|
HET EUROPEES PARLEMENT
EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag
tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op
artikel 95,
Gezien het voorstel van
de Commissie,[1]
Gezien het advies van
het Economisch en Sociaal Comité,[2]
Handelend volgens de
procedure van artikel 251 van het Verdrag,[3]
Overwegende hetgeen
volgt:
(1) Op het gebied van
het auteursrecht is het volgrecht het niet voor afstand
vatbare, onvervreemdbare recht van de auteur van een
oorspronkelijk werk van grafische of beeldende kunst om
te delen in de opbrengst, telkens wanneer dat werk wordt
verkocht.
(2) Het volgrecht is
een genotsrecht, op grond waarvan de kunstenaar die de
auteur van het werk is, een vergoeding ontvangt, telkens
wanneer dat werk wordt verkocht. Het volgrecht rust op
het werk in materiële zin, d.w.z. op de drager waarin
het werk belichaamd is.
(3) Met het volgrecht
wordt beoogd te waarborgen dat de auteurs van werken van
grafische of beeldende kunst in economisch opzicht in
het succes van hun werken delen. Dit recht strekt ertoe
tussen de economische situatie van de auteurs van werken
van grafische of beeldende kunst en die van de andere
scheppende kunstenaars, die wel van verdere exploitatie
van hun werken profijt trekken, een evenwicht tot stand
te brengen.
(4) Het volgrecht maakt
een integrerend bestanddeel van het auteursrecht uit en
vormt voor de auteurs een wezenlijk prerogatief.
Invoering van een dergelijk recht in alle lidstaten
beantwoordt aan de noodzaak om de scheppende kunstenaars
een passend en uniform beschermingsniveau te waarborgen.
(5) De Gemeenschap moet
krachtens artikel 151, lid 4, van het Verdrag bij haar
optreden uit hoofde van andere bepalingen van het
Verdrag rekening houden met de culturele aspecten.
(6) In de Berner
Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde
en kunst is bepaald dat op het volgrecht slechts
aanspraak kan worden gemaakt indien de nationale
wetgeving van de auteur hierin voorziet. Het volgrecht
is bijgevolg facultatief en aan de wederkerigheidsregel
onderworpen. Volgens de rechtspraak van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen ter zake van de
toepassing van het in artikel 12 van het Verdrag
vervatte non-discriminatiebeginsel, zoals omschreven in
het arrest van 20 oktober 1993 in de gevoegde zaken
C?92/92 en C?326/92 (Phil Collins e.a.),[1]
kunnen wederkerigheidsbedingen in nationale bepalingen
niet worden aangevoerd om onderdanen van andere
lidstaten rechten te ontzeggen die aan de eigen
onderdanen wel worden toegekend. De toepassing van
dergelijke bepalingen binnen de Gemeenschap is strijdig
met het beginsel van gelijke behandeling dat uit het
verbod van elke discriminatie op grond van nationaliteit
voortvloeit.
(7) Gezien de
internationalisering van de markt voor moderne en
eigentijdse kunst van de Gemeenschap, die zich thans in
versneld tempo voltrekt als gevolg van de nieuwe
economie, in een regelgevend kader waar weinig landen
buiten de Europese Unie het volgrecht erkennen, is het
voor de Europese Gemeenschap van essentieel belang
externe onderhandelingen in te leiden om artikel 14 ter
van de Berner Conventie verplicht te maken.
(8) Gezien dezelfde
realiteit van de internationale markt, in combinatie met
het feit dat het volgrecht in verscheidene lidstaten
niet bestaat en dat de nationale regelingen die het wel
erkennen, onderling verschillen, is het van essentieel
belang dat zowel voor het van kracht worden als voor de
eigenlijke inhoudelijke vastlegging van het recht
overgangsbepalingen worden ingevoerd die het
concurrentievermogen van de Europese markt beschermen.
(9) In de nationale
wetgeving van het merendeel der lidstaten is thans in
het volgrecht voorzien. Zulk een wetgeving, waar deze
bestaat, vertoont bepaalde verschillende kenmerken, met
name ten aanzien van de betrokken werken, de
rechthebbenden, de tarieven, de verrichtingen waarop het
recht van toepassing is, alsmede ten aanzien van de
berekeningsgrondslag ervan. Het al dan niet toepassen
van het recht beïnvloedt in aanzienlijke mate de
concurrentievoorwaarden op de interne markt, omdat het
al dan niet bestaan van een uit het volgrecht
voortvloeiende betalingsverplichting een factor is
waarmee eenieder die een kunstwerk wenst te verkopen,
noodzakelijkerwijs rekening houdt. Dit recht vormt
overigens een van de factoren die bijdragen tot het
ontstaan van concurrentievervalsingen en tot het naar
elders binnen de Gemeenschap verplaatsen van
verkopingen.
