Wet van 25 oktober 1966
Eenvormige Beneluxwet inzake Tekeningen of Modellen

 
Trb. 1995, 133; Trb. 1996, 226
Geconsolideerde versie geldig vanaf 01.01.2000
HOOFDSTUK I. TEKENINGEN OF MODELLEN

Artikel 1

Als tekening of model kan worden beschermd het nieuwe uiterlijk van een voortbrengsel dat een gebruiksfunctie heeft.

Artikel 2

1. Van de bescherming uit hoofde van deze wet is uitgesloten datgene wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect.

2. Het uiterlijk van bepaalde categorieën van voortbrengselen, ten aanzien waarvan de toepassing van de wet aanleiding zou geven tot aanzienlijke moeilijkheden, kan van de bescherming uit hoofde van deze wet blijvend of tijdelijk worden uitgesloten bij uitvoeringsreglement.

Artikel 3

1. Onverminderd het in het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom vastgestelde recht van voorrang of het recht van voorrang voortvloeiend uit het verdrag tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, wordt het uitsluitend recht op een tekening of model verkregen door het eerste depot verricht binnen het Beneluxgebied en ingeschreven bij het Benelux-Bureau voor Tekeningen of Modellen (Benelux-depot), of ingeschreven bij het Internationaal Bureau voor de bescherming van de industriële eigendom (internationaal depot).

2. Indien bij samenloop van depots het eerste depot niet wordt gevolgd door de publikatie als bedoeld in artikel 9, onder 3) van deze wet of in artikel 6, onder 3) van de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid, verkrijgt het latere depot de rang van eerste depot.

Artikel 4

Door het depot van een tekening of model wordt geen uitsluitend recht verkregen indien:

1). de tekening of het model niet nieuw is, dat wil zeggen wanneer:

a). op enig tijdstip van de periode van vijftig jaren, voorafgaande aan de datum van het depot of aan de datum van voorrang, welke voortvloeit uit het Verdrag van Parijs, een voortbrengsel dat hetzelfde uiterlijk vertoont als de gedeponeerde tekening of het gedeponeerde model, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertoont in de belanghebbende kring van nijverheid of handel van het Benelux-gebied feitelijk bekendheid heeft genoten;

b). een tekening of model, dat gelijk is aan de gedeponeerde tekening of het gedeponeerde model, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertoont, reeds eerder werd gedeponeerd en dit depot werd gevolgd door publikatie als bedoeld in artikel 9, onder 3) van deze wet of in artikel 6, onder 3) van de Overeenkomst van 's-Gravenhage;

2). de tekening of het model in strijd is met de goede zeden of de openbare orde van één der Beneluxlanden;

3). de kenmerkende eigenschappen van de tekening of het model onvoldoende uit het depot blijken.

Artikel 4bis

[Nog niet in werking]

Artikel 4, onder 1, sub a. vindt geen toepassing, indien de feitelijke bekendheid van een voortbrengsel dat hetzelfde uiterlijk vertoont als het gedeponeerde model of de gedeponeerde tekening dan wel daarmee ondergeschikte verschillen vertoont, in de belanghebbende kring van nijverheid of handel van het Beneluxgebied, het gevolg is van openbaarmaking van dat voortbrengsel door de deposant dan wel door een derde die zijn kennis omtrent het voortbrengsel direct of indirect aan de deposant heeft ontleend, binnen twaalf maanden voorafgaande aan de datum van het depot of de datum van voorrang, welke voortvloeit uit het Verdrag van Parijs.

Artikel 5

1. Binnen een termijn van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van publikatie van het depot, kan de ontwerper van de tekening of het model, dan wel degene die volgens artikel 6 als ontwerper wordt beschouwd, het Benelux-depot of de voor het Benelux-gebied uit het internationaal depot van die tekening of dat model voortvloeiende rechten opeisen, indien het depot zonder zijn toestemming door een derde is verricht; om dezelfde redenen kan hij te allen tijde de nietigheid inroepen van dat depot of van die rechten. De vordering tot opeising moet bij het Benelux Bureau worden ingeschreven op verzoek van de eiser, met inachtneming van de vormvereisten en tegen betaling van de rechten bepaald bij uitvoeringsreglement.

