|
Wij Beatrix, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in
overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat regels
gesteld worden met betrekking tot het toezicht op collectieve
beheersorganisaties voor auteurs- en naburige rechten;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet
wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: de Minister
van Justitie;
b. het College van Toezicht: het College van Toezicht, bedoeld
in artikel 2;
c. collectieve beheersorganisatie: de door Onze Minister
aangewezen rechtspersoon, die met uitsluiting van anderen
belast is met de inning en de verdeling van vergoedingen,
verschuldigd op grond van de Auteurswet 1912, of op grond van
de Wet op de naburige rechten, of de rechtspersoon die met
toestemming van Onze Minister als bedrijf bemiddeling verleent
inzake muziekauteursrecht op grond van artikel 30a van de
Auteurswet 1912.
Artikel 2
1.
Er is een College van Toezicht dat tot taak heeft toezicht
uit te oefenen op de inning en de verdeling van de
vergoedingen door de collectieve beheersorganisaties.
2.
Het College van Toezicht
ziet er op toe dat een collectieve beheersorganisatie:
a. aan rechthebbenden en
betalingsplichtigen voldoende inzicht verschaft in haar
algemene en financiële beleid;
b. voldoende is toegerust om haar taken naar behoren te kunnen
uitoefenen;
c. de door haar geïnde vergoedingen op rechtmatige wijze
verdeelt over de rechthebbenden overeenkomstig het
repartitiereglement;
d. bij de uitoefening van haar werkzaamheden voldoende
rekening houdt met de belangen van de betalingsplichtigen;
e. een deugdelijke geschillenregeling voor rechthebbenden
kent;
f. gelijke gevallen op gelijke wijze behandelt.
Artikel 3
1.
De volgende besluiten van een collectieve
beheersorganisatie, niet zijnde een vereniging, worden slechts
genomen na voorafgaande schriftelijke goedkeuring van het
College van Toezicht:
a. een besluit
tot wijziging van de statuten of tot ontbinding van de
collectieve beheersorganisatie;
b. een besluit tot benoeming van een accountant als bedoeld
in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek;
c. een besluit tot vaststelling of wijziging van
modelovereenkomsten met rechthebbenden betreffende de
uitoefening en handhaving van auteursrechten of naburige
rechten;
d. een besluit tot vaststelling of wijziging van andere
modelovereenkomsten en reglementen die de uitoefening van de
aan de collectieve beheersorganisatie opgedragen taak
betreffen.
2.
Het College van Toezicht kan over besluiten als bedoeld in
het eerste lid een collectieve beheersorganisatie van advies
dienen.
3.
Het College van Toezicht kan
slechts zijn goedkeuring aan een besluit onthouden indien de
collectieve beheersorganisatie binnen een door het college te
bepalen periode na ontvangst van een voorafgaand advies van
het college het advies niet opvolgt.
Artikel 4
Het College van
Toezicht houdt geen toezicht op collectieve
beheersorganisaties voor zover toezicht op grond van de
Mededingingswet wordt uitgeoefend door de Nederlandse
Mededingingsautoriteit.
Artikel 5
1.
Een collectieve beheersorganisatie is gehouden het College
van Toezicht vooraf schriftelijk te informeren over te nemen
besluiten die van wezenlijke invloed zijn op de uitoefening
door de collectieve beheersorganisatie van haar wettelijke
taken of het verlenen van bemiddeling als bedoeld in artikel
30a van de Auteurswet 1912, waaronder:
a.
investeringen die een door het College van Toezicht bij
reglement vast te stellen bedrag te boven gaan;
b. het oprichten of mede-oprichten van een
privaatrechtelijke rechtspersoon of het deelnemen in een
vennootschap.
2.
De leden van het College van Toezicht hebben toegang tot
de kantoren van een collectieve beheersorganisatie en kunnen
de algemene ledenvergadering, de vergadering van aangeslotenen
en de vergaderingen van het bestuur van de collectieve
beheersorganisatie bijwonen. De leden van het College hebben
inzage in boeken en bescheiden en andere informatiedragers van
een collectieve beheersorganisatie een en ander voor zover
kennisneming daarvan noodzakelijk is voor de uitoefening van
het toezicht.
3.
Indien een collectieve
beheersorganisatie samenwerkt met of werkzaamheden laat
verrichten door een derde, verband houdende met de inning en
de verdeling van vergoedingen op grond van de Auteurswet 1912
en de Wet op de naburige rechten, blijft zij verantwoordelijk
voor de uitoefening van deze taken. Zij draagt in dat geval
zorg voor de beschikbaarheid voor het College van Toezicht van
de financiële gegevens die relevant kunnen zijn voor de
taakuitoefening van het College.
4.
Het College van Toezicht
kan, indien het daartoe gronden aanwezig acht, de boekhouding
van een collectieve beheersorganisatie laten onderzoeken door
een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kosten van dit onderzoek
komen voor rekening van de collectieve beheersorganisatie.
Artikel 6
1.
Het College van Toezicht kan een collectieve
beheersorganisatie van advies dienen.
2.
Het College van Toezicht kan
een collectieve beheersorganisatie aanwijzingen geven met
betrekking tot de uitoefening van haar wettelijke taken of het
verlenen van bemiddeling als bedoeld in artikel 30a van de
Auteurswet. De collectieve beheersorganisatie is gehouden
overeenkomstig de aanwijzingen te handelen.
3.
Het College van Toezicht kan
slechts een aanwijzing geven indien de collectieve
beheersorganisatie binnen een door het college te bepalen
periode na ontvangst van een voorafgaand advies van het
college het advies niet opvolgt.
Artikel 7
1.
Het College van Toezicht bestaat uit drie of meer
personen. Het aantal leden van het College, de voorzitter
daaronder begrepen, is steeds oneven.
