|
(Opm Art.1 : Uniforme regeling)
Artikel 1
De Hoge Verdragsluitende
Partijen nemen de eenvormige Benelux-wet op de warenmerken,
die als bijlage bij dit Verdrag is gevoegd, in hun nationale
wetgeving op, hetzij in één van de oorspronkelijke, hetzij in
beide teksten, en stellen een voor hun landen
gemeenschappelijke dienst in onder de naam
'Benelux-Merkenbureau'.
(Opm. Art. 2: Reglementen)
Artikel 2
De uitvoering van de
eenvormige wet wordt geregeld bij uitvoeringsreglementen,
vastgesteld in onderlinge overeenstemming door de Hoge
Verdragsluitende Partijen na raadpleging van de in artikel 3
bedoelde raad van bestuur van het Benelux-Merkenbureau, en bij
toepassingsreglementen vastgesteld door deze raad.
(Opm. Art. 3: Taak en
organisatie Benelux-Merkenbureau)
Artikel 3
Het Benelux-Merkenbureau is
belast met de uitvoering van de eenvormige wet en de
reglementen.
Het Bureau staat onder leiding van een raad van bestuur,
samengesteld uit door de Hoge Verdragsluitende Partijen
aangewezen leden en wel één bestuurder en één
plaatsvervangende bestuurder per land. De raad van bestuur
kiest ieder jaar zijn voorzitter.
(Opm. Art 4: Taken raad
van bestuur)
Artikel 4
De Raad van Bestuur beslist
in alle aangelegenheden betreffende de algemene werkwijze van
het Benelux-Merkenbureau.
Hij stelt het huishoudelijke en het financiële reglement van
het Bureau vast, alsmede de toepassingsreglementen.
Hij geeft advies over en doet voorstellen voor de
uitvoeringsreglementen.
Hij benoemt de directeur van het Bureau, die onderdaan van een
der Hoge Verdragsluitende Partijen moet zijn, en bepaalt zijn
taak.
Hij stelt jaarlijks de begroting van inkomsten en van uitgaven
vast, alsmede zo nodig de wijzigingen of aanvullingen daarvan,
en regelt in het financiële reglement de wijze, waarop het
toezicht op de begroting en op de uitvoering daarvan zal
worden uitgeoefend. Het keurt de door de directeur afgesloten
rekeningen goed.
De raad besluit met algemene stemmen.
(Opm. Art 5:
Financiering oprichting en buitengewone uitgaven)
Artikel 5
De kosten van oprichting van
het Benelux-Merkenbureau worden voor de helft door het
Koninkrijk der Nederlanden en voor de helft door de
Belgisch-Luxemburgse Economische Unie gedragen.
De raad van bestuur kan bij de Hoge Verdragsluitende Partijen
een bijdrage aanvragen, bestemd tot dekking van buitengewone
uitgaven; deze bijdrage wordt voor de helft door het
Koninkrijk der Nederlanden en voor de helft door de
Belgisch-Luxemburgse Economische Unie gedragen.
(Opm.: Art 6.
Financiering lopende uitgaven)
Artikel 6
De lopende uitgaven van het
Bureau worden gedekt door zijn ontvangsten, te weten:
1. De rechten, ge‹nd op grond van de eenvormige wet;
2. de inkomsten, voor de Hoge Verdragsluitende Partijen
voortvloeiend uit de toepassing van de Overeenkomst van Madrid
betreffende de
internationale inschrijving van merken, getekend op 14 april
1891;
3. de vergoedingen voor onderzoek naar eerdere inschrijvingen;
4. de opbrengst van de verkoop van publikaties en afschriften.
Zo nodig verlenen de Hoge Verdragsluitende Partijen een
bijdrage aan het Bureau; deze wordt voor de helft door het
Koninkrijk der Nederlanden en voor de helft door de
Belgisch-Luxemburgese Economische Unie gedragen.