2. Indien de in het vorig lid bedoelde deposant gehele of gedeeltelijke doorhaling heeft verzocht van de inschrijving van het Benelux-depot of afstand heeft gedaan van de rechten, die voor het Beneluxgebied uit het internationaal depot voortvloeien, heeft deze doorhaling of afstand geen werking ten aanzien van de ontwerper of van degene die volgens artikel 6 als ontwerper wordt beschouwd onder voorbehoud van lid 3, mits het depot werd opgeëist binnen één jaar na de datum van publikatie van de doorhaling of afstand en vóór het verstrijken van bovenbedoelde termijn van vijf jaren.

3. Indien in het tijdvak gelegen tussen de doorhaling of afstand bedoeld in het tweede lid, en de inschrijving van de vordering tot opeising, een derde te goeder trouw een voortbrengsel heeft geëxploiteerd dat hetzelfde uiterlijk vertoont, wordt dit voortbrengsel als rechtmatig in het verkeer gebracht beschouwd.

Artikel 6

1. Indien een tekening of model door een werknemer in de uitoefening van zijn functie werd ontworpen, wordt, behoudens andersluidend beding, de werkgever als ontwerper beschouwd.

2. Indien een tekening of model op bestelling is ontworpen, wordt, behoudens andersluidend beding, degene die de bestelling heeft gedaan als ontwerper beschouwd, mits de bestelling is gedaan met het oog op een gebruik in handel of nijverheid van het voortbrengsel waarin de tekening of het model is belichaamd.

Artikel 7

Behoudens het bepaalde in artikel 5, onder 2), vervalt het uitsluitend recht op een tekening of model:

1). door vrijwillige doorhaling of door het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving van het Benelux-depot;

2). door het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving van het internationaal depot of door afstand van rechten, die voor het Beneluxgebied uit het internationaal depot voortvloeien of door ambtshalve doorhaling van het internationaal depot, bedoeld in artikel 6, vierde lid, onder c) van de Overeenkomst van 's-Gravenhage.

Artikel 8

1. Het Benelux-depot van tekeningen of modellen geschiedt, hetzij bij de nationale diensten, hetzij bij het Benelux-Bureau voor Tekeningen of Modellen, met inachtneming van de vormvereisten en tegen betaling van de rechten, bepaald bij uitvoeringsreglement. Het dient een fotografische of grafische afbeelding van het uiterlijk van het voortbrengsel te bevatten, alsmede het reproduktiemiddel waarmede deze afbeelding is vervaardigd; het kan eventueel worden aangevuld met een aanspraak inzake de kleuren en een verklaring inhoudend de naam van de werkelijke ontwerper van de tekening of het model. De afbeelding kan vergezeld gaan van een beschrijving van de kenmerkende eigenschappen van de tekening of het model binnen de bij uitvoeringsreglement vast te stellen grenzen.

2. Het Benelux-depot kan één of meer tekeningen of modellen bevatten (respectievelijk enkelvoudig en meervoudig depot), een en ander met inachtneming van de vormvereisten en tegen betaling van de rechten, bepaald bij uitvoeringsreglement.

3. De met het in ontvangst nemen van de depots belaste organen onderzoeken of de overgelegde stukken aan de gestelde vormvereisten voldoen en maken de akte van depot op met vermelding van de datum waarop dit werd verricht en eventueel van de aanwezigheid van een aanspraak inzake de kleuren of van de in dit artikel onder 1. bedoelde beschrijving.

