houder van een
infrastructuurvergunning, ter beschikking zijn gesteld,
d. hem door een machtiginghouder met toepassing van artikel
23a, dan wel artikel 22, tweede lid, onder a, ter beschikking
zijn gesteld,
e. hem door de huurder van een vaste verbinding, die de
vaste verbinding met toepassing van artikel 22, tweede lid,
onder a, of artikel 23a heeft gehuurd van een geregistreerde
houder van een machtiging voor een kabelinrichting als bedoeld
in artikel 23a ter beschikking zijn gesteld, of
f. door hemzelf met toepassing van artikel 13r zijn
aangelegd.
3. vervallen
4. vervallen
Artikel 13q
1. Indien de houder van een vergunning en de houder van de
concessie geen overeenstemming bereiken over de voorwaarden
waaronder de houder van de concessie met toepassing van
artikel 4, voorzieningen of vaste verbindingen ter beschikking
wil stellen ten behoeve van de koppeling tussen de
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de
vergunning en de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur
van de houder van de concessie, of weigert daartoe een aanbod
te doen, kan de houder van een vergunning het college
verzoeken hierover een oordeel te geven.
2. De houder van de concessie en de houder van een
vergunning zijn verplicht aan het college binnen twee weken
alle benodigde gegevens te verstrekken die nodig zijn om een
oordeel als bedoeld in het eerste lid te geven.
3. Het college geeft binnen acht weken na het in het eerste
lid bedoelde verzoek, een oordeel. Indien het oordeel inhoudt
dat de door de houder van de concessie aangeboden voorwaarden
onredelijk zijn, of dat de houder van de concessie niet mocht
weigeren een aanbod te doen, kan het college een aanwijzing
als bedoeld in artikel 43 geven. De houder van de concessie is
verplicht deze aanwijzing op te volgen.
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, kan door het
college met ten hoogste 12 weken worden verlengd. Degene die
een verzoek heeft gedaan alsmede de andere betrokkene, bedoeld
in het eerste lid, worden van een verlenging uiterlijk een
week voor afloop van de termijn in kennis gesteld.
Artikel 13r
1. Indien de houder van de concessie niet bereid of in
staat is de door de houder van een vergunning gevraagde
kabelverbindingen ten behoeve van de
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de
vergunning of ten behoeve van een krachtens artikel 13p
toegestane koppeling binnen een redelijke termijn en op
redelijke voorwaarden aan de houder van een vergunning ter
beschikking te stellen, verleent het college op aanvraag aan
de houder van een vergunning toestemming voor het geheel of
gedeeltelijk in, op of boven openbare gronden aanleggen, in
stand houden en gebruiken van een aan die kabelverbindingen
gelijkwaardige voorziening.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het een
koppeling van de telecommunicatie- infrastructuur van de
houder van de vergunning en de geschakelde
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie
betreft, indien de houder van de vergunning ter zake een
verzoek heeft ingediend als bedoeld in artikel 13q, eerste
lid.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorschriften gegeven omtrent de procedure voor de verlening
van de toestemming als bedoeld in het eerste lid.
4. De artikelen 13l, eerste lid, en 13m zijn van
overeenkomstige toepassing.
5. Diensten
Artikel 13s
1. De houder van een vergunning is verplicht te voldoen aan
redelijke verzoeken van dienstaanbieders om voorzieningen ter
beschikking te stellen ten behoeve van of direct verband
houdende met het door hen aan derden aanbieden van mobiele
telecommunicatiediensten. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in dit lid
bedoelde voorzieningen.
2. De houder van een vergunning stelt de in het vorige lid
bedoelde voorzieningen ter beschikking op door hem daarvoor te
bepalen en bekend te maken objectieve en niet-discriminatoire
voorwaarden betreffende tarieven en technische specificaties.
3. De houder van de vergunning gaat bij zijn aanbod uit van
de door de dienstaanbieder gevraagde voorzieningen, tenzij
deze technisch niet mogelijk zijn, de integriteit van de
telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de
vergunning in gevaar brengen of redelijkerwijs niet
noodzaklijk zijn voor een doelmatige verzorging van de
diensten van de dienstaanbieder.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald in welke gevallen de houder van een vergunning niet
gehouden is aan het bepaalde in het eerste lid te voldoen.
5. Artikel 13d is van overeenkomstige toepassing op de
dienstaanbieder.
6. Overige bepalingen
Artikel 13t
De artikelen 6, eerste lid, 10, 11, eerste tot en met derde
lid, en vijfde tot en met zevende lid, en 12 zijn van
overeenkomstige toepassing voor de houder van een vergunning.
Artikel 13u
1. De houder van een vergunning kan zijn vergunning niet
aan een ander overdragen, tenzij hij daartoe van Onze Minister
toestemming heeft verkregen.
2. De toestemming wordt geweigerd indien de houder van een
vergunning zijn vergunning wenst over te dragen aan:
a. de houder van de concessie, dan wel aan een
dochtermaatschappij daarvan als bedoeld in artikel 24a, eerste
en tweede lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
b. een andere houder van een vergunning voor hetzelfde
technische systeem, dan wel aan een dochtermaatschappij
daarvan als bedoeld in artikel 24a, eerste en tweede lid, van
boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of
c. de Staat der Nederlanden, dan wel aan een rechtspersoon
waarvan de Staat der Nederlanden middellijk dan wel
onmiddellijk voor meer dan de helft van het geplaatste
kapitaal aandeelhouder is.
3. Onze Minister kan aan de toestemming voorschriften en
beperkingen verbinden.
Artikel 13v
Onze Minister kan een vergunning slechts intrekken indien:
a. de houder van een vergunning de bij of krachtens deze
wet gestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden
voorschriften en beperkingen niet nakomt;
b. de houder van een vergunning in staat van faillissement
is verklaard dan wel hem surséance van betaling is verleend;
c. een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het
algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert;
d. de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de
vergunning ernstig gevaar zal opleveren voor de veiligheid van
de Staat of de rechtsorde;
e. de vergunning niet onverwijld wordt uitgevoerd;
f. de gronden waarop de vergunning is verleend zijn
vervallen.
Artikel 13w
1. Het college kent aan de houders van een vergunning
nummers toe of kan voor hen nummers reserveren, waarbij
voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld.
2. Bij de verdeling van deze nummers maakt het college,
behoudens het bepaalde in artikel 13x, geen onderscheid tussen
de houders van een vergunning voor hetzelfde technische
systeem.
7. Bepalingen in verband met de ongelijke startpositie
van houders van een vergunnning
Artikel 13x
1. Onze Minister kan, onverminderd het bepaalde in artikel
13l, aan de vergunning van Koninklijke PTT Nederland N.V. voor
een bepaald technisch systeem voorschriften en beperkingen
verbinden, die ertoe strekken tussen deze houder van een
vergunning en een andere houder van een vergunning voor het
desbetreffende technische systeem de ongelijkwaardigheid in de
mededingingspositie te verminderen, welke het gevolg is van de
mogelijkheden van Koninklijke PTT Nederland N.V. om als houder
van de concessie of als houder van een vergunning of van de
tijdelijke vergunning, bedoeld in artikel 13i, derde lid, op
een eerder tijdstip dan die andere houder van een vergunning
tot aanleg en exploitatie van telecommunicatie-infrastructuur
voor dat systeem over te gaan.
2. Onze Minister geeft aan het eerste lid uitsluitend
toepassing op verzoek van een andere houder van een vergunning
als bedoeld in het eerste lid.
3. De voorschriften en beperkingen kunnen, afhankelijk van
het verzoek en onverminderd het bepaalde in artikel 13s,
inhouden de beide volgende verplichtingen of één daarvan:
a. 1 het er aan medewerken, gedurende een door Onze
Minister te bepalen periode, dat de verzoeker als
dienstaanbieder de diensten kan aanbieden, die Koninklijke PTT
Nederland N.V. als vergunninghouder krachtens artikel 13j
verplicht is over haar telecommunicatie-infrastructuur te
verzorgen, met dien verstande dat Koninklijke PTT Nederland
N.V. deze diensten alsdan dient te verzorgen niet alleen met
gebruikmaking van haar nummers, maar ook, uitsluitend ten
behoeve van de verzoeker, met gebruikmaking van de nummers van
verzoeker, en
2. het er aan medewerken, gedurende een door Onze Minister
te bepalen periode na het verlopen van de onder 1 bedoelde
periode, dat de verzoeker als houder van de vergunning met
gebruikmaking van zijn nummers ten dele over de
telecommunicatie-infrastructuur van Koninklijke PTT Nederland
N.V., de onder 1 bedoelde diensten kan verzorgen en aanbieden,
of
b. het bieden van de mogelijkheid aan de gebruikers van de
diensten die door Koninklijke PTT Nederland N.V. over haar
telecommunicatie-infrastructuur met gebruikmaking van haar
nummers worden verzorgd, om hun oorspronkelijke abonneenummer
te behouden indien zij ervoor kiezen mobiele
telecommunicatiediensten over de
telecommunicatie-infrastructuur van de verzoeker te laten
verzorgen.
HOOFDSTUK III TELECOMMUNICATIE-INRICHTINGEN
1. Inleidende bepalingen
Artikel 14
1. Het is degene die krachtens paragraaf 2 van dit
hoofdstuk is gerechtigd een telecommunicatie- inrichting aan
te leggen, in stand te houden of te gebruiken verboden die
inrichting te gebruiken of te doen gebruiken voor het voor
derden verzorgen van:
a. diensten omschreven krachtens artikel 4, eerste lid, of
b. het directe transport van gegevens met uitzondering van:
1 die mobiele diensten waartoe de inrichting mag worden
gebruikt krachtens een machtiging als bedoeld in artikel 17,
eerste lid, of een aanwijzing als bedoeld in artikel 17,
tweede lid, en
2 niet mobiele diensten, met uitzondering van de
spraaktelefoondienst en de telexdienst, waartoe de inrichting
mag worden gebruikt krachtens een machtiging als bedoeld in
artikel 17, eerste lid. Artikel 7, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing. Het verbod op de
spraaktelefoondienst en de telexdienst geldt tot 1 juli 1997.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet indien de
desbetreffende handelingen worden verricht in het kader van
een toegevoegde waardedienst.
3. Het is degene die krachtens paragraaf 2 van dit
hoofdstuk gerechtigd is een telecommunicatie- inrichting, niet
zijnde een inrichting voor satellietverbindingen, aan te
leggen, in stand te houden of te gebruiken verboden die
inrichting geheel of ten dele aan een derde ter beschikking te
stellen.
4. Met betrekking tot het gebruik van een
telecommunicatie-inrichting als bedoeld in paragraaf 4 van dit
hoofdstuk is het bepaalde in de artikelen 7, 7a, 7b van
overeenkomstige toepassing.
5. Onze Minister kan ten aanzien van een
telecommunicatie-inrichting als bedoeld in artikel 17, waarop
artikel 18 niet van toepassing is, van het verbod in het
eerste lid ontheffing verlenen voor telecommunicatie tussen
gebruikers van een bepaalde bij die ontheffing aan te geven
categorie, indien de houder van de concessie niet bereid is of
niet in staat is binnen redelijke termijn en tegen redelijke
voorwaarden het gebruik van een gelijkwaardige voorziening ter
beschikking te stellen.
6. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
worden verbonden in verband met het doel waarvoor de
ontheffing wordt verleend.
7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
de bij of krachtens de Mediawet toegestane verspreiding van
programma's door middel van de in het vijfde lid bedoelde
inrichtingen.
Artikel 14a
Het bepaalde in de artikelen 7a en 7b is van
overeenkomstige toepassing op het voor derden verzorgen van
telecommunicatiediensten over satellietverbindingen.
