Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der
Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te
weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het
noodzakelijk is wettelijke bepalingen vast te stellen omtrent
den handelsnaam;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Onder handelsnaam verstaat deze wet de naam waaronder een
onderneming wordt gedreven.
Artikel 2
De handelsnaam gaat over bij erfopvolging en is vatbaar
voor overdracht, doch een en ander slechts in verbinding met
de onderneming, die onder die naam wordt gedreven.
Artikel 3
1. Het is de eigenaar ener onderneming verboden een
handelsnaam te voeren, die in strijd met de waarheid aanduidt,
dat de onderneming, geheel of gedeeltelijk aan een ander zou
toebehoren.
2. Het eerste lid is mede van toepassing, indien de in de
handelsnaam voorkomende aanduiding slechts in zo geringe mate
van de naam van die ander afwijkt, dat dientengevolge bij het
publiek verwarring van deze met de eigenaar der onderneming,
te duchten is.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de
handelsnaam en de onderneming afkomstig zijn van iemand, die
die naam heeft gevoerd niet in strijd met deze wet.
Artikel 4
1. Het is verboden een handelsnaam te voeren, die in strijd
met de waarheid aanduidt, dat de onderneming zou toebehoren
aan een of meer personen, handelende als een vennootschap
onder een firma, als een vennootschap en commandite of een
rederij, of wel aan een naamloze vennootschap, een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een onderlinge
waarborgmaatschappij, een coöperatie, een vereniging of aan
een stichting.
2. In de handelsnaam duidt de vermelding van meer dan één
persoon, ook al worden hun namen niet genoemd, aan, dat de
onderneming toebehoort aan personen, handelende als een
vennootschap onder een firma; de woorden "en compagnie", dat
de onderneming toebehoort aan personen, handelende als een
vennootschap onder een firma of aan een of meer personen,
handelende als een vennootschap en commandite; het woord
"maatschappij", dat de onderneming toebehoort aan een naamloze
vennootschap, aan een besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid of aan een vereniging, en het woord "fonds"
aan een stichting; alles voor zover niet uit de handelsnaam in
zijn geheel het tegendeel blijkt.
3. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de
handelsnaam wordt gevoerd door één persoon zonder vennoten, en
die naam en de onderneming afkomstig zijn van een vennootschap
onder een firma of van een vennootschap en commandite, die die
handelsnaam heeft gevoerd niet in strijd met deze wet.
Artikel 5
Het is verboden een handelsnaam te voeren, die, vóórdat de
onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander
rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts
in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover
dientengevolge, in verband met de aard der beide ondernemingen
en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek
verwarring tussen die ondernemingen te duchten is.
Artikel 5a
Het is verboden een handelsnaam te voeren, die het merk
bevat, waarop een ander ter onderscheiding van zijn fabrieks-
of handelswaren recht heeft, dan wel een aanduiding, die van
zodanig merk slechts in geringe mate afwijkt, voor zover
dientengevolge bij het publiek verwarring omtrent de herkomst
van de waren te duchten is.
Artikel 5b
Het is verboden een handelsnaam te voeren, welke een
onjuiste indruk geeft van de onder die naam gedreven
onderneming, voor zover dientengevolge misleiding van het
publiek te duchten is.
Artikel 6
1. Indien een handelsnaam wordt gevoerd in strijd met deze
wet, kan ieder belanghebbende, onverminderd zijn vordering
krachtens titel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, zich
bij verzoekschrift tot de kantonrechter wenden met het
verzoek, degene die de verboden handelsnaam voert, te
veroordelen, daarin zodanige door de rechter te bepalen
wijziging aan te brengen, dat de gestelde onrechtmatigheid
wordt opgeheven.
2. Het verzoekschrift wordt gericht tot de rechter van het
kanton, waar de onderneming gevestigd is, die onder de
verboden handelsnaam wordt gedreven. Is de onderneming buiten
het Rijk in Europa gevestigd, doch heeft zij in dat Rijk een
filiaal of bijkantoor, of wordt zij aldaar vertegenwoordigd
door een gevolmachtigde handelsagent, dan is de kantonrechter
van de plaats waar dat filiaal of bijkantoor of die
handelsagent gevestigd is, bevoegd. Indien volgens de
voorgaande bepalingen geen rechter bevoegd is, is de rechter
van het kanton van de woonplaats des verzoekers bevoegd. Is de
onderneming in meer dan één kanton gevestigd, dan is bevoegd
de rechter van ieder dier kantons, ter keuze van de verzoeker.
