Wet van 19 maart 1962
Eenvormige Beneluxwet op de merken
(Benelux Merkenwet)

 
Dit is een geconsolideerde versie van de tekst van de Benelux-Merkenwet. Geen enkele aansprakelijkheid kan worden aanvaard voor eventuele onjuistheden in deze tekst.
 

HOOFDSTUK I. INDIVIDUELE MERKEN

Artikel 1

Als individuele merken worden beschouwd de benamingen, tekeningen, afdrukken, stempels, letters, cijfers, vormen van waren of van verpakking en alle andere tekens, die dienen om de waren van een onderneming te onderscheiden.

Evenwel kunnen niet als merken worden beschouwd vormen, die door de aard van de waar worden bepaald, die de wezenlijke waarde van de waar beïnvloeden of die een uitkomst op het gebied van de nijverheid opleveren.

Artikel 2

Onverminderd de bepalingen van het gemene recht, kan een geslachtsnaam als merk dienen.

Artikel 3

1. Onverminderd de in het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom of de Overeenkomst van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken vastgestelde rechten van voorrang, wordt het uitsluitend recht op een merk verkregen door het eerste depot, verricht binnen het Beneluxgebied (Benelux-depot) of voortvloeiend uit een inschrijving bij het Internationaal Bureau voor de bescherming van de industriële eigendom (internationaal depot).

2. Bij de beoordeling van de rangorde van het depot wordt rekening gehouden met de op het tijdstip van het depot bestaande ten tijde van het geding gehandhaafde rechten op:

a. gelijke, voor dezelfde waren gedeponeerde merken;

b. gelijke of overeenstemmende, voor dezelfde of soortgelijke waren gedeponeerde merken, indien de mogelijkheid bestaat dat bij het publiek een associatie wordt gewekt tussen de merken;

c. overeenstemmende, voor niet-soortgelijke waren gedeponeerde merken, die bekendheid in het Beneluxgebied genieten, indien door het gebruik, zonder geldige reden, van het jongere merk ongerechtvaardigd voordeel kan worden getrokken uit of afbreuk kan worden gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk.

Artikel 4

Binnen de in de artikelen 6bis, 6ter en 14 gestelde grenzen wordt geen recht op een merk verkregen door:

1. het depot van een merk dat, ongeacht het gebruik dat er van wordt gemaakt, in strijd is met de goede zeden of de openbare orde van één van de Beneluxlanden, of ten aanzien waarvan artikel 6ter van het Verdrag van Parijs in weigering of nietigverklaring voorziet;

2. het depot dat wordt verricht voor waren voor welke het gebruik van het merk tot misleiding van het publiek zou kunnen leiden;

3. het depot van een merk dat overeenstemt met een voor soortgelijke waren gedeponeerd collectief merk waaraan een recht was verbonden dat is vervallen in de loop van de drie jaren voorafgaande aan het depot;

4. het depot van een merk dat overeenstemt met een door een derde voor soortgelijke waren gedeponeerd individueel merk, waaraan een recht was verbonden, dat in de loop van de twee jaren voorafgaande aan het depot vervallen is door het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving, tenzij die derde heeft toegestemd of overeenkomstig artikel 5, tweede lid, onder a geen gebruik van dit merk is gemaakt;

5. het depot van een merk dat verwarring kan stichten met een algemeen bekend merk in de zin van artikel 6bis van het Verdrag van Parijs, en dat toebehoort aan een derde die zijn toestemming niet heeft verleend;

6. het te kwader trouw verrichte depot, onder andere:

a. het depot dat wordt verricht terwijl de deposant weet of behoort te weten, dat een derde binnen de laatste drie jaren in het Beneluxgebied een overeenstemmend merk voor soortgelijke waren te goeder trouw en op normale wijze heeft gebruikt, en die derde zijn toestemming niet heeft verleend;

b. het depot dat wordt verricht terwijl de deposant op grond van zijn rechtstreekse betrekking tot een derde weet, dat die derde binnen de laatste drie jaren buiten het Beneluxgebied een overeenstemmend merk voor soortgelijke waren te goeder trouw en op normale wijze heeft gebruikt, tenzij die derde zijn toestemming heeft verleend, of bedoelde wetenschap eerst is verkregen nadat de deposant een begin had gemaakt met het gebruik van het merk binnen het Beneluxgebied.

Artikel 5

1. Het recht op het merk vervalt:

a. door de vrijwillige doorhaling of het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving van het Benelux-depot;

b. door de doorhaling of het verstrijken van de geldigheidsduur van de internationale inschrijving of door afstand van de bescherming in het Beneluxgebied, of overeenkomstig het in artikel 6 van de Overeenkomst van Madrid bepaalde, door het feit dat het merk geen wettelijke bescherming meer geniet in het land van oorsprong.

2. Het recht op het merk wordt, binnen de in artikel 14, onder C, gestelde grenzen, vervallen verklaard:

a. voorzover gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf jaren zonder geldige reden, geen normaal gebruik van het merk is gemaakt binnen het Beneluxgebied voor de waren waarvoor het merk is ingeschreven; in een geding kan de rechter de merkhouder geheel of gedeeltelijk met het bewijs van het gebruik belasten;

b. voorzover het merk, na op regelmatige wijze te zijn verkregen, door toedoen of nalaten van de merkhouder in het normale taalgebruik de gebruikelijke benaming van een waar is geworden;

c. voorzover het merk, als gevolg van het gebruik dat ervan wordt gemaakt, voor de waren waarvoor het is ingeschreven, het publiek kan misleiden, met name omtrent de aard, de hoedanigheid of de geografische herkomst van deze waren.

3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder a, wordt onder gebruik van het merk mede verstaan:

a. het gebruik van het merk in een op onderdelen afwijkende vorm, zonder dat het onderscheidend kenmerk van het merk in de vorm waarin het is ingeschreven, wordt gewijzigd;

b. het aanbrengen van het merk op waren of de verpakking ervan, uitsluitend met het oog op uitvoer;

c. het gebruik van het merk door een derde met toestemming van de merkhouder.

Artikel 6

A.

