Wij
Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die
deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij
in overweging genomen hebben, dat het in verband met het
voornemen toe te treden tot het in 1961 te Rome gesloten
Internationaal Verdrag inzake de bescherming van
uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en
omroeporganisaties (Trb. 1986, 182) en de in 1971 te
Genève gesloten Overeenkomst ter bescherming van
producenten van fonogrammen tegen het ongeoorloofd
kopiëren van hun fonogrammen (Trb. 1986, 183) wenselijk
is regelen te treffen inzake de bescherming van
uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en
omroeporganisaties en dat het voorts in verband hiermee
wenselijk is de Auteurswet 1912 te wijzigen;
Zo is het,
dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk
1. Definities
Artikel
1
Voor de
toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde
wordt verstaan onder:
a.
uitvoerende kunstenaar: de toneelspeler, zanger,
musicus, danser en iedere andere persoon die een werk
van letterkunde of kunst opvoert, zingt, voordraagt of
op enige andere wijze uitvoert, alsmede de artiest,
die een variété- of circusnummer of een poppenspel
uitvoert;
b. opnemen: geluiden, beelden of een combinatie
daarvan voor de eerste maal vastleggen op enig
voorwerp dat geschikt is om deze te reproduceren of
openbaar te maken;
c. fonogram: iedere opname van uitsluitend
geluiden van een uitvoering of andere geluiden;
d. producent van fonogrammen: de natuurlijke of
rechtspersoon die een fonogram voor de eerste maal
vervaardigt of doet vervaardigen;
e. omroeporganisatie: een instelling, die in
overeenstemming met de wetgeving van het land waar de
uitzending plaatsvindt, programma’s verzorgt en
onder haar verantwoordelijkheid uitzendt of doet
uitzenden;
f. reproduceren: de directe of indirecte,
tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke
reproductie van een opname of een reproductie daarvan,
met welke middelen en in welke vorm ook; onder
reproduceren wordt niet verstaan de tijdelijke
reproductie die van voorbijgaande of incidentele aard
is, en die een integraal en essentieel onderdeel vormt
van een technisch procédé dat wordt toegepast met
als enig doel de doorgifte in een netwerk tussen
derden door een tussenpersoon of een rechtmatig
gebruik mogelijk te maken, en die geen zelfstandige
economische waarde bezit;
g. uitzenden: het verspreiden van programma’s
door middel van een omroepzender als bedoeld in
artikel 1, onderdeel o, van de Mediawet of een
omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel q,
van de Mediawet;
h. heruitzenden: het door een instelling
gelijktijdig uitzenden van een programma dat door een
andere instelling of omroeporganisatie wordt
uitgezonden;
i. programma: een uitgezonden radio- of
televisieprogramma, of -programma-onderdeel;
j. verhuren: het voor een beperkte tijd en
tegen een direct of indirect economisch of commercieel
voordeel voor gebruik ter beschikking stellen;
k. uitlenen: het voor een beperkte tijd en
zonder direct of indirect economisch of commercieel
voordeel voor gebruik ter beschikking stellen door
voor het publiek toegankelijke instellingen;
l. uitvoering: de activiteit van de uitvoerend
kunstenaar als zodanig;
m. beschikbaar stellen voor het publiek: op
grond van deze wet beschermd materiaal per draad of
draadloos voor leden van het publiek beschikbaar
stellen op zodanige wijze dat zij daartoe op een door
hen individueel gekozen plaats en tijd toegang toe
hebben;
n. technische voorzieningen: technologie,
inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun
normale werking dienen voor het voorkomen of beperken
van handelingen ten aanzien van het op grond van deze
wet beschermd materiaal, die door de uitvoerend
kunstenaar, producent van fonogrammen, producent van
eerste vastleggingen van films of omroeporganisatie
niet zijn toegestaan; technische voorzieningen worden
geacht «doeltreffend» te zijn indien het gebruik van
op grond van deze wet beschermd materiaal door de
uitvoerend kunstenaar, producent van fonogrammen,
producent van eerste vastleggingen van films of
omroeporganisatie, of hun rechtverkrijgenden, wordt
beheerst door middel van toegangscontrole of door
toepassing van een beschermingsprocédé zoals
encryptie, vervorming of andere transformatie van op
grond van deze wet beschermd materiaal of een
kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt;
o. informatie betreffende het beheer van rechten:
alle door de uitvoerende kunstenaar, producent van
fonogrammen, producent van eerste vastleggingen van
films, of omroeporganisaties, en hun
rechtverkrijgenden verstrekte informatie, welke is
verbonden met een reproductie van op grond van deze
wet beschermd materiaal of bij de openbaarmaking dan
wel het in het verkeer brengen daarvan is bekend
gemaakt, die dient ter identificatie van dat
materiaal, of informatie betreffende de voorwaarden
voor het gebruik van het op grond van deze wet
beschermd materiaal alsmede de cijfers of codes waarin
die informatie is vervat.
Hoofdstuk
2. Inhoud van de naburige rechten
Artikel
2
1.
De uitvoerende kunstenaar heeft het uitsluitend recht om
toestemming te verlenen voor een of meer van de volgende
handelingen:
a. het
opnemen van een uitvoering;
b. het reproduceren van een opname van een uitvoering;
c. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of
anderszins in het verkeer brengen van een opname van
een uitvoering of van een reproduktie daarvan dan wel
het voor die doeleinden invoeren, aanbieden of in
voorraad hebben;
d. het uitzenden, het heruitzenden, het beschikbaar
stellen voor het publiek of het op een andere wijze
openbaar maken van een uitvoering of een opname van
een uitvoering of een reproductie daarvan.
2.
Is een opname van een uitvoering of een reproduktie
daarvan door de houder van het uitsluitend recht,
bedoeld in het eerste lid, of met zijn toestemming voor
de eerste maal in een van de lid-staten van de Europese
Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei
1992 in het verkeer gebracht door eigendomsoverdracht,
dan handelt de verkrijger van die opname of die
reproduktie niet in strijd met dit uitsluitend recht
door ten aanzien daarvan de in het eerste lid, onder c,
genoemde handelingen, met uitzondering van verhuur en
uitlening, te verrichten.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het
uitlenen van de in dat lid bedoelde opname van een
uitvoering of een reproduktie daarvan toegestaan, mits
degene die de uitlening verricht of doet verrichten een
billijke vergoeding betaalt.
4.
Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek
en de aan die instellingen verbonden bibliotheken en de
Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling
van een vergoeding voor uitlenen als bedoeld in het
derde lid.
5.
Bibliotheken, bekostigd door de Stichting fonds voor het
bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden, zijn voor
het uitlenen ten behoeve van de bij deze bibliotheken
ingeschreven blinden en slechtzienden vrijgesteld van
betaling van de in het derde lid bedoelde vergoeding.
6.
De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet
verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen
dat de houder van het uitsluitend recht afstand heeft
gedaan van het recht op een billijke vergoeding. De
houder van het uitsluitend recht dient de afstand
schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en
15b bedoelde rechtspersonen.