(10) Dergelijke
verschillen met betrekking tot het bestaan en de
toepassing van het volgrecht in de lidstaten hebben een
rechtstreekse nadelige invloed op de goede werking van
de interne markt van kunstwerken, bedoeld in artikel 14
van het Verdrag. In die omstandigheden is artikel 95 van
het Verdrag de juiste rechtsgrondslag.
(11) De in het Verdrag
vervatte doelstellingen van de Gemeenschap behelzen het
tot stand brengen van een steeds nauwere band tussen de
volkeren van Europa, nauwere betrekkingen tussen de
Staten die van de Gemeenschap deel uitmaken, alsook het
waarborgen van hun economische en sociale vooruitgang
door middel van een gemeenschappelijk optreden dat erop
gericht is de barrières die Europa verdelen, te
verwijderen. Met het oog hierop moet volgens het Verdrag
een interne markt worden ingesteld, hetgeen inhoudt dat
de belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en
diensten en voor vrije vestiging worden weggenomen en
een stelsel wordt ingevoerd waardoor wordt gewaarborgd
dat de concurrentie binnen de gemeenschappelijke markt
niet wordt vervalst. Harmonisatie van de wetgeving van
de lidstaten inzake het volgrecht draagt bij tot de
verwezenlijking van deze doelstellingen.
(12) Bij de zesde
richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977
betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der
lidstaten inzake omzetbelasting ? gemeenschappelijk
stelsel van belasting over de toegevoegde waarde:
uniforme grondslag,[1]
is geleidelijk een communautaire belastingregeling
ingevoerd die onder andere op kunstvoorwerpen van
toepassing is. Tot het fiscale terrein beperkte
maatregelen volstaan niet om een harmonieuze werking van
de kunstmarkt te waarborgen. Dit kan slechts worden
bereikt voorzover met betrekking tot het volgrecht een
harmonisatie wordt verwezenlijkt.
(13) De bestaande
verschillen in de wetgeving die de werking van de
interne markt verstoren, dienen te worden weggenomen, en
belet moet worden dat er nieuwe verschillen ontstaan.
Verschillen die de werking van de interne markt niet
schaden, behoeven niet te worden weggenomen en het
ontstaan ervan behoeft ook niet te worden belet.
(14) Billijke
concurrentievoorwaarden zijn essentieel voor de goede
werking van de interne markt. Door verschillen tussen de
nationale wetgevingen inzake het volgrecht ontstaan
concurrentieverstoringen en worden verkopingen naar
elders binnen de Gemeenschap verplaatst, hetgeen leidt
tot een ongelijke behandeling van kunstenaars,
afhankelijk van de plaats waar hun werken worden
verkocht. Dit vraagstuk behelst derhalve transnationale
aspecten die niet voldoende geregeld kunnen worden door
de lidstaten. Het uitblijven van maatregelen van de
Gemeenschap zou strijdig zijn met de vereiste van het
Verdrag dat concurrentieverstoringen en ongelijke
behandeling gecorrigeerd moeten worden.
(15) Bijgevolg is het,
mede gezien de grote verschillen tussen de nationale
wetgevingen, noodzakelijk harmonisatiemaatregelen te
treffen om de verschillen tussen de wetgevingen van de
lidstaten weg te nemen waar deze mogelijkerwijs
concurrentieverstoringen veroorzaken of in stand houden.
Het is evenwel niet nodig alle bepalingen van de
wetgevingen van de lidstaten inzake het volgrecht te
harmoniseren en er kan worden volstaan met de
harmonisatie van die nationale bepalingen die voor de
werking van de interne markt het meest rechtstreeks
gevolgen hebben, zulks teneinde zoveel mogelijk ruimte
te laten voor nationaal beleid.
(16) Deze richtlijn
voldoet als geheel aan het subsidiariteits- en het
evenredigheidsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag.
(17) De
beschermingstermijn van het auteursrecht strekt zich
overeenkomstig Richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29
oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de
beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde
naburige rechten [1]
uit tot 70 jaar na het overlijden van de auteur. Voor
het volgrecht dient in dezelfde termijn te worden
voorzien. Bijgevolg kunnen alleen oorspronkelijke werken
van hedendaagse of van moderne kunst onder het volgrecht
vallen. Om evenwel de lidstaten die op het moment dat
deze richtlijn wordt aangenomen geen volgrecht
toepassen, in de gelegenheid te stellen dit recht in hun
rechtsstelsel op te nemen en bovendien de
marktdeelnemers in die lidstaten de mogelijkheid te
geven zich geleidelijk aan dit recht aan te passen
zonder hun economische positie aan te tasten, dient de
betrokken lidstaten een beperkte overgangsperiode te
worden toegestaan waarin zij kunnen kiezen het volgrecht
niet toe te passen ten behoeve van de rechtsopvolgers
van de kunstenaar na diens overlijden.