1. Het Benelux-depot van merken geschiedt, hetzij bij de nationale diensten, hetzij bij het Benelux-Merkenbureau, met inachtneming van de vereisten en tegen betaling van de rechten, bepaald bij uitvoeringsreglement. De met het in ontvangst nemen van de depots belaste instanties onderzoeken of de overgelegde stukken aan de voor het vaststellen van een datum van depot gestelde vereisten voldoen en stellen de datum van depot vast. Aan de deposant wordt onverwijld schriftelijk mededeling gedaan van de vastgestelde datum van depot dan wel van de gronden voor het niet toekennen van een depotdatum.

2. Indien bij het depot niet is voldaan aan de overige in het uitvoeringsreglement gestelde vereisten geeft de instantie die het depot ontvangen heeft, hiervan onverwijld schriftelijk kennis aan de deposant onder opgave van de voorschriften waaraan niet is voldaan en stelt hem in de gelegenheid daaraan alsnog te voldoen binnen een bij uitvoeringsreglement gestelde termijn.

3. Het depot vervalt, indien niet binnen de gestelde termijn voldaan is aan de bepalingen van het uitvoeringsreglement.

4. De nationale dienst zend het Benelux-depot door aan het Benelux-Merkenbureau, zodra hij heeft vastgesteld dat het depot voldoet aan de gestelde vereisten.

B.

De ontvankelijkheid van het depot is afhankelijk van het verichten van één van de volgende handelingen, ter keuze van de deposant:

a. overlegging van een bewijsstuk, dat een onderzoek naar eerdere inschrijvingen door het Benelux-Merkenbureau werd verricht of aan het Bureau werd verzocht binnen de drie aan het depot voorafgaande maanden, overeenkomstig het bij uitvoeringsreglement bepaalde;

b. indiening op het tijdstip van het depot van een verzoek tot onderzoek, door tussenkomst van de met het in ontvangst nemen van het depot belaste instantie.

C. Onverminderd de toepassing van artikel 6bis wordt het gedeponeerde merk voor de door de deposant vermelde waren ingeschreven, indien de deposant, na ontvangst van de resultaten van het onder B bedoelde onderzoek en binnen een bij uitvoeringsreglement te bepalen termijn, te kennen heeft gegeven zijn depot te handhaven. Aan de merkhouder wordt een bewijs van inschrijving verstrekt.

D. Het op artikel 4 van het Verdrag van Parijs gegronde beroep op voorrrang wordt gedaan bij het depot of bij een bijzondere verklaring af te leggen bij het Benelux-Bureau, in de maand volgende op het depot, met inachtneming van de vormvereisten en tegen betaling van de bij uitvoeringsreglement bepaalde rechten. Het ontbreken van een dergelijk beroep doet het recht op voorrang vervallen.

Artikel 6bis

1. Het Benelux-Merkenbureau weigert een depot in te schrijven, indien naar zijn oordeel:

a. het gedeponeerde teken niet beantwoordt aan de in artikel 1 gegeven omschrijving van een merk, met name wanneer het ieder onderscheidend vermogen in de zin van artikel 6 quinquies B, onder 2, van het Verdrag van Parijs mist;

b. het depot betrekking heeft op een merk als bedoeld in artikel 4, onder 1 en 2.

2. De weigering om tot inschrijving over te gaan moet het teken dat een merk vormt in zijn geheel betreffen. Zij kan tot een of meer van de waren waarvoor het merk bestemd is worden beperkt.

3. Het Benelux-Bureau geeft van zijn voornemen de inschrijving geheel of gedeeltelijk te weigeren, onder opgave van redenen, onverwijld schriftelijk kennis aan de deposant en stelt hem in de gelegenheid hierop binnen een bij uitvoeringsreglement gestelde termijn te antwoorden.

4. Indien de bezwaren van het Benelux-Bureau tegen de inschrijving niet binnen de gestelde termijn zijn opgeheven, wordt de inschrijving van het depot geheel of gedeeltelijk geweigerd. Van de weigering geeft het Benelux-Bureau onder opgave van redenen onverwijld schriftelijk kennis aan de deposant, onder vermelding van het in artikel 6ter genoemde rechtsmiddel tegen die beslissing.

5. Met de al dan niet gedeeltelijke weigering het depot in te schrijven is het depot geheel of gedeeltelijk nietig. Deze nietigheid treedt eerst in nadat de termijn voor het instellen van het in artikel 6 ter bedoelde rechtsmiddel ongebruikt is verstreken dan wel nadat het verzoek om een bevel tot inschrijving te geven onherroepelijk is afgewezen.

Artikel 6ter

De deposant kan zich binnen twee maanden na de kennisgeving bedoeld in artikel 6bis, vierde lid, bij verzoekschrift wenden tot het Hof van Beroep te Brussel, het Gerechtshof te 's-Gravenhage of het Cour d’appel te Luxemburg teneinde een bevel tot inschrijving van het depot te verkrijgen. Het territoriaal bevoegde Hof wordt bepaald door het bij het depot vermelde adres van de deposant of zijn gemachtigde dan wel door het bij het depot opgegeven correspondentie-adres.

Artikel 7

A. De internationale depots geschieden volgens de bepalingen van de Overeenkomst van Madrid en het Protocol van 27 juni 1989 bij de Overeenkomst van Madrid. De nationale rechten, bedoeld in artikel 8, onder 1, van de Overeenkomst van Madrid en het Protocol bij de Overeenkomst van Madrid, alsmede de rechten bedoeld onder artikel 8, onder 7 a, van het Protocol bij de Overeenkomst van Madrid, worden bij uitvoeringsreglement bepaald.

B. De internationale depots worden ambtshalve aan een onderzoek naar eerdere inschrijvingen onderworpen.

Artikel 8

1. Het Benelux-Bureau schrijft de internationale depots in ten aanzien waarvan is verzocht de bescherming uit te strekken tot het Beneluxgebied. Artikel 6bis, leden 1 en 2, is van overeenkomstige toepassing.

2. Het Benelux-Bureau geeft van zijn voornemen de inschrijving te weigeren, onder opgave van redenen, zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis aan het Internationaal Bureau door middel van een voorlopige gehele of gedeeltelijke weigering van bescherming van het merk en stelt de deposant daarbij in de gelegenheid hierop te antwoorden overeenkomstig het bepaalde bij uitvoeringsreglement. Artikel 6bis, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. Artikel 6ter is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het territoriaal bevoegde Hof wordt bepaald door het adres van de gemachtigde of door het correspondentie-adres.