7.
Ten aanzien van het in het eerste lid, onder d, bepaalde
wordt onder openbaar maken mede verstaan de uitvoering
die plaatsvindt in besloten kring, tenzij deze zich
beperkt tot de familie-, vrienden- of daaraan gelijk te
stellen kring en voor het bijwonen daarvan geen
betaling, in welke vorm ook, geschiedt.
8.
Onder het openbaar maken van een uitvoering wordt niet
begrepen de uitvoering welke uitsluitend gebruikt wordt
voor het onderwijs dat vanwege de overheid of vanwege
een rechtspersoon zonder winstoogmerk wordt gegeven,
voorzover deze uitvoering deel uitmaakt van het
schoolwerkplan, leerplan of instellingswerkplan of dient
tot een wetenschappelijk doel.
9.
Als afzonderlijke openbaarmaking wordt niet beschouwd de
heruitzending van een programma door hetzelfde organisme
dat dat programma oorspronkelijk uitzendt.
Artikel
2a
1.
Indien een uitvoerende kunstenaar het verhuurrecht,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c , met
betrekking tot een op een fonogram opgenomen uitvoering
heeft overgedragen aan de producent daarvan, is de
producent de uitvoerende kunstenaar een billijke
vergoeding verschuldigd voor de verhuur.
2. Van
het in het eerste lid bedoelde recht op een billijke
vergoeding kan geen afstand worden gedaan.
Artikel
3
De
werkgever is bevoegd de rechten van de uitvoerende
kunstenaar, bedoeld in artikel 2, te exploiteren, voor
zover dit tussen partijen is overeengekomen dan wel
voortvloeit uit de aard van de tussen hen gesloten
arbeidsovereenkomst, de gewoonte of de eisen van
redelijkheid en billijkheid. Tenzij anders is
overeengekomen of uit de aard van de overeenkomst, de
gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid
anders voortvloeit, is de werkgever aan de uitvoerende
kunstenaar of zijn rechtverkrijgende een billijke
vergoeding verschuldigd voor iedere vorm van exploitatie
van diens rechten. De werkgever eerbiedigt de in artikel
5 bedoelde rechten van de uitvoerende kunstenaar.
Artikel
4
Op de
uitvoering van een uitvoerende kunstenaar, die bestemd
is als bijdrage voor de totstandkoming van een filmwerk
als bedoeld in artikel 45a van de Auteurswet 1912, zijn
de artikelen 45a tot en met 45g van voornoemde wet van
overeenkomstige toepassing.
Artikel
5
1.
De uitvoerende kunstenaar heeft, zelfs nadat hij zijn in
artikel 2 bedoelde recht heeft overgedragen:
a. het
recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van de
uitvoering zonder vermelding van zijn naam of andere
aanduiding als uitvoerende kunstenaar tenzij het
verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;
b. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking
van de uitvoering onder een andere naam dan de zijne,
alsmede tegen het aanbrengen van enige wijziging in de
wijze waarop hij is aangeduid, voorzover deze naam of
aanduiding in verband met de uitvoering is vermeld of
openbaar is gemaakt;
c. het recht zich te verzetten tegen elke andere
wijziging in de uitvoering, tenzij deze wijziging van
zodanige aard is dat het verzet in strijd zou zijn met
de redelijkheid;
d. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming,
verminking of andere aantasting van de uitvoering, die
nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van
de uitvoerende kunstenaar of aan zijn waarde in deze
hoedanigheid.
2.
De in het voorgaande lid genoemde rechten komen na het
overlijden van de uitvoerende kunstenaar tot aan het
vervallen van zijn in artikel 2 bedoelde recht toe aan
de door hem bij uiterste wilsbeschikking aangewezene.
3.
Van de in het eerste lid onder a-c genoemde rechten kan
schriftelijk afstand worden gedaan.
Artikel
6
1. De
producent van fonogrammen heeft het uitsluitend recht om
toestemming te verlenen voor
a. het
reproduceren van een door hem vervaardigd fonogram;
b. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of
anderszins in het verkeer brengen van een door hem
vervaardigd fonogram of van een reproduktie daarvan
dan wel het voor die doeleinden invoeren, aanbieden of
in voorraad hebben;
c. het uitzenden, het heruitzenden, het beschikbaar
stellen voor het publiek of het op een andere wijze
openbaar maken van een door hem vervaardigd fonogram
of een reproductie daarvan. Artikel 2, zevende tot en
met het negende lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2.
Is een fonogram of een reproduktie daarvan door de
houder van het uitsluitend recht, bedoeld in het eerste
lid, of met zijn toestemming voor de eerste maal in een
van de lid-staten van de Europese Unie of in een staat
die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte van van 2 mei 1992 in het
verkeer gebracht door eigendomsoverdracht, dan handelt
de verkrijger van dat fonogram of die reproduktie niet
in strijd met dit uitsluitend recht door ten aanzien
daarvan de in het eerste lid, onder b, genoemde
handelingen, met uitzondering van verhuur en uitlening,
te verrichten.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het
uitlenen van het in dat lid bedoelde fonogram of een
reproduktie daarvan toegestaan, mits degene die de
uitlening verricht of doet verrichten een billijke
vergoeding betaalt.
4.
Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek
en de aan die instellingen verbonden bibliotheken en de
Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling
van een vergoeding voor uitlenen als bedoeld in het
derde lid.
5.
Bibliotheken, bekostigd door de Stichting fonds voor het
bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden zijn voor
het uitlenen ten behoeve van de bij deze bibliotheken
ingeschreven blinden en slechtzienden vrijgesteld van
betaling van de in het derde lid bedoelde vergoeding.
6.
De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet
verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen
dat de houder van het uitsluitend recht afstand heeft
gedaan van het recht op een billijke vergoeding. De
houder van het uitsluitend recht dient de afstand
schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en
15b bedoelde rechtspersonen.
Artikel
7
1.
Een voor commerciële doeleinden uitgebracht fonogram of
een reproduktie daarvan kan zonder toestemming van de
producent van het fonogram en de uitvoerende kunstenaar
of hun rechtverkrijgenden worden uitgezonden of op een
andere wijze openbaar gemaakt, mits daarvoor een
billijke vergoeding wordt betaald. Het in het eerste
volzin bepaalde is niet van toepassing op het
beschikbaar stellen voor het publiek van een dergelijk
fonogram.
2.
Bij gebreke van overeenstemming over de hoogte van de
billijke vergoeding is de rechtbank te 's-Gravenhage in
eerste aanleg bij uitsluiting bevoegd om op vordering
van de meest gerede partij de hoogte van de vergoeding
vast te stellen.
3.
De vergoeding komt toe aan zowel de uitvoerende
kunstenaar als de producent of hun rechtverkrijgenden en
wordt tussen hen gelijkelijk verdeeld.
Artikel
7a
1.