Artikel 15
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld ten aanzien van de totstandkoming van
besluiten tot verlening, wijziging of intrekking van een
machtiging voor een telecommunicatie-inrichting, als bedoeld
in de artikelen 17, eerste lid, 19, derde lid onder a, 21,
eerste en derde lid, 22, tweede lid, 23, eerste lid, en van
een ontheffing als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, en 25,
tweede lid.
2. Deze regels kunnen slechts betrekking hebben op:
a. de wijze waarop een aanvraag tot verlening, wijziging of
intrekking van een machtiging of een ontheffing wordt
ingediend en behandeld, en de wijze waarop de ambtshalve
wijziging of intrekking van een machtiging of een ontheffing
wordt voorbereid;
b. de gegevens die bij een aanvraag tot verlening,
wijziging of intrekking van een machtiging of een ontheffing
worden verstrekt;
c. de termijn waarbinnen op de aanvraag wordt beslist.
2. Radio-elektrische zend- en ontvanginrichtingen
Artikel 16
Voor de toepassing van deze paragraaf en artikel 26 worden
met radio-elektrische zendinrichtingen gelijkgesteld:
a. elke samenvoeging van onderdelen, geschikt om daarmede
een radio-elektrische zendinrichting dan wel ingevolge het
bepaalde onder b daarmee gelijkgestelde inrichting te vormen;
b. de bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven
elektrische of elektronische inrichtingen die geschikt zijn om
door gebruik te zamen met een radio-elektrische zendinrichting
een radio-elektrische zendinrichting te vormen met andere
technische eigenschappen.
Artikel 17
1. Het is anders dan krachtens de concessie, krachtens een
landelijke infrastructuurvergunning of krachtens een
vergunning verboden radio-elektrische zendinrichtingen aan te
leggen, aanwezig te hebben of te gebruiken, tenzij met
machtiging van Onze Minister.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
worden aangewezen:
a. radio-elektrische zendinrichtingen waarvoor geen
machtiging als bedoeld in het eerste lid is vereist;
b. overheidsinstanties en categorieën van natuurlijke of
rechtspersonen die in daarbij te omschrijven gevallen zijn
vrijgesteld van het vereiste van een machtiging als bedoeld in
het eerste lid.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
ten aanzien van welke radio- elektrische zendinrichtingen de
aanleg, het aanwezig hebben of het gebruik zonder de daartoe
vereiste machtiging, als misdrijf wordt strafbaar gesteld.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de in het eerste lid bedoelde machtigingen;
b. de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van
radio-elektrische zendinrichtingen, ongeacht of daarvoor een
machtiging is vereist.
5. De in het vierde lid bedoelde regels strekken ter
waarborging van een doelmatig gebruik van de ether. Zij kunnen
mede strekken ten dienste van een doelmatige verzorging van de
telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch
belang.
6. De in het vierde lid bedoelde regels kunnen slechts
betrekking hebben op:
a. het verlenen van machtigingen als bedoeld in het eerste
lid, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt naar de aard
van de radio-elektrische zendinrichting en het doel waarvoor
de machtiging wordt verleend, alsmede de aan die machtigingen
te verbinden voorschriften en beperkingen;
b. de bevoegdheid tot het bedienen van daarbij te
omschrijven categorieën van radio- elektrische
zendinrichtingen;
c. de aan radio-elektrische zendinrichtingen te stellen
technische eisen, de keuring, de toelating en de registratie
van deze inrichtingen alsmede het vaststellen en het
aanbrengen van een keurmerk op daarbij aan te wijzen
radio-elektrische zendinrichtingen; de te stellen regels
hebben geen betrekking op onderwerpen die geregeld kunnen
worden krachtens hoofdstuk V;
d. het voorkomen en opheffen van belemmeringen die
radio-elektrische zend-inrichtingen teweeg brengen in daarbij
te omschrijven inrichtingen en de behandeling van klachten
over ondervonden belemmeringen;
e. het maken van handelsreclame voor radio-elektrische
zendinrichtingen, waarvan het gebruik bij of krachtens de wet
is verboden;
f. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf
vervaardigen, verhandelen, installeren of herstellen van
radio-elektrische zendinrichtingen;
g. hetgeen nodig is ter uitvoering van Nederland bindende
verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
7. Een machtiging wordt geweigerd indien:
a. verlening daarvan in strijd zou zijn met de krachtens
het vierde lid of artikel 30b, eerste lid, onder a, gestelde
regels;
b. een doelmatig gebruik van de ether dit vordert;
c. een doelmatige verzorging van de telecommunicatie in het
algemeen maatschappelijk en economisch belang dit vordert;
d. deze is gevraagd voor het verspreiden van programma's en
de verlening in strijd zou zijn met de Radio-Omroep-Zender-Wet
1935 (Stb. 403) of daarvoor geen zendtijd is verkregen of geen
toestemming is verleend krachtens de Mediawet.
8. Het zevende lid, onder c, is niet van toepassing op een
machtigingsaanvraag die tot doel heeft het gebruik van de in
de aanvraag omschreven radio-elektrische zendinrichtingen ten
behoeve van het voor derden verzorgen van het transport van
gegevens met en tussen mobiele gebruikers.
9. Een machtiging kan voorts slechts worden geweigerd
indien:
a. Een eerder verleende machtiging als bedoeld in het
eerste lid is ingetrokken wegens overtreding van de bij of
krachtens deze wet gestelde regels dan wel van de aan de
machtiging verbonden voorschriften of beperkingen;
b. de aanvrager niet heeft voldaan aan nog op hem rustende
verplichtingen welke voortvloeien uit een eerder aan hem
verleende machtiging;
c. de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens
artikel 15 gestelde regels.
10. Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien:
a. de houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet
gestelde regels dan wel de aan de machtiging verbonden
voorschriften en beperkingen niet nakomt;
b. een doelmatig gebruik van de ether dit vordert;
c. de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de
machtiging ernstig gevaar zal opleveren voor de veiligheid van
de Staat of de rechtsorde;
d. de gronden waarop de machtiging is verleend zijn
vervallen.
11. Het college kan aan de houder van een machtiging
nummers toekennen of voor hem nummers reserveren ten behoeve
van het verzorgen van telecommunicatiediensten over zijn
radio-elektrische zendinrichtingen door hemzelf of door
derden, waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden
gesteld.
Artikel 18
Tot 1 januari 1997 wordt in afwijking van artikel 17,
zevende lid onder c, een machtiging voor het aanleggen,
aanwezig hebben of gebruiken van een radio-elektrische
zendinrichting, die is bestemd voor het tussen vaste punten
tot stand brengen van een of meer verbindingen, niet zijnde
satellietverbindingen, welke dienen voor telecommunicatie die,
geheel of gedeeltelijk, openbare grond overschrijdt, geweigerd
indien:
a. de houder van de concessie bereid en in staat is binnen
een redelijke termijn en tegen redelijke voorwaarden het
gebruik van een aan zodanige verbinding gelijkwaardige
voorziening ter beschikking te stellen, of
b. anderszins een doelmatige verzorging van de
telecommunicatie in het algemeen maatschappelijk en economisch
belang zich tegen verlenen van machtiging verzet.
Artikel 19
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
ten aanzien van radio-elektrische ontvanginrichtingen, die
niet uitsluitend zijn bestemd voor de ontvangst van
programma's, regels worden gesteld.
2. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde regels
is het bepaalde in artikel 17, zesde lid, aanhef en onder c
tot en met f, van overeenkomstige toepassing, zij het dat van
overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 17,
zesde lid onder c, ten aanzien van het stellen van eisen is
uitgezonderd het stellen van eisen welke betrekking hebben op
te ontvangen radio-frequenties.
3. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen voorts
slechts betrekking hebben op:
a. het stellen van het vereiste van een machtiging van Onze
Minister voor de aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik
van daarbij aan te geven soorten ontvanginrichtingen anders
dan krachtens de concessie in het belang van de bescherming
van de rechten van derden in het radioverkeer dan wel de
nakoming van Nederland bindende verdragen en besluiten van
volkenrechtelijke organisaties, alsmede de aan zodanige
machtiging te verbinden voorschriften en beperkingen;
b. het gebruik van hetgeen met een ontvanginrichting kan
worden opgevangen ter bescherming van de rechten van derden.
4. Een machtiging als bedoeld in het derde lid onder a kan
slechts worden geweigerd indien:
a. de bescherming van rechten van derden in het
radioverkeer dit vordert;
b. de nakoming van Nederland bindende verdragen of
besluiten van volkenrechtelijke organisaties dit vordert;
c. de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens
artikel 15 gestelde regels.
5. Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien de
houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet gestelde
regels dan wel de aan de machtiging verbonden voorschriften en
beperkingen niet nakomt.
6. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op
radio-elektrische ontvanginrichtingen welke deel uitmaken van
een draadomroepinrichting.
Artikel 20
1. Voor radio-elektrische zend- of ontvanginrichtingen aan
boord van:
a. andere dan Nederlandse schepen, die zich bevinden in de
Nederlandse wateren, of
b. andere dan Nederlandse luchtvaartuigen die zich bevinden
in het Nederlandse luchtruim of op het Nederlandse
grondgebied, is geen machtiging vereist krachtens artikel 17
of 19 indien daarvoor een vergunning is afgegeven in
overeenstemming met het Internationaal Telecommunicatieverdrag
met daarbij behorende bijlagen en reglementen.
2. Onze Minister kan regels stellen voor het gebruik van de
in het eerste lid bedoelde radio- elektrische
zendinrichtingen.
3. Draadomroepinrichtingen
Artikel 21
1. Het is anders dan krachtens de concessie of krachtens
een landelijke infrastructuurvergunning verboden een
draadomroepinrichting aan te leggen, in stand te houden, te
exploiteren of te doen exploiteren, tenzij met machtiging van
het college.
2. Van het verbod in het eerste lid zijn vrijgesteld de
door Onze Minister aan te wijzen categorieën
draadomroepinrichtingen van zeer geringe omvang, die voldoen
aan door Onze Minister te stellen regels met betrekking tot de
techniek van die inrichtingen. Van het voornemen tot zodanige
aanwijzing doet Onze Minister mededeling aan Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
3. Het college kan een machtiging verlenen voor het
aanleggen, in stand houden en exploiteren van andere dan in
het tweede lid bedoelde draadomroepinrichtingen die de grenzen
van een gemeente niet overschrijden.
4. Aan een machtiging kunnen voorschriften en beperkingen
worden verbonden die slechts betrekking kunnen hebben op:
a. het aantal woningen of het gebied in een gemeente,
waarvoor de machtiging wordt verleend en waarvoor de
aansluitingsplicht geldt;
b. de techniek, structuur en kwaliteit van de inrichting;
c. Het voorkomen dat de opbrengst van het verspreiden van
programma's wordt aangewend voor kruissubsidiëring van andere
krachtens deze wet verrichte activiteiten.
d. een verplichte signaallevering aan andere
draadomroepinrichtingen;
e. de verplichting om binnen een bepaalde termijn nadat de
machtiging rechtskracht heeft gekregen de
draadomroepinrichting aan te leggen.
5. Een machtiging kan slechts worden geweigerd:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan de daarvoor
krachtens artikel 15 gestelde regels;
b. indien niet voldaan wordt aan de krachtens artikel 30b,
eerste lid, onder a, gestelde regels;
c. indien de aanvrager niet over voldoende technische en
financiële middelen beschikt om de continuïteit van de
exploitatie van de draadomroepinrichting te waarborgen;
d. indien voor het gebied waarop de aanvraag betrekking
heeft reeds een machtiging is verleend.
6. Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien:
a. de houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet
gestelde regels dan wel de aan de machtiging verbonden
voorschriften en beperkingen niet nakomt;
b. indien de houder van de machtiging niet langer over
voldoende technische en financiële middelen beschikt om de
continuïteit van de exploitatie van de draadomroepinrichting
te waarborgen;
c. de gronden waarop de machtiging is verleend zijn
vervallen.