4. Van de beslissing waartegen geen beroep meer openstaat geeft het Benelux-Bureau schriftelijk, onder opgave van redenen, onverwijld kennis aan het Internationaal Bureau.

Artikel 9

Het Benelux-Bureau gaat op verzoek van de deposanten of van derden tegen vergoeding over tot het gevraagde onderzoek naar eerdere inschrijvingen van merken in het Benelux-register.

Het Bureau gaat bovendien over tot het in de artikelen 6, onder B. en 7, onder B. bedoelde onderzoek naar eerdere inschrijvingen van merken in het Benelux-register.

Het doet de uitkomst van het onderzoek zonder opgaaf van redenen of gevolgtrekkingen aan de verzoeker toekomen.

Met het oog op het onderzoek worden de ingeschreven merken in klassen gerangschikt volgens een door het Benelux-Bureau vastgesteld systeem.

Artikel 10

De inschrijving van een Benelux-depot heeft een geldigheidsduur van 10 jaren, te rekenen van de datum van het depot.

Het teken waaruit het merk bestaat mag niet worden gewijzigd, noch gedurende de inschrijving noch ter gelegenheid van de vernieuwing daarvan.

De inschrijving wordt op verzoek vernieuwd, voor verdere termijnen van 10 jaren, met inachtneming van de vormvereisten en tegen betaling van de bij uitvoeringsreglement bepaalde rechten.

De vernieuwing moet worden verzocht en de rechten moeten worden betaald binnen zes maanden voorafgaand aan het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving. Binnen zes maanden na verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving kan de vernieuwing alsnog worden verzocht, indien gelijktijdig een bij uitvoeringsreglement bepaald extra recht wordt betaald. De vernieuwing gaat in op de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving.

Zes maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving herinnert het Benelux-Bureau de merkhouder schriftelijk aan de datum van dat verstrijken.

Het Benelux-Bureau zendt deze herinneringsbrieven aan het laatste aan het Bureau bekende adres van de merkhouder. Het niet-verzenden of niet-ontvangen van deze brieven geeft geen vrijheid de vernieuwing binnen de gestelde termijnen na te laten; daarop kan noch in rechte, noch ten opzichte van het Bureau beroep worden gedaan.

Het Bureau schrijft de vernieuwingen in.

Artikel 11

A. Het uitsluitend recht op een merk kan, onafhankelijk van de overdracht van de onderneming of een deel daarvan, overgaan of voorwerp van een licentie zijn voor alle of een deel van de waren, waarvoor het merk is gedeponeerd. Nietig is:

1. de overdracht onder levenden, die niet schriftelijk is vastgelegd;

2. de overdracht of andere overgang die niet op het gehele Beneluxgebied betrekking heeft.

B. Het uitsluitend recht op een merk kan door de merkhouder ingeroepen worden tegen een licentiehouder die handelt in strijd met de bepalingen van de licentie-overeenkomst inzake de duur daarvan, de door de inschrijving gedekte vorm waarin het merk mag worden gebruikt, de waren waarvoor de licentie is verleend, het grondgebied waarbinnen het merk mag worden aangebracht of de kwaliteit van de door de licentiehouder in het verkeer gebrachte waren.

C. De overdracht of andere overgang of de licentie kan niet aan derden worden tegengeworpen dan na inschrijving van het depot van een uittreksel der akte, waaruit van die overgang of die licentie blijkt, of van een daarop betrekking hebbende, door de betrokken partijen ondertekende verklaring, mits dit depot is verricht met inachtneming van de gestelde vormvereisten en tegen betaling van de rechten, bepaald bij uitvoeringsreglement. Het in de vorige volzin bepaalde is van overeenkomstige toepassing op pandrechten en beslagen.

D. De licentiehouder is bevoegd in een door de merkhouder ingestelde vordering als bedoeld in artikel 13, onder A, derde en vierde lid, tussen te komen om rechtstreeks door hem geleden schade vergoed te krijgen of zich een evenredig deel van de door de gedaagde genoten winst te doen toewijzen. Een zelfstandige vordering als bedoeld in de vorige volzin kan de licentiehouder slechts instellen, indien hij de bevoegdheid daartoe van de merkhouder heeft bedongen.

Artikel 12

A. Niemand kan, welke vordering hij ook instelt, in rechte bescherming inroepen voor een teken, dat als merk beschouwd wordt in de zin van artikel 1, tenzij hij het op regelmatige wijze heeft gedeponeerd en zo nodig de inschrijving er van heeft doen vernieuwen. De niet-ontvankelijkheid kan ambtshalve door de rechter worden uitgesproken. Zij wordt opgeheven door depot of vernieuwing tijdens het geding. In geen geval kan schadevergoeding worden toegekend voor aan het depot voorafgegane feiten.

B. De bepalingen van deze wet laten onverlet het recht van gebruikers van een teken, dat niet als merk wordt beschouwd in de zin van artikel 1, om de bepalingen van het gemene recht in te roepen voor zover dit toestaat zich te verzetten tegen onrechtmatig gebruik van dit teken.

Artikel 13

A. 1. Onverminderd de toepassing van het gemene recht betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan de merkhouder zich op grond van zijn uitsluitend recht verzetten tegen:

a. elk gebruik, dat in het economisch verkeer van het merk wordt gemaakt voor de waren waarvoor het merk is ingeschreven;

b. elk gebruik, dat in het economisch verkeer van het merk of een overeenstemmend teken wordt gemaakt voor de waren waarvoor het merk is ingeschreven of voor soortgelijke waren, indien daardoor de mogelijkheid bestaat dat bij het publiek een associatie wordt gewekt tussen het teken en het merk;

c. elk gebruik, dat zonder geldige reden in het economisch verkeer van een binnen het Beneluxgebied bekend merk of een overeenstemmend teken wordt gemaakt voor waren, die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven, indien door dat gebruik ongerechtvaardigd voordeel kan worden getrokken uit of afbreuk kan worden gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk;

d. elk gebruik dat zonder geldige reden in het economisch verkeer van een merk of een overeenstemmend teken wordt gemaakt anders dan ter onderscheiding van waren, indien door dat gebruik ongerechtvaardigd voordeel kan worden getrokken uit of afbreuk kan worden gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.
 