De producent van de eerste vastleggingen van films heeft
het uitsluitend recht om toestemming te verlenen voor:
a. het
reproduceren van een door hem vervaardigde eerste
vastlegging van een film of van een reproduktie
daarvan;
b. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of
anderszins in het verkeer brengen van een door hem
vervaardigde eerste vastlegging van een film of een
reproduktie daarvan, dan wel het voor die doeleinden
invoeren, aanbieden of in voorraad hebben;
c. het beschikbaar stellen voor het publiek van een
door hem vervaardigde eerste vastlegging van een film
of een reproductie daarvan.
2.
Is een eerste vastlegging van een film of een
reproduktie daarvan door de houder van het uitsluitend
recht, bedoeld in het eerste lid, of met zijn
toestemming voor de eerste maal in een van de lid-staten
van de Europese Unie of in een staat die partij is bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte van 2 mei 1992 in het verkeer gebracht door
eigendomsoverdracht, dan handelt de verkrijger van die
eerste vastlegging of die reproduktie niet in strijd met
dit uitsluitend recht door ten aanzien daarvan de in het
eerste lid, onder b, genoemde handelingen, met
uitzondering van verhuur en uitlening, te verrichten.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het
uitlenen van de in dat lid bedoelde eerste vastlegging
of een reproduktie daarvan toegestaan, mits degene die
de uitlening verricht of doet verrichten een billijke
vergoeding betaalt.
4.
Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek
en de aan die instellingen verbonden bibliotheken en de
Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling
van een vergoeding voor uitlenen als bedoeld in het
derde lid.
5.
Bibliotheken, bekostigd door de Stichting fonds voor het
bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden, zijn voor
het uitlenen ten behoeve van de bij deze bibliotheken
ingeschreven blinden en slechtzienden vrijgesteld van
betaling van de in het derde lid bedoelde vergoeding.
6.
De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet
verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen
dat de houder van het uitsluitend recht afstand heeft
gedaan van het recht op een billijke vergoeding. De
houder van het uitsluitend recht dient de afstand
schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en
15b bedoelde rechtspersonen.
Artikel
8
1.
Een omroeporganisatie heeft het uitsluitend recht om
toestemming te verlenen voor een of meer van de volgende
handelingen:
a. het
heruitzenden van programma's;
b. het opnemen van programma’s en het reproduceren
van een dergelijke opname;
c. het verkopen, verhuren, uitlenen, afleveren of
anderszins in het verkeer brengen van een opname van
een uitzending of van een reproduktie daarvan dan wel
het voor die doeleinden invoeren, aanbieden of in
voorraad hebben;
d. het openbaarmaken van programma's, indien deze
openbaarmaking geschiedt in voor het publiek
toegankelijke plaatsen tegen betaling van entreegeld,
ongeacht welke technische hulpmiddelen daarbij worden
gebruikt;
e. het beschikbaar stellen voor het publiek of op
andere wijze openbaar maken van opnamen van
programma's of reproducties daarvan, ongeacht welke
technische hulpmiddelen daarbij worden gebruikt.
2.
Is een opname van een uitzending of een reproduktie
daarvan door de houder van het uitsluitend recht,
bedoeld in het eerste lid, of met zijn toestemming voor
de eerste maal in een van de lid-staten van de Europese
Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei
1992 in het verkeer gebracht door eigendomsoverdracht,
dan handelt de verkrijger van die opname of die
reproduktie niet in strijd met dit uitsluitend recht
door ten aanzien daarvan de in het eerste lid, onder c,
genoemde handelingen, met uitzondering van verhuur en
uitlening, te verrichten.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het
uitlenen van de in dat lid bedoelde opname van een
uitzending of een reproduktie daarvan toegestaan mits
degene die de uitlening verricht of doet verrichten een
billijke vergoeding betaalt.
4.
Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek
en de aan die instellingen verbonden bibliotheken en de
Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling
van een vergoeding voor uitlenen als bedoeld in het
derde lid.
5.
Bibliotheken, bekostigd door de Stichting fonds voor het
bibliotheekwerk voor blinden en slechtzienden, zijn voor
het uitlenen ten behoeve van de bij deze bibliotheken
ingeschreven blinden en slechtzienden vrijgesteld van
betaling van de in het derde lid bedoelde vergoeding.
6.
De in het derde lid bedoelde vergoeding is niet
verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen
dat de houder van het uitsluitend recht afstand heeft
gedaan van het recht op een billijke vergoeding. De
houder van het uitsluitend recht dient de afstand
schriftelijk mee te delen aan de in de artikelen 15a en
15b bedoelde rechtspersonen.
Artikel
9
De rechten
die deze wet verleent gaan over bij erfopvolging. Deze
rechten zijn, met uitzondering van die welke genoemd
zijn in het eerste lid van artikel 5, vatbaar voor
gehele of gedeeltelijke overdracht. Levering vereist
voor gehele of gedeeltelijke overdracht, geschiedt door
een daartoe bestemde akte. De overdracht omvat alleen
die bevoegdheden waarvan dit in de akte is vermeld of
uit de aard of strekking van de titel noodzakelijk
voortvloeit. Ten aanzien van het verlenen van
toestemming als bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8 is
het bepaalde in de derde en vierde volzin van dit
artikel van overeenkomstige toepassing.