Artikel 22
1. De houder van een machtiging voor een
draadomroepinrichting als bedoeld in artikel 21 is gerechtigd
deze te exploiteren of te doen exploiteren voor het
verspreiden van programma's, daaronder begrepen toetsbeelden,
zoals is geregeld in het bepaalde bij of krachtens de
Mediawet.
2. De houder van een machtiging voor een
draadomroepinrichting is met inachtneming van het hierna
bepaalde tevens bevoegd om:
a. aan derden het gebruik van vaste verbindingen ter
beschikking te stellen;
b. telecommunicatiediensten voor derden over zijn
draadomroepinrichting te verzorgen of te doen verzorgen. De
artikelen 7, 7a en 7b zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Het college kan aan de houder van een machtiging nummers
toekennen of voor hem nummers reserveren ten behoeve van het
verzorgen van telecommunicatiediensten over zijn
draadomroepinrichting door hemzelf of door derden, waarbij
voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld.
Artikel 22a
1. Het is de houder van een machtiging voor een
draadomroepinrichting slechts toegestaan vaste verbindingen
aan derden ter beschikking stellen indien hij zich daartoe
door het college heeft laten registreren.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot:
a. de wijze waarop een aanvraag tot registratie wordt
ingediend en behandeld;
b. de inhoud van aanvragen tot registratie en de daarbij
over te leggen gegevens.
3. Het college houdt een register waarin zijn ingeschreven
de houders van een machtiging voor een draadomroepinrichting
die ingevolge een registratie vaste verbindingen aan derden
ter beschikking mogen stellen.
4. In de maand januari van elk jaar wordt door het college
een lijst van de in het register ingeschreven houders van een
draadomroepinrichting naar de stand van 31 december van het
voorafgaande jaar in de Staatscourant geplaatst. Deze
plaatsing zal de eerste keer plaatsvinden in de maand januari
van het jaar 1997.
5. Het college houdt een afschrift van het register voor
een ieder kosteloos ter inzage op een door het college bekend
te maken plaats.
6. Een registratie wordt beëindigd indien:
a. aan de houder van een machtiging voor een
draadomroepinrichting of met diens instemming aan de
exploitant van de draadomroepinrichting een
infrastructuurvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2
van de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur;
b. naar het oordeel van het college afbreuk wordt gedaan
aan de door deze wet beoogde doelmatige verzorging van de
telecommunicatie en de daartoe tot stand te brengen
mededinging op het terrein waarop de registratie betrekking
heeft.
7. Een registratie kan voorts slechts worden beëindigd
indien:
a. de krachtens artikel 21 verleende machtiging voor een
draadomroepinrichting is ingetrokken;
b. de houder van een machtiging voor een
draadomroepinrichting de krachtens artikel 22b gestelde regels
niet nakomt;
c. de naleving van een bindend besluit van een instelling
van de Europese Unie dit vordert;
d. de houder van een machtiging voor een
draadomroepinrichting bij de aanvraag tot registratie onjuiste
gegevens heeft verstrekt.
Artikel 22b
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het aan derden aanbieden van vaste verbindingen
door de houder van een machtiging voor een
draadomroepinrichting alsmede met betrekking tot het gebruiken
of doen gebruiken van capaciteit van een draadomroepinrichting
voor het voor derden verzorgen of doen verzorgen van
telecommunicatiediensten. Deze regels hebben betrekking op:
a. het aanbrengen van technische voorzieningen ter
waarborging van het goed functioneren van de
draadomroepinrichting voor het verspreiden van programma's;
b. de technische aftapbaarheid van de
draadomroepinrichting;
c. de naleving van een bindend besluit van een instelling
van de Europese Unie;
d. de uitgangspunten en maatstaven voor de wijzen van
dienstverlening;
e. het opstellen van een financiële verantwoording van
activiteiten bedoeld in artikel 22, tweede lid, onder a, en
van het gebruik of doen gebruiken van capaciteit van een
draadomroepinrichting voor activiteiten bedoeld in artikel 22,
tweede lid, onder b, gescheiden van andere activiteiten die
worden verricht krachtens deze wet;
f. in geval de houder van een machtiging voor een
draadomroepinrichting een dochtermaatschappij als bedoeld in
artikel 24a, eerste en tweede lid, van Boek 2 Burgerlijk
Wetboek is van de houder van de concessie onderscheidenlijk de
houder van een landelijke infrastructuurvergunning: het
opstellen van een gescheiden financiële verantwoording terzake
van de exploitatie van de concessie onderscheidenlijk de
landelijke infrastructuurvergunning en de activiteiten
krachtens de artikel 22, tweede lid, onder a;
g. het verstrekken van informatie aan het college ten
dienste van het toezicht op de uitvoering van het krachtens de
onderdelen d, e en f bepaalde.
Artikel 22c
Het is de houder van een machtiging voor
draadomroepinrichting verboden om te handelen in strijd met de
artikelen 22a en 22b.
Artikel 22d
Met betrekking tot het gebruik van vaste verbindingen die
behoren tot de telecommunicatie-infrastructuur van een
draadomroepinrichting, door anderen dan de houder van een
machtiging voor een draadomroepinrichting, is het bepaalde in
de artikelen 7, 7a en 7b van overeenkomstige toepassing.
4. Telecommunicatie-inrichting met gebruik van
kabels en kabelwerken
Artikel 23
1. Het is, onverminderd het bepaalde in artikel 13o, anders
dan krachtens de concessie of krachtens een
infrastructuurvergunning verboden een inrichting bestemd voor
telecommunicatie door middel van kabels en kabelwerken, die
geen draadomroepinrichting is, geheel of gedeeltelijk in, op
of boven openbare gronden aan te leggen, in stand te houden en
te gebruiken, tenzij met machtiging van het college.
2. Een machtiging voor zodanige inrichting zal worden
geweigerd indien niet voldaan wordt aan de krachtens artikel
30b, eerste lid, onder a, gestelde regels.
3. Een machtiging kan voorts worden geweigerd indien de
aanvraag niet voldoet aan de daarvoor krachtens artikel 15
gestelde regels.
4. Aan een machtiging kunnen voorschriften en beperkingen
worden verbonden die slechts betrekking kunnen hebben op:
a. de duur van de machtiging;
b. de techniek en structuur van de inrichting;
5. Een machtiging kan slechts worden ingetrokken indien:
a. de houder van de machtiging de bij of krachtens deze wet
gestelde regels dan wel de aan de machtiging verbonden
voorschriften en beperkingen niet nakomt;
b. de gronden waarop de machtiging is verleend zijn
vervallen.
6. Het college kan aan de houder van een machtiging nummers
toekennen of voor hem nummers reserveren ten behoeve van het
verzorgen van telecommunicatiediensten over zijn
telecommunicatie-inrichting door hemzelf of door derden,
waarbij voorschriften en beperkingen kunnen worden gesteld.
Artikel 23a
1. Het is de houder van een machtiging voor een
telecommunicatie-inrichting met gebruik van kabels en
kabelwerken als bedoeld in artikel 23 slechts toegestaan vaste
verbindingen aan derden ter beschikking te stellen nadat hij
zich daartoe door het college heeft laten registreren.
2. Met betrekking tot de registratie, bedoeld in het eerste
lid, is het bepaalde in artikel 22a, tweede tot en met zevende
lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23b
Met betrekking tot het aan derden aanbieden van vaste
verbindingen door de houder van een machtiging van een
telecommunicatie-inrichting met gebruik van kabels en
kabelwerken als bedoeld in artikel 23, is het bepaalde in
artikel 22b, aanhef en de onderdelen b tot en met g van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 23c
Het is de houder van een machtiging voor een
telecommunicatie-inrichting met gebruik van kabels en
kabelwerken als bedoeld in artikel 23, verboden te handelen in
strijd met de artikelen 23a en 23b.
5. Andere inrichtingen
Artikel 24
Regeling inzake de aanleg, het aanwezig hebben en het
gebruik van andere inrichtingen dan die bedoeld in de
paragrafen 2 tot en met 4 van dit hoofdstuk, welke zijn
bestemd voor het met gebruikmaking van elektrische energie
overdragen van gegevens van welke aard ook, geschiedt bij of
krachtens de wet.
6. Overige bepalingen
Artikel 25
Vervallen
Artikel 26
Het is verboden radio-elektrische zend- of
ontvanginrichtingen af te leveren, te verhuren dan wel op
andere wijze ter beschikking te stellen aan natuurlijke of
rechtspersonen aan wie geen machtiging is verleend welke bij
of krachtens deze wet is vereist voor de aanleg, het aanwezig
hebben en het gebruik van de betreffende zend- of
ontvanginrichtingen.
Artikel 27
1. Het is verboden:
a. een radio-elektrische zendinrichting te gebruiken om aan
boord van een schip of luchtvaartuig buiten elk nationaal
gebied programma's uit te zenden;
b. een radio-elektrische zendinrichting, bestemd voor een
gebruik als onder a bedoeld, te exploiteren;
c. een radio-elektrische zendinrichting ter beschikking te
stellen of aan te leggen in de wetenschap, dat deze bestemd is
voor een gebruik als onder a bedoeld;
d. een schip of luchtvaartuig ter beschikking te stellen in
de wetenschap, dat dit is bestemd om aan boord daarvan
uitzendingen te doen als onder a bedoeld.
2. Het is verboden aan overtreding van één der in het
eerste lid bedoelde verboden desbewust mede te werken door
daarbij behulpzaam te zijn dan wel daartoe gelegenheid,
middelen of inlichtingen te verschaffen. Als handelingen van
medewerking worden in elk geval beschouwd:
a. het ter beschikking stellen van materiaal ten behoeve
van het schip of luchtvaartuig dan wel van de zendinrichting;
b. het onderhouden of herstellen van het schip of
luchtvaartuig dan wel van de zendinrichting;
c. het bevoorraden van het schip of luchtvaartuig;
d. het vervoeren van personen of goederen naar of van het
schip of luchtvaartuig dan wel het ter beschikking stellen van
middelen tot dat vervoer;
e. het vervaardigen van programma's of onderdelen daarvan,
bestemd om te worden uitgezonden;
f. het geven van opdrachten tot het uitzenden van
programma's of onderdelen daarvan dan wel het verlenen van
bemiddeling bij het verkrijgen van zodanige opdrachten.
3. Het in het tweede lid bepaalde lijdt uitzondering,
indien de aldaar bedoelde handelingen worden verricht teneinde
in geval van nood het schip of luchtvaartuig bij te staan of
mensenlevens te beschermen.
4. Onder schip of luchtvaartuig wordt in dit artikel mede
begrepen elk ander drijvend dan wel door de lucht gedragen
voorwerp.
Artikel 28
Het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk is niet van
toepassing op de daarin bedoelde inrichtingen bestemd voor
telecommunicatie welke tot gebruik strekken van door Onze
Minister, na overleg met Onze Ministers die het mede aangaat,
aan te wijzen overheidsorganen of diensten, die zijn belast
met de zorg voor de veiligheid van de Staat, dan wel met de
handhaving van de rechtsorde, aan welke aanwijzing
voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden.
HOOFDSTUK IV RANDAPPARATUUR
Artikel 29
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
technische eisen gesteld waaraan randapparatuur dient te
voldoen en worden regels gesteld met betrekking tot het testen
van randapparatuur op conformiteit met de gestelde technische
eisen. Deze eisen en regels worden gesteld met inachtneming
van de wezenlijke vereisten voor randapparatuur, bedoeld in
voor Nederland bindende besluiten van de Europese Economische
Gemeenschap.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voorts regels gesteld met betrekking tot:
a. het erkennen van instellingen die randapparatuur testen
ten behoeve van de goedkeuring van die randapparatuur voor
aansluiting op een openbaar telecommunicatienet, alsmede met
betrekking tot het toezicht op die instellingen;
b. het afgeven van de verklaringen van conformiteit voor
randapparatuur;
c. het goedkeuren van randapparatuur voor aansluiting op
een openbaar telecommunicatienet en de wijze waarop kenbaar
dient te worden gemaakt dat randapparatuur is goedgekeurd;
d. het aanvragen van de goekeuring van randapparatuur.