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder gebruik van een merk of een overeenstemmend teken met name verstaan:

a. het aanbrengen van het teken op de waren of op hun verpakking;

b. het aanbieden, in de handel brengen of daartoe in voorraad hebben van waren onder het teken;

c. het in- en uitvoeren van waren onder het teken;

d. het gebruik van het teken in stukken voor zakelijk gebruik en in de reclame.


3. Onder dezelfde voorwaarden als in het eerste lid bedoeld kan de merkhouder schadevergoeding eisen voor elke schade, die hij door het gebruik als bedoeld in het eerste lid lijdt.

4. Naast of in plaats van een vordering tot schadevergoeding, kan de merkhouder een vordering instellen tot het afdragen van ten gevolge van dit gebruik genoten winst alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording dienaangaande; indien de rechter van oordeel is dat dit gebruik niet te kwader trouw is of dat de omstandigheden van het geval tot zulk een veroordeling geen aanleiding geven, wijst hij de vordering af.

5. De merkhouder kan de vordering tot schadevergoeding of het afdragen van winst namens licentiehouder instellen, onverminderd de aan deze laatste in artikel 11, onder D, toegekende bevoegdheid.

6. Het uitsluitend recht omvat niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik in het economisch verkeer door een derde:

 
a. van diens naam en adres;

b. van aanduidingen inzake soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, geografische herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of andere kenmerken daarvan;

c. van het merk, wanneer dit nodig is om de bestemming van een waar, met name als accessoire of onderdeel, aan te geven;
één en ander voor zover er sprake is van een eerlijk gebruik in nijverheid en handel.


7. Het uitsluitend recht op een merk omvat niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik, in het economisch verkeer, van een overeenstemmend teken, dat zijn bescherming ontleent aan een ouder recht van slechts plaatselijke betekenis, indien en voorzover dat recht erkend is ingevolg de wettelijke bepalingen van één van de Beneluxlanden.

8. Het uitsluitend recht omvat niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik van het merk voor waren, die onder het merk door de houder of met diens toestemming in de Gemeenschap in het verkeer zijn gebracht, tenzij er voor de houder gegronde redenen zijn zich te verzetten tegen verdere verhandeling van de waren, met name wanneer de toestand van de waren, nadat zij in het verkeer zijn gebracht, gewijzigd of verslechterd is.

B. Met de administratieve, voor de inschrijving der merken toegepaste rangschikking in klassen wordt geen rekening gehouden bij de beoordeling van de soortgelijkheid der waren.

C. Het uitsluitend recht op een merk, luidende in één der nationale of streektalen van het Beneluxgebied, strekt zich van rechtswege uit over zijn vertaling in een andere dezer talen. De beoordeling van de overeenstemming voortvloeiende uit vertalingen in een of meer aan het genoemde gebied vreemde talen geschiedt door de rechter.

Artikel 13bis

1. De merkhouder heeft de bevoegdheid roerende zaken, waarmee een inbreuk op zijn recht wordt gemaakt of zaken die zijn gebruikt bij de produktie van die zaken, als zijn eigendom op te vorderen dan wel daarvan de vernietiging of onbruikbaarmaking te vorderen. Gelijke bevoegdheid tot opvordering bestaat ten aanzien van gelden, waarvan aannemelijk is dat zij zijn verkregen als gevolg van inbreuk op het merkrecht. De vordering wordt afgewezen, indien de inbreuk niet te kwader trouw is gemaakt.

2. De bepalingen van het nationale recht omtrent de middelen van bewaring van zijn recht en omtrent rechterlijke tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten zijn van toepassing.

3. De rechter kan gelasten dat de afgifte niet plaatsvindt dan tegen een door hem vast te stellen, door de eiser te betalen vergoeding.

4. De licentienemer heeft het recht de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden uit te oefenen, voor zover deze strekken tot bescherming van de rechten waarvan hem de uitoefening is toegestaan, indien hij daartoe toestemming van de merkhouder heeft verkregen.

5. De rechter kan, op vordering van de merkhouder, degene die inbreuk op diens recht heeft gemaakt, bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst van de zaken, waarmee die inbreuk is gepleegd, aan de merkhouder mee te delen en alle daarop betrekking hebbende gegevens aan deze te verstrekken.

Artikel 14

A. Iedere belanghebbende, met inbegrip van het Openbaar Ministerie, kan de nietigheid inroepen:
 

1. a. van het depot van een teken dat niet beantwoordt aan de in artikel 1 gegeven omschrijving van het merk, met name wanneer het ieder onderscheidend vermogen in de zin van artikel quinquies B onder 2, van het Verdrag van Parijs mist;

 
b. [vervallen;]

c. van het depot waardoor krachtens artikel 4, onder 1 en 2 van deze wet geen merkrecht wordt verkregen;


2. van het depot waardoor krachtens artikel 4, onder 3, geen merkrecht wordt verkregen, op voorwaarde dat de nietigheid wordt ingeroepen binnen een termijn van vijf jaren, te rekenen van de datum van het depot.

Wordt het geding tot nietigverklaring door het Openbaar Ministerie aanhangig gemaakt, dan zijn in de hierboven vermelde gevallen alleen de rechter te Brussel, te 's-Gravenhage en te Luxemburg bevoegd. Het aanhangig maken van het geding door het Openbaar Ministerie schorst ieder ander op dezelfde grondslag ingesteld geding.

B. Wanneer de houder van de eerdere inschrijving of de in artikel 4, onder 4, 5 en 6 bedoelde derde aan het geding deelneemt, kan iedere belanghebbende de nietigheid inroepen:

1. van het depot dat in de rangorde na het depot van een overeenstemmend merk komt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 2;

2. van het depot waardoor krachtens artikel 4, onder 4, 5 en 6, geen merkrecht wordt verkregen; de nietigheid op grond van de hiervoor onder 4 genoemde bepaling moet worden ingeroepen binnen een termijn van drie jaren, te rekenen van de datum waarop de geldigheidsduur der eerdere inschrijving verstrijkt, de nietigheid op grond van de hiervoor onder 5 en 6 genoemde bepalingen binnen een termijn van vijf jaren, te rekenen van de datum van het depot.