Artikel
10
Als
inbreuk op de rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a
en 8, wordt niet beschouwd:
a. het
overnemen van op grond van deze wet beschermd
materiaal over actuele economische, politieke,
godsdienstige of levensbeschouwelijke onderwerpen, die
in een radio- of televisieprogramma of ander medium
dat eenzelfde functie vervult, zijn openbaar gemaakt
of in het verkeer gebracht, indien het overnemen
geschiedt in een radio- of televisieprogramma of ander
medium dat eenzelfde functie vervult; artikel 15,
eerste lid, onder 3° en 4°, van de Auteurswet 1912
is van overeenkomstige toepassing; ten aanzien van een
uitvoering dient artikel 5 in acht te worden genomen;
b. het citeren in een aankondiging, beoordeling,
polemiek of wetenschappelijke verhandeling of een
uiting met een vergelijkbaar doel; artikel 15a, eerste
lid, onder 1°, 2° en 4°, van de Auteurswet 1912 is
van overeenkomstige toepassing; ten aanzien van een
uitvoering dient artikel 5 in acht te worden genomen;
c. het door middel van een besloten netwerk
beschikbaar stellen van een opname van een uitvoering,
fonogram, eerste vastlegging van een film of opname
van een programma, of een reproductie daarvan, dat
onderdeel uitmaakt van verzamelingen van voor het
publiek toegankelijke bibliotheken en musea of
archieven die niet het behalen van een direct of
indirect economisch of commercieel voordeel nastreven,
door middel van daarvoor bestemde terminals in de
gebouwen van die instellingen aan individuele leden
van het publiek voor onderzoek of privé-studie,
tenzij anders is overeengekomen;
d. de verslaggeving in het openbaar in een film-,
radio- of televisiereportage over actuele
gebeurtenissen, voorzover zulks voor het behoorlijk
weergeven van de actuele gebeurtenis die het onderwerp
van de reportage uitmaakt gerechtvaardigd is en mits
slechts gebruik wordt gemaakt van korte fragmenten;
artikel 16a van de Auteurswet 1912 is van
overeenkomstige toepassing;
e. het reproduceren van op grond van deze wet
beschermd materiaal, mits het reproduceren geschiedt
zonder direct of indirect commercieel oogmerk en
uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of
gebruik van een natuurlijke persoon die de reproductie
vervaardigt; de artikelen 16c, tweede tot en met
zevende lid, 16d tot en met 16ga, 17d en 35c van de
Auteurswet 1912 zijn van overeenkomstige toepassing;
f. de reproductie van een opname van een uitvoering,
fonogram, eerste vastlegging van een film of opname
van een programma, of een reproductie daarvan, door
voor het publiek toegankelijke bibliotheken,
onderwijsinstellingen of musea of door archieven die
niet het behalen van een direct of indirect economisch
of commercieel voordeel nastreven, indien het
reproduceren geschiedt met als enig doel een opname
van een uitvoering, fonogram, eerste vastlegging van
een film of opname van een programma, of een
reproductie daarvan, voor de instelling te behouden
bij aantoonbare dreiging van verval dan wel
raadpleegbaar te houden als de technologie waarmee het
toegankelijk kan worden gemaakt in onbruik raakt;
artikel 16n, tweede lid, onder 1° en 2°, van de
Auteurswet 1912 is van overeenkomstige toepassing; ten
aanzien van een uitvoering dient artikel 5 in acht te
worden genomen;
g. een tijdelijke vastlegging door of in opdracht van
een omroeporganisatie, die bevoegd is tot uitzenden of
doen uitzenden, ten behoeve van het eigen programma;
artikel 17b, derde lid, van de Auteurswet 1912 is van
overeenkomstige toepassing; ten aanzien van een
uitvoering dient artikel 5 in acht genomen te worden;
h. de incidentele verwerking van op grond van deze wet
beschermd materiaal als onderdeel van ondergeschikte
betekenis in ander materiaal;
i. de reproductie, het openbaar maken of het in het
verkeer brengen van op grond van deze wet beschermd
materiaal voor zover dat uitsluitend voor mensen met
een handicap bestemd is, met de handicap direct
verband houdt, van niet commerciële aard is en wegens
die handicap noodzakelijk is; de artikelen 15i, tweede
lid, en 16g van de Auteurswet 1912 zijn van
overeenkomstige toepassing;
j. een karikatuur, parodie of pastiche mits het
gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de
regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs
geoorloofd is; en
k. het overnemen van op grond van deze wet beschermd
materiaal ten behoeve van de opsporing van strafbare
feiten, de openbare veiligheid of om het goede verloop
van een bestuurlijke, parlementaire of gerechtelijke
procedure of de berichtgeving daarover te waarborgen.
Artikel
11
Van
inbreuk op de rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a
en 8, is geen sprake indien de handelingen, bedoeld in
de artikelen 2, 6, 7a en 8, uitsluitend worden verricht
ter toelichting bij het onderwijs, voor zover dit door
het beoogde, niet commerciële doel wordt
gerechtvaardigd; artikel 16, eerste lid, onder 1°, 2°,
4° en 5°, van de Auteurswet 1912 is van
overeenkomstige toepassing; ten aanzien van een
uitvoering dient artikel 5 in acht genomen te worden.
Artikel
12
1. De
rechten van uitvoerende kunstenaars vervallen door
verloop van 50 jaren te rekenen van de 1e januari van
het jaar, volgend op dat waarin de uitvoering heeft
plaatsgehad. Indien echter binnen deze termijn een
opname van de uitvoering op rechtmatige wijze in het
verkeer is gebracht of is openbaar gemaakt, vervallen de
rechten door verloop van 50 jaren te rekenen van de 1e
januari van het jaar, volgend op dat waarin de opname
voor het eerst op rechtmatige wijze in het verkeer is
gebracht of, indien dit eerder valt, is openbaar
gemaakt.
2.
De rechten van producenten van fonogrammen vervallen
door verloop van 50 jaren te rekenen van de
1e januari van het jaar, volgend op dat waarin het
fonogram is vervaardigd. Indien binnen deze termijn het
fonogram op rechtmatige wijze in het verkeer is
gebracht, vervallen de rechten door verloop van 50 jaren
te rekenen van de 1e januari van het jaar, volgende op
dat waarin het fonogram voor het eerst op rechtmatige
wijze in het verkeer is gebracht. Indien het fonogram
binnen de in de vorige zin bedoelde termijn niet op
rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht maar wel
openbaar is gemaakt, vervallen de rechten 50 jaar na de
datum waarop het fonogram voor het eerst is openbaar
gemaakt.
3.
De rechten van omroeporganisaties vervallen door verloop
van 50 jaren te rekenen van de 1e januari van het jaar,
volgend op dat waarin een programma voor het eerst is
uitgezonden, ongeacht welke technische hulpmiddelen
daarbij worden gebruikt.
4.
De rechten van producenten van de eerste vastlegging van
een film vervallen door verloop van 50 jaren te rekenen
van de 1e januari van het jaar, volgend op dat waarin de
eerste vastlegging heeft plaatsgehad. Indien echter
binnen deze termijn de eerste vastlegging op rechtmatige
wijze in het verkeer is gebracht of is openbaar gemaakt,
vervallen de rechten door verloop van 50 jaren te
rekenen van de 1e januari van het jaar, volgend op dat
waarin de eerste vastlegging voor het eerst op
rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht, of indien
dit eerder valt, is openbaar gemaakt.
Hoofdstuk
3. De uitoefening en de handhaving van de naburige
rechten
Artikel
13
De in
artikel 2 bedoelde rechten kunnen, ingeval het een
gezamenlijke uitvoering door zes of meer personen
betreft, uitsluitend worden uitgeoefend door een door de
aan die uitvoering deelnemende uitvoerende kunstenaars
bij meerderheid gekozen vertegenwoordiger. Het bepaalde
in de eerste zin van dit artikel is niet van toepassing
op de aan de gezamenlijke uitvoering meewerkende solist,
regisseur en dirigent. De handhaving van de in artikel 2
bedoelde rechten kan, ingeval het een gezamenlijke
uitvoering betreft, door een ieder van de aan die
uitvoering deelnemende uitvoerende kunstenaars
geschieden, tenzij anders is overeengekomen.
Artikel
14
Indien aan
twee of meer producenten van fonogrammen of van eerste
vastleggingen van films of omroeporganisaties een
gemeenschappelijk recht ten aanzien van eenzelfde
fonogram, eerste vastlegging van een film of programma
toekomt, kan de handhaving van dit recht door ieder van
hen geschieden, tenzij anders is overeengekomen.
Artikel
14a
1. Het
recht van de uitvoerende kunstenaar en de producent van
fonogrammen om toestemming te verlenen voor het
ongewijzigd en onverkort heruitzenden van een uitvoering
onderscheidenlijk een fonogram of een reproduktie
daarvan door middel van een omroepnetwerk als bedoeld in
artikel 1, onderdeel q, van de Mediawet, kan uitsluitend
worden uitgeoefend door rechtspersonen die zich
ingevolge hun statuten ten doel stellen de belangen van
rechthebbenden door de uitoefening van het aan hen
toekomende hiervoor bedoelde recht te behartigen.
