HOOFDSTUK I. INDIVIDUELE MERKEN
Artikel 1
Als individuele merken worden beschouwd de benamingen,
tekeningen, afdrukken, stempels, letters, cijfers, vormen van
waren of van verpakking en alle andere tekens, die dienen om
de waren van een onderneming te onderscheiden.
Evenwel kunnen niet als merken worden beschouwd vormen, die
door de aard van de waar worden bepaald, die de wezenlijke
waarde van de waar beïnvloeden of die een uitkomst op het
gebied van de nijverheid opleveren.
Artikel 2
Onverminderd de bepalingen van het gemene recht, kan een
geslachtsnaam als merk dienen.
Artikel 3
1. Onverminderd de in het Verdrag van Parijs tot
bescherming van de industriële eigendom of de Overeenkomst van
Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken
vastgestelde rechten van voorrang, wordt het uitsluitend recht
op een merk verkregen door het eerste depot, verricht binnen
het Beneluxgebied (Benelux-depot) of voortvloeiend uit een
inschrijving bij het Internationaal Bureau voor de bescherming
van de industriële eigendom (internationaal depot).
2. Bij de beoordeling van de rangorde van het depot wordt
rekening gehouden met de op het tijdstip van het depot
bestaande ten tijde van het geding gehandhaafde rechten op:
a. gelijke, voor dezelfde waren gedeponeerde merken;
b. gelijke of overeenstemmende, voor dezelfde of
soortgelijke waren gedeponeerde merken, indien de
mogelijkheid bestaat dat bij het publiek een associatie
wordt gewekt tussen de merken;
c. overeenstemmende, voor niet-soortgelijke waren
gedeponeerde merken, die bekendheid in het Beneluxgebied
genieten, indien door het gebruik, zonder geldige reden, van
het jongere merk ongerechtvaardigd voordeel kan worden
getrokken uit of afbreuk kan worden gedaan aan het
onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk.
Artikel 4
Binnen de in de artikelen 6bis, 6ter en 14
gestelde grenzen wordt geen recht op een merk verkregen door:
1. het depot van een merk dat, ongeacht het gebruik dat
er van wordt gemaakt, in strijd is met de goede zeden of de
openbare orde van één van de Beneluxlanden, of ten aanzien
waarvan artikel 6ter van het Verdrag van Parijs in
weigering of nietigverklaring voorziet;
2. het depot dat wordt verricht voor waren voor welke het
gebruik van het merk tot misleiding van het publiek zou
kunnen leiden;
3. het depot van een merk dat overeenstemt met een voor
soortgelijke waren gedeponeerd collectief merk waaraan een
recht was verbonden dat is vervallen in de loop van de drie
jaren voorafgaande aan het depot;
4. het depot van een merk dat overeenstemt met een door
een derde voor soortgelijke waren gedeponeerd individueel
merk, waaraan een recht was verbonden, dat in de loop van de
twee jaren voorafgaande aan het depot vervallen is door het
verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving,
tenzij die derde heeft toegestemd of overeenkomstig artikel
5, tweede lid, onder a geen gebruik van dit merk is
gemaakt;
5. het depot van een merk dat verwarring kan stichten met
een algemeen bekend merk in de zin van artikel 6bis
van het Verdrag van Parijs, en dat toebehoort aan een derde
die zijn toestemming niet heeft verleend;
6. het te kwader trouw verrichte depot, onder andere:
a. het depot dat wordt verricht terwijl de deposant
weet of behoort te weten, dat een derde binnen de laatste
drie jaren in het Beneluxgebied een overeenstemmend merk
voor soortgelijke waren te goeder trouw en op normale
wijze heeft gebruikt, en die derde zijn toestemming niet
heeft verleend;
b. het depot dat wordt verricht terwijl de deposant op
grond van zijn rechtstreekse betrekking tot een derde
weet, dat die derde binnen de laatste drie jaren buiten
het Beneluxgebied een overeenstemmend merk voor
soortgelijke waren te goeder trouw en op normale wijze
heeft gebruikt, tenzij die derde zijn toestemming heeft
verleend, of bedoelde wetenschap eerst is verkregen nadat
de deposant een begin had gemaakt met het gebruik van het
merk binnen het Beneluxgebied.
Artikel 5
1. Het recht op het merk vervalt:
a. door de vrijwillige doorhaling of het verstrijken van
de geldigheidsduur van de inschrijving van het
Benelux-depot;
b. door de doorhaling of het verstrijken van de
geldigheidsduur van de internationale inschrijving of door
afstand van de bescherming in het Beneluxgebied, of
overeenkomstig het in artikel 6 van de Overeenkomst van
Madrid bepaalde, door het feit dat het merk geen wettelijke
bescherming meer geniet in het land van oorsprong.
2. Het recht op het merk wordt, binnen de in artikel 14,
onder C, gestelde grenzen, vervallen verklaard:
a. voorzover gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf
jaren zonder geldige reden, geen normaal gebruik van het
merk is gemaakt binnen het Beneluxgebied voor de waren
waarvoor het merk is ingeschreven; in een geding kan de
rechter de merkhouder geheel of gedeeltelijk met het bewijs
van het gebruik belasten;
b. voorzover het merk, na op regelmatige wijze te zijn
verkregen, door toedoen of nalaten van de merkhouder in het
normale taalgebruik de gebruikelijke benaming van een waar
is geworden;
c. voorzover het merk, als gevolg van het gebruik dat
ervan wordt gemaakt, voor de waren waarvoor het is
ingeschreven, het publiek kan misleiden, met name omtrent de
aard, de hoedanigheid of de geografische herkomst van deze
waren.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder a,
wordt onder gebruik van het merk mede verstaan:
a. het gebruik van het merk in een op onderdelen
afwijkende vorm, zonder dat het onderscheidend kenmerk van
het merk in de vorm waarin het is ingeschreven, wordt
gewijzigd;
b. het aanbrengen van het merk op waren of de verpakking
ervan, uitsluitend met het oog op uitvoer;
c. het gebruik van het merk door een derde met
toestemming van de merkhouder.
Artikel 6
A.
1. Het Benelux-depot van merken geschiedt, hetzij bij de
nationale diensten, hetzij bij het Benelux-Merkenbureau, met
inachtneming van de vereisten en tegen betaling van de
rechten, bepaald bij uitvoeringsreglement. De met het in
ontvangst nemen van de depots belaste instanties onderzoeken
of de overgelegde stukken aan de voor het vaststellen van een
datum van depot gestelde vereisten voldoen en stellen de datum
van depot vast. Aan de deposant wordt onverwijld schriftelijk
mededeling gedaan van de vastgestelde datum van depot dan wel
van de gronden voor het niet toekennen van een depotdatum.