2.
De leden van het College van
Toezicht kunnen de taken onderling verdelen. Het College
blijft verantwoordelijk voor de uitoefening van deze taken.
3.
De leden van het College van
Toezicht worden, in overeenstemming met de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, benoemd door Onze
Minister, die tevens de voorzitter aanwijst.
4.
De leden van het College van
Toezicht worden benoemd voor een periode van ten hoogste vier
jaren. Zij kunnen na afloop van deze periode aansluitend
eenmaal opnieuw worden benoemd voor een termijn van ten
hoogste vier jaren.
5.
Het College van Toezicht
blijft ook in geval van een of meer vacatures bevoegd tot
hetgeen hem is opgedragen.
6.
Een lid dat een vacature
vervult, wordt benoemd voor de resterende duur van de periode
waarvoor het door hem vervangen afgetreden lid was benoemd.
Artikel 8
Een lid van het
College van Toezicht vervult geen nevenfuncties die ongewenst
zijn met het oog op een goede vervulling van zijn functie of
de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen
daarin.
Artikel 9
1.
Het lidmaatschap van het College van Toezicht eindigt:
a. door het
verstrijken van de periode waarvoor het lid is benoemd;
b. door ontslag door Onze Minister, in overeenstemming met
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, al dan
niet op eigen verzoek van het lid;
c. door ondercuratelestelling of overlijden van het lid;
d. indien het faillissement of de toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van
het lid wordt uitgesproken;
e. door een veroordeling wegens een misdrijf.
2.
De leden van het College van Toezicht kunnen door Onze
Minister, in overeenstemming met de Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen, worden geschorst. Het
schorsingsbesluit regelt de gevolgen van de schorsing.
3.
Schorsing en ontslag vindt
slechts plaats wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de
vervulde functie dan wel wegens andere zwaarwegende in de
persoon van de betrokkene gelegen redenen.
Artikel 10
1.
Indien naar het oordeel van Onze Minister, het College van
Toezicht zijn taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister,
in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, de noodzakelijke voorzieningen treffen.
2.
De voorzieningen worden,
spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan
nadat het zelfstandig bestuursorgaan in de gelegenheid is
gesteld om binnen een door Onze Minister, in overeenstemming
met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, te
stellen termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te oefenen.
3.
Onze Minister stelt de beide
kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem
getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 11
1.
Het College van Toezicht heeft een secretaris. De
secretaris is geen lid van het College van Toezicht.
2.
Onze Minister benoemt,
schorst en ontslaat de secretaris, na overleg met de
voorzitter van het College van Toezicht.
3.
De secretaris is voor zijn
werkzaamheden uitsluitend verantwoording schuldig aan het
College.
Artikel 12
1.
Onze Minister stelt de hoogte vast van de bezoldiging van
de leden van het College van Toezicht, gehoord de collectieve
beheersorganisaties.
2.
De leden van het College van
Toezicht en de secretaris ontvangen voor de uitoefening van
hun werkzaamheden vergoeding van reis- en verblijfkosten
overeenkomstig regels door Onze Minister te stellen.
3.
De algemene kosten gemaakt
door het College van Toezicht ten behoeve van de uitoefening
van het toezicht, waaronder die genoemd in het eerste en
tweede lid, komen voor rekening van de collectieve
beheersorganisaties gezamenlijk, naar rato van de door hen
geïncasseerde vergoedingen.
Artikel 13
1.
Het College van Toezicht vergadert ten minste vier maal
per jaar en voorts zo vaak als door de voorzitter of ten
minste twee andere leden van het College wenselijk wordt
geoordeeld.
2.
Het College van Toezicht
besluit met volstrekte meerderheid van uitgebrachte stemmen.
Elk lid heeft één stem. Indien de stemmen staken beslist de
voorzitter.
3.
Het College van Toezicht kan
bij reglement nadere regels vaststellen omtrent zijn
vergadering en besluitvorming. Vaststelling en wijziging van
het reglement is onderworpen aan de goedkeuring van Onze
Minister.
Artikel 14
1.
Het College van Toezicht stelt ten minste een maal per
jaar vertegenwoordigers van betalingsplichtigen in de
gelegenheid te worden gehoord. Het College is bevoegd ook
andere belanghebbenden te horen.
2.
Belanghebbenden kunnen zich
tot het College van Toezicht wenden, indien de betreffende
geschillenregeling is doorlopen. Het College kan een niet
bindend advies aan partijen geven ter beslechting van het
geschil.
Artikel 15
1.
Het College van Toezicht stelt een jaarrekening en een
begroting op, welke de goedkeuring behoeven van Onze Minister,
gehoord de collectieve beheersorganisaties.
2.
Het College van Toezicht
brengt jaarlijks voor 1 april verslag uit aan Onze Minister
van de verrichte werkzaamheden in het voorafgaande
kalenderjaar. De Minister zendt het verslag door aan beide
Kamers der Staten-Generaal en aan de collectieve
beheersorganisaties.
3.
Het College van Toezicht
verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening
van zijn taak benodigde inlichtingen.
Artikel 16
[Wijzigt de
Auteurswet 1912.]
Artikel 17
[Wijzigt de Wet
op de naburige rechten.]
Artikel 18
Deze wet wordt
aangehaald als: Wet toezicht collectieve beheersorganisaties
auteurs- en naburige rechten.
Artikel 19
Deze wet treedt
in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen
tijdstip.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie
zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen
houden.
Gegeven te
's-Gravenhage, 6 maart 2003
Beatrix
De Minister van
Justitie,
J. P. H. Donner
Uitgegeven de
twintigste maart 2003
De Minister van
Justitie,
J. P. H. Donner |