C.

1. Iedere belanghebbende kan het verval van het merkrecht inroepen in de gevallen vermeld in artikel 5, tweede lid. Het verval van een merkrecht op grond van artikel 5, tweede lid, onder a, kan niet meer worden ingeroepen, wanneer het merk in de periode tussen het verstrijken van de periode van vijf jaren en de instelling van de vordering tot vervallenverklaring voor het eerst of opnieuw is gebruikt. Begin van gebruik of hernieuwd gebruik binnen drie maanden voorafgaand aan de instelling van de vordering tot vervallenverklaring wordt echter niet in aanmerking genomen, indien de voorbereiding van het begin van gebruik pas wordt getroffen nadat de merkhouder er kennis van heeft genomen dat een vordering tot vervallenverklaring zou kunnen worden ingesteld.

2. De houder van het merkrecht ten aanzien waarvan het verval ingevolge het eerste lid niet meer kan worden ingeroepen, kan niet overeenkomstig het onder B bepaalde de nietigheid inroepen van een depot, dat is verricht tijdens de periode waarin het oudere merkrecht vervallen kon worden verklaard op grond van artikel 5, tweede lid, onder a, noch zich ingevolge artikel 13, onder A, eerste lid, onder a, b, c verzetten tegen gebruik van het aldus gedeponeerde merk.

D. Alleen de rechter is bevoegd uitspraak te doen in de gedingen, welke op deze wet zijn gegrond; hij spreekt ambtshalve de doorhaling uit van de inschrijving van de nietig verklaarde depots, evenals van de depots waardoor de vervallen verklaarde rechten zijn verkregen.

Artikel 14bis

1. De houder van het uitsluitend recht op een merk, die het gebruik van een later gedeponeerd merk heeft gedoogd gedurende vijf opeenvolgende jaren, kan niet meer op grond van zijn oudere recht de nietigheid van het latere depot inroepen ingevolge artikel 14, onder B, onder 1, noch zich verzetten tegen het gebruik van het later gedeponeerde merk ingevolge artikel 13, onder A, eerste lid, onder a, b, c met betrekking tot de waren waarvoor dat merk is gebruikt, tenzij het te kwader trouw gedeponeerd is.

2. Het gedogen van het gebruik van een later gedeponeerd merk als bedoeld in het eerste lid geeft de houder van het later gedeponeerde merk niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik van het eerder gedeponeerde merk.

Artikel 15

A. De houder van de inschrijving van een Benelux-depot kan te allen tijde doorhaling van zijn inschrijving verzoeken. Indien evenwel een licentie is ingeschreven, kan doorhaling van de inschrijving van het merk of van de licentie alleen worden verzocht door de houder van de inschrijving en de licentiehouder tezamen. Het in de vorige volzin bepaalde ten aanzien van de doorhaling van de inschrijving van het merk is van overeenkomstige toepassing in het geval een pandrecht of beslag is ingeschreven.

B. De doorhaling geldt voor het gehele Beneluxgebied.

C. Een tot een deel van het Beneluxgebied beperkte afstand van de uit een internationaal depot voortvloeiende bescherming geldt voor het gehele gebied, niettegenstaande enige door de houder afgelegde verklaring van het tegendeel.

Artikel 16

De nietigverklaring van een depot, de vervallenverklaring van het recht op een merk of de vrijwillige doorhaling van een inschrijving moet het teken, dat het merk vormt, in zijn geheel betreffen.

De nietig- of vervallenverklaring moet tot één of meer van de waren, waarvoor het merk is ingeschreven, worden beperkt, indien de grond voor de nietigheid of het verval slechts een deel van die waren betreft.

De vrijwillige doorhaling kan tot een of meer van de waren waarvoor het merk is ingeschreven, worden beperkt.

Artikel 17

A. Het Benelux-Bureau is, behalve met de bij de voorgaande artikelen opgedragen taak, belast met:

1. het aanbrengen van wijzigingen in de inschrijvingen, hetzij op verzoek van de houder, hetzij op grond van kennisgevingen van het Internationaal Bureau voor de bescherming van de industriële eigendom of van rechterlijke beslissingen, alsmede het zonodig daarvan verwittigen van het Internationaal Bureau;

2. het uitgeven van een maandblad in de Nederlandse en de Franse taal, waarin de inschrijvingen van de Benelux-depots worden vermeld en alle andere vermeldingen voorgeschreven bij uitvoeringsreglement;

3. het verstrekken op verzoek van iedere belanghebbende van afschriften van inschrijvingen.

B. Een uitvoeringsreglement bepaalt het bedrag van de rechten, te innen voor de onder A van dit artikel bedoelde verrichtingen, alsmede de prijzen van het maandblad en van de afschriften.

Artikel 18

Onderdanen van Beneluxlanden, alsmede onderdanen van landen welke geen deel uitmaken van de door het Verdrag van Parijs opgerichte Unie, die woonplaats hebben in het Beneluxgebied of aldaar een daadwerkelijke en wezenlijke nijverheids- of handelsonderneming hebben, kunnen ingevolge deze wet, voor dit gehele gebied, de toepassing te hunnen voordele inroepen van de bepalingen van het voornoemde Verdrag en van de Overeenkomst van Madrid.

HOOFDSTUK II. COLLECTIEVE MERKEN

Artikel 19

Als collectieve merken worden beschouwd alle tekens, die aldus bij het depot worden aangeduid en die dienen om een of meer gemeenschappelijke kenmerken te onderscheiden van waren, afkomstig van verschillende ondernemingen, die het merk onder toezicht van de houder aanbrengen.

Deze laatste mag geen gebruik maken van het merk voor waren die afkomstig zijn uit zijn eigen onderneming of uit ondernemingen, aan welker bestuur of toezicht hij onmiddellijk of middellijk deelneemt.

Eveneens worden als collectieve merken beschouwd alle tekens die aldus bij het depot worden aangeduid en die dienen in het economisch verkeer tot aanduiding van de geografische herkomst van de waren. Een zodanig merk geeft de houder niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik door een derde van die tekens in het economisch verkeer in overeenstemming met eerlijke gebruiken in handel en nijverheid; met name kan een zodanig merk niet worden ingeroepen tegen een derde die gerechtigd is de desbetreffende geografische benaming te gebruiken.