2. Indien bij het depot niet is voldaan aan de overige in
het uitvoeringsreglement gestelde vereisten geeft de instantie
die het depot ontvangen heeft, hiervan onverwijld schriftelijk
kennis aan de deposant onder opgave van de voorschriften
waaraan niet is voldaan en stelt hem in de gelegenheid daaraan
alsnog te voldoen binnen een bij uitvoeringsreglement gestelde
termijn.
3. Het depot vervalt, indien niet binnen de gestelde
termijn voldaan is aan de bepalingen van het
uitvoeringsreglement.
4. De nationale dienst zend het Benelux-depot door aan het
Benelux-Merkenbureau, zodra hij heeft vastgesteld dat het
depot voldoet aan de gestelde vereisten.
B.
De ontvankelijkheid van het depot is afhankelijk van het
verichten van één van de volgende handelingen, ter keuze van
de deposant:
a. overlegging van een bewijsstuk, dat een onderzoek naar
eerdere inschrijvingen door het Benelux-Merkenbureau werd
verricht of aan het Bureau werd verzocht binnen de drie aan
het depot voorafgaande maanden, overeenkomstig het bij
uitvoeringsreglement bepaalde;
b. indiening op het tijdstip van het depot van een
verzoek tot onderzoek, door tussenkomst van de met het in
ontvangst nemen van het depot belaste instantie.
C. Onverminderd de toepassing van artikel 6bis wordt
het gedeponeerde merk voor de door de deposant vermelde waren
ingeschreven, indien de deposant, na ontvangst van de
resultaten van het onder B bedoelde onderzoek en binnen een
bij uitvoeringsreglement te bepalen termijn, te kennen heeft
gegeven zijn depot te handhaven. Aan de merkhouder wordt een
bewijs van inschrijving verstrekt.
D. Het op artikel 4 van het Verdrag van Parijs gegronde
beroep op voorrrang wordt gedaan bij het depot of bij een
bijzondere verklaring af te leggen bij het Benelux-Bureau, in
de maand volgende op het depot, met inachtneming van de
vormvereisten en tegen betaling van de bij
uitvoeringsreglement bepaalde rechten. Het ontbreken van een
dergelijk beroep doet het recht op voorrang vervallen.
Artikel 6bis
1. Het Benelux-Merkenbureau weigert een depot in te
schrijven, indien naar zijn oordeel:
a. het gedeponeerde teken niet beantwoordt aan de in
artikel 1 gegeven omschrijving van een merk, met name
wanneer het ieder onderscheidend vermogen in de zin van
artikel 6 quinquies B, onder 2, van het Verdrag van
Parijs mist;
b. het depot betrekking heeft op een merk als bedoeld in
artikel 4, onder 1 en 2.
2. De weigering om tot inschrijving over te gaan moet het
teken dat een merk vormt in zijn geheel betreffen. Zij kan tot
een of meer van de waren waarvoor het merk bestemd is worden
beperkt.
3. Het Benelux-Bureau geeft van zijn voornemen de
inschrijving geheel of gedeeltelijk te weigeren, onder opgave
van redenen, onverwijld schriftelijk kennis aan de deposant en
stelt hem in de gelegenheid hierop binnen een bij
uitvoeringsreglement gestelde termijn te antwoorden.
4. Indien de bezwaren van het Benelux-Bureau tegen de
inschrijving niet binnen de gestelde termijn zijn opgeheven,
wordt de inschrijving van het depot geheel of gedeeltelijk
geweigerd. Van de weigering geeft het Benelux-Bureau onder
opgave van redenen onverwijld schriftelijk kennis aan de
deposant, onder vermelding van het in artikel 6ter
genoemde rechtsmiddel tegen die beslissing.
5. Met de al dan niet gedeeltelijke weigering het depot in
te schrijven is het depot geheel of gedeeltelijk nietig. Deze
nietigheid treedt eerst in nadat de termijn voor het instellen
van het in artikel 6 ter bedoelde rechtsmiddel
ongebruikt is verstreken dan wel nadat het verzoek om een
bevel tot inschrijving te geven onherroepelijk is afgewezen.
Artikel 6ter
De deposant kan zich binnen twee maanden na de kennisgeving
bedoeld in artikel 6bis, vierde lid, bij verzoekschrift
wenden tot het Hof van Beroep te Brussel, het Gerechtshof te
's-Gravenhage of het Cour d’appel te Luxemburg teneinde een
bevel tot inschrijving van het depot te verkrijgen. Het
territoriaal bevoegde Hof wordt bepaald door het bij het depot
vermelde adres van de deposant of zijn gemachtigde dan wel
door het bij het depot opgegeven correspondentie-adres.
Artikel 7
A. De internationale depots geschieden volgens de
bepalingen van de Overeenkomst van Madrid en het Protocol van
27 juni 1989 bij de Overeenkomst van Madrid. De nationale
rechten, bedoeld in artikel 8, onder 1, van de Overeenkomst
van Madrid en het Protocol bij de Overeenkomst van Madrid,
alsmede de rechten bedoeld onder artikel 8, onder 7 a,
van het Protocol bij de Overeenkomst van Madrid, worden bij
uitvoeringsreglement bepaald.
B. De internationale depots worden ambtshalve aan een
onderzoek naar eerdere inschrijvingen onderworpen.
Artikel 8
1. Het Benelux-Bureau schrijft de internationale depots in
ten aanzien waarvan is verzocht de bescherming uit te strekken
tot het Beneluxgebied. Artikel 6bis, leden 1 en 2, is
van overeenkomstige toepassing.
2. Het Benelux-Bureau geeft van zijn voornemen de
inschrijving te weigeren, onder opgave van redenen, zo spoedig
mogelijk schriftelijk kennis aan het Internationaal Bureau
door middel van een voorlopige gehele of gedeeltelijke
weigering van bescherming van het merk en stelt de deposant
daarbij in de gelegenheid hierop te antwoorden overeenkomstig
het bepaalde bij uitvoeringsreglement. Artikel 6bis,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 6ter is van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat het territoriaal bevoegde Hof wordt
bepaald door het adres van de gemachtigde of door het
correspondentie-adres.
4. Van de beslissing waartegen geen beroep meer openstaat
geeft het Benelux-Bureau schriftelijk, onder opgave van
redenen, onverwijld kennis aan het Internationaal Bureau.