2.
De in het eerste lid bedoelde rechtspersonen zijn ook
bevoegd de belangen te behartigen van rechthebbenden die
daartoe geen opdracht hebben gegeven, indien het betreft
de uitoefening van dezelfde rechten als in de statuten
vermeld. Indien meerdere rechtspersonen zich blijkens de
statuten de behartiging van de belangen van dezelfde
categorie rechthebbenden ten doel stellen, kan de
rechthebbende, bedoeld in de eerste zin van dit lid, een
van hen aanwijzen als bevoegd tot de behartiging van
zijn belangen.
3. Voor
rechthebbenden die geen opdracht hebben gegeven als
bedoeld in het tweede lid, gelden de rechten en
verplichtingen die voortvloeien uit een overeenkomst die
een tot de uitoefening van dezelfde rechten bevoegde
rechtspersoon heeft gesloten met betrekking tot de in
het eerste lid bedoelde uitzending, onverkort.
4. Vorderingen
jegens de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon
terzake van de door deze geïnde gelden vervallen door
verloop van drie jaren na de aanvang van de dag volgende
op die waarop de in het eerste lid bedoelde
heruitzending heeft plaatsgevonden.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op rechten als
bedoeld in het eerste lid die toekomen aan een
omroeporganisatie met betrekking tot haar eigen
uitzendingen.
Artikel
14b
Partijen
zijn verplicht de onderhandelingen over de toestemming
voor het heruitzenden, bedoeld in artikel 14a, eerste
lid, te goeder trouw te voeren en niet zonder geldige
reden te verhinderen of te belemmeren.
Artikel
14c
1.
Indien over het heruitzenden, bedoeld in artikel 14a,
eerste lid, geen overeenstemming kan worden bereikt, kan
iedere partij een beroep doen op een of meer
bemiddelaars. De bemiddelaars worden zodanig
geselecteerd dat over hun onafhankelijkheid en
onpartijdigheid in redelijkheid geen twijfel kan
bestaan.
2.
De bemiddelaars verlenen bijstand bij het voeren van de
onderhandelingen en zijn bevoegd aan de partijen
voorstellen te betekenen. Tot drie maanden na de dag van
ontvangst van de voorstellen van de bemiddelaars kan een
partij zijn bezwaren tegen deze voorstellen betekenen
aan de andere partij. De voorstellen van de bemiddelaars
binden de partijen, tenzij binnen de in de vorige zin
bedoelde termijn door een van hen bezwaren zijn
betekend. De voorstellen en de bezwaren worden aan de
partijen betekend overeenkomstig het bepaalde in de
zesde afdeling van de eerste titel van het eerste boek
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel
14d
De
artikelen 14b en 14c zijn van overeenkomstige toepassing
op het ongewijzigde en onverkorte heruitzenden van het
programma van een omroeporganisatie door middel van een
omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van
de Mediawet.
Artikel
15
1.
De betaling van de in artikel 7 bedoelde billijke
vergoeding dient te geschieden aan een door Onze
Minister van Justitie aan te wijzen representatieve
rechtspersoon die met uitsluiting van anderen met de
inning en verdeling van deze vergoeding is belast. Ten
aanzien van de vaststelling van de hoogte van de
vergoeding en de inning daarvan alsmede de uitoefening
van het uitsluitend recht vertegenwoordigt de in de
vorige zin bedoelde rechtspersoon de rechthebbenden in
en buiten rechte.
2.
De in het eerste lid bedoelde rechtspersoon staat onder
toezicht van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet
toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en
naburige rechten.
3. De
verdeling van de geïnde vergoedingen geschiedt
overeenkomstig een reglement dat is opgesteld door de
rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, en dat is
goedgekeurd door het College van Toezicht, bedoeld in de
Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en
naburige rechten.
Artikel
15a
1.
De betaling van de in de artikelen 2, 6, 7a en 8
bedoelde vergoeding dient te geschieden aan een door
Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te
wijzen naar hun oordeel representatieve rechtspersoon,
die met uitsluiting van anderen belast is met de inning
en de verdeling van deze vergoeding. In aangelegenheden
betreffende de vaststelling van de hoogte van de
vergoeding en de inning daarvan alsmede de uitoefening
van het uitsluitende recht vertegenwoordigt de in de
vorige zin bedoelde rechtspersoon de rechthebbenden in
en buiten rechte.
2.
De in het eerste lid bedoelde rechtspersoon staat onder
toezicht van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet
toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en
naburige rechten.
3.
De verdeling van de geïnde vergoedingen geschiedt
overeenkomstig een reglement, dat is opgesteld door de
rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, en dat is
goedgekeurd door het College van Toezicht, bedoeld in de
Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en
naburige rechten.
Artikel
15b
De hoogte
van de in de artikelen 2, derde lid, 6, derde lid, 7a,
derde lid, en 8, derde lid, bedoelde vergoeding wordt
vastgesteld door een door Onze Minister van Justitie in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen aan te wijzen stichting waarvan het
bestuur zodanig is samengesteld dat de belangen van
rechthebbenden en de ingevolge voornoemde artikelen
betalingsplichtigen op evenwichtige wijze worden
behartigd. De voorzitter van het bestuur van deze
stichting wordt benoemd door Onze Minister van Justitie
in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen. Het aantal bestuursleden van
deze stichting dient oneven te zijn.
Artikel
15c
Geschillen
met betrekking tot de in de artikelen 2, derde lid, 6,
derde lid, 7a, derde lid, en 8, derde lid, bedoelde
vergoeding worden in eerste aanleg bij uitsluiting
beslist door de rechtbank te 's-Gravenhage.
Artikel
15d
Degene die
tot betaling van de in de artikelen 2, derde lid, 6,
derde lid, 7a, derde lid, en 8, derde lid, bedoelde
vergoeding verplicht is, is gehouden, voor zover geen
ander tijdstip is overeengekomen, vóór 1 april van
ieder kalenderjaar aan de in artikel 15a, eerste lid,
bedoelde rechtspersoon opgave te doen van het aantal
rechtshandelingen, bedoeld in eerstgenoemde artikelen.
Hij is voorts gehouden desgevraagd aan deze
rechtspersoon onverwijld de bescheiden of andere
informatiedragers ter inzage te geven, waarvan
kennisneming noodzakelijk is voor de vaststelling van de
verschuldigdheid en de hoogte van de vergoeding.
Artikel
16
1. Naast
schadevergoeding kan de rechthebbende, bedoeld in de
artikelen 2, 6, 7a en 8, vorderen dat degene die inbreuk
op zijn recht heeft gemaakt wordt veroordeeld de door
deze tengevolge van de inbreuk genoten winst af te
dragen en dienaangaande rekening en verantwoording af te
leggen.
2.