3. Op een openbaar telecommunicatienet mag uitsluitend
randapparatuur worden aangesloten of aangesloten gehouden, die
daarvoor is goedgekeurd.
4. De goedkeuring van randapparatuur mag slechts worden
geweigerd:
a. indien bij de aanvraag niet zijn overgelegd de vereiste
verklaring of verklaringen van conformiteit en de overige
vereiste bescheiden en gegevens;
b. indien de randapparatuur niet voldoet aan de krachtens
het eerste lid gestelde eisen en regels.
5. De behandeling van de aanvraag tot goedkeuring van een
randapparatuur die in een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of in een van de overige staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
(Trb. 1992, 132) door een door de desbetreffende staat erkende
instelling, gevestigd binnen de Europese Economische Ruimte,
is getest op conformiteit met voor de bedoelde staten bindende
technische eisen voor die randapparatuur dan wel voor een of
meer onderdelen of functies van die randapparatuur, kan met
inachtneming van de procedures die ter zake van de goedkeuring
zijn aangegeven in voor Nederland bindende besluiten van de
Europese Economische Gemeenschap worden opgeschort, indien
gegronde redenen bestaan voor het vermoeden dat de
randapparatuur ten aanzien van die kenmerken niet voldoet aan
de wezenlijke vereisten, bedoeld in die besluiten.
6. De goedkeuirng van randapparatuur mag slechts worden
ingetrokken, indien is gebleken dat deze randapparatuur:
a. in betekenende mate afwijkt van de bij de aanvraag van
de goedkeuring overgelegde verklaring of verklaringen van
conformiteit en de overige vereiste bescheiden en gegevens;
b. niet voldoen aan de krachtens het eerste lid gestelde
eisen en regels.
7. Indien de randapparatuur is getest op de wijze bedoeld
in het vijfde lid, mag intrekking van de goedkeuring slechts
plaatsvinden met inachtneming van de procedures die ter zake
van de intrekking zijn aangegeven in voor Nederland bindende
besluiten van de Europese Economische Gemeenschap.
8. Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 30a is het
verboden in de uitoefening van een beroep of bedrijf
randapparatuur op of bestemd voor de Nederlandse markt te
verkopen, te verhuren of op andere wijze ter beschikking te
stellen, in voorraad te hebben, ten verkoop of te huur aan te
bieden dan wel af te leveren indien op de randapparatuur niet
op de voorgeschreven wijze kenbaar is dat deze is goedgekeurd.
9. Het beroeps- of bedrijfsmatig aanleggen en onderhouden
van randapparatuur is slechts toegestaan met inachtneming van
de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
regels met betrekking tot de vakbekwaamheid.
HOOFDSTUK IVA OPEN NETWERK VOORZIENING
Artikel 29a
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 8, 9 en 13g kan
Onze Minister bij ministeriële regeling voor openbare
telecommunicatienetten en openbare telecommunicatiediensten
regels stellen in het kader van de geharmoniseerde voorwaarden
die betrekking hebben op open en efficiënte toegang tot en
gebruik van openbare telecommunicatienetten en openbare
telecommunicatiediensten overeenkomstig richtlijn nr.
90/387/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28
juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt
voor telecommunicatiediensten door middel van de
tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP) (PbEG L
192), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is
vastgesteld, en de daarmee samenhangende richtlijnen en
resoluties. Deze regels kunnen verschillen voor de
onderscheiden bij of krachtens artikel 1, onder j of ij,
aangewezen telecommunicatienetten of telecommunicatiediensten
of voor categorieën daarvan.
HOOFDSTUK V ELEKTROMAGNETISCHE COMPATIBILITEIT
Artikel 30
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld inzake de vereisten waaraan apparaten moeten
voldoen met betrekking tot hun elektromagnetische
compatibiliteit.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld inzake:
a. het opstellen, ter beschikking houden of de afgifte van
documenten en het aanbrengen van aanduidingen met betrekking
tot de overeenstemming van apparaten met de in het eerste lid
bedoelde vereisten;
b. de middelen die Onze Minister kan aanwenden om het in de
handel brengen en verhandelen van door hem aangewezen
apparaten of categorieën van apparaten te beëindigen of te
beperken, indien hem is gebleken dat de betrokken apparaten
niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde vereisten.
3. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake het
voeren van een administratie, het onderwerpen van
kwaliteitssystemen aan een goedkeuring, het onderwerpen van
apparaten aan een test of typekeuring met betrekking tot hun
elektromagnetische compatibiliteit, waaronder de erkenning van
de daartoe bevoegde instanties, de testen of typekeuringen en
de afgifte van documenten ter zake.
4. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur te stellen eisen met betrekking tot
randapparaten kunnen niet betreffen de wezenlijke vereisten
als bedoeld in artikel 29, eerste lid.
Artikel 30a
1. Het is verboden apparaten in de handel te brengen,
indien niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 30, eerste
lid, tweede lid, onder a, en derde lid, gestelde regels.
2. Het is verboden apparaten te verhandelen ten aanzien
waarvan de in artikel 30, tweede lid, onder a, bedoelde
documenten respectievelijk aanduidingen ontbreken
respectievelijk niet zijn aangebracht.
Artikel 30b
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen
regels worden gesteld inzake:
a. de installatie van apparaten ter voorkoming van
elektromagnetische storingen in de werking van de
telecommunicatie-infrastructuur of in om veiligheidsredenen
gebruikte zend- of ontvangstations;
b. de behandeling van klachten over elektromagnetische
storingen, ondervonden van het gebruik van apparaten.
2. Indien van de ingebruikneming of het gebruik van een
apparaat op een bepaalde plaats problemen zijn te verwachten
of bestaan in verband met de elektromagnetische
compatibiliteit van dat apparaat is Onze Minister bevoegd om
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regels
a. aan de houder van het apparaat aanwijzingen te geven met
betrekking tot de ingebruikneming of het gebruik van dat
apparaat;
b. aan een machtiging op grond van hoofdstuk III
voorschriften te verbinden met betrekking tot de
ingebruikneming of het gebruik van dat apparaat;
c. de houders van apparaten, behorende tot een bepaalde
categorie, of de houders van apparaten in bij de maatregel
genoemde gevallen de ingebruikneming of het gebruik van of die
apparaten te verbieden zonder voorafgaande machtiging van Onze
Minister.
Artikel 30c
1. Het bij en krachtens dit hoofdstuk bepaalde is niet van
toepassing op het in de handel brengen of het verhandelen van
apparaten indien aannemelijk kan worden gemaakt dat dit
geschiedt ten einde het apparaat:
a. naar een land buiten de Europese Economische Ruimte uit
te voeren;
b. in overeenstemming te brengen met de krachtens dit
hoofdstuk ten aanzien van dat apparaat gestelde regels;
c. ten toon te stellen op beurzen of soortgelijke
exposities;
d. te gebruiken voor experimenten.
2. Bij de in artikel 30, eerste lid, bedoelde algemene
maatregel van bestuur kunnen categorieën van apparaten van de
toepassing van het bij en krachtens dit hoofdstuk bepaalde
worden uitgezonderd, indien:
a. zij geen elektromagnetische storingen kunnen veroorzaken
of hun werking daardoor niet kan worden aangetast, of
b. met betrekking tot de elektromagnetische compatibiliteit
van die apparaten reeds regels zijn gesteld ter uitvoering van
een bindend besluit van een orgaan van de Europese
Gemeenschappen.
HOOFDSTUK VI BEPALINGEN INZAKE DE GEDOOGPLICHT VOOR DE
AANLEG, INSTANDHOUDING EN OPRUIMING VAN KABELS EN KABELWERKEN,
BEHORENDE TOT DE GECONCESSIONEERDE
TELECOMMUNICATIE-INFRASTRUCTUUR
Artikel 31
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden kabelwerken met
kabels gelijkgesteld.
Artikel 32
1. Een ieder is, behoudens het bepaalde in artikel 33 en
onverminderd recht op schadevergoeding, verplicht de aanleg en
de instandhouding van kabels ten dienste van de
geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur in en op
openbare gronden, benevens de opruiming daarvan, te gedogen.
2. Deze verplichting strekt zich wat betreft interlokale en
internationale kabels tevens uit tot alle andere gronden,
uitgezonderd afgesloten tuinen en erven die met bewoonde
percelen één geheel vormen.
3. Door de aanleg, de instandhouding en de opruiming van
kabels wordt geen verandering in de bestemming en zo min
mogelijk belemmering in het gebruik van de gronden gebracht.
Artikel 33
1. Indien de houder van de concessie het voornemen heeft
kabels ten dienste van de geconcessioneerde
telecommunicatie-infrastructuur aan te leggen of op te ruimen,
streeft hij naar overeenstemming met degeen op wie een
gedoogplicht rust over de plaats en wijze van de uitvoering
van het werk.
2. Bij gebreke van overeenstemming geeft de houder van de
concessie aan degeen op wie de gedoogplicht rust onverwijld
een schriftelijke kennisgeving waarin een omschrijving van de
voorgenomen plaats en de wijze van uitvoering van het werk
wordt gegeven. Indien degene op wie een gedoogplicht rust,
tegen de kennisgeving bedenkingen heeft, kan hij na ontvangst
daarvan het college verzoeken een beschikking te geven.
3. Het college geeft de beschikking binnen twee maanden na
ontvangst van het verzoek.
4. Het verzoek schorst de uitvoering van het voornemen.
5. Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid is
niet van toepassing indien ingevolge aanwijzingen gegeven op
grond van artikel 57 kabels ten dienste van de
geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur worden
opgeruimd.
Artikel 34
De in artikel 32 bedoelde schadevergoeding beperkt zich
voor eigenaren en beheerders van openbare gronden tot
vergoeding van de kosten der voorzieningen en van de meerdere
kosten van onderhoud.
Artikel 35
1. Onverminderd het bepaalde bij artikel 32 en onverminderd
recht op schadevergoeding, is een ieder verplicht ten dienste
van de geconcessioneerde telecommunicatie-infrastructuur te
gedogen dat:
a. kabels boven gronden, gebouwen en wateren worden
aangelegd en in stand gehouden, mits zonder aanhechting of
aanraking;
b. in en aan gebouwen, alsmede in en op gronden welke
daarmee één geheel vormen, kabels en netwerkaansluitpunten
worden aangelegd en in stand gehouden ten behoeve van
aansluitingen in die gebouwen en in naburige gebouwen;
c. de onder a en b bedoelde kabels en netwerkaansluitpunten
worden opgeruimd.
2. Door de aanleg, de instandhouding en de opruiming van
kabels wordt geen verandering teweeggebracht in de bestemming
van hetgeen waarin, waaraan, waarop of waarboven de kabels
zijn of worden aangelegd alsmede zo min mogelijk verandering
in de uiterlijke gedaante en zo min mogelijk belemmering in
het gebruik ervan.
3. Op de aanleg van kabels ingevolge dit artikel is het
bepaalde bij artikel 33 niet van toepassing.
Artikel 36
1. De aanleg van kabels en netwerkaansluitpunten door de
houder van de concessie in en op gronden, alsmede in en aan
gebouwen van anderen brengt geen wijziging in de eigendom van
hetgeen is aangelegd.
2. Dit artikel is mede van toepassing op kabels en
netwerkaansluitpunten aangelegd voor het in werking treden van
deze bepaling.
Artikel 37
1. De houder van de concessie is verplicht op eigen kosten
tot verplaatsing van kabels ten dienste van de
geconcessionerde telecommunicatie-infrastructuur over te gaan,
indien deze verplaatsing nodig is voor de oprichting van
gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege degene op
wie een gedoogplicht rust.