Artikel 20

Behoudens bepaling van het tegendeel zijn individuele en collectieve warenmerken aan dezelfde regelen onderworpen.

Artikel 21

Het uitsluitend recht op een collectief merk wordt slechts verkregen, indien het depot van het merk vergezeld gaat van een reglement op het gebruik en het toezicht.

Indien het evenwel gaat om een internationaal depot kan de deposant dit reglement nog deponeren gedurende een termijn van zes maanden te rekenen van de in de Overeenkomst van Madrid in artikel 3, onder (4) bedoelde kennisgeving van de internationale inschrijving.

Artikel 22

Het bij een collectief merk behorende reglement op het gebruik en het toezicht moet de gemeenschappelijke kenmerken van de waren vermelden, tot waarborg waarvan het merk bestemd is.

Het moet eveneens bepalen op welke wijze een deugdelijk en doeltreffend toezicht op deze kenmerken wordt gehouden, met de bijbehorende passende sancties.

Artikel 23

Artikel 4, onder 3 is niet van toepassing op het depot van een collectief merk, dat door de vroegere houder van de inschrijving van een overeenstemmend collectief merk of door zijn rechtverkrijgende wordt verricht.

Artikel 24

Onverminderd de toepassing van artikelen 6, 6bis en 8, mag het Benelux-Bureau het Benelux-depot van een collectief merk niet inschrijven, indien het bij dat merk behorende reglement op het gebruik en het toezicht niet volgens de in artikel 21 gestelde voorwaarden is gedeponeerd.

Artikel 25

De houders van collectieve merken zijn verplicht van iedere wijziging van het bij het merk behorende reglement op het gebruik en het toezicht aan het Benelux-Bureau kennis te geven. Deze kennisgeving wordt door het Benelux-Bureau ingeschreven.

De wijziging treedt niet in werking voor de kennisgeving bedoeld in het vorige lid.

Artikel 26

Het recht om ter bescherming van een collectief merk in rechte op te treden komt uitsluitend toe aan de houder van dat merk.

Het reglement op het gebruik en het toezicht kan evenwel aan personen, aan wie het gebruik van het merk is toegestaan, het recht toekennen tezamen met de houder een vordering in te stellen of in een door of tegen deze aangevangen geding zich te voegen of tussen te komen.

Het reglement op het gebruik en het toezicht kan eveneens bepalen, dat de houder, die alleen optreedt, het bijzonder belang van de gebruikers van het merk kan laten gelden en in zijn eis tot schadevergoeding de bijzondere schade, die een of meer van hen hebben geleden, kan opnemen.

Artikel 27

A. Onverminderd het bij artikel 14 bepaalde, kan iedere belanghebbende, met inbegrip van het Openbaar Ministerie, het verval inroepen van het recht op een collectief merk, indien de houder het merk gebruikt onder de voorwaarden bedoeld in artikel 19 tweede lid, of instemt met een gebruik in strijd met de bepalingen van het reglement op het gebruik en het toezicht, dan wel zodanig gebruik gedoogt. Wordt het geding tot vervallenverklaring aanhangig gemaakt door het Openbaar Ministerie, dan zijn alleen de rechter te Brussel, te 's-Gravenhage en te Luxemburg bevoegd. Het aanhangig maken van het geding door het Openbaar Ministerie schorst ieder ander op dezelfde grondslag ingesteld geding.

B. Het Openbaar Ministerie kan de nietigheid inroepen van het depot van een collectief merk wanneer het reglement op het gebruik en het toezicht in strijd is met de openbare orde, of wanneer het niet in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 22. Het Openbaar Ministerie kan eveneens de nietigheid inroepen van de wijzigingen van het reglement op het gebruik en het toezicht, indien deze in strijd zijn met de openbare orde of met de bepalingen van artikel 22, of indien deze tot verzwakking van de door het reglement aan het publiek gegeven waarborgen leiden. Alleen de rechter te Brussel, te 's-Gravenhage en te Luxemburg is bevoegd uitspraak te doen in deze gedingen; hij spreekt ambtshalve de doorhaling uit van de inschrijvingen van de nietigverklaarde depots of van de nietig verklaarde wijzigingen.

Artikel 28

De collectieve merken, die zijn vervallen, nietig verklaard of doorgehaald, evenals die, ten aanzien waarvan vernieuwing niet is geschied en een herstel als bedoeld in artikel 23 is uitgebleven, mogen gedurende de drie jaren die volgen op de datum van de inschrijving van het verval, de nietigverklaring, de doorhaling of het verstrijken van de geldigheidsduur der niet vernieuwde inschrijving, onder geen beding worden gebruikt, behalve door degene, die zich op een ouder recht op een individueel, overeenstemmend merk kan beroepen.

HOOFDSTUK III. OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 29

Onverminderd artikel 30 worden de in één der Beneluxlanden vóór de datum van het in werking treden dezer wet op grond van het nationaal recht verkregen en op die datum niet vervallen uitsluitende rechten op individuele en collectieve merken gehandhaafd. Vanaf de voornoemde datum is deze wet op die rechten van toepassing.

Een uitsluitend recht wordt eveneens geacht te zijn verkregen door het eerste gebruik van een teken, dat dient om de waren van een onderneming te onderscheiden en dat een merk zou hebben gevormd, indien de artikelen 1 en 2 van deze wet van toepassing zouden zijn geweest. Evenwel kan het uitsluitend recht, dat aldus geacht wordt te zijn verkregen, niet worden tegengeworpen aan hen, die van dit teken vóór het in werking treden dezer wet gebruik hebben gemaakt, tenzij het ingeroepen gebruik gevolgd is door niet-gebruik gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf jaren.

Artikel 30

Het op een merk verkregen recht eindigt, met terugwerkende kracht tot de datum van het in werking treden dezer wet, indien niet bij het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van die datum, een Benelux-depot van dat merk is verricht, met beroep op het bestaan van het verkregen recht en onder opgave, als inlichting, van de aard en het tijdstip der feiten, die het hebben doen ontstaan en, in voorkomende gevallen van de depots en inschrijvingen, die met betrekking tot dit merk zijn verricht. Dit depot treedt in de plaats van de depots van het merk in één of meer van de Beneluxlanden, onverminderd de uit die depots verkregen rechten. Indien evenwel de deposant beroep doet op een verkregen recht, terwijl hij weet of behoort te weten, dat dit recht niet bestaat, wordt het depot geacht te kwader trouw te zijn verricht.