Artikel 9
Het Benelux-Bureau gaat op verzoek van de deposanten of van
derden tegen vergoeding over tot het gevraagde onderzoek naar
eerdere inschrijvingen van merken in het Benelux-register.
Het Bureau gaat bovendien over tot het in de artikelen 6,
onder B. en 7, onder B. bedoelde onderzoek naar eerdere
inschrijvingen van merken in het Benelux-register.
Het doet de uitkomst van het onderzoek zonder opgaaf van
redenen of gevolgtrekkingen aan de verzoeker toekomen.
Met het oog op het onderzoek worden de ingeschreven merken
in klassen gerangschikt volgens een door het Benelux-Bureau
vastgesteld systeem.
Artikel 10
De inschrijving van een Benelux-depot heeft een
geldigheidsduur van 10 jaren, te rekenen van de datum van het
depot.
Het teken waaruit het merk bestaat mag niet worden
gewijzigd, noch gedurende de inschrijving noch ter gelegenheid
van de vernieuwing daarvan.
De inschrijving wordt op verzoek vernieuwd, voor verdere
termijnen van 10 jaren, met inachtneming van de vormvereisten
en tegen betaling van de bij uitvoeringsreglement bepaalde
rechten.
De vernieuwing moet worden verzocht en de rechten moeten
worden betaald binnen zes maanden voorafgaand aan het
verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving. Binnen
zes maanden na verstrijken van de geldigheidsduur van de
inschrijving kan de vernieuwing alsnog worden verzocht, indien
gelijktijdig een bij uitvoeringsreglement bepaald extra recht
wordt betaald. De vernieuwing gaat in op de datum van het
verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving.
Zes maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van
de inschrijving herinnert het Benelux-Bureau de merkhouder
schriftelijk aan de datum van dat verstrijken.
Het Benelux-Bureau zendt deze herinneringsbrieven aan het
laatste aan het Bureau bekende adres van de merkhouder. Het
niet-verzenden of niet-ontvangen van deze brieven geeft geen
vrijheid de vernieuwing binnen de gestelde termijnen na te
laten; daarop kan noch in rechte, noch ten opzichte van het
Bureau beroep worden gedaan.
Het Bureau schrijft de vernieuwingen in.
Artikel 11
A. Het uitsluitend recht op een merk kan,
onafhankelijk van de overdracht van de onderneming of een deel
daarvan, overgaan of voorwerp van een licentie zijn voor alle
of een deel van de waren, waarvoor het merk is gedeponeerd.
Nietig is:
1. de overdracht onder levenden, die niet schriftelijk is
vastgelegd;
2. de overdracht of andere overgang die niet op het
gehele Beneluxgebied betrekking heeft.
B. Het uitsluitend recht op een merk kan door de merkhouder
ingeroepen worden tegen een licentiehouder die handelt in
strijd met de bepalingen van de licentie-overeenkomst inzake
de duur daarvan, de door de inschrijving gedekte vorm waarin
het merk mag worden gebruikt, de waren waarvoor de licentie is
verleend, het grondgebied waarbinnen het merk mag worden
aangebracht of de kwaliteit van de door de licentiehouder in
het verkeer gebrachte waren.
C. De overdracht of andere overgang of de licentie kan niet
aan derden worden tegengeworpen dan na inschrijving van het
depot van een uittreksel der akte, waaruit van die overgang of
die licentie blijkt, of van een daarop betrekking hebbende,
door de betrokken partijen ondertekende verklaring, mits dit
depot is verricht met inachtneming van de gestelde
vormvereisten en tegen betaling van de rechten, bepaald bij
uitvoeringsreglement. Het in de vorige volzin bepaalde is van
overeenkomstige toepassing op pandrechten en beslagen.
D. De licentiehouder is bevoegd in een door de merkhouder
ingestelde vordering als bedoeld in artikel 13, onder A, derde
en vierde lid, tussen te komen om rechtstreeks door hem
geleden schade vergoed te krijgen of zich een evenredig deel
van de door de gedaagde genoten winst te doen toewijzen. Een
zelfstandige vordering als bedoeld in de vorige volzin kan de
licentiehouder slechts instellen, indien hij de bevoegdheid
daartoe van de merkhouder heeft bedongen.
Artikel 12
A. Niemand kan, welke vordering hij ook instelt, in rechte
bescherming inroepen voor een teken, dat als merk beschouwd
wordt in de zin van artikel 1, tenzij hij het op regelmatige
wijze heeft gedeponeerd en zo nodig de inschrijving er van
heeft doen vernieuwen. De niet-ontvankelijkheid kan ambtshalve
door de rechter worden uitgesproken. Zij wordt opgeheven door
depot of vernieuwing tijdens het geding. In geen geval kan
schadevergoeding worden toegekend voor aan het depot
voorafgegane feiten.
B. De bepalingen van deze wet laten onverlet het recht van
gebruikers van een teken, dat niet als merk wordt beschouwd in
de zin van artikel 1, om de bepalingen van het gemene recht in
te roepen voor zover dit toestaat zich te verzetten tegen
onrechtmatig gebruik van dit teken.
Artikel 13
A. 1. Onverminderd de toepassing van het gemene recht
betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan de
merkhouder zich op grond van zijn uitsluitend recht verzetten
tegen:
a. elk gebruik, dat in het economisch verkeer van het
merk wordt gemaakt voor de waren waarvoor het merk is
ingeschreven;
b. elk gebruik, dat in het economisch verkeer van het
merk of een overeenstemmend teken wordt gemaakt voor de
waren waarvoor het merk is ingeschreven of voor
soortgelijke waren, indien daardoor de mogelijkheid
bestaat dat bij het publiek een associatie wordt gewekt
tussen het teken en het merk;
c. elk gebruik, dat zonder geldige reden in het
economisch verkeer van een binnen het Beneluxgebied bekend
merk of een overeenstemmend teken wordt gemaakt voor
waren, die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het merk
is ingeschreven, indien door dat gebruik ongerechtvaardigd
voordeel kan worden getrokken uit of afbreuk kan worden
gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van
het merk;
d. elk gebruik dat zonder geldige reden in het
economisch verkeer van een merk of een overeenstemmend
teken wordt gemaakt anders dan ter onderscheiding van
waren, indien door dat gebruik ongerechtvaardigd voordeel
kan worden getrokken uit of afbreuk kan worden gedaan aan
het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder
gebruik van een merk of een overeenstemmend teken met name
verstaan:
a. het aanbrengen van het teken op de waren of op hun
verpakking;
b. het aanbieden, in de handel brengen of daartoe in
voorraad hebben van waren onder het teken;
c. het in- en uitvoeren van waren onder het teken;
d. het gebruik van het teken in stukken voor zakelijk
gebruik en in de reclame.