4. Het op artikel 4 van het Verdrag van Parijs of op het verdrag tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie gegronde beroep op voorrang wordt gedaan in de akte van depot of bij een bijzondere verklaring, af te leggen bij het Benelux-Bureau in de maand, volgende op het depot, met inachtneming van de vormvereisten en tegen betaling van de rechten, bepaald bij uitvoeringsreglement. Het ontbreken van een dergelijk beroep doet het recht van voorrang vervallen.

Artikel 9

1. Onverminderd de toepassing op Benelux-depots van het in dit artikel onder 3) bepaalde, kan het depot van een tekening of model geen aanleiding geven tot enig onderzoek naar de inhoud van het depot, waarvan de uitkomst de deposant door het Benelux-Bureau zou kunnen worden tegengeworpen.

2. Het Benelux-Bureau schrijft de akten van de Benelux-depots onverwijld in en verstrekt een bewijs van inschrijving aan de houder; het schrijft eveneens de publikaties in van de ingeschreven internationale depots die gepubliceerd zijn in het "Bulletin International des dessins ou modèles - International Design Gazette" ten aanzien waarvan de deposanten verzocht hebben dat zij hun werking zullen uitstrekken over het Beneluxgebied. De wettelijke datum van inschrijving is hetzij de datum van het Benelux-depot hetzij die van het internationaal depot. In voorkomende gevallen vermeldt de inschrijving de datum en de grondslag van de gevraagde voorrang.

3. Het Benelux-Bureau publiceert zo spoedig mogelijk overeenkomstig het uitvoeringsreglement de inschrijvingen van Benelux-depots. Deze publikatie omvat onder andere een afbeelding van het voortbrengsel, waarin de tekening of het model belichaamd is, en eventueel de datum en de grondslag van de gevraagde voorrang en de aanspraak inzake de kleuren of de in artikel 8, onder 1) bedoelde beschrijving. De publikatie wordt opgeschort indien de deposant gebruik maakt van de in artikel 11 geboden mogelijkheid of indien het Bureau oordeelt, dat op de tekening of het model artikel 4, onder 2) van toepassing is. In laatstbedoeld geval stelt het Bureau de deposant daarvan in kennis en verzoekt hem zijn depot binnen een termijn van twee maanden in te trekken. Indien belanghebbende na het verstrijken van deze termijn zijn depot niet heeft ingetrokken, verzoekt het Bureau zo spoedig mogelijk, het openbaar ministerie een vordering in te stellen tot nietigverklaring van het depot. Indien het openbaar ministerie van oordeel is, dat er geen aanleiding bestaat tot het instellen van een dergelijke vordering of indien de vordering werd afgewezen bij een rechterlijke beslissing die kracht van gewijsde heeft verkregen, gaat het Bureau onverwijld over tot publikatie van de inschrijving van de tekening of het model.

4. Indien de kenmerkende eigenschappen van de tekening of het model, zoals deze door het in artikel 8, onder 1), bedoelde reproduktiemiddel zijn weergegeven, in de publikatie niet voldoende tot hun recht komen, kan de deposant, binnen een bij uitvoeringsreglement vast te stellen termijn, het Bureau verzoeken kosteloos een tweede publikatie te verrichten.

5. Vanaf de datum van publikatie van de tekening of het model kan het publiek kennis nemen van de inschrijving en van de bij het depot overgelegde stukken.

Artikel 10

De internationale depots geschieden volgens de bepalingen van de Overeenkomst van 's-Gravenhage.

Artikel 11

De deposant kan bij het verrichten van het Benelux-depot verzoeken de publikatie van de inschrijving op te schorten gedurende een periode die niet meer mag bedragen dan twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van het depot of, indien de deposant een beroep doet op artikel 4 van het Verdrag van Parijs, vanaf de datum waarop het depot, waardoor het recht van voorrang is ontstaan, werd verricht.