2. In andere gevallen dan in het eerste lid bedoeld gaat de
houder van de concessie slechts tot de daar bedoelde
verplaatsing over indien de verzoeker hem de kosten daarvan
vergoedt.
3. Bij gebreke van overeenstemming over de kosten bedoeld
in het tweede lid is het bepaalde in artikel 33, tweede en
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 38
1. Rechthebbenden ten aanzien van bomen of beplantingen
zijn, behoudens recht op schadevergoeding, verplicht deze op
verzoek van de houder van de concessie op te snoeien dan wel
de wortels of takken daarvan in te korten, voor zover deze
redelijkerwijs hinderlijk zijn of worden voor de aanleg,
instandhouding en exploitatie van de geconcessioneerde
telecommunicatie-infrastructuur.
2. Voldoen de rechthebbenden niet binnen veertien dagen na
ontvangst van een schriftelijke kennisgeving aan hun
verplichting, dan kan op schriftelijke last van het college
daaraan door de houder van de concessie uitvoering worden
gegeven.
3. In geval van ernstige belemmering of storing van de
telecommunicatie kan onmiddellijk tot het opsnoeien dan wel
inkorten van wortels of takken worden overgegaan, waarna zo
spoedig mogelijk hiervan schriftelijk aan de rechthebbende
kennis wordt gegeven.
Artikel 39
1. De eis tot schadevergoeding als bedoeld in de artikelen
32, 35 en 38 wordt, onafhankelijk van hetgeen gevorderd wordt,
aanhangig gemaakt bij de kantonrechter in wiens ambtsgebied de
onroerende zaak waaraan schade wordt toegebracht is gelegen.
2. Indien de onroerende zaak in meer dan één kanton is
gelegen, wordt de eis aanhangig gemaakt bij één van de
kantonrechters, ter keuze van de eiser.
3. Van de uitspraak van de kantonrechter is hoger beroep
toegelaten.
4. De bepalingen, voor burgerlijke twistgedingen geldende,
zijn op de twistgedingen in dit artikel bedoeld van
toepassing, voor zover daarvan in de voorgaande leden van dit
artikel niet is afgeweken.
5. Ook voordat omtrent de schadevergoeding overeenstemming
verkregen of uitspraak gedaan is, kan tot de uitvoering van de
in de artikelen 32, 35 en 38 bedoelde werkzaamheden worden
overgegaan.
Artikel 40
1. Ten behoeve van de werkzaamheden voor de aanleg, de
instandhouding en de opruiming van kabels en
netwerkaansluitpunten ten dienste van de geconcessioneerde
telecommunicatie-infrastructuur hebben de hiermee belaste
personen toegang tot de percelen, voor zover de betreding
daarvan ter vervulling van hun taak redelijkerwijs
noodzakelijk is.
2. Bij toepassing van het eerste lid kan zonder toestemming
van de bewoner een woning worden binnengetreden door in het
eerste lid bedoelde personen die Onze Minister daartoe bevoegd
heeft verklaard.
Artikel 40a
Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de
aanleg, de instandhouding en de opruiming van
kabelverbindingen, verricht door
a. de houder van een vergunning in het kader van een op
grond van artikel 13r, eerste lid, verleende toestemming, of
b. de houder van een infrastructuurvergunning in het kader
van de op grond van de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur verleende vergunning.
HOOFDSTUK VIA BEMIDDELING
Artikel 40b
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de
procedure volgens welke de natuurlijke persoon of de
rechtspersoon die rechtstreeks in zijn belang is getroffen een
oordeel van het college kan vragen over een maatregel, door de
houder van de concessie dan wel door een houder van een
infrastructuurvergunning genomen in het kader van de
geharmoniseerde voorwaarden die betrekking hebben op open en
efficiënte toegang tot en gebruik van openbare
telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten
overeenkomstig richtlijn nr. 90/387/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 28 juni 1990 betreffende de
totstandbrenging van de interne markt voor
telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging
van Open Network Provision (ONP) (PbEG L 192), naar de tekst
zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld.
Artikel 40c
Indien een oordeel van het college, gegeven krachtens
artikel 40b, inhoudt dat een door de houder van de concessie
dan wel door een houder van een infrastructuurvergunning
genomen maatregel, bedoeld in dat artikel, onredelijk is, kan
het college een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 43. De
houder van de concessie dan wel de houder van een
infrastructuurvergunning is verplicht deze aanwijzing op te
volgen.
HOOFDSTUK VIB NUMMERBELEID EN NUMMERBEHEER
Artikel 40d
1. Onze Minister heeft de zorg voor het nummerbeleid. In
dit kader is hij in elk geval belast met het vaststellen van
nummerplannen.
2. Het college heeft de zorg voor het nummerbeheer. In dit
kader is het in elk geval belast met:
a. het op basis van nummerplannen als bedoeld in het eerste
lid toekennen of reserveren van nummers alsmede de wijziging
of intrekking van een toekenning of reservering;
b. het bijhouden van een overzicht van de toegekende
nummers op naam en van de gereserveerde nummers met vermelding
van de duur van de reservering, voor een ieder kosteloos ter
inzage op een door het college bekend te maken plaats.
3. Een nummerplan kan betrekking hebben op nummers die
bestemd zijn voor een of meer in artikel 1, onder cc, bedoelde
doeleinden.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld met betrekking tot de aanvraagprocedure tot het
toekennen of reserveren van nummers alsmede de wijziging of
intrekking van een toekenning of reservering.
5. Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels
stellen op het gebied van nummerbeleid en nummerbeheer, anders
dan genoemd in het eerste lid.
Artikel 40e
Vooruitlopend op de vaststelling van een nummerplan als
bedoeld in artikel 40d, eerste lid, kan het college reeds
tijdens het voorbereidingsproces van een nummerplan, nummers
toekennen voor de bij ministeriële regeling bepaalde
bestemmingen. Deze bevoegdheid duurt tot een bij de
ministeriële regeling vastgestelde termijn.
Artikel 40f
Het college kan, indien nodig, aan anderen dan degenen
bedoeld in artikel 3, derde lid, 7, vijfde lid, 13w, eerste
lid, 17, elfde lid, 22, derde lid, 23, zesde lid, van deze
wet, of artikel 2, derde lid, van de Vergunningenwet
kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur, nummers
toekennen of voor hen nummers reserveren.
Artikel 40g
1. Het is een ieder verboden:
a. om nummers voorkomend in een krachtens artikel 40d
vastgesteld nummerplan of vallend onder het toepassingsgebied
van een krachtens artikel 40e vastgestelde ministeriële
regeling voor doeleinden waarvoor ze door het nummerplan of
door de ministeriële regeling zijn bestemd, te gebruiken
anders dan op grond van een toekenning krachtens artikel 3,
derde lid, 7, vijfde lid, 13w, eerste lid, 17, elfde lid, 22,
derde lid, 23, zesde lid, 40f, van deze wet, of artikel 2,
vierde lid, van de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur;
b. in strijd met het krachtens in artikel 40d, vijfde lid,
bepaalde, te handelen.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de
voorschriften en beperkingen, verbonden aan een toekenning
krachtens artikel 7, vijfde lid, 13w, eerste lid, 17, elfde
lid, 22, derde lid, 23 zesde lid, of 40f.
HOOFDSTUK VII VERGOEDINGEN
Artikel 41
1. Overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regels is een door Onze Minister vast te
stellen vergoeding verschuldigd voor:
a. de concessie, bedoeld in artikel 3, een registratie als
bedoeld in artikel 4ab, 7a, 22a, eerste lid, of 23a, eerste
lid, een vergunning als bedoeld in artikel 13a, een
toestemming als bedoeld in artikel 13r, eerste lid, een
oordeel als bedoeld in de artikelen 4c of 13q, dan wel een
machtiging als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, 19,
derde lid, onder a, 21, eerste lid en derde lid, 23, eerste
lid, en 30b, tweede lid, onder c, welke vergoeding
verschuldigd is voor de kosten van de bemoeiingen met
betrekking tot de concessie, een registratie, een vergunning
onderscheidenlijk de machtiging en het toezicht op de naleving
door de houder van de concessie, de houder van een
registratie, de houder van een vergunning dan wel de houder
van de machtiging van de bij of krachtens deze wet gegeven
regels, voorschriften en beperkingen;
b. het toezicht op de naleving door de houder van een
infrastructuurvergunning van de bij of krachtens deze wet of
de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur gegeven regels, voorschriften
en beperkingen;
c. het verkrijgen van de bevoegdheid tot bediening van
radio-elektrische zendinrichtingen als bedoeld in artikel 17,
zesde lid, onder b;
d. de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot:
1. de keuring, toelating en registratie van inrichtingen,
als bedoeld in artikel 17, zesde lid onder c, en het toezicht
op de naleving daarvan,
2. de goedkeuring van randapparatuur, bedoeld in artikel
29, tweede lid onder c, en het toezicht op de naleving van de
met betrekking tot de goedkeuring gestelde regels, en
3. de keuring van kwaliteitssystemen of van apparaten,
bedoeld in artikel 30, derde lid, en het toezicht op de
naleving ervan;
e. de kosten van de behandeling van klachten over
belemmeringen als bedoeld in artikel 17, zesde lid, onder d,
en in artikel 19, tweede lid, voorzover daarin artikel 17,
zesde lid, onder d, van overeenkomstige toepassing is
verklaard, en de kosten van de behandeling van klachten over
storingen als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder b;
f. een erkenning als bedoeld in artikel 29, tweede lid,
onder a, of in artikel 30, derde lid, welke vergoeding
verschuldigd is voor de kosten van bemoeiingen met betrekking
tot het verlenen van de erkenning en het toezicht op de
naleving door de erkende instantie van de bij of krachtens
deze wet met betrekking tot de erkenning gegeven regels;
g. de kosten van de bemoeiingen met betrekking tot het
verlenen van een ontheffing, als bedoeld in de artikelen 14,
zesde lid, en 25, tweede lid, en het toezicht op de naleving
van zodanige ontheffing;
h. de kosten voor het aanwenden van middelen als bedoeld in
artikel 30, tweede lid, onder b, waaronder begrepen de kosten
voor het uitvoeren van keuringen ter controle op het voldoen
aan de vereisten;
i. het vragen van een oordeel van het college, bedoeld in
artikel 40b.
j. het toekennen of reserveren van nummers, bedoeld in
artikel 3, derde lid, 7, vijfde lid, 13w, eerste lid, 17,
elfde lid, 22, derde lid, 23, zesde lid, of 40f, welke
vergoeding verschuldigd is voor de kosten van de bemoeiingen
met betrekking tot de toekenning of reservering van nummers of
het wijzigen, verlengen of intrekken daarvan en het toezicht
op de naleving door de houder van nummers toegekend of
gereserveerd krachtens een van de genoemde artikelen of
krachtens artikel 2, vierde lid, van de Vergunningenwet
kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur, toegekende of
gereserveerde nummers van de bij of krachtens deze wet of de
Vergunningenwet gegeven regels, voorschriften en beperkingen.
2. Voor zover de vergoeding, bedoeld in het eerste lid,
betrekking heeft op door het college te verrichten taken,
stelt Onze Minister de vergoeding vast op een daartoe
strekkend voorstel van het college. Deze vergoeding wordt
opgelegd door het college en voldaan aan het college.
3. Overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regels wordt van de gebruikers van zendinrichtingen
een door Onze Minister vast te stellen jaarlijkse bijdrage
geheven ter dekking van de kosten die voor de overheid
voortvloeien uit de toepassing van het bij of krachtens deze
wet ter zake van de elektromagnetische compatibiliteit
bepaalde, voorzover deze kosten niet reeds krachtens het
eerste lid verschuldigd zijn.