3. Onder dezelfde voorwaarden als in het eerste lid bedoeld
kan de merkhouder schadevergoeding eisen voor elke schade,
die hij door het gebruik als bedoeld in het eerste lid
lijdt.
4. Naast of in plaats van een vordering tot
schadevergoeding, kan de merkhouder een vordering instellen
tot het afdragen van ten gevolge van dit gebruik genoten
winst alsmede tot het afleggen van rekening en
verantwoording dienaangaande; indien de rechter van oordeel
is dat dit gebruik niet te kwader trouw is of dat de
omstandigheden van het geval tot zulk een veroordeling geen
aanleiding geven, wijst hij de vordering af.
5. De merkhouder kan de vordering tot schadevergoeding of
het afdragen van winst namens licentiehouder instellen,
onverminderd de aan deze laatste in artikel 11, onder D,
toegekende bevoegdheid.
6. Het uitsluitend recht omvat niet het recht zich te
verzetten tegen het gebruik in het economisch verkeer door
een derde:
a. van diens naam en adres;
b. van aanduidingen inzake soort, kwaliteit,
hoeveelheid, bestemming, waarde, geografische herkomst,
tijdstip van vervaardiging van de waren of andere
kenmerken daarvan;
c. van het merk, wanneer dit nodig is om de bestemming
van een waar, met name als accessoire of onderdeel, aan te
geven;
één en ander voor zover er sprake is van een eerlijk
gebruik in nijverheid en handel.
7. Het uitsluitend recht op een merk omvat niet het recht
zich te verzetten tegen het gebruik, in het economisch
verkeer, van een overeenstemmend teken, dat zijn bescherming
ontleent aan een ouder recht van slechts plaatselijke
betekenis, indien en voorzover dat recht erkend is ingevolg
de wettelijke bepalingen van één van de Beneluxlanden.
8. Het uitsluitend recht omvat niet het recht zich te
verzetten tegen het gebruik van het merk voor waren, die
onder het merk door de houder of met diens toestemming in de
Gemeenschap in het verkeer zijn gebracht, tenzij er voor de
houder gegronde redenen zijn zich te verzetten tegen verdere
verhandeling van de waren, met name wanneer de toestand van
de waren, nadat zij in het verkeer zijn gebracht, gewijzigd
of verslechterd is.
B. Met de administratieve, voor de inschrijving der merken
toegepaste rangschikking in klassen wordt geen rekening
gehouden bij de beoordeling van de soortgelijkheid der waren.
C. Het uitsluitend recht op een merk, luidende in één der
nationale of streektalen van het Beneluxgebied, strekt zich
van rechtswege uit over zijn vertaling in een andere dezer
talen. De beoordeling van de overeenstemming voortvloeiende
uit vertalingen in een of meer aan het genoemde gebied vreemde
talen geschiedt door de rechter.
Artikel 13bis
1. De merkhouder heeft de bevoegdheid roerende zaken,
waarmee een inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of zaken die
zijn gebruikt bij de produktie van die zaken, als zijn
eigendom op te vorderen dan wel daarvan de vernietiging of
onbruikbaarmaking te vorderen. Gelijke bevoegdheid tot
opvordering bestaat ten aanzien van gelden, waarvan
aannemelijk is dat zij zijn verkregen als gevolg van inbreuk
op het merkrecht. De vordering wordt afgewezen, indien de
inbreuk niet te kwader trouw is gemaakt.
2. De bepalingen van het nationale recht omtrent de
middelen van bewaring van zijn recht en omtrent rechterlijke
tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten zijn van
toepassing.
3. De rechter kan gelasten dat de afgifte niet plaatsvindt
dan tegen een door hem vast te stellen, door de eiser te
betalen vergoeding.
4. De licentienemer heeft het recht de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheden uit te oefenen, voor zover deze strekken
tot bescherming van de rechten waarvan hem de uitoefening is
toegestaan, indien hij daartoe toestemming van de merkhouder
heeft verkregen.
5. De rechter kan, op vordering van de merkhouder, degene
die inbreuk op diens recht heeft gemaakt, bevelen al hetgeen
hem bekend is omtrent de herkomst van de zaken, waarmee die
inbreuk is gepleegd, aan de merkhouder mee te delen en alle
daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te verstrekken.
Artikel 14
A. Iedere belanghebbende, met inbegrip van het Openbaar
Ministerie, kan de nietigheid inroepen:
1. a. van het depot van een teken dat niet beantwoordt
aan de in artikel 1 gegeven omschrijving van het merk, met
name wanneer het ieder onderscheidend vermogen in de zin van
artikel quinquies B onder 2, van het Verdrag van
Parijs mist;
b. [vervallen;]
c. van het depot waardoor krachtens artikel 4, onder 1
en 2 van deze wet geen merkrecht wordt verkregen;
2. van het depot waardoor krachtens artikel 4, onder 3, geen
merkrecht wordt verkregen, op voorwaarde dat de nietigheid
wordt ingeroepen binnen een termijn van vijf jaren, te
rekenen van de datum van het depot.
Wordt het geding tot nietigverklaring door het Openbaar
Ministerie aanhangig gemaakt, dan zijn in de hierboven
vermelde gevallen alleen de rechter te Brussel, te
's-Gravenhage en te Luxemburg bevoegd. Het aanhangig maken van
het geding door het Openbaar Ministerie schorst ieder ander op
dezelfde grondslag ingesteld geding.
B. Wanneer de houder van de eerdere inschrijving of de in
artikel 4, onder 4, 5 en 6 bedoelde derde aan het geding
deelneemt, kan iedere belanghebbende de nietigheid inroepen:
1. van het depot dat in de rangorde na het depot van een
overeenstemmend merk komt, overeenkomstig het bepaalde in
artikel 3, lid 2;
2. van het depot waardoor krachtens artikel 4, onder 4, 5
en 6, geen merkrecht wordt verkregen; de nietigheid op grond
van de hiervoor onder 4 genoemde bepaling moet worden
ingeroepen binnen een termijn van drie jaren, te rekenen van
de datum waarop de geldigheidsduur der eerdere inschrijving
verstrijkt, de nietigheid op grond van de hiervoor onder 5
en 6 genoemde bepalingen binnen een termijn van vijf jaren,
te rekenen van de datum van het depot.