Artikel 12

1. De inschrijving van een Benelux-depot heeft een geldigheidsduur van vijf jaren te rekenen van de datum van het depot. De gedeponeerde tekening of het gedeponeerde model kan noch gedurende de inschrijving noch ter gelegenheid van de vernieuwing daarvan worden gewijzigd.

2. De inschrijving kan voor twee achtereenvolgende termijnen van vijf jaren worden vernieuwd door betaling aan het Benelux-Bureau van het recht voor de vernieuwing. Het bedrag en de wijze van betaling van dit recht worden bepaald bij uitvoeringsreglement. Deze betaling dient te geschieden in de loop van het jaar dat aan het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving voorafgaat. Tegen betaling van een bij uitvoeringsreglement vastgesteld verhoogd recht wordt voor de vernieuwing een termijn van uitstel van zes maanden toegestaan. In alle gevallen werkt de vernieuwing vanaf de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving.

3. De vernieuwing kan tot een deel van de in een meervoudig depot vervatte tekeningen of modellen worden beperkt.

4. Zes maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerste en de tweede termijn van inschrijving herinnert het Benelux-Bureau aan de juiste datum van dat verstrijken door verzending van een kennisgeving aan de werkelijke of gekozen woonplaats van de houder van de tekening of het model, en aan de derden, die beweren rechten te bezitten op de tekening of het model, voor zover althans hun naam in het register voorkomt.

5. Het Bureau verzendt deze kennisgevingen aan het laatste hem bekende adres van betrokkenen. Het niet-verzenden of niet-ontvangen van deze brieven geeft geen vrijheid de vernieuwing binnen de gestelde termijn na te laten; daarop kan noch in rechte noch ten opzichte van het Bureau beroep worden gedaan.

6. Het Bureau schrijft de vernieuwingen in en publiceert deze overeenkomstig het uitvoeringsreglement.

Artikel 13

1. Het uitsluitend recht op een tekening of model kan overgaan of voorwerp van een licentie zijn. Nietig zijn:

a). overdrachten onder levenden, die niet schriftelijk zijn vastgelegd;

b). overdrachten of andere overgangen, die niet op het gehele Beneluxgebied betrekking hebben.

2. De beperking van een licentie, die geen beperking is naar duur, heeft geen gevolg voor wat betreft de toepassing van deze wet.

3. De overdracht of andere overgang of de licentie kan niet aan derden worden tegengeworpen dan na inschrijving van het depot van een uittreksel van de akte, waaruit van die overgang of die licentie blijkt, of van een daarop betrekking hebbende door de betrokken partijen ondertekende verklaring, mits dit depot is verricht met inachtneming van de gestelde vormvereisten en tegen betaling van de rechten, bepaald bij uitvoeringsreglement.

4. De licentiehouder is bevoegd in een door de houder van het uitsluitend recht op een tekening of model ingestelde vordering als bedoeld in artikel 14, onder 3 en 4, tussen te komen om rechtstreeks de door hem geleden schade vergoed te krijgen of zich een evenredig deel van de door de gedaagde genoten winst te doen toewijzen. Een zelfstandige vordering als bedoeld in artikel 14, onder 3 en 4, kan de licentiehouder slechts instellen indien hij de bevoegdheid daartoe van de houder van het uitsluitend recht heeft bedongen.

Artikel 14

1. Op grond van zijn uitsluitend recht op een tekening of model kan de houder daarvan zich verzetten tegen elke vervaardiging, invoer, uitvoer, verkoop, het te koop aanbieden, verhuur, het te huur aanbieden, tentoonstelling, levering, gebruik of het in voorraad hebben voor een van deze doeleinden, met industrieel of commercieel oogmerk, van een voortbrengsel dat hetzelfde uiterlijk vertoont als de gedeponeerde tekening of het gedeponeerde model dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertoont.

2. Op grond van zijn uitsluitend recht kan de houder zich tevens verzetten tegen het plaatsen onder een schorsingsregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a), van Verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994, van door piraterij verkregen goederen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder b) van genoemde verordening.