HOOFDSTUK VIII BEROEP
Artikel 42
In afwijking van artikel 8.7 van de Algemene wet
bestuursrecht is voor beroep tegen besluiten op grond van deze
wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
HOOFDSTUK IX TOEZICHT
1. Toezicht door Onze Minister onderscheidenlijk het
college
Artikel 42a
1. Onze Minister is belast met het toezicht op de naleving
van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen, voor zover het betreft de
bepalingen die betrekking hebben op
a. 1. het gebruik van radio-frequenties, te weten de
artikelen 3, tweede lid, 13e, 13g, eerste lid, onder b, 13l,
derde lid, 14, eerste, derde en zesde lid, voor zover het
bepaalde in deze leden geen betrekking heeft op de diensten
die Koninklijke PTT Nederland N.V. per 1 september 1994
aanbood onder de namen ATF 2, ATF 3 en SMF 3, 17, 19, eerste
lid, 20, tweede lid, 26 en 27, eerste en tweede lid;
2. de aan randapparatuur te stellen eisen, te weten de
artikelen in hoofdstuk IV;
3. de aan apparaten te stellen eisen met betrekking tot
elektromagnetische compatibiliteit, te weten de artikelen in
hoofdstuk V;
b. 1. de veiligheid van de Staat of de handhaving van de
rechtsorde, de technische aftapbaarheid daaronder begrepen, te
weten de artikelen 13g, eerste lid, onder a, en 64;
2. bijzondere en buitengewone omstandigheden, te weten de
artikelen in hoofdstuk XI;
c. de ondersteuning van Onze Minister ten behoeve van
internationaal of Europees overleg, te weten artikel 10,
tweede lid, onder b;
d. een door hem gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel
43.
2. Onze Minister is belast met het toezicht op de naleving
van het bepaalde krachtens artikel 21, derde lid, van de
Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur.
Artikel 42b
Het college is belast met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens de andere dan in artikel 42a
genoemde bepalingen van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen en de Vergunningenwet
kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur.
1a. Toezicht op de uitoefening van concessietaken
alsmede de taken van de houder van een
infrastructuurvergunning
Artikel 43
Indien de houder van de concessie of de houder van een
infrastructuurvergunning handelt in strijd met een bij of
krachtens deze wet of de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur gestelde regel kan Onze
Minister, onderscheidenlijk het college, deze een aanwijzing
geven.
Artikel 43a
1. Onze Minister, onderscheidenlijk het college, is bevoegd
om ten aanzien van de houder van de concessie of de houder van
een infrastructuurvergunning bestuursdwang toe te passen.
Hieronder wordt verstaan het doen wegnemen, beletten,
verrichten of in de vorige toestand herstellen van hetgeen
door de houder van de concessie in strijd met een bij of
krachtens deze wet of de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur gestelde regel is of wordt
gedaan, gehouden of nagelaten. De artikelen 127, 128, 129,
131, 132, 134 en 135 van de Gemeentewet zijn van
overeenkomstige toepassing.
2. In plaats van de toepassing van bestuursdwang kan Onze
Minister, onderscheidenlijk het college, aan de overtreder een
last onder dwangsom opleggen. Voor het opleggen van een last
onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het gelaedeerde
belang zich daartegen verzet. De artikelen 137, tweede lid,
eerste, tweede en derde volzin, en derde lid, 138 en 139 van
de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43b
1. Indien de houder van de concessie of de houder van een
infrastructuurvergunning handelt in strijd met een bij of
krachtens deze wet of de Vergunningenwet kabelgebonden
telecommunicatie-infrastructuur gestelde regel of ingeval van
overtreding van artikel 47a, kan Onze Minister,
onderscheidenlijk het college, hem een bestuurlijke boete
opleggen van ten hoogste een miljoen gulden.
2. Onze Minister, onderscheidenlijk het college, legt geen
boete op indien de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan
wie de overtreding kan worden toegerekend aannemelijk maakt
dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.
3. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete houdt
Onze Minister, onderscheidenlijk het college, in ieder geval
rekening met de ernst en de duur van de overtreding.
Artikel 43c
1 Met het onderzoek zijn belast de in artikel 45 bedoelde
ambtenaren.
2. Ten dienste van het onderzoek beschikken zij over de
bevoegdheden die hun in deze paragraaf zijn toegekend,
alsmede, met inachtneming van de daaraan in deze wet gestelde
beperkingen, over de bevoegdheden die hun zijn toegekend ter
uitoefening van het toezicht, bedoeld in artikel 45.
Artikel 43d
De houder van de concessie of de houder van een
infrastructuurvergunning jegens wie een handeling is verricht
waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden
dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd,
is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te
leggen. De betrokkene wordt hiervan in kennis gesteld alvorens
hem mondeling om informatie wordt gevraagd.
Artikel 43e
1. Indien de in artikel 45 bedoelde ambtenaren vaststellen
dat een overtreding is begaan, maken zij daarvan een rapport
op.
2. In het rapport worden in ieder geval vermeld:
a. de overtreding, onder verwijzing naar het desbetreffende
wettelijke voorschrift;
b. een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop
de overtreding is begaan;
c. de feiten en omstandigheden op grond waarvan is
vastgesteld dat een overtreding is begaan.
3. Een afschrift van het rapport wordt toegezonden aan de
in artikel 43b, eerste lid, bedoelde houder.
4. Op verzoek van de belanghebbende die het rapport wegens
zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende
begrijpt draagt Onze Minister, onderscheidenlijk het college,
er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van het rapport aan
de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke
taal.
Artikel 43f
1. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet
bestuursrecht stelt Onze Minister, onderscheidenlijk het
college, de houder, bedoeld in artikel 43b, eerste lid, in de
gelegenheid om binnen een redelijke termijn naar keuze
schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen.
2. Indien de houder, bedoeld in artikel 43b, eerste lid,
zijn zienswijze mondeling naar voren brengt en de Nederlandse
taal onvoldoende begrijpt, draagt Onze Minister,
onderscheidenlijk het college, op verzoek van de houder zorg
voor benoeming van een tolk die de betrokkenen kan bijstaan,
tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen
behoefte bestaat.
Artikel 43g
1. Een boete wordt opgelegd door Onze Minister,
onderscheidenlijk het college.
2. In de beschikking worden in ieder geval vermeld:
a. de te betalen geldsom;
b. de overtreding ter zake waarvan zij is gegeven, onder
verwijzing naar het desbetreffende wettelijk voorschrift;
c. de in artikel 43e, tweede lid, onder b en c, bedoelde
gegevens.
3. Op verzoek van de belanghebbende die de beschikking
wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, draagt Onze Minister, onderscheidenlijk
het college, er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van de
beschikking aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem
begrijpelijke taal.
Artikel 43h
De werkzaamheden die verband houden met de uitvoering van
artikel 43f en 43g worden verricht door personen die niet
betrokken zijn geweest bij de opstelling van het in artikel
43e bedoelde rapport en het daaraan voorafgaande onderzoek.
Artikel 43i
De werking van een beschikking als bedoeld in artikel 43g
wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of,
indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
Artikel 43j
De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te
rekenen zes weken vanaf de dag waarop de beschikking is
bekendgemaakt.
Artikel 43k
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt vijf
jaar nadat de overtreding is begaan.
Artikel 43l
1. Een beschikking als bedoeld in artikel 43b, eerste lid,
wordt, nadat zij is bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij Onze
Minister, indien Onze Minister de beschikking heeft gegeven,
onderscheidenlijk bij het college, indien het college de
beschikking heeft gegeven. Vertrouwelijke bedrijfs- en
fabricagegegevens worden niet ter inzage gelegd.
2. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
Artikel 43m
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt
indien ter zake van het feit op grond waarvan de boete kan
worden opgelegd, tegen de betrokkene een strafvervolging is
ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang
heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is
vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 43n
Het recht tot strafvordering vervalt indien Onze Minister,
onderscheidenlijk het college, aan de betrokkene ter zake van
hetzelfde feit een boete heeft opgelegd.
2. Verplichtingen, vastgesteld bij of krachtens
het bepaalde in artikel 4ab en in 2c. van hoofdstuk II en in
de hoofdstukken IIA, III, IV, IVA, V en VIB
Artikel 44
Deze paragraaf is van toepassing ten aanzien van het
toezicht op de naleving en de handhaving van verplichtingen,
welke in artikel 4ab en het bepaalde bij of krachtens 2c. van
hoofdstuk II en de hoofdstukken IIA, III, IV, IVA, V en VIB
zijn vastgesteld.
Artikel 45
Met het toezicht zijn belast:
a. de ambtenaren van onder Onze Minister ressorterende
diensten, die daartoe door hem zijn aangewezen;
b. de ambtenaren, die daartoe door het college zijn
aangewezen;
c. de ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering
van de politietaak, die daartoe door Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Ministers van Justitie en van
Binnenlandse Zaken, zijn aangewezen.
Artikel 45a
1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt de
toezichthoudende ambtenaar bedoeld in artikel 45, onder a en
b, een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door het
bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de
toezichthoudende ambtenaar werkzaam is.
2. De toezichthoudende ambtenaar toont zijn
legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de
toezichthouder en vermeldt in ieder geval diens naam en
hoedanigheid.
Artikel 46
De toezichthoudende ambtenaren zijn, voorzover dit
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is,
bevoegd:
a. met de daarvoor nodige apparatuur alle plaatsen, met
uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner,
te betreden, waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat
inrichtingen of apparaten aanwezig zijn;
b. inrichtingen, apparaten en onderdelen daarvan aan een
onderzoek ter plaatse te onderwerpen of tegen schriftelijk
bewijs voor onderzoek mee te nemen voor de tijd die
redelijkerwijs daarvoor nodig is.
Artikel 47
De toezichthoudende ambtenaren zijn, voorzover dit
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is,
bevoegd om:
a. inlichtingen te vorderen;
b. inzage te vorderen en afschrift te nemen van bescheiden
die met betrekking tot inrichtingen en apparaten bij of
krachtens de wet zijn voorgeschreven dan wel daarvan tegen een
schriftelijk bewijs voor korte tijd afgifte te vorderen ten
einde afschrift te nemen;
c. afgifte te vorderen van ongeldige bescheiden.
2. vervallen
Artikel 47a
1. Een ieder is verplicht aan toezichthoudende ambtenaren
alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kunnen
vorderen ter uitoefening van hun bevoegdheden.
2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk
voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het
verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun
geheimhoudingsplicht voortvloeit.
Artikel 48
1. Onze Minister is bevoegd om, indien de ten aanzien van
inrichtingen of apparaten krachtens artikel 17, 19, 29 of
hoofdstuk V gestelde regels dan wel voorschriften en
beperkingen inzake het voorkomen en opheffen van belemmeringen
of storingen in andere apparaten niet worden nageleefd,
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen
regels, aan de houder van zodanige inrichting of apparaat
aanwijzingen te geven tot het voorkomen en opheffen van
belemmeringen of storingen. Bij het niet naleven van de
aanwijzingen, bedoeld in de eerste volzin of in artikel 30b,
tweede lid, onder a, kan Onze Minister op kosten van de houder
de nodige werkzaamheden doen uitvoeren ter voorkoming en
opheffing van belemmeringen en storingen.
2. Indien de ten aanzien van de aanleg, het aanwezig hebben
of het gebruik van telecommunicatie-inrichtingen als bedoeld
in de paragraaf 2 van hoofdstuk III gestelde regels dan wel de
aan een machtiging voor zodanige inrichting verbonden
voorschriften of beperkingen niet worden nageleefd, is Onze
Minister, onderscheidenlijk het college bevoegd om ten aanzien
van telecommunicatie-inrichtingen als hiervoor bedoeld
overeenkomstig bij die maatregel te stellen regels:
a. aan de houder van de inrichting een geheel of
gedeeltelijk zendverbod op te leggen;
b. de inrichting op kosten van de houder van de inrichting
te doen verzegelen en in bewaring te doen nemen;
c. aan de houder van de machtiging voor de inrichting een
bestuurlijke boete van ten hoogste vijftig duizend gulden op
te leggen.