C.
1. Iedere belanghebbende kan het verval van het merkrecht
inroepen in de gevallen vermeld in artikel 5, tweede lid.
Het verval van een merkrecht op grond van artikel 5, tweede
lid, onder a, kan niet meer worden ingeroepen,
wanneer het merk in de periode tussen het verstrijken van de
periode van vijf jaren en de instelling van de vordering tot
vervallenverklaring voor het eerst of opnieuw is gebruikt.
Begin van gebruik of hernieuwd gebruik binnen drie maanden
voorafgaand aan de instelling van de vordering tot
vervallenverklaring wordt echter niet in aanmerking genomen,
indien de voorbereiding van het begin van gebruik pas wordt
getroffen nadat de merkhouder er kennis van heeft genomen
dat een vordering tot vervallenverklaring zou kunnen worden
ingesteld.
2. De houder van het merkrecht ten aanzien waarvan het
verval ingevolge het eerste lid niet meer kan worden
ingeroepen, kan niet overeenkomstig het onder B bepaalde de
nietigheid inroepen van een depot, dat is verricht tijdens
de periode waarin het oudere merkrecht vervallen kon worden
verklaard op grond van artikel 5, tweede lid, onder a,
noch zich ingevolge artikel 13, onder A, eerste lid, onder
a, b, c verzetten tegen gebruik van het
aldus gedeponeerde merk.
D. Alleen de rechter is bevoegd uitspraak te doen in de
gedingen, welke op deze wet zijn gegrond; hij spreekt
ambtshalve de doorhaling uit van de inschrijving van de nietig
verklaarde depots, evenals van de depots waardoor de vervallen
verklaarde rechten zijn verkregen.
Artikel 14bis
1. De houder van het uitsluitend recht op een merk, die het
gebruik van een later gedeponeerd merk heeft gedoogd gedurende
vijf opeenvolgende jaren, kan niet meer op grond van zijn
oudere recht de nietigheid van het latere depot inroepen
ingevolge artikel 14, onder B, onder 1, noch zich verzetten
tegen het gebruik van het later gedeponeerde merk ingevolge
artikel 13, onder A, eerste lid, onder a, b,
c met betrekking tot de waren waarvoor dat merk is
gebruikt, tenzij het te kwader trouw gedeponeerd is.
2. Het gedogen van het gebruik van een later gedeponeerd
merk als bedoeld in het eerste lid geeft de houder van het
later gedeponeerde merk niet het recht zich te verzetten tegen
het gebruik van het eerder gedeponeerde merk.
Artikel 15
A. De houder van de inschrijving van een Benelux-depot kan
te allen tijde doorhaling van zijn inschrijving verzoeken.
Indien evenwel een licentie is ingeschreven, kan doorhaling
van de inschrijving van het merk of van de licentie alleen
worden verzocht door de houder van de inschrijving en de
licentiehouder tezamen. Het in de vorige volzin bepaalde ten
aanzien van de doorhaling van de inschrijving van het merk is
van overeenkomstige toepassing in het geval een pandrecht of
beslag is ingeschreven.
B. De doorhaling geldt voor het gehele Beneluxgebied.
C. Een tot een deel van het Beneluxgebied beperkte afstand
van de uit een internationaal depot voortvloeiende bescherming
geldt voor het gehele gebied, niettegenstaande enige door de
houder afgelegde verklaring van het tegendeel.
Artikel 16
De nietigverklaring van een depot, de vervallenverklaring
van het recht op een merk of de vrijwillige doorhaling van een
inschrijving moet het teken, dat het merk vormt, in zijn
geheel betreffen.
De nietig- of vervallenverklaring moet tot één of meer van
de waren, waarvoor het merk is ingeschreven, worden beperkt,
indien de grond voor de nietigheid of het verval slechts een
deel van die waren betreft.
De vrijwillige doorhaling kan tot een of meer van de waren
waarvoor het merk is ingeschreven, worden beperkt.
Artikel 17
A. Het Benelux-Bureau is, behalve met de bij de voorgaande
artikelen opgedragen taak, belast met:
1. het aanbrengen van wijzigingen in de inschrijvingen,
hetzij op verzoek van de houder, hetzij op grond van
kennisgevingen van het Internationaal Bureau voor de
bescherming van de industriële eigendom of van rechterlijke
beslissingen, alsmede het zonodig daarvan verwittigen van
het Internationaal Bureau;
2. het uitgeven van een maandblad in de Nederlandse en de
Franse taal, waarin de inschrijvingen van de Benelux-depots
worden vermeld en alle andere vermeldingen voorgeschreven
bij uitvoeringsreglement;
3. het verstrekken op verzoek van iedere belanghebbende
van afschriften van inschrijvingen.
B. Een uitvoeringsreglement bepaalt het bedrag van de
rechten, te innen voor de onder A van dit artikel bedoelde
verrichtingen, alsmede de prijzen van het maandblad en van de
afschriften.
Artikel 18
Onderdanen van Beneluxlanden, alsmede onderdanen van landen
welke geen deel uitmaken van de door het Verdrag van Parijs
opgerichte Unie, die woonplaats hebben in het Beneluxgebied of
aldaar een daadwerkelijke en wezenlijke nijverheids- of
handelsonderneming hebben, kunnen ingevolge deze wet, voor dit
gehele gebied, de toepassing te hunnen voordele inroepen van
de bepalingen van het voornoemde Verdrag en van de
Overeenkomst van Madrid.
HOOFDSTUK II. COLLECTIEVE MERKEN
Artikel 19
Als collectieve merken worden beschouwd alle tekens, die
aldus bij het depot worden aangeduid en die dienen om een of
meer gemeenschappelijke kenmerken te onderscheiden van waren,
afkomstig van verschillende ondernemingen, die het merk onder
toezicht van de houder aanbrengen.
Deze laatste mag geen gebruik maken van het merk voor waren
die afkomstig zijn uit zijn eigen onderneming of uit
ondernemingen, aan welker bestuur of toezicht hij onmiddellijk
of middellijk deelneemt.
Eveneens worden als collectieve merken beschouwd alle
tekens die aldus bij het depot worden aangeduid en die dienen
in het economisch verkeer tot aanduiding van de geografische
herkomst van de waren. Een zodanig merk geeft de houder niet
het recht zich te verzetten tegen het gebruik door een derde
van die tekens in het economisch verkeer in overeenstemming
met eerlijke gebruiken in handel en nijverheid; met name kan
een zodanig merk niet worden ingeroepen tegen een derde die
gerechtigd is de desbetreffende geografische benaming te
gebruiken.