3. De houder kan op grond van het uitsluitend recht slechts schadevergoeding vorderen voor de in dit artikel, onder 1) opgesomde handelingen, indien deze hebben plaatsgevonden na de in artikel 9 bedoelde publikatie, waarin de kenmerkende eigenschappen van de tekening of het model op voldoende wijze werden weergegeven, behalve indien de derde met wetenschap van het depot heeft gehandeld.

4. Naast of in plaats van een vordering tot schadevergoeding kan de houder van het uitsluitend recht een vordering instellen tot het afdragen van winst, welke is genoten als gevolg van handelingen bedoeld in dit artikel onder 1, onder de omstandigheden bedoeld in dit artikel onder 2, alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording dienaangaande. Indien de rechter van oordeel is dat de genoemde handelingen niet te kwader trouw zijn verricht of dat de omstandigheden van het geval geen aanleiding geven tot een veroordeling tot afdracht van onrechtmatig genoten winst, wijst hij de vordering af.

5. De houder van het uitsluitend recht op een tekening of model kan de vordering tot schadevergoeding of het afdragen van winst namens de licentiehouder instellen, onverminderd de aan deze laatste in artikel 13, onder 4, toegekende bevoegdheid.

6. Het uitsluitend recht op een tekening of model houdt evenwel niet in het recht zich te verzetten tegen de in dit artikel, onder 1) bedoelde handelingen met betrekking tot voortbrengselen die in het Beneluxgebied in het verkeer zijn gebracht door de houder of door iemand anders met zijn toestemming, dan wel door de personen bedoeld in artikel 17.

7. De vorderingen kunnen geen betrekking hebben op voortbrengselen, die vóór de datum van het depot in het Beneluxgebied in het verkeer werden gebracht.

8. Voor feiten die alleen inbreuk op een tekening of model inhouden kan geen vordering worden ingesteld op grond van de wettelijke bepalingen inzake de bestrijding van de oneerlijke mededinging.

Artikel 14bis
[Nog niet in werking]

1. De houder van een uitsluitend recht op een tekening of model heeft de bevoegdheid roerende zaken, waarmee inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of zaken die gebruikt zijn bij de produktie van die zaken, als zijn eigendom op te vorderen dan wel daarvan de vernietiging of onbruikbaarmaking te vorderen. Gelijke bevoegdheid tot opvordering bestaat ten aanzien van gelden waarvan aannemelijk is dat zij zijn verkregen als gevolg van inbreuk op het uitsluitend recht op een tekening of model. De vordering wordt afgewezen indien de inbreuk niet te kwader trouw is gemaakt.

2. De bepalingen van het nationale recht omtrent de middelen van bewaring van zijn recht en omtrent de rechterlijke tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten zijn van toepassing.

3. De rechter kan gelasten dat de afgifte niet plaatsvindt dan tegen een door hem vast te stellen, door de eiser te betalen vergoeding.

4. De licentiehouder heeft het recht de in dit artikel onder 1 bedoelde bevoegdheden uit te oefenen voor zover deze strekken tot bescherming van de rechten waarvan hem de uitoefening is toegestaan, indien hij daartoe toestemming van de houder van het uitsluitend recht op een tekening of model heeft verkregen.

5. De rechter kan op vordering van de houder van het uitsluitend recht op een tekening of model, degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt, bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst van de zaken waarmee die inbreuk is gepleegd, aan de houder mee te delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te verstrekken.

Artikel 15

Iedere belanghebbende met inbegrip van het openbaar ministerie kan de nietigheid inroepen van een Beneluxdepot of van de voor het Beneluxgebied uit een internationaal depot voortvloeiende rechten, indien zodanig depot niet voldoet aan het gestelde in de artikelen 1 en 2 of daardoor krachtens artikel 4 geen recht op een tekening of model wordt verkregen.