Indien een merkrecht op de datum van het in werking treden dezer wet berust op een internationaal depot, steunend op een buiten het Beneluxgebied verrichte inschrijving van oorsprong, wordt dat recht onafhankelijk van de in het voorgaande lid gestelde vereisten gehandhaafd.

Bovendien eindigt het op een collectief merk verkregen recht, met terugwerkende kracht tot de datum van het in werking treden van deze wet, indien bij het in het eerste lid bedoelde Benelux-depot geen reglement op het gebruik en toezicht is overgelegd. De artikelen 22, 24 en 27 onder B zijn te dezen van toepassing.

Indien het recht op een collectief merk berust op een internationaal depot, steunend op een buiten het Beneluxgebied verrichte inschrijving van oorsprong, eindigt dit recht met terugwerkende kracht tot de datum van het in werking treden van deze wet, indien bij het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van die datum, de houder van het collectieve merk geen reglement op het gebruik en toezicht heeft overgelegd. De artikelen 22 en 27 onder B zijn te dezen van toepassing.

Artikel 31

In afwijking van artikel 10 heeft de eerste inschrijving van de Benelux-depots, bedoeld in artikel 30, een geldigheidsduur van één tot tien jaren. Deze verstrijkt in de maand en op de dag van het Benelux-depot, in het jaar waarvan het jaartal hetzelfde cijfer der eenheden bevat als dat van het jaar, waarin het verkregen recht, waarop beroep wordt gedaan, is ontstaan.

De eerste vernieuwing van de inschrijving van deze depots kan op het tijdstip van het depot gevraagd worden voor de duur vastgesteld in artikel 10.

Artikel 32

Een op grond van de artikelen 29 en 30 gehandhaafd uitsluitend recht op een merk breidt zich, te rekenen van de datum van het in werking treden dezer wet, over het gehele Beneluxgebied uit.

Dit recht breidt zich echter niet uit over het gebied van datgene van de Beneluxlanden:

a. waar het in strijd komt met een door een derde verkregen en op grond van de artikelen 29 en 30 gehandhaafd recht;

b. waar een nietigheidsgrond blijkt te bestaan als bedoeld in artikel 14 onder A, onder 1, a en c, en onder 2, in artikel 14 onder B, onder 2 en in artikel 27 onder B.

Wanneer twee personen houder zijn van verkregen rechten op hetzelfde merk, onderscheidenlijk in twee van de Beneluxlanden, vindt uitbreiding over het derde land plaats ten voordele van degene die vóór het in werking treden dezer wet in dat land het eerst en op normale wijze van het merk gebruik heeft gemaakt.

Indien op het tijdstip van het in werking treden dezer wet in dat land geen gebruik van het merk heeft plaatsgevonden, vindt uitbreiding plaats ten voordele van de houder van het oudste verkregen recht.

Artikel 33

Indien een merk krachtens artikel 32 aan verschillende merkhouders in twee of drie der Beneluxlanden toebehoort, kan de merkhouder in een van deze landen zich niet verzetten tegen de invoer van waren die hetzelfde merk dragen en die uit een ander Beneluxland afkomstig zijn, noch schadevergoeding eisen voor deze invoer, wanneer het merk in dat andere land door de merkhouder of met zijn goedkeuring is aangebracht, en wanneer tussen beide merkhouders ten aanzien van de exploitatie van de betrokken waren een band van economische aard bestaat.

Artikel 34

A. Het Benelux-register staat met ingang van de dag na die van het in werking treden dezer wet open voor depots. Vanaf de dag van dit in werking treden is geen enkel nationaal depot meer ontvankelijk.

B. De in artikel 30 bedoelde Benelux-depots zijn vrij van betaling van rechten en geschieden met inachtneming van de bij uitvoeringsreglement bepaalde vormvereisten. De inschrijving dezer depots vermeldt, of beroep op een verkregen recht is gedaan en wat ter zake is opgegeven.

C. De internationale depots, die op een inschrijving van oorsprong buiten het Beneluxgebied steunen en op de datum van het in werking treden dezer wet bestaan, worden ambtshalve en zonder kosten in het Benelux-register ingeschreven, tenzij de houder van die depots voor alle Beneluxlanden van de daaruit voortvloeiende bescherming afstand heeft gedaan.

Artikel 35

De in artikel 30 bedoelde Benelux-depots, ongeacht hun werkelijke datum, en de overeenkomstig artikel 34, onder C in het Benelux-register ingeschreven internationale depots, worden voor de beoordeling van hun rangorde ten opzichte van de zonder beroep op verkregen rechten verrichte Benelux-depots geacht te zijn verricht op de datum van het in werking treden dezer wet.

De beoordeling van de rangorde van de in een Beneluxland in de zin van artikel 29 verkregen rechten geschiedt in dat land met inachtneming van het vóór het in werking treden dezer wet geldende nationale recht.

HOOFDSTUK IV. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 36

Deze wet verstaat onder "Beneluxgebied" het gezamenlijke gebied van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden in Europa.

Artikel 37

A. Behoudens uitdrukkelijk afwijkende overeenkomst wordt de territoriale bevoegdheid van de rechter inzake merken bepaald door de woonplaats van de gedaagde of door de plaats, waar de in geding zijnde verbintenis is ontstaan, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De plaats waar een merk is gedeponeerd of ingeschreven kan in geen geval op zichzelf grondslag zijn voor het bepalen van de bevoegdheid. Indien de hierboven gegeven regelen niet toereikend zijn ter bepaling van de territoriale bevoegdheid, kan de eiser de zaak bij de rechter van zijn woon- of verblijfplaats of, indien hij geen woon- of verblijfplaats binnen het Beneluxgebied heeft, naar keuze bij de rechter te Brussel, te 's-Gravenhage of te Luxemburg aanhangig maken.