Artikel 20
Behoudens bepaling van het tegendeel zijn individuele en
collectieve warenmerken aan dezelfde regelen onderworpen.
Artikel 21
Het uitsluitend recht op een collectief merk wordt slechts
verkregen, indien het depot van het merk vergezeld gaat van
een reglement op het gebruik en het toezicht.
Indien het evenwel gaat om een internationaal depot kan de
deposant dit reglement nog deponeren gedurende een termijn van
zes maanden te rekenen van de in de Overeenkomst van Madrid in
artikel 3, onder (4) bedoelde kennisgeving van de
internationale inschrijving.
Artikel 22
Het bij een collectief merk behorende reglement op het
gebruik en het toezicht moet de gemeenschappelijke kenmerken
van de waren vermelden, tot waarborg waarvan het merk bestemd
is.
Het moet eveneens bepalen op welke wijze een deugdelijk en
doeltreffend toezicht op deze kenmerken wordt gehouden, met de
bijbehorende passende sancties.
Artikel 23
Artikel 4, onder 3 is niet van toepassing op het depot van
een collectief merk, dat door de vroegere houder van de
inschrijving van een overeenstemmend collectief merk of door
zijn rechtverkrijgende wordt verricht.
Artikel 24
Onverminderd de toepassing van artikelen 6, 6bis en
8, mag het Benelux-Bureau het Benelux-depot van een collectief
merk niet inschrijven, indien het bij dat merk behorende
reglement op het gebruik en het toezicht niet volgens de in
artikel 21 gestelde voorwaarden is gedeponeerd.
Artikel 25
De houders van collectieve merken zijn verplicht van iedere
wijziging van het bij het merk behorende reglement op het
gebruik en het toezicht aan het Benelux-Bureau kennis te
geven. Deze kennisgeving wordt door het Benelux-Bureau
ingeschreven.
De wijziging treedt niet in werking voor de kennisgeving
bedoeld in het vorige lid.
Artikel 26
Het recht om ter bescherming van een collectief merk in
rechte op te treden komt uitsluitend toe aan de houder van dat
merk.
Het reglement op het gebruik en het toezicht kan evenwel
aan personen, aan wie het gebruik van het merk is toegestaan,
het recht toekennen tezamen met de houder een vordering in te
stellen of in een door of tegen deze aangevangen geding zich
te voegen of tussen te komen.
Het reglement op het gebruik en het toezicht kan eveneens
bepalen, dat de houder, die alleen optreedt, het bijzonder
belang van de gebruikers van het merk kan laten gelden en in
zijn eis tot schadevergoeding de bijzondere schade, die een of
meer van hen hebben geleden, kan opnemen.
Artikel 27
A. Onverminderd het bij artikel 14 bepaalde, kan iedere
belanghebbende, met inbegrip van het Openbaar Ministerie, het
verval inroepen van het recht op een collectief merk, indien
de houder het merk gebruikt onder de voorwaarden bedoeld in
artikel 19 tweede lid, of instemt met een gebruik in strijd
met de bepalingen van het reglement op het gebruik en het
toezicht, dan wel zodanig gebruik gedoogt. Wordt het geding
tot vervallenverklaring aanhangig gemaakt door het Openbaar
Ministerie, dan zijn alleen de rechter te Brussel, te
's-Gravenhage en te Luxemburg bevoegd. Het aanhangig maken van
het geding door het Openbaar Ministerie schorst ieder ander op
dezelfde grondslag ingesteld geding.
B. Het Openbaar Ministerie kan de nietigheid inroepen van
het depot van een collectief merk wanneer het reglement op het
gebruik en het toezicht in strijd is met de openbare orde, of
wanneer het niet in overeenstemming is met de bepalingen van
artikel 22. Het Openbaar Ministerie kan eveneens de nietigheid
inroepen van de wijzigingen van het reglement op het gebruik
en het toezicht, indien deze in strijd zijn met de openbare
orde of met de bepalingen van artikel 22, of indien deze tot
verzwakking van de door het reglement aan het publiek gegeven
waarborgen leiden. Alleen de rechter te Brussel, te
's-Gravenhage en te Luxemburg is bevoegd uitspraak te doen in
deze gedingen; hij spreekt ambtshalve de doorhaling uit van de
inschrijvingen van de nietigverklaarde depots of van de nietig
verklaarde wijzigingen.
Artikel 28
De collectieve merken, die zijn vervallen, nietig verklaard
of doorgehaald, evenals die, ten aanzien waarvan vernieuwing
niet is geschied en een herstel als bedoeld in artikel 23 is
uitgebleven, mogen gedurende de drie jaren die volgen op de
datum van de inschrijving van het verval, de nietigverklaring,
de doorhaling of het verstrijken van de geldigheidsduur der
niet vernieuwde inschrijving, onder geen beding worden
gebruikt, behalve door degene, die zich op een ouder recht op
een individueel, overeenstemmend merk kan beroepen.
HOOFDSTUK III. OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel 29
Onverminderd artikel 30 worden de in één der Beneluxlanden
vóór de datum van het in werking treden dezer wet op grond van
het nationaal recht verkregen en op die datum niet vervallen
uitsluitende rechten op individuele en collectieve merken
gehandhaafd. Vanaf de voornoemde datum is deze wet op die
rechten van toepassing.
Een uitsluitend recht wordt eveneens geacht te zijn
verkregen door het eerste gebruik van een teken, dat dient om
de waren van een onderneming te onderscheiden en dat een merk
zou hebben gevormd, indien de artikelen 1 en 2 van deze wet
van toepassing zouden zijn geweest. Evenwel kan het
uitsluitend recht, dat aldus geacht wordt te zijn verkregen,
niet worden tegengeworpen aan hen, die van dit teken vóór het
in werking treden dezer wet gebruik hebben gemaakt, tenzij het
ingeroepen gebruik gevolgd is door niet-gebruik gedurende een
ononderbroken tijdvak van vijf jaren.