(Opm. Art. 7 Inkomsten
nationale en internationale diensten)
Artikel 7
Over het bedrag van de
rechten, geïnd terzake van door bemiddeling van de nationale
diensten verrichte handelingen, wordt aan deze diensten een
percentage uitgekeerd, bestemd tot dekking van de kosten,
welke deze handelingen meebrengen; dit percentage wordt
vastgesteld bij uitvoeringsreglement.
Terzake van deze handelingen kunnen door de nationale
wetgevingen geen nationale rechten worden vastgesteld.
Het internationale emolument terzake van verzoeken om
internationale inschrijving van merken wordt gestort bij het
Benelux-Merkenbureau dat zorg draagt voor de
overdracht aan het Internationaal Bureau, ingesteld bij het
Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële
eigendom, getekend op 20 maart 1883.
(Opm. Art 8. Bescherming
en zetel Benelux-Merkenbureau)
Artikel 8
Het Benelux-Merkenbureau
staat onder de bescherming van de Regering van het Koninkrijk
der Nederlanden; het is gevestigd te 's-Gravenhage.
(Opm. Art. 9: Erkenning
rechterlijke beslissingen)
Artikel 9
Het gezag van rechterlijke
beslissingen die in een van de drie Staten met toepassing van
artikel 14 of 27 van de eenvormige wet worden gegeven, wordt
in de beide andere Staten erkend, en de door de rechter
uitgesproken doorhaling wordt door het Bureau onder
verantwoordelijkheid van de raad van bestuur op verzoek van de
meest gerede partij verricht, indien:
1. het van de beslissing overgelegde afschrift, naar de wetten
van het land waar deze beslissing is gegeven aan de voor de
echtheid van het afschrift nodige
voorwaarden voldoet;
2. de beslissing niet meer vatbaar is voor verzet, noch voor
beroep, noch voor voorziening in cassatie.
(Opm. Art.10: Benelux
Gerechtshof)
Artikel 10
Zodra een Benelux-Gerechtshof
is ingesteld, neemt het kennis van de vragen van uitlegging
van de eenvormige wet.
(Opm. Art. 11:
Werkingsgebied BMV)
Artikel 11
De toepassing van dit verdrag
is beperkt tot het grondgebied der Hoge Verdragsluitende
Partijen in Europa.
(Opm. Art. 12:
Bekrachtiging)
Artikel 12.
Dit Verdrag zal worden
bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden
nedergelegd bij de Regering van het Koninkrijk België.
(Opm. Art 13:
Inwerkingtreding)
Artikel 13.
Dit Verdrag treedt in werking
op de eerste dag volgende op de nederlegging van de derde akte
van bekrachtiging. De eenvormige wet treedt in werking
achttien maanden na de inwerkingstreding van dit Verdrag.
(Opm. Art 14: Duur,
herziening en opzegging)
Artikel 14
Dit Verdrag wordt gesloten
voor een tijdvak van vijftig jaren. Het blijft vervolgens voor
achtereenvolgende tijdvakken van tien jaren van kracht, tenzij
één der Hoge Verdragsluitend Partijen één jaar voor de afloop
van het lopende tijdvak de andere Verdragsluitende Partijen in
kennis stelt van haar voornemen dit Verdrag te beëindigen.
Eventuele herzieningsvoorstellen, die worden gedaan na het
verstrijken van een termijn van tien jaren na de
inwerkingtreding van dit verdrag en die niet de instemming van
al de Hoge Verdragsluitende Partijen hebben verkregen, dienen
aan de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad te worden
voorgelegd.
Het recht tot opzegging van dit Verdrag wordt toegekend aan
diegene van de Hoge Verdragsluitende Partijen, over welker
herzieningsvoorstellen de Raadgevende Interparlementaire
Beneluxraad een gunstig advies heeft uitgebracht, dat niet de
instemming van de twee andere Verdragsluitende Partijen of van
één daarvan heeft verkregen. Van dit recht moet binnen
redelijke termijn gebruik worden gemaakt.
De opzegging heeft geen gevolg, voordat na de kennisgeving
daarvan aan de twee andere Verdragsluitende Partijen vijf
jaren zijn verstreken. |