De rechthebbende kan de in het eerste lid bedoelde
vorderingen of een van deze ook namens of mede namens
een licentienemer instellen, onverminderd de bevoegdheid
van deze laatste in een al of niet namens hem of mede
namens hem door de rechthebbende ingesteld geding tussen
te komen om rechtstreeks de door hem geleden schade
vergoed te krijgen of om zich een evenredig deel van de
door de gedaagde af te dragen winst te doen toewijzen.
De in het eerste lid bedoelde vorderingen of een van
deze kan een licentienemer slechts instellen als hij de
bevoegdheid daartoe heeft bedongen.
Artikel
17
1.
De rechten, bedoeld in de artikelen 2, 5, 6, 7a en 8,
geven de bevoegdheid om opnamen of reprodukties daarvan
die in strijd met die rechten zijn openbaar gemaakt
alsmede niet geoorloofde reprodukties, als zijn eigendom
op te eisen dan wel daarvan de vernietiging of
onbruikbaarmaking te vorderen. Gelijke bevoegdheid
bestaat ten aanzien van roerende zaken die geen
registergoederen zijn en die rechtstreeks hebben gediend
tot de vervaardiging van de in de eerste zin bedoelde
opnamen of reprodukties alsmede ten aanzien van het
bedrag der toegangsgelden, betaald voor het bijwonen van
een uitvoering en andere gelden waarvan aannemelijk is
dat zij zijn verkregen door of als gevolg van inbreuk op
een van de in de artikelen 2, 5, 6, 7a en 8 bedoelde
rechten.
2.
De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering betreffende beslag en executie tot
afgifte van roerende zaken die geen registergoederen
zijn, zijn van toepassing. Bij samenloop met een ander
beslag gaat degene die beslag heeft gelegd krachtens dit
artikel voor.
3.
De rechter kan gelasten dat de afgifte niet plaatsvindt
dan tegen een door hem vast te stellen door de eiser te
betalen vergoeding.
4. Tenzij
anders is overeengekomen, heeft de licentienemer het
recht de uit het eerste lid voortvloeiende bevoegdheden
uit te oefenen, voor zover deze strekken tot bescherming
van de rechten waarvan de uitoefening hem is toegestaan.
5.
Gelijke bevoegdheid tot opeising, dan wel tot
vernietiging of onbruikbaarmaking alsmede tot afgifte
teneinde tot vernietiging of onbruikbaarmaking over te
gaan, bestaat ten aanzien van inrichtingen, producten en
onderdelen als bedoeld in artikel 19 en reproducties als
bedoeld in artikel 19a, die geen registergoederen zijn.
Artikel
18
De in
artikel 17, eerste lid, bedoelde bevoegdheid kan niet
worden uitgeoefend ten aanzien van opnamen of
reprodukties daarvan, die onder personen berusten, die
niet in soortgelijke zaken handel drijven en deze
uitsluitend voor eigen gebruik hebben verkregen, tenzij
zij zelf inbreuk op het desbetreffende recht hebben
gemaakt.
Artikel
19
1.
Degene, die doeltreffende technische voorzieningen
omzeilt en dat weet of redelijkerwijs behoort te weten,
handelt onrechtmatig.
2.
Degene die diensten verricht of inrichtingen, producten
of onderdelen vervaardigt, invoert, distribueert,
verkoopt, verhuurt, adverteert of voor commerciële
doeleinden bezit die:
a)
aangeboden, aangeprezen of in de handel gebracht
worden met het doel om de beschermende werking van
doeltreffende technische voorzieningen te omzeilen, of
b) slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben
anders dan het omzeilen van de beschermende werking
van doeltreffende technische voorzieningen, of
c) vooral ontworpen, vervaardigd of aangepast worden
met het doel het omzeilen van de beschermende werking
van doeltreffende technische voorzieningen mogelijk of
gemakkelijker te maken,
handelt
onrechtmatig.
3. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden
vastgesteld die de uitvoerende kunstenaar, producent van
fonogrammen, producent van films en omroeporganisatie,
of hun rechtverkrijgenden, er toe verplichten aan de
gebruiker van een uitvoering, opname van een uitvoering,
fonogram, film of programma, of een reproductie daarvan
voor doeleinden als omschreven in artikel 10, onderdelen
e, f, g, i en k, en artikel 11 de nodige middelen te
verschaffen om van deze beperkingen te profiteren, mits
de gebruiker rechtmatig toegang tot door de technische
voorziening beschermde uitvoering, opname van een
uitvoering, fonogram, film of programma, of reproductie
daarvan, heeft. Het bepaalde in de voorgaande zin geldt
niet ten aanzien van uitvoeringen, opnamen van
uitvoeringen, fonogrammen, films of programma's, of
reproducties daarvan, die onder contractuele voorwaarden
aan gebruikers beschikbaar worden gesteld op een door
hen individueel gekozen plaats en tijd. Artikel 17d van
de Auteurswet 1912 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel
19a
Degene die
opzettelijk en zonder daartoe gerechtigd te zijn
elektronische informatie betreffende het beheer van
rechten verwijdert of wijzigt, of van opnamen van
uitvoeringen, fonogrammen, films of programma's, of
reproducties daarvan, op ongeoorloofde wijze dergelijke
informatie is verwijderd of waarin op ongeoorloofde
wijze dergelijke informatie is gewijzigd, verspreidt,
ter verspreiding invoert, uitzendt of anderszins
openbaar maakt, en weet of redelijkerwijs behoort te
weten dat hij zodoende aanzet tot inbreuk op de rechten
als bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8 dan wel een
dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of
verbergt, handelt onrechtmatig.
Artikel
20
1. Op
verzoek van een of meer naar het oordeel van de Minister
van Justitie representatieve organisaties van bedrijfs-
of beroepsgenoten, die rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid zijn en die ten doel hebben de
behartiging van de belangen van personen die beroeps- of
bedrijfsmatig opnamen of reprodukties daarvan, verkopen,
verhuren, uitlenen, afleveren of anderszins in het
verkeer brengen dan wel voor die doeleinden invoeren,
aanbieden of in voorraad hebben, kan voornoemde minister
bepalen dat door hem aangewezen beroeps- of
bedrijfsgenoten verplicht zijn hun administratie te
voeren op een nader door hem aan te geven wijze.
2. Hij
die de in het vorige lid bedoelde verplichting niet
nakomt, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
categorie. Het feit is een overtreding.
Hoofdstuk
4. Bepalingen van strafrecht
Artikel
21
Hij die
opzettelijk inbreuk maakt op de rechten, bedoeld in de
artikelen 2, 6, 7a en 8 van deze wet, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie.
Artikel
22
Hij, die
opzettelijk een opname of een reproduktie daarvan
waarvan hij weet dat inbreuk wordt gemaakt op de
rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8 van deze
wet,
a.
uitzendt, heruitzendt of op een andere wijze openbaar
maakt;
b. openlijk ter verspreiding aanbiedt;
c. ter reproduktie of ter verspreiding voorhanden
heeft;
d. invoert, doorvoert, uitvoert; of
e. bewaart uit winstbejag,
wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar
of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel
23
Hij, die
van het plegen van de misdrijven als bedoeld in de
artikelen 21 en 22, zijn beroep maakt of het plegen van
deze misdrijven als bedrijf uitoefent, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of
geldboete van de vijfde categorie.