Artikel 30
Het op een merk verkregen recht eindigt, met terugwerkende
kracht tot de datum van het in werking treden dezer wet,
indien niet bij het verstrijken van een termijn van een jaar
te rekenen van die datum, een Benelux-depot van dat merk is
verricht, met beroep op het bestaan van het verkregen recht en
onder opgave, als inlichting, van de aard en het tijdstip der
feiten, die het hebben doen ontstaan en, in voorkomende
gevallen van de depots en inschrijvingen, die met betrekking
tot dit merk zijn verricht. Dit depot treedt in de plaats van
de depots van het merk in één of meer van de Beneluxlanden,
onverminderd de uit die depots verkregen rechten. Indien
evenwel de deposant beroep doet op een verkregen recht,
terwijl hij weet of behoort te weten, dat dit recht niet
bestaat, wordt het depot geacht te kwader trouw te zijn
verricht.
Indien een merkrecht op de datum van het in werking treden
dezer wet berust op een internationaal depot, steunend op een
buiten het Beneluxgebied verrichte inschrijving van oorsprong,
wordt dat recht onafhankelijk van de in het voorgaande lid
gestelde vereisten gehandhaafd.
Bovendien eindigt het op een collectief merk verkregen
recht, met terugwerkende kracht tot de datum van het in
werking treden van deze wet, indien bij het in het eerste lid
bedoelde Benelux-depot geen reglement op het gebruik en
toezicht is overgelegd. De artikelen 22, 24 en 27 onder B zijn
te dezen van toepassing.
Indien het recht op een collectief merk berust op een
internationaal depot, steunend op een buiten het Beneluxgebied
verrichte inschrijving van oorsprong, eindigt dit recht met
terugwerkende kracht tot de datum van het in werking treden
van deze wet, indien bij het verstrijken van een termijn van
een jaar te rekenen van die datum, de houder van het
collectieve merk geen reglement op het gebruik en toezicht
heeft overgelegd. De artikelen 22 en 27 onder B zijn te dezen
van toepassing.
Artikel 31
In afwijking van artikel 10 heeft de eerste inschrijving
van de Benelux-depots, bedoeld in artikel 30, een
geldigheidsduur van één tot tien jaren. Deze verstrijkt in de
maand en op de dag van het Benelux-depot, in het jaar waarvan
het jaartal hetzelfde cijfer der eenheden bevat als dat van
het jaar, waarin het verkregen recht, waarop beroep wordt
gedaan, is ontstaan.
De eerste vernieuwing van de inschrijving van deze depots
kan op het tijdstip van het depot gevraagd worden voor de duur
vastgesteld in artikel 10.
Artikel 32
Een op grond van de artikelen 29 en 30 gehandhaafd
uitsluitend recht op een merk breidt zich, te rekenen van de
datum van het in werking treden dezer wet, over het gehele
Beneluxgebied uit.
Dit recht breidt zich echter niet uit over het gebied van
datgene van de Beneluxlanden:
a. waar het in strijd komt met een door een derde
verkregen en op grond van de artikelen 29 en 30 gehandhaafd
recht;
b. waar een nietigheidsgrond blijkt te bestaan als
bedoeld in artikel 14 onder A, onder 1, a en c,
en onder 2, in artikel 14 onder B, onder 2 en in artikel 27
onder B.
Wanneer twee personen houder zijn van verkregen rechten op
hetzelfde merk, onderscheidenlijk in twee van de
Beneluxlanden, vindt uitbreiding over het derde land plaats
ten voordele van degene die vóór het in werking treden dezer
wet in dat land het eerst en op normale wijze van het merk
gebruik heeft gemaakt.
Indien op het tijdstip van het in werking treden dezer wet
in dat land geen gebruik van het merk heeft plaatsgevonden,
vindt uitbreiding plaats ten voordele van de houder van het
oudste verkregen recht.
Artikel 33
Indien een merk krachtens artikel 32 aan verschillende
merkhouders in twee of drie der Beneluxlanden toebehoort, kan
de merkhouder in een van deze landen zich niet verzetten tegen
de invoer van waren die hetzelfde merk dragen en die uit een
ander Beneluxland afkomstig zijn, noch schadevergoeding eisen
voor deze invoer, wanneer het merk in dat andere land door de
merkhouder of met zijn goedkeuring is aangebracht, en wanneer
tussen beide merkhouders ten aanzien van de exploitatie van de
betrokken waren een band van economische aard bestaat.
Artikel 34
A. Het Benelux-register staat met ingang van de dag na die
van het in werking treden dezer wet open voor depots. Vanaf de
dag van dit in werking treden is geen enkel nationaal depot
meer ontvankelijk.
B. De in artikel 30 bedoelde Benelux-depots zijn vrij van
betaling van rechten en geschieden met inachtneming van de bij
uitvoeringsreglement bepaalde vormvereisten. De inschrijving
dezer depots vermeldt, of beroep op een verkregen recht is
gedaan en wat ter zake is opgegeven.
C. De internationale depots, die op een inschrijving van
oorsprong buiten het Beneluxgebied steunen en op de datum van
het in werking treden dezer wet bestaan, worden ambtshalve en
zonder kosten in het Benelux-register ingeschreven, tenzij de
houder van die depots voor alle Beneluxlanden van de daaruit
voortvloeiende bescherming afstand heeft gedaan.
Artikel 35
De in artikel 30 bedoelde Benelux-depots, ongeacht hun
werkelijke datum, en de overeenkomstig artikel 34, onder C in
het Benelux-register ingeschreven internationale depots,
worden voor de beoordeling van hun rangorde ten opzichte van
de zonder beroep op verkregen rechten verrichte Benelux-depots
geacht te zijn verricht op de datum van het in werking treden
dezer wet.
De beoordeling van de rangorde van de in een Beneluxland in
de zin van artikel 29 verkregen rechten geschiedt in dat land
met inachtneming van het vóór het in werking treden dezer wet
geldende nationale recht.
HOOFDSTUK IV. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 36
Deze wet verstaat onder "Beneluxgebied" het gezamenlijke
gebied van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg
en het Koninkrijk der Nederlanden in Europa.
Artikel 37
A. Behoudens uitdrukkelijk afwijkende overeenkomst wordt de
territoriale bevoegdheid van de rechter inzake merken bepaald
door de woonplaats van de gedaagde of door de plaats, waar de
in geding zijnde verbintenis is ontstaan, is uitgevoerd of
moet worden uitgevoerd. De plaats waar een merk is gedeponeerd
of ingeschreven kan in geen geval op zichzelf grondslag zijn
voor het bepalen van de bevoegdheid. Indien de hierboven
gegeven regelen niet toereikend zijn ter bepaling van de
territoriale bevoegdheid, kan de eiser de zaak bij de rechter
van zijn woon- of verblijfplaats of, indien hij geen woon- of
verblijfplaats binnen het Beneluxgebied heeft, naar keuze bij
de rechter te Brussel, te 's-Gravenhage of te Luxemburg
aanhangig maken.