Wordt het geding tot nietigverklaring door het openbaar ministerie aanhangig gemaakt, dan zijn alleen de rechter te Brussel, te 's-Gravenhage of te Luxemburg bevoegd. Het aanhangig maken van het geding door het openbaar ministerie schorst ieder ander op dezelfde grondslag ingesteld geding.

Artikel 16

Alleen de burgerlijke rechter is bevoegd uitspraken te doen in de gedingen, welke op deze wet zijn gegrond; hij spreekt ambtshalve de doorhaling uit van de inschrijving van de nietigverklaarde depots.

Artikel 17

1. Een recht van voorgebruik, waarvan de inhoud hieronder nader wordt omschreven, wordt toegekend aan de derde die, vóór de datum van het depot van een tekening of model, of eventueel vóór de datum van het ontstaan van het in artikel 4 van het Verdrag van Parijs bedoelde recht van voorrang, binnen het Beneluxgebied voortbrengselen heeft vervaardigd die hetzelfde uiterlijk vertonen als de gedeponeerde tekening of het gedeponeerde model, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen.

2. Hetzelfde recht wordt toegekend aan degene die onder dezelfde omstandigheden een begin heeft gemaakt met de uitvoering van zijn voornemen tot vervaardiging.

3. Dit recht wordt echter niet toegekend aan de derde, die de tekening of het model zonder toestemming van de ontwerper heeft nagemaakt.

4. Op grond van het recht van voorgebruik kan de houder daarvan de vervaardiging van bedoelde voortbrengselen voortzetten of, in het geval bedoeld in dit artikel, onder 2), een aanvang maken met deze vervaardiging en, niettegenstaande de uit het depot voortvloeiende rechten, alle andere in artikel 14, onder 1) bedoelde handelingen verrichten, met uitzondering van invoer.

5. Het recht van voorgebruik kan slechts overgaan tezamen met het bedrijf waarin de handelingen, die hebben geleid tot het ontstaan van dat recht, hebben plaatsgevonden.

Artikel 18

1. De houder van de inschrijving van een Benelux-depot kan te allen tijde de doorhaling van deze inschrijving verzoeken, behalve indien er rechten van derden bestaan, die bij overeenkomst zijn vastgelegd of in rechte worden vervolgd en welke ter kennis van het Benelux-Bureau zijn gebracht. Indien het een meervoudig depot betreft, kan de doorhaling betrekking hebben op een deel van de in dat depot vervatte tekeningen of modellen. Indien een licentie is ingeschreven kan de doorhaling van de inschrijving van de tekening of het model of van de licentie slechts worden gevraagd door de houder van de inschrijving en door de licentiehouder gezamenlijk. De doorhaling geldt voor het gehele Beneluxgebied ondanks andersluidende verklaring.

2. De in dit artikel onder 1) opgenomen bepalingen gelden eveneens ten aanzien van de afstand van de bescherming die voor het Beneluxgebied uit een internationaal depot voortvloeit.

Artikel 19

De nietigverklaring, vrijwillige doorhaling of afstand moet steeds betrekking hebben op de tekening of het model in zijn geheel.

Artikel 20

1. Het Benelux-Bureau is, behalve met de krachtens de voorgaande artikelen opgedragen taak, belast met:

a). het aanbrengen van wijzigingen in de inschrijvingen, hetzij op verzoek van de houder, hetzij op grond van kennisgevingen van het Internationaal Bureau voor de bescherming van de industriële eigendom, hetzij op grond van rechterlijke beslissingen, alsmede met het zonodig daarvan verwittigen van het Internationaal Bureau; b). het uitgeven van een maandblad in de Nederlandse en de Franse taal, waarin de inschrijvingen van de Benelux-depots en alle andere bij uitvoeringsreglement voorgeschreven gegevens worden vermeld; c). het verstrekken, op verzoek van iedere belanghebbende, van afschriften van inschrijvingen; d). het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot ingeschreven tekeningen of modellen.