Artikel
24
Hij, die
een opname of een reproduktie daarvan waarvan hij
redelijkerwijs kan vermoeden dat inbreuk wordt gemaakt
op de rechten, bedoeld in de artikelen 2, 6, 7a en 8 van
deze wet,
a.
uitzendt, heruitzendt of op een andere wijze openbaar
maakt;
b. openlijk ter verspreiding aanbiedt;
c. ter reproduktie of ter verspreiding voorhanden
heeft;
d. invoert, doorvoert, uitvoert; of
e. bewaart uit winstbejag,
wordt
gestraft met geldboete van de derde categorie.
Artikel
25
Hij die
opzettelijk in een uitvoering, in de benaming daarvan of
in de aanduiding van de uitvoerende kunstenaar
wederrechtelijk enige wijziging aanbrengt, of wel een
zodanige uitvoering op enige andere wijze, welke nadeel
zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de
uitvoerende kunstenaar of aan zijn waarde in deze
hoedanigheid, aantast, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de vierde categorie.
Artikel
26
De feiten
strafbaar gesteld in de artikelen 21, 22, 23, 24 en 25
zijn misdrijven.
Artikel
27
Hij die in
een schriftelijke aanvrage of opgave aan de in artikel
15, eerste lid, bedoelde rechtspersoon, dienende voor de
vaststelling van het op grond van artikel 7 van deze wet
verschuldigde, opzettelijk een onjuiste of onvolledige
mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste drie maanden of geldboete van de derde
categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding.
Artikel
27a
Degene die
een opgave, bedoeld in artikel 15d , opzettelijk nalaat
dan wel in een dergelijke opgave opzettelijk een
onjuiste of onvolledige mededeling doet, wordt gestraft
met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete
van de derde categorie. Het feit wordt beschouwd als een
overtreding.
Artikel
28
De
opsporingsambtenaren zijn bevoegd, tot het opsporen van
de bij deze wet strafbaar gestelde feiten en ter
inbeslagneming van hetgeen daarvoor vatbaar is, elke
plaats te betreden. Indien hun de toegang wordt
geweigerd, verschaffen zij zich die desnoods met
inroeping van de sterke arm. In woningen treden zij
tegen de wil van de bewoner niet binnen dan op vertoon
van een schriftelijke bijzondere last van of in
tegenwoordigheid van een officier van justitie of een
hulpofficier van justitie. Van dit binnentreden wordt
door hen binnen vierentwintig uren procesverbaal
opgemaakt.
Artikel
29
De
opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde tot het
opsporen van bij deze wet strafbaar gestelde feiten
inzage vorderen van alle bescheiden of andere
gegevensdragers, waarvan inzage voor de vervulling van
hun taak redelijkerwijze nodig is, bij hen die in de
uitoefening van hun beroep of bedrijf opnamen of
reprodukties daarvan, waarop de in de artikelen 2, 6, 7a
en 8 bedoelde rechten betrekking hebben, reproduceren,
verkopen, afleveren of anderszins in het verkeer brengen
dan wel voor die doeleinden invoeren, doorvoeren,
uitvoeren aanbieden of in voorraad hebben of openbaar
maken.
Artikel
30
1. De
door de strafrechter verbeurd verklaarde reprodukties
worden vernietigd; echter kan de rechter bij het vonnis
bepalen, dat zij aan de rechthebbende zullen worden
afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie aanmeldt
binnen een maand nadat de uitspraak in kracht van
gewijsde is gegaan.
2.
Door de afgifte gaat de eigendom van de reprodukties op
de rechthebbende over. De rechter zal kunnen gelasten,
dat die afgifte niet zal geschieden dan tegen een
bepaalde door de rechthebbende te betalen vergoeding,
welke ten bate komt van de Staat.
Artikel
31
Een ieder,
die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en
daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij
het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet
vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt,
beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die
gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht
tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig
wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of
uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak
tot bekendmaking voortvloeit.
Hoofdstuk
5. Toepassingscriteria
Artikel
32
1.
De voorgaande artikelen zijn op de uitvoerende
kunstenaar van toepassing ingeval:
a. hij
onderdaan is van een van de lid-staten van de Europese
Unie of van een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte van 2 mei 1992 of zijn gewone verblijfplaats in
Nederland heeft dan wel onderdaan is van een Staat die
partij is bij het Verdrag van Rome inzake de
bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten
van fonogrammen en omroeporganisaties; of
b. zijn uitvoering in Nederland plaats had dan wel in
een Staat die partij is bij het Verdrag van Rome
inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars,
producenten van fonogrammen en omroeporganisaties; of
c. zijn uitvoering is opgenomen op een fonogram als
bedoeld in het tweede lid van dit artikel; of
d. zijn uitvoering, die niet is opgenomen op een
fonogram, is openbaar gemaakt door middel van een
programma van een omroeporganisatie als bedoeld in het
zesde lid van dit artikel.
2. De
voorgaande artikelen zijn op de producenten van
fonogrammen van toepassing ingeval:
a. hij
onderdaan is van of rechtspersoon is opgericht naar
het recht van een van de lid-staten van de Europese
Unie of van een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte van 2 mei 1992 dan wel in Nederland zijn zetel
of gewone verblijfplaats heeft of onderdaan is van dan
wel rechtspersoon is opgericht naar het recht van een
Staat die partij is bij het in het eerste lid, onder
a, bedoelde Verdrag van Rome of bij de Overeenkomst
ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen
het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen; of
b. het opnemen in Nederland plaats had dan wel in een
Staat die partij is bij het in het eerste lid, onder
a, bedoelde Verdrag van Rome of bij de Overeenkomst
ter bescherming van producenten van fonogrammen tegen
het ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen; of
c. het fonogram voor de eerste maal, of binnen dertig
dagen na de eerste uitgave in een ander land, in het
verkeer is gebracht in Nederland dan wel in een Staat
die partij is bij het in het eerste lid, onder a,
bedoelde Verdrag van Rome of bij de Overeenkomst ter
bescherming van producenten van fonogrammen tegen het
ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen.
3. Van
het in het verkeer brengen als bedoeld in het tweede lid
is sprake, wanneer van op rechtmatige wijze vervaardigde
reprodukties van een fonogram een zodanig aanbod van
exemplaren daarvan heeft plaatsgevonden dat daardoor
wordt voorzien in de redelijke behoeften van het
publiek.
4.
Met betrekking tot fonogrammen, waarvan de producent
onderdaan is van dan wel rechtspersoon is opgericht naar
het recht van een Staat die partij is bij het in het
eerste lid, onder a, bedoelde Verdrag van Rome is
artikel 7 slechts van toepassing in de mate waarin en
voor de duur waarvoor deze Staat bescherming verleent
ten aanzien van fonogrammen waarvan de producent
Nederlander is dan wel zijn zetel heeft in Nederland.