B. De rechters passen de onder A gegeven regelen ambtshalve
toe en stellen hun bevoegdheid uitdrukkelijk vast.
C. De rechter, voor wie de hoofdvordering onder A bedoeld,
aanhangig is, neemt kennis van eisen tot vrijwaring, van eisen
tot voeging en tussenkomst en van incidentele eisen alsmede
van eisen in reconventie, tenzij hij onbevoegd is ten aanzien
van het onderwerp van het geschil.
D. De rechters van een der drie landen verwijzen op
vordering van een der partijen de geschillen, waarmede men
zich tot hen heeft gewend, naar die van een der twee andere
landen, wanneer deze geschillen daar reeds aanhangig zijn of
wanneer zij verknocht zijn aan andere, aan het oordeel van
deze rechters onderworpen geschillen. De verwijzing kan
slechts worden gevorderd, wanneer de zaken in eerste aanleg
aanhangig zijn. Zij geschiedt naar de rechter, waarbij de zaak
het eerst bij een inleidend stuk is aanhangig gemaakt, tenzij
een andere rechter ter zake een eerdere uitspraak heeft
gegeven, die niet louter een maatregel van orde is; in het
eerste geval geschiedt de verwijzing naar die andere rechter.
Artikel 38
De bepalingen dezer wet doen geen afbreuk aan de toepassing
van het Verdrag van Parijs, de Overeenkomst van Madrid en de
bepalingen van Belgisch, Luxemburgs of Nederlands recht,
waaruit een verbod een merk te gebruiken voortvloeit.
HOOFDSTUK V. DIENSTMERKEN
Algemeen
Artikel 39
De hoofdstukken I, II, IV, VI en VII zijn van
overeenkomstige toepassing op tekens ter onderscheiding van
diensten, hierna genoemd "dienstmerken", met dien verstande
dat ook soortgelijkheid tussen diensten en waren kan bestaan.
Het recht van voorrang bedoeld in artikel 4 van het Verdrag
van Parijs kan eveneens worden ingeroepen voor dienstmerken.
Overgangsbepalingen
Artikel 40
A. Een ieder die op de datum van het in werking treden van
het Protocol, houdende wijziging van de eenvormige Beneluxwet
op de warenmerken, in het Beneluxgebied gebruik maakt van een
dienstmerk en binnen een termijn van een jaar, te rekenen van
die datum, een Benelux-depot van dat merk verricht, wordt voor
de beoordeling van de rangorde daarvan geacht dit depot op
genoemde datum te hebben verricht.
B. De bepalingen van dit hoofdstuk brengen geen wijziging
in de rechten die voortvloeien uit het gebruik van een
dienstmerk in het Beneluxgebied op voornoemde datum.
C. De nietigheid van een onder A bedoeld depot kan niet
worden ingeroepen op de enkele grond van het feit dat dit
depot in rangorde na het depot van een overeenstemmend
warenmerk komt.
Artikel 41
Bij het in artikel 40 bedoelde Benelux-depot, dat moet
geschieden met inachtneming van de bij uitvoeringsreglement
bepaalde vormvereisten en tegen betaling van de daarbij
vastgestelde rechten, moet bovendien:
- een beroep op het bestaan van het verkregen recht
worden gedaan;
- opgave worden gedaan van het jaar van het eerste
gebruik van het dienstmerk, teneinde aan het in artikel 42
bedoelde oogmerk te voldoen.
Indien evenwel de deposant een beroep doet op een verkregen
recht van het dienstmerk, terwijl hij weet of behoort te
weten, dat dit recht niet bestaat, wordt het depot geacht te
kwader trouw te zijn verricht.
Artikel 42
In afwijking van artikel 10 heeft de eerste inschrijving
van de Benelux-depots, bedoeld in artikel 40, een
geldigheidsduur van één tot tien jaren. Deze verstrijkt in de
maand en op de dag van het Benelux-depot, in het jaar waarvan
het jaartal hetzelfde cijfer der eenheden bevat als dat van
het jaar waarin het bij depot opgegeven eerste gebruik heeft
plaatsgevonden.
De eerste vernieuwing van de inschrijving van deze depots
kan op het tijdstip van het depot gevraagd worden voor de in
artikel 10 vastgestelde duur.
Artikel 43
Het Beneluxregister staat met ingang van de dag, volgende
op die van het in werking treden van het in artikel 40
genoemde Protocol, open voor depots van dienstmerken.
De inschrijving van de in artikel 40 bedoelde
Benelux-depots vermeldt dat beroep op een verkregen recht is
gedaan en het jaar van het eerste gebruik van het dienstmerk.
HOOFDSTUK VI. BEPALINGEN INZAKE GEMEENSCHAPSMERKEN
Artikel 44
Artikel 3, tweede alinea, en artikel 14, onder B, onder 1,
zijn van overeenkomstige toepassing in geval de inschrijving
berust op een eerder depot voor een Gemeenschapsmerk.
Artikel 45
Artikel 3, tweede alinea en artikel 14, onder B, onder 1,
zijn eveneens van toepassing op Gemeenschapsmerken, waarvoor
overeenkomstig de verordening inzake het Gemeenschapsmerk op
geldige wijze de anciënniteit voor het Beneluxgebied wordt
ingeroepen, ook al is dan aan de anciënniteit ten grondslag
liggende Benelux- of internationale inschrijving vrijwillig
doorgehaald of de geldigheidsduur daarvan verstreken.
Artikel 46
Indien voor een Gemeenschapsmerk de anciënniteit van een
ouder merkrecht wordt ingeroepen, kan de nietigheid of het
verval van dat ouder echt worden ingeroepen, zelfs indien dat
recht reeds is vervallen door de vrijwillige doorhaling of het
verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving.
Artikel 47
Het Benelux-Merkenbureau schrijft de merken in het
Benelux-register in, die zijn ingeschreven overeenkomstig de
Verordening inzake het Gemeenschapsmerk.
Artikel 48
De bepalingen van deze wet doen geen afbreuk aan de
toepassing van de Verordening inzake het Gemeenschapsmerk.
HOOFDSTUK VII. BEPALINGEN INZAKE INTERNATIONALE DEPOTS
Artikel 49
De bepalingen van deze wet inzake internationale depots
verricht ingevolge de Overeenkomst van Madrid zijn van
overeenkomstige toepassing op internationale depots verricht
ingevolge het Protocol van 27 juni 1989 bij de Overeenkomst
van Madrid.