3. De houder van een telecommunicatie-inrichting ten
aanzien waarvan een dwangmaatregel als bedoeld in het tweede
lid onder a of b is genomen, is verplicht deze dwangmaatregel
na te leven dan wel te gedogen.
4. Het in het tweede lid, aanhef en onder c, bepaalde is
van overeenkomstige toepassing op andere
telecommunicatie-inrichtingen bedoeld in de paragrafen 3 en 4
van hoofdstuk III.
5. Indien de houder van een vergunning de bij of krachtens
deze wet gestelde regels dan wel de aan een vergunning
verbonden voorschriften en beperkingen niet nakomt, zijn het
tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de houder van de vergunning en de
telecommunicatie-inrichtingen waarvan hij gebruik maakt, met
dien verstande dat de hoogte van de bestuurlijke boete,
bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, ten hoogste een
miljoen gulden bedraagt.
6. Indien de exploitant van een telecommunicatienet
onderscheidenlijk de aanbieder van een telecomunicatiedienst
wiens net onderscheidenlijk dienst krachtens artikel 1a is
aangewezen, de bij of krachtens artikel 29a gestelde regels
niet nakomt, kan de exploitant onderscheidenlijk de
dienstaanbieder een bestuurlijke boete van ten hoogste een
miljoen gulden worden opgelegd.
7. De artikelen 43b, tweede en derde lid, en 43c tot en met
43n zijn van overeenkomstige toepassing op de beschikkingen
waarbij een boete wordt opgelegd, bedoeld in het tweede lid,
onder c, vijfde lid, en zesde lid.
Artikel 48a
1. Onze Minister, onderscheidenlijk het college, is bevoegd
om ten aanzien van de houder van een vergunning bestuursdwang
toe te passen. Hieronder wordt verstaan het doen wegnemen,
beletten, verrichten of in de vorige toestand herstellen van
hetgeen door de houder van een vergunning in strijd met bij of
krachtens deze wet gestelde verplichtingen is of wordt gedaan,
gehouden of nagelaten. De artikelen 127, 128, 129, 131, 132,
134 en 135 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. In plaats van de toepassing van bestuursdwang kan Onze
Minister, onderscheidenlijk het college, aan de overtreder een
last onder dwangsom opleggen. Voor het opleggen van een last
onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het gelaedeerde
belang zich daartegen verzet. De artikelen 136, tweede lid,
eerste, tweede en derde volzin, en derde lid, 137 en 138 van
de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48b
1. In geval van overtreding van de artikelen 4ab, 4c, 5, 7,
eerste tot en met vierde lid, 7b, 13f, 14, 22c, 23c, 40g of
47a kan Onze Minister, onderscheidenlijk het college, een
bestuurlijke boete van ten hoogste een miljoen gulden
opleggen.
2. De artikelen 43b, tweede en derde lid, en 43c tot en met
43n zijn van overeenkomstige toepassing op de beschikking,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 49
1. Onze Minister, onderscheidenlijk het college, kan van de
overtreder bij dwangbevel de volgende bedragen, verhoogd met
de op de invordering vallende kosten, invorderen:
a. de kosten, verbonden aan de toepassing van bestuursdwang
als bedoeld in artikel 43a of 48a;
b. het bedrag dat verschuldigd is ingevolge een verbeurde
dwangsom als bedoeld in artikel 43a of 48a;
c. het bedrag dat verschuldigd is ingevolge een krachtens
artikel 43b, 48 of 48b opgelegde administratieve boete;
d. de overige kosten, verbonden aan de toepassing van
artikel 43b of 48.
2. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met
toepassing van de voorschriften van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd. De
betekening van het dwangbevel geschiedt op kosten van de
overtreder.
3. Gedurende zes weken na betekening staat verzet tegen het
dwangbevel open door dagvaarding van de Staat.
4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van
de Staat kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging
opheffen.
5. De in het eerste lid bedoelde bedragen komen toe aan de
Staat.
HOOFDSTUK X STRAF- EN OPSPORINGSBEPALINGEN
Artikel 50
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of
geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:
a. hij die handelt in strijd met artikel 13f;
b. hij die handelt in strijd met artikel 17, eerste lid,
met betrekking tot een radio-elektrische zendinrichting als
aangewezen krachtens artikel 17, derde lid;
c. hij die handelt in strijd met artikel 26 met betrekking
tot radio-elektrische zendinrichtingen, aangewezen krachtens
artikel 17, derde lid;
d. hij die handelt in strijd met artikel 27, eerste lid.
2. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, aanhef en
onder b, is medeplichtigheid aan het misdrijf omschreven in
het eerste lid, aanhef en onder d niet strafbaar.
3. Vervallen
4. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie wordt gestraft:
a. overtreding van de artikelen 7, eerste tot en met vierde
lid, 14, eerste lid, 17, eerste lid, 21, eerste lid, 23,
eerste lid, 25, eerste lid, 26, 29, achtste lid, en 30a,
eerste en tweede lid;
b. overtreding van artikel 27, tweede lid;
c. het aansluiten of aangesloten houden op een openbaar
telecommunicatienet van randapparatuur waarvoor niet een
verklaring van toelating als bedoeld in artikel 29, derde lid,
is afgegeven;
d. het niet naleven van de verplichting bedoeld in artikel
48, derde lid.
5. Overtreding van de regels gesteld bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur bedoeld in de artikelen 17,
vierde lid, 19, eerste lid, 29, negende lid, 30, eerste lid,
en 30b, eerste lid, en tweede lid, onder c, dan wel van de
regels gesteld krachtens artikel 20, tweede lid, wordt, voor
zover uitdrukkelijk als strafbaar feit aangemerkt, gestraft
met hechtenis van ten hoogste vier maanden of een geldboete
van de derde categorie.
6. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de
Nederlander die, aan boord van een zich buiten elk nationaal
gebied bevindend vaartuig, luchtvaartuig of ander drijvend dan
wel door de lucht gedragen voorwerp, zich schuldig maakt aan
een der in het eerste lid, aanhef en onder d, en het vierde
lid, aanhef en onder b strafbaar gestelde feiten.
7. De in het eerste lid van dit artikel strafbaar gestelde
feiten zijn misdrijven. De in het vierde en vijfde lid van dit
artikel strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 51
Met de opsporing van de in deze wet strafbaar gestelde
feiten zijn, behalve de bij artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering (Stb. 1925, 343) aangewezen ambtenaren, belast
de ambtenaren die daartoe door Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Justitie, zijn
aangewezen.
Artikel 52
Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld
feit hebben de in artikel 51 bedoelde ambtenaren toegang tot
elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling
van hun taak nodig is.
Artikel 53
De in artikel 51 bedoelde ambtenaren zijn, voorzover dit
redelijkerwijs nodig is voor de opsporing van de in deze wet
strafbaar gestelde feiten, te allen tijde bevoegd tot
inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en tot
vordering van uitlevering daarvan.
HOOFDSTUK XI BIJZONDERE BEPALINGEN
Artikel 54
In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving
van de internationale rechtsorde of met de internationale
betrekkingen is Onze Minister bevoegd in overeenstemming met
Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan de houder van de
concessie, aan de houder van een landelijke
infrastructuurvergunning en aan de houder van een vergunning
aanwijzingen te geven met betrekking tot de verzorging van
telecommunicatie van en naar het buitenland.
Artikel 55
1. Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste
lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kunnen,
ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken,
bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, voor het gehele land of een deel daarvan
de artikelen 57, eerste tot en met derde lid, en 58, eerste en
tweede lid, in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is
genomen wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede
Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de
bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal
verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht
van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het
eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking
gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze
Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste
lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de
omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid,
wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt
in werking terstond na de bekendmaking.
6. Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid,
wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Artikel 56
In geval voor Nederland of een gedeelte daarvan, op grond
van de artikelen 7, eerste lid, of 8, eerste lid, van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, bepalingen uit de
Oorlogswet voor Nederland in werking zijn gesteld, oefent Onze
Minister de in de artikelen 57, eerste lid, en 58, eerste lid,
bedoelde bevoegdheden uit in overeenstemming met Onze Minister
van Defensie.
Artikel 57
1. Onze Minister is bevoegd aan de houder van de concessie
onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
alsmede voor zover van toepassing aan de houder van een
vergunning aanwijzingen te geven met betrekking tot:
a. de instandhouding en exploitatie van hun openbare
telecommunicatienetten,
b. het verzorgen en het gebruiken van hun openbare
telecommunicatiediensten,
c. het ter beschikking stellen van vaste verbindingen en
het gebruik daarvan, van, naar of in het gebied waarvoor een
besluit als bedoeld in artikel 55 van kracht is.
2. Onze Minister kan bij toepassing van het eerste lid
afwijken van de verplichtingen die ingevolge deze wet op de
houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een
infrastructuurvergunning rusten, en voor zover van toepassing
op de houder van een vergunning.
3. De aanwijzingen die ingevolge het eerste lid aan de
houder van de concessie onderscheidenlijk de houder van een
infrastructuurvergunning, en voor zover van toepassing aan de
houder van een vergunning zijn gegeven, zijn voor deze
verbindend.
4. Indien de houder van de concessie onderscheidenlijk de
houder van een infrastructuurvergunning, en voor zover van
toepassing de houder van een vergunning als gevolg van
aanwijzingen gegeven krachtens het eerste lid onevenredig
financieel nadeel ondervindt, kent Onze Minister hem een naar
billijkheid te bepalen vergoeding toe.
Artikel 58
1. Onze Minister is bevoegd regels te stellen met
betrekking tot de beperking of beëindiging van het gebruik van
telecommunicatie-inrichtingen, als bedoeld in hoofdstuk III
voor telecommunicatie van, naar of in het gebied waarvoor een
besluit als bedoeld in artikel 55 van kracht is.
2. Onze Minister kan bij toepassing van het eerste lid
afwijken van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk III.
3. Indien degene die gerechtigd is tot het gebruik van een
in het eerste lid bedoelde inrichting als gevolg van de regels
gesteld krachtens het eerste lid onevenredig financieel nadeel
ondervindt, kent Onze Minister hem een naar billijkheid te
bepalen vergoeding toe.
Artikel 59
1. Bij toepassing van artikel 14 van de Wet buitengewone
bevoegdheden burgerlijk gezag is de houder van de concessie,
onderscheidenlijk de houder van een infrastructuurvergunning
en de houder van een vergunning, verplicht de krachtens het
eerste lid van genoemd artikel aangewezen autoriteiten alle
medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van
door die autoriteiten gegeven opdrachten.
2. Bij toepassing van artikel 31 van de Oorlogswet voor
Nederland is de houder van de concessie, onderscheidenlijk de
houder van een infrastructuurvergunning en de houder van een
vergunning, verplicht het militair gezag of een orgaan als
bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel alle medewerking
te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door dat
gezag of dat orgaan gegeven opdrachten.
Artikel 60
1. Onze Minister geeft, na overleg met Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Defensie, aan de
houder van de concessie, onderscheidenlijk de houder van een
infrastructuurvergunning en de houder van een vergunning,
voorschriften ten aanzien van de door deze te nemen
organisatorische en personele maatregelen en te treffen
bijzondere voorzieningen met betrekking tot de voorbereiding
van het door hen te verzorgen elektronisch transport van
gegevens in buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel
55 en de door hen daarover aan Onze Minister te verstrekken
informatie. Onze Minister bepaalt in die voorschriften welke
kosten van de uitvoering redelijkerwijze ten laste van de
houder van de concessie, onderscheidenlijk de houder van een
infrastructuurvergunning en de houder van een vergunning,
dienen te komen.