5.
Het recht op een billijke vergoeding, als bedoeld in
artikel 7, geldt niet voor fonogrammen waarvan de
producent geen onderdaan is van noch rechtspersoon is
opgericht naar het recht van een Staat die partij is bij
het in het eerste lid, onder a, bedoelde Verdrag van
Rome.
6. De
voorgaande artikelen zijn op omroeporganisaties van
toepassing ingeval:
a. het
hoofdkantoor van de omroeporganisatie is gevestigd in
een van de lid-staten van de Europese Unie of in een
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 dan wel in
een Staat die partij is bij het in het eerste lid,
onder a, bedoelde Verdrag van Rome; of
b. de uitzending van het programma heeft
plaatsgevonden in Nederland dan wel in een Staat die
partij is bij het in het eerste lid onder a, bedoelde
Verdrag van Rome; of
7. Het
bepaalde in het vierde en vijfde lid van dit artikel is
niet van toepassing op fonogrammen waarvan de producent
onderdaan is van of rechtspersoon is opgericht naar het
recht van een van de lid-staten van de Europese Unie of
van een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei
1992.
8. De
voorgaande artikelen zijn op de producent van de eerste
vastleggingen van films van toepassing ingeval:
a. hij
onderdaan is van of rechtspersoon is opgericht naar
het recht van een van de lid-staten van de Europese
Unie of van een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte van 2 mei 1992 dan wel in Nederland zijn zetel
of gewone verblijfplaats heeft; of
b. de vastlegging in Nederland plaats had; of
c. de vastlegging voor de eerste maal, of binnen
dertig dagen na de eerste uitgave in een ander land,
in het verkeer is gebracht in Nederland.
Het derde
lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel
32a
1.
De voorgaande artikelen zijn van toepassing op het
uitzenden van een uitvoering, fonogram, of programma of
een reproduktie daarvan door middel van een satelliet,
indien in Nederland onder controle en
verantwoordelijkheid van een omroeporganisatie de
programmadragende signalen voor ontvangst door het
publiek zijn ingevoerd in een ononderbroken
mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de
aarde loopt. Indien de programmadragende signalen in
gecodeerde vorm worden uitgezonden, is er sprake van een
uitzending, bedoeld in de eerste zin, indien de middelen
voor het decoderen van de uitzending door of met
toestemming van de omroeporganisatie ter beschikking van
het publiek worden gesteld.
2.
De voorgaande artikelen zijn voorts van toepassing op
het uitzenden, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. de
handeling, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt in
een land dat niet tot de Europese Unie behoort of dat
niet partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992;
b. het land waar de handeling, bedoeld in het eerste
lid, plaatsvindt niet het niveau van bescherming
biedt, voorzien in hoofdstuk II van richtlijn nr.
93/83/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde
voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige
rechten op het gebied van de satellietomroep en de
doorgifte via de kabel (PbEG L 248); en
c. hetzij de programmadragende signalen naar de
satelliet worden doorgezonden vanuit een grondstation
in Nederland, hetzij een omroeporganisatie die in
Nederland haar hoofdvestiging heeft, opdracht heeft
gegeven tot de uitzending en geen gebruik wordt
gemaakt van een grondstation in een lid-staat van de
Europese Unie of in een staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte van 2 mei 1992.
Artikel
33
Ten
aanzien van uitvoeringen, fonogrammen of programma's,
die voor het tijdstip van in werking treden van deze wet
hebben plaatsgevonden, zijn vervaardigd
onderscheidenlijk zijn uitgezonden, zijn de door deze
wet verleende rechten van toepassing voor zover het
gedragingen betreft die plaatsvinden na het tijdstip van
in werking treden van deze wet.
Artikel
33a
1.
Uitvoerende kunstenaars die onderdaan zijn van een
staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese Unie of
een staat die partij is bij de overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, die geen
partij is bij het Verdrag van Rome inzake de bescherming
van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen
en omroeporganisaties, en omroeporganisaties, waarvan
het hoofdkantoor is gevestigd in een staat als hiervoor
bedoeld, kunnen geen beroep doen op de door deze wet
verleende rechten, indien de duur daarvan ingevolge de
nationale wetgeving reeds is verstreken.
2.
Het in het eerste lid bepaalde is eveneens van
toepassing op
a.
producenten van fonogrammen die onderdaan zijn van een
staat, niet zijnde ene lid-staat van de Europese Unie
of een staat die partij is bij de overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei
1992, die geen partij is bij het in het eerste lid
bedoelde Verdrag of bij de Overeenkomst ter
bescherming van producenten van fonogrammen tegen het
ongeoorloofd kopiëren van hun fonogrammen;
b. producenten van eerste vastlegging van films die
onderdaan zijn van een staat, niet zijnde een
lid-staat van de Europese Unie of een staat die partij
is bij de overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte van 2 mei 1992, waarvan de
nationale wetgeving in een kortere beschermingstermijn
voorziet dan die bedoeld in artikel 12, vierde lid.
Artikel
34
De
voorgaande artikelen van deze wet laten een beroep op
artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
onverlet.
Hoofdstuk
6. Overgangsbepaling
Artikel
35
1.
De in deze wet voorziene beschermingstermijnen zijn met
ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit
artikel van toepassing op uitvoeringen, fonogrammen,
eerste vastleggingen van films of programma's, die op 1
juli 1995 in ten minste één lid-staat van de Europese
Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei
1992 beschermd worden door de nationale wetgeving op het
gebied van de naburige rechten of die op die datum
voldoen aan de beschermingscriteria van de Richtlijn van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november
1992, PbEG 1992, L 346/61, betreffende het verhuurrecht,
het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het
gebied van intellectuele eigendom.
2.
Deze wet laat vóór inwerkingtreding van dit artikel
rechtmatig verrichte exploitatiehandelingen alsmede
vóór dat tijdstip verworven rechten onverlet.
3.
Hij die met betrekking tot een uitvoering, fonogram,
eerste vastlegging van een film of een programma,
waarvan de beschermingstermijn vóór inwerkingtreding
van dit artikel was verstreken en waarop met ingang van
inwerkingtreding van dit artikel deze wet weer van
toepassing is, vóór 24 november 1993 rechtmatig
exploitatiehandelingen heeft verricht, is bevoegd deze
exploitatiehandelingen met ingang van inwerkingtreding
van dit artikel voort te zetten.
Hoofdstuk
7. Slotbepalingen
Artikel
36
Deze wet
treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel
37
Deze wet
kan worden aangehaald als de Wet op de naburige rechten.
Lasten en
bevelen dat deze wet in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
's-Gravenhage, 18 maart 1993
Beatrix
De
Minister van Justitie,
E. M. H.
Hirsch Ballin
De
Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. d’Ancona
Uitgegeven
de eerste april 1993
De
Minister van Justitie,
E.
M. H. Hirsch Ballin