2. Het bedrag van de rechten, die voor de in dit artikel onder 1) bedoelde handelingen worden geïnd, alsmede de prijzen van het maandblad en van de afschriften, worden bij uitvoeringsreglement bepaald.

HOOFDSTUK II. TEKENINGEN OF MODELLEN MET EEN DUIDELIJK KUNSTZINNIG KARAKTER

Artikel 21

1. Tekeningen of modellen, die een duidelijk kunstzinnig karakter vertonen, kunnen tegelijkertijd door deze wet en door de auteurswet worden beschermd, indien aan de in deze beide wetten gestelde voorwaarden is voldaan.

2. Van bescherming uit hoofde van de auteurswet zijn uitgesloten tekeningen of modellen die geen duidelijk kunstzinnig karakter vertonen.

3. De nietigverklaring van het depot van een tekening of model met een duidelijk kunstzinnig karakter of het verval van het uitsluitend recht voortvloeiend uit het depot van een dergelijke tekening of model houdt in, dat het auteursrecht voor die tekening of dat model gelijktijdig vervalt, voorzover beide rechten in handen van dezelfde houder zijn; dit recht vervalt echter niet, indien de houder van de tekening of het model overeenkomstig artikel 24 een bijzondere verklaring aflegt met het oog op de instandhouding van zijn auteursrecht.

Artikel 22

1. De door de ontwerper van een krachtens de auteurswet beschermd kunstwerk aan een derde verleende toestemming tot het verrichten van een depot voor een tekening of model, waarin dat kunstwerk is belichaamd, houdt overdracht in van het op dit kunstwerk betrekking hebbende auteursrecht, voorzover bedoeld kunstwerk in die tekening of dat model is belichaamd.

2. De deposant van een tekening of model met een duidelijk kunstzinnig karakter wordt vermoed tevens de houder te zijn van het desbetreffende auteursrecht; dit vermoeden geldt echter niet ten aanzien van de werkelijke ontwerper of zijn rechtverkrijgende.

3. Onverminderd de toepassing van artikel 13 houdt overdracht van het auteursrecht inzake een tekening of model met een duidelijk kunstzinnig karakter tevens overdracht in van het recht op de tekening of het model en omgekeerd.

Artikel 23

Wanneer een tekening of model met een duidelijk kunstzinnig karakter onder de omstandigheden als bedoeld in artikel 6 werd ontworpen, komt het auteursrecht inzake bedoelde tekening of model toe aan degene die overeenkomstig het in dat artikel bepaalde als de ontwerper wordt beschouwd.

Artikel 24

1. De in artikel 21 onder 3) bedoelde verklaring moet in de loop van het jaar, dat voorafgaat aan het verval van het uitsluitend recht op de tekening of het model, worden afgelegd op de wijze en tegen betaling van bij uitvoeringsreglement bepaalde rechten. In geval van nietigverklaring van dit recht dient de verklaring te worden afgelegd binnen drie maanden, volgende op de datum waarop de rechterlijke beslissing, waarbij de nietigverklaring wordt vastgesteld, in kracht van gewijsde is gegaan.

2. De verklaring wordt ingeschreven en de inschrijving gepubliceerd.

HOOFDSTUK III. OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 25

Onder voorbehoud van het in artikel 26 bepaalde, blijven tekeningen of modellen, die vóór het in werking treden van deze wet in één der Beneluxlanden, op welke wijze dan ook krachtens de nationale wetgeving werden beschermd, deze bescherming ook verder in dat land genieten.

Artikel 26

De vóór het in werking treden van deze wet in België verrichte depots van tekeningen of modellen van nijverheid hebben geen werking meer met ingang van de datum van deze inwerkingtreding, indien bij het verstrijken van een termijn van een jaar, te rekenen vanaf die datum, geen bevestigend depot werd verricht bij de Belgische Dienst voor de industriële eigendom.

