Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete
van de tweede categorie wordt gestraft:
1. hij die zich in het
openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door
smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens
krenkende wijze uitlaat;
2. hij die een bedienaar van
de godsdienst in de geoorloofde waarneming van zijn bediening
bespot;
3. hij die voorwerpen aan een
eredienst gewijd, waar en wanneer de uitoefening van die
dienst geoorloofd is, beschimpt.
Artikel 147a
1. Hij die een geschrift of
afbeelding waarin uitlatingen voorkomen die, als smalende
godslasteringen, voor godsdienstige gevoelens krenkend zijn,
verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om
verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden,
in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden
heeft om te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding
zodanige uitlatingen voorkomen, gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede
categorie.
2. Met dezelfde straf wordt
gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden
tot vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk
ten gehore brengt.
3. Indien de schuldige een
van de misdrijven omschreven in dit artikel in zijn beroep
begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen
twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van
de schuldige wegens een van deze misdrijven onherroepelijk is
geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden
ontzet. |