Hetzelfde geldt ingeval de onderneming buiten het Rijk in
Europa gevestigd is, doch in meer dan een kanton een filiaal
of bijkantoor heeft of door een gevolmachtigde handelsagent
vertegenwoordigd wordt.
3. Het verzoekschrift wordt aan de wederpartij betekend. De
kantonrechter beschikt niet op het verzoekschrift dan na
verhoor of behoorlijke oproeping van partijen.
4. De griffier zendt een afschrift van de beslissing van de
kantonrechter aan partijen. Binnen een maand na de dag van de
verzending van dit afschrift kan door hem, die daarbij geheel
of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, hoger beroep
worden ingesteld bij de arrondissements-rechtbank, die in
raadkamer beslist. Het derde lid vindt overeenkomstige
toepassing.
5. De griffier zendt een afschrift van de beslissing van de
arrondissements-rechtbank aan partijen. Binnen één maand na de
dag van de verzending van dit afschrift kan door hem, die
daarbij geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld,
beroep in cassatie worden ingesteld. Het daartoe strekkend
verzoekschrift wordt aan de wederpartij betekend.
6. De rechter kan de voorlopige tenuitvoerlegging van zijn
beschikking bevelen.
Artikel 6a
1. Het verzoek bedoeld in het eerste lid van het vorige
artikel kan ook gedaan worden door de Kamer van Koophandel en
Fabrieken.
2. De Kamer van Koophandel en Fabrieken, binnen welker
ressort de ingevolge artikel 6, tweede lid, bevoegde rechter
zetelt, is tot het doen van het verzoek bevoegd.
3. Het verzoekschrift wordt door de griffier toegezonden
aan de eigenaar van de onderneming, van welke wijziging van de
handelsnaam wordt verzocht, en zo nodig aan andere
belanghebbenden. De kantonrechter beslist niet dan na verhoor
of behoorlijke oproeping van degenen aan wie het
verzoekschrift is toegezonden.
4. Het vierde, vijfde en zesde lid van het vorige artikel
vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
1. Hij die een handelsnaam voert in strijd met deze wet,
wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.
2. Het feit wordt beschouwd als overtreding.
3. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen
twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van
de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is
geworden, kan hechtenis van ten hoogste veertien dagen of
geldboete van de tweede categorie worden opgelegd.
4. De ambtenaar van het openbaar ministerie kan, alvorens
tot vervolging van het strafbaar feit over te gaan, degene die
de verboden handelsnaam voert, de wijziging mededelen, die de
ambtenaar nodig voorkomt om de onrechtmatigheid van de
handelsnaam op te heffen; daarbij wordt een bekwame termijn
gesteld om die wijziging aan te brengen. Wordt die wijziging
binnen de gestelde termijn aangebracht, dan is het recht tot
strafvordering vervallen.
Artikel 8
[Vervallen.]
Artikel 9
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 10
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel
"Handelsnaamwet".
Artikel 11
1. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen
tijdstip.
2. Indien bij het in werking treden dezer wet een
handelsnaam wordt gevoerd in strijd met deze wet kan te dier
zake gedurende vier maanden na dat tijdstip geen rechtsmiddel
worden aangewend.
3. Wanneer de uitdrukking "niet in strijd met deze wet" aan
het slot van de artikelen 3 en 4 betreft het voeren van een
handelsnaam vóór het in werking treden dezer wet, betekent
zij: niet in strijd met deze wet, indien zij tijdens het
voeren van de handelsnaam van kracht geweest ware.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan
de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo, den 5den Juli 1921
WILHELMINA.
De Minister van Justitie,
HEEMSKERK.
De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel,
H. A. VAN IJSSELSTEIJN.
Uitgegeven den achttienden Juli 1921.
De Minister van Justitie,
HEEMSKERK.