Deze bevestigende depots zijn vrij van betaling van rechten.

Artikel 27

Wanneer het uitsluitend recht op een tekening of model, dat krachtens de artikelen 25 en 26 in stand is gehouden, aan verschillende houders in twee of drie Beneluxlanden toebehoort, kan de houder van bedoeld recht in één van deze landen zich niet verzetten tegen de invoer van voortbrengselen, waarin bedoelde tekening of model is belichaamd en die uit een ander Beneluxland afkomstig zijn, noch schadevergoeding eisen voor deze invoer, wanneer het voortbrengsel in dat andere land door de houder van het recht op de tekening of het model, of met zijn goedkeuring, is vervaardigd of in het verkeer gebracht en wanneer tussen beide houders ten aanzien van de exploitatie van het betrokken voortbrengsel een band van economische aard bestaat.

HOOFDSTUK IV. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 28

Deze wet verstaat onder "Beneluxgebied" het gezamenlijke gebied van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden in Europa.

Artikel 29

1. Behoudens uitdrukkelijk afwijkende overeenkomst wordt de territoriale bevoegdheid van de rechter inzake tekeningen of modellen bepaald door de woonplaats van de gedaagde of door de plaats, waar de in geding zijnde verbintenis is ontstaan, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De plaats waar een tekening of model is gedeponeerd of ingeschreven kan in geen geval op zichzelf grondslag zijn voor het bepalen van de bevoegdheid. Indien de hierboven gegeven regelen niet toereikend zijn ter bepaling van de territoriale bevoegdheid, kan de eiser de zaak bij de rechter van zijn woon- of verblijfplaats of, indien hij geen woon- of verblijfplaats binnen het Beneluxgebied heeft, naar keuze bij de rechter te Brussel, te 's-Gravenhage of te Luxemburg aanhangig maken.

2. De rechters passen de in dit artikel, onder 1) gegeven regelen ambtshalve toe en stellen hun bevoegdheid uitdrukkelijk vast.

3. De rechter, voor wie de in dit artikel, onder 1) bedoelde hoofdvordering aanhangig is, neemt kennis van eisen in vrijwaring, van eisen tot voeging en tussenkomst en van incidentele eisen, alsmede van eisen in reconventie, tenzij hij onbevoegd is ten aanzien van het onderwerp van het geschil.

4. De rechters van één der drie landen verwijzen op vordering van één der partijen de geschillen, waarmede men zich tot hen heeft gewend, naar die van één der twee andere landen, wanneer deze geschillen daar reeds aanhangig zijn of wanneer zij verknocht zijn aan andere, aan het oordeel van deze rechters onderworpen geschillen. De verwijzing kan slechts worden gevorderd, wanneer de zaken in eerste aanleg aanhangig zijn. Zij geschiedt naar de rechter, bij wie de zaak het eerst bij een inleidend stuk aanhangig is gemaakt, tenzij een andere rechter terzake een eerdere uitspraak heeft gegeven, die niet louter een maatregel van orde is; in het eerste geval geschiedt de verwijzing naar die andere rechter.

Artikel 30

1. De bepalingen van deze wet doen geen afbreuk aan de toepassing van het Verdrag van Parijs en van de Overeenkomst van 's-Gravenhage.

2. Onderdanen van Beneluxlanden alsmede onderdanen van landen, welke geen deel uitmaken van de door het Verdrag van Parijs opgerichte Unie, die binnen het Beneluxgebied woonplaats hebben of aldaar een daadwerkelijke en wezenlijke nijverheids- of handelsonderneming hebben, kunnen ingevolge deze wet, voor dit gehele gebied, de toepassing te hunnen voordele inroepen van de bepalingen van het voornoemde Verdrag en van de Overeenkomst van 's-Gravenhage.

 


Bijgewerkt 03.07.2012