B. De rechters passen de onder A gegeven regelen ambtshalve toe en stellen hun bevoegdheid uitdrukkelijk vast.

C. De rechter, voor wie de hoofdvordering onder A bedoeld, aanhangig is, neemt kennis van eisen tot vrijwaring, van eisen tot voeging en tussenkomst en van incidentele eisen alsmede van eisen in reconventie, tenzij hij onbevoegd is ten aanzien van het onderwerp van het geschil.

D. De rechters van een der drie landen verwijzen op vordering van een der partijen de geschillen, waarmede men zich tot hen heeft gewend, naar die van een der twee andere landen, wanneer deze geschillen daar reeds aanhangig zijn of wanneer zij verknocht zijn aan andere, aan het oordeel van deze rechters onderworpen geschillen. De verwijzing kan slechts worden gevorderd, wanneer de zaken in eerste aanleg aanhangig zijn. Zij geschiedt naar de rechter, waarbij de zaak het eerst bij een inleidend stuk is aanhangig gemaakt, tenzij een andere rechter ter zake een eerdere uitspraak heeft gegeven, die niet louter een maatregel van orde is; in het eerste geval geschiedt de verwijzing naar die andere rechter.

Artikel 38

De bepalingen dezer wet doen geen afbreuk aan de toepassing van het Verdrag van Parijs, de Overeenkomst van Madrid en de bepalingen van Belgisch, Luxemburgs of Nederlands recht, waaruit een verbod een merk te gebruiken voortvloeit.

HOOFDSTUK V. DIENSTMERKEN

Algemeen

Artikel 39

De hoofdstukken I, II, IV, VI en VII zijn van overeenkomstige toepassing op tekens ter onderscheiding van diensten, hierna genoemd "dienstmerken", met dien verstande dat ook soortgelijkheid tussen diensten en waren kan bestaan.

Het recht van voorrang bedoeld in artikel 4 van het Verdrag van Parijs kan eveneens worden ingeroepen voor dienstmerken.

Overgangsbepalingen

Artikel 40

A. Een ieder die op de datum van het in werking treden van het Protocol, houdende wijziging van de eenvormige Beneluxwet op de warenmerken, in het Beneluxgebied gebruik maakt van een dienstmerk en binnen een termijn van een jaar, te rekenen van die datum, een Benelux-depot van dat merk verricht, wordt voor de beoordeling van de rangorde daarvan geacht dit depot op genoemde datum te hebben verricht.

B. De bepalingen van dit hoofdstuk brengen geen wijziging in de rechten die voortvloeien uit het gebruik van een dienstmerk in het Beneluxgebied op voornoemde datum.

C. De nietigheid van een onder A bedoeld depot kan niet worden ingeroepen op de enkele grond van het feit dat dit depot in rangorde na het depot van een overeenstemmend warenmerk komt.

Artikel 41

Bij het in artikel 40 bedoelde Benelux-depot, dat moet geschieden met inachtneming van de bij uitvoeringsreglement bepaalde vormvereisten en tegen betaling van de daarbij vastgestelde rechten, moet bovendien:

- een beroep op het bestaan van het verkregen recht worden gedaan;

- opgave worden gedaan van het jaar van het eerste gebruik van het dienstmerk, teneinde aan het in artikel 42 bedoelde oogmerk te voldoen.

Indien evenwel de deposant een beroep doet op een verkregen recht van het dienstmerk, terwijl hij weet of behoort te weten, dat dit recht niet bestaat, wordt het depot geacht te kwader trouw te zijn verricht.

Artikel 42

In afwijking van artikel 10 heeft de eerste inschrijving van de Benelux-depots, bedoeld in artikel 40, een geldigheidsduur van één tot tien jaren. Deze verstrijkt in de maand en op de dag van het Benelux-depot, in het jaar waarvan het jaartal hetzelfde cijfer der eenheden bevat als dat van het jaar waarin het bij depot opgegeven eerste gebruik heeft plaatsgevonden.

De eerste vernieuwing van de inschrijving van deze depots kan op het tijdstip van het depot gevraagd worden voor de in artikel 10 vastgestelde duur.

Artikel 43

Het Beneluxregister staat met ingang van de dag, volgende op die van het in werking treden van het in artikel 40 genoemde Protocol, open voor depots van dienstmerken.

De inschrijving van de in artikel 40 bedoelde Benelux-depots vermeldt dat beroep op een verkregen recht is gedaan en het jaar van het eerste gebruik van het dienstmerk.

HOOFDSTUK VI. BEPALINGEN INZAKE GEMEENSCHAPSMERKEN

Artikel 44

Artikel 3, tweede alinea, en artikel 14, onder B, onder 1, zijn van overeenkomstige toepassing in geval de inschrijving berust op een eerder depot voor een Gemeenschapsmerk.

Artikel 45

Artikel 3, tweede alinea en artikel 14, onder B, onder 1, zijn eveneens van toepassing op Gemeenschapsmerken, waarvoor overeenkomstig de verordening inzake het Gemeenschapsmerk op geldige wijze de anciënniteit voor het Beneluxgebied wordt ingeroepen, ook al is dan aan de anciënniteit ten grondslag liggende Benelux- of internationale inschrijving vrijwillig doorgehaald of de geldigheidsduur daarvan verstreken.

Artikel 46

Indien voor een Gemeenschapsmerk de anciënniteit van een ouder merkrecht wordt ingeroepen, kan de nietigheid of het verval van dat ouder echt worden ingeroepen, zelfs indien dat recht reeds is vervallen door de vrijwillige doorhaling of het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving.

Artikel 47

Het Benelux-Merkenbureau schrijft de merken in het Benelux-register in, die zijn ingeschreven overeenkomstig de Verordening inzake het Gemeenschapsmerk.

Artikel 48

De bepalingen van deze wet doen geen afbreuk aan de toepassing van de Verordening inzake het Gemeenschapsmerk.

HOOFDSTUK VII. BEPALINGEN INZAKE INTERNATIONALE DEPOTS

Artikel 49

De bepalingen van deze wet inzake internationale depots verricht ingevolge de Overeenkomst van Madrid zijn van overeenkomstige toepassing op internationale depots verricht ingevolge het Protocol van 27 juni 1989 bij de Overeenkomst van Madrid.

 


Bijgewerkt 03.07.2012