2. De in het eerste lid bedoelde bijzondere voorzieningen
hebben betrekking op:
a. de beveiliging van bepaalde onderdelen van een openbaar
telecommunicatienet;
b. de afwikkeling van het elektronisch transport van
gegevens over een openbaar telecommunicatienet;
c. aanvullende infrastructurele voorzieningen voor het
elektronisch transport van gegevens en de beveiliging daarvan.
3. Vervallen
HOOFDSTUK XII OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 61
De toepasselijkheid van deze wet wordt beperkt door de
regels van het volkenrecht.
Artikel 62
1. Onze Minister betrekt de houder van de concessie tijdig
bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de
artikelen 3, tweede lid, 4, eerste lid, 8, 12, tweede lid, 29,
eerste lid en negende lid, 30, eerste lid, en 30b, eerste en
tweede lid. De houder van de concessie is verplicht de nodige
medewerking te verlenen bij de voorbereiding van de hiervoor
bedoelde besluiten, daaronder begrepen het opstellen van
ontwerpen voor besluiten als bedoeld in artikel 29, eerste
lid.
2. Onze Minister hoort de houder van de concessie over het
voornemen tot een besluit als bedoeld in de artikelen 10,
tweede lid, 14, zesde lid, 18, 43 en 60.
3. Onze Minister hoort de houder van een landelijke
infrastructuurvergunning onderscheidenlijk de houder van een
vergunning over het voornemen tot een hem betreffend besluit,
houdende voorschriften als bedoeld in artikel 10, tweede lid,
en over het voornemen tot een besluit als bedoeld in artikel
60.
4. Onze Minister betrekt belanghebbende organisaties tijdig
bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel
29, eerste en tweede lid, en 30, eerste lid, en 30b, eerste en
tweede lid.
5. Het college hoort de betrokkenen over het voornemen tot
een besluit als bedoeld in de artikelen 13r, 25, tweede lid,
en 43.
6. De voordracht voor een wijziging van de algemene
maatregel van bestuur bedoeld in de artikelen 4, eerste lid,
12, tweede lid, en 29 eerste, tweede en negende lid, wordt
niet gedaan dan nadat een ontwerp van dat besluit aan de beide
Kamers der Staten-Generaal ter kennisneming is toegezonden
alsmede in de Staatscourant is bekend gemaakt en nadat aan een
ieder de gelegenheid is geboden binnen een termijn van twee
maanden wensen en bezwaren ter kennis van Onze Minister te
brengen.
7. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het
vierde lid treedt niet eerder in werking dan twee maanden na
de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin hij wordt
geplaatst.
8. Een besluit houdende wijziging van de algemene
richtlijnen als bedoeld in artikel 8 wordt niet eerder
vastgesteld dan twee maanden nadat een ontwerp van dat besluit
aan de beide Kamers der Staten-Generaal ter kennisneming is
toegezonden behoudens indien de wijziging strekt tot
uitvoering van een bindend besluit van een orgaan van de
Europese Gemeenschappen.
Artikel 63
Vervallen
Artikel 64
1. De houder van de concessie, onderscheidenlijk de houder
van een infrastructuurvergunning, de houder van een vergunning
en de houder van een registratie als bedoeld in de artikelen
22a en 23a, is verplicht medewerking te verlenen aan de
uitvoering van een bevoegd gegeven bijzondere last tot het
afluisteren of opnemen van de telecommunicatie die over de
telecommunicatie-infrastructuur wordt afgewikkeld.
2. Het eerste lid is tevens van toepassing met betrekking
tot de telecommunicatie die wordt afgewikkeld over de
telecommunicatie-inrichtingen van de houder van een machtiging
die de desbetreffende telecommunicatie-inrichtingen gebruikt
ten behoeve van het voor derden verzorgen van het transport
van gegevens met en tussen mobiele gebruikers.
Artikel 64a
De investerings-, exploitatie- en onderhoudskosten voor de
technische voorzieningen die door de houder van een vergunning
voor het voor derden verzorgen van openbare mobiele
telecommunicatie in de vorm van telefonie als bedoeld in
aanbeveling nr. 87/371/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 25 juni 1987 (PbEG L 196), zijn gemaakt
teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in artikel 64,
komen te zijnen laste.
HOOFDSTUK XIII OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 65
1. De Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7)
wordt ingetrokken, met dien verstande dat de regels
vastgesteld krachtens de desbetreffende bepalingen van
genoemde wet worden geacht te zijn vastgesteld krachtens de
overeenkomstige bepalingen van deze wet.
2. Machtigingen die op grond van artikel 3, eerste lid, van
de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn
verleend voor de aanleg en het gebruik van een telegraaf of
telefoon dan wel van een andere inrichting, welke overeenkomt
met een telecommunicatie-inrichting als bedoeld in artikel 23
van deze wet, worden geacht te zijn verleend krachtens artikel
23 van deze wet.
3. Machtigingen en vrijstellingen die op grond van het
bepaalde bij en krachtens artikel 3ter van de Telegraaf- en
Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn verleend voor de
aanleg, het aanwezig hebben en het gebruik van
radio-elektrische zend- of ontvanginrichtingen, worden geacht
te zijn verleend krachtens artikel 17 of 18 dan wel artikel 19
van deze wet.
4. Machtigingen die op grond van het bepaalde krachtens
artikel 3sexies, vierde lid, van de Telegraaf- en Telefoonwet
1904 (Staatsblad no. 7) zijn verleend voor de aanleg en
instandhouding van draadomroepinrichtingen en voor de
exploitatie daarvan overeenkomstig de bestemming, worden
geacht te zijn verleend op grond van artikel 21 van deze wet.
5. Voorzover in voorschriften verbonden aan een machtiging
als bedoeld in het tweede of derde lid, toestemming is gegeven
voor een vorm van telecommunicatie bedoeld in artikel 14,
eerste lid, van deze wet, wordt deze toestemming geacht te
zijn verleend bij of ontheffing op grond van artikel 14,
tweede lid, van deze wet.
6. Voorzover in voorschriften verbonden aan een machtiging
als bedoeld in het tweede lid, toestemming is gegeven voor het
koppelen van de inrichting aan een andere inrichting, waarvoor
een machtiging als bedoeld in het tweede of derde lid, is
verleend, wordt deze toestemming geacht te zijn verleend bij
ontheffing op grond van artikel 25, tweede lid, van deze wet.
7. Een machtiging die op grond van artikel 3, eerste lid,
van de Telegraaf en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) ten
aanzien van een inrichting is verleend voor ander gebruik dan
waarvoor ten aanzien van die inrichting een machtiging is
verleend op grond van artikel 3sexies van die wet, wordt
geacht te zijn verleend op grond van artikel 22 van deze wet.
8. Het bepaalde in het tweede tot en met het zevende lid
geldt ten aanzien van de daarin bedoelde inrichtingen
uitsluitend voor de voorschriften en beperkingen met
betrekking tot de duur, het gebruik en de technische eisen
waaronder de machtigingen voor deze inrichtingen zijn verleend
op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
9. Ten aanzien van inrichtingen bestemd voor
telecommunicatie door middel van kabels en kabelwerken, die
geen draadomroepinrichting zijn, welke door organen en
diensten van het rijk, niet behorende tot het Staatsbedrijf
der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, op grond van artikel
3 de de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7) zijn
aangelegd, in stand gehouden en gebruikt ten behoeve van de
vervulling van hun taken, is het tweede lid van artikel 23 van
deze wet niet van toepassing voor zover het betreft de omvang,
het gebruik en de technische staat van de inrichtingen op het
tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 66
De Mediawet wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 1, eerste lid onder m, worden de woorden
"artikel 1, onder f, van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904
(Stb. no. 7)" vervangen door: artikel 1, onder g, van de Wet
op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520).
B. In artikel 1, eerste lid onder n wordt de zinsnede "de
houder van een machtiging of concessie voor de aanleg,
instandhouding en exploitatie van een draadomroepinrichting
dan wel, bij aanleg, instandhouding en exploitatie van
Rijkswege, het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en
Telefonie" vervangen door: degene die met machtiging of
krachtens vrijstelling een draadomroepinrichting aanlegt, in
stand houdt of exploiteert, dan wel de houder van de concessie
bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen indien deze de aanleg, in
standhouding en exploitatie verzorgt.
C. Aan artikel 70 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt:
3. Onze Minister kan bepalen dat de verplichtingen
neergelegd in artikel 65 geheel of ten dele niet gelden ten
aanzien van de beheerder van door de minister aangewezen
categoriën draadomroepinrichtingen. Deze aanwijzing kan
slechts geschieden ten aanzien van draadomroepinrichtingen die
van zeer geringe omvang zijn of die uitsluitend worden
gebruikt voor één bijzonder doel.
D. In artikel 167, eerste lid, worden de woorden
"Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. 7)" vervangen door: Wet
op de telecommunicatievoorzieningen.
Artikel 67
De Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 1, derde lid, worden de woorden "het
Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie"
vervangen door: PTT Nederland NV of een dochtermaatschappij
daarvan.
B. In artikel 2, eerste lid, worden de woorden "artikel
3ter, eerste lid, der Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no.
7" vervangen door: artikel 17, eerste lid, van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520).
C. In artikel 2, derde lid, worden de woorden "artikel 3ter
van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7" vervangen
door: artikel 17 van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen.
D. In artikel 2, vierde lid, worden de woorden "artikel
3ter van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7"
vervangen door: artikel 17 van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen.
E. In artikel 2, vijfde lid, worden de woorden "artikel
3ter van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7"
vervangen door: artikel 17 van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen.
F. In artikel 2, zesde lid, worden de woorden "Art. 13 der
Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. no. 7 is van toepassing"
vervangen door: De artikelen 32 tot en met 41 en 65 van de Wet
op de telecommunicatievoorzieningen zijn van overeenkomstige
toepassing.
G. In artikel 2, zevende lid, worden de woorden "Onze
Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der
Posterijen, Telegrafie en Telefonie" vervangen door: Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat.
H. Artikel 2, achtste lid, komt te luiden: "De NOZEMA zal
door de aanleg en het gebruik van haar inrichtingen geen
belemmering teweegbrengen in de aanleg, instandhouding en
exploitatie van de telecommunicatieinfrastructuur als bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen en voor de aanleg,
instandhouding en gebruik van telecommunicatie-inrichtingen
van overheidsorganen en -diensten, aangewezen krachtens
artikel 28 van die wet.
I. Artikel 2bis vervalt.
J. In artikel 4, tweede lid, worden de woorden "Onze
Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der
Posterijen, Telegrafie en Telefonie" vervangen door: Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat.
K. In artikel 7, tweede lid, worden de woorden "Onze
Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der
Posterijen, Telegrafie en Telefonie" vervangen door: Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 68
De Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554) wordt als volgt
gewijzigd:
A. In artikel 9e, tweede lid onder a, worden de woorden "de
Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. no. 7)" vervangen door:
de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb.1988, 520).
B. In artikel 12, vijfde lid worden de woorden "de
Telegraaf- en Telefoonwet 1904" vervangen door: de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen.
C. In artikel 13, tweede lid, worden de woorden "de
Telegraaf- en Telefoonwet 1904" vervangen door: de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen.
Artikel 69
De Auteurswet 1912 (Stb. 308) wordt als volgt gewijzigd :
1. In artikel 15, eerste lid, worden in de aanhef en onder
1 de woorden "de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad
no. 7)" vervangen door": de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520)
2. In artikel 16, eerste lid onder b, worden de woorden
Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad no. 7)" vervangen
door : de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988,
520).
Artikel 70
1. Bij de toepassing van deze wet wordt niet getreden in de
onderwerpen geregeld bij of krachtens de Mediawet.
2. Het bepaalde bij of krachtens deze wet is, behoudens het
bepaalde in artikel 67, niet van toepassing voor zover het
betreft hetgeen in de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 ten aanzien
van de NV NOZEMA is geregeld en de daaraan gegeven toepassing.
Artikel 71
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 72
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de
telecommunicatievoorzieningen.