(18) Het volgrecht moet
gelden bij iedere doorverkoop, met uitzondering van een
rechtstreekse verkoop tussen als particulier handelende
personen, zonder tussenkomst van de professionele
kunsthandel. Dit recht is derhalve niet van toepassing
op doorverkoop aan musea door personen die als
particulier handelen, indien deze musea geen
winstoogmerk hebben en openstaan voor het publiek. De
lidstaten moeten, in verband met de bijzondere situatie
van kunstgaleries die werken rechtstreeks van de
kunstenaar verkrijgen, de mogelijkheid hebben
transacties waarbij de verkoper het kunstwerk minder dan
drie jaar voor de doorverkoop heeft verkregen van de
kunstenaar zelf, van het volgrecht vrij te stellen.
Tevens moet rekening gehouden worden met de belangen van
de kunstenaar, door deze uitzondering te beperken tot
doorverkooptransacties waarvan de prijs maximaal EUR
10.000 bedraagt.
(19) Het is nuttig te
verduidelijken dat harmonisatie ingevolge deze richtlijn
niet van toepassing is op oorspronkelijke handschriften
van schrijvers en componisten.
(20) Er moet in een
doeltreffende regeling worden voorzien, waarbij rekening
wordt gehouden met de ervaringen die inzake het
volgrecht reeds op nationaal niveau zijn opgedaan. Het
recht dient te worden berekend als een percentage van de
verkoopprijs, en niet als een percentage van de
meerwaarde van werken waarvan de oorspronkelijke waarde
is toegenomen.
(21) De categorieën
kunstwerken waarvoor het volgrecht geldt moeten
geharmoniseerd worden.
(22) Door het volgrecht
niet toe te passen beneden een minimumdrempel worden
heffings- en beheerskosten die onevenredig zijn met de
opbrengst voor de kunstenaar, vermeden. Ingevolge het
subsidiariteitsbeginsel moet de lidstaten evenwel de
mogelijkheid worden gelaten om in het belang van
beginnende kunstenaars nationale drempels vast te
stellen die lager zijn dan de communautaire drempel.
Aangezien het om lage bedragen gaat, zal deze afwijking
waarschijnlijk geen noemenswaardige invloed hebben op de
goede werking van de interne markt.
(23) De thans in de
verschillende lidstaten geldende tarieven met betrekking
tot het volgrecht vertonen aanzienlijke verschillen.
Doelmatige werking van de interne markt van hedendaagse
en van moderne kunstwerken vergt voor dat aspect een zo
ruim mogelijke uniforme benadering.
(24) Om de
verschillende belangen op de markt van oorspronkelijke
kunstwerken met elkaar te verzoenen, is het wenselijk in
een stelsel van degressieve tarieven naar prijstranche
te voorzien. De risico's van verlegging van de verkoop
en ontduiking van de communautaire regelgeving met
betrekking tot het volgrecht dienen te worden
verminderd.
(25) Het uit hoofde van
het volgrecht verschuldigde bedrag dient in principe
door de verkoper te worden betaald. De lidstaten moet de
mogelijkheid worden geboden af te wijken van dit
principe ten aanzien van aansprakelijkheid voor het
betalen. De verkoper is de persoon of onderneming namens
wie of welke de koop wordt gesloten.
(26) Het is wenselijk
in de mogelijkheid van een periodieke bijstelling van de
drempel en van de tarieven te voorzien. Daartoe dient de
Commissie ermee te worden belast periodiek te
rapporteren over de daadwerkelijke toepassing van het
volgrecht in de lidstaten en de gevolgen hiervan voor de
kunstmarkt in de Gemeenschap, en in voorkomend geval
voorstellen te doen tot wijziging van deze richtlijn.
(27) Er moet worden
vastgesteld wie het volgrecht genieten, zonder daarbij
aan het subsidiariteitsbeginsel afbreuk te doen. Het is
derhalve niet dienstig door middel van deze richtlijn in
het erfrecht van de lidstaten in te grijpen. Wel moeten,
ten minste na het verstrijken van de hierboven bedoelde
overgangsperiode, de rechtsopvolgers van de auteur na
diens overlijden het volgrecht ten volle kunnen
genieten.
(28) Het is de taak van
de lidstaten de uitoefening van het volgrecht te
regelen, met name wat betreft de wijze van beheer. In
dit verband is het beheer door een maatschappij voor
collectief auteursrechtenbeheer slechts één van de
mogelijkheden. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat
maatschappijen voor collectief auteursrechtenbeheer
transparant en efficiënt functioneren. De lidstaten
hebben evenwel de plicht zorg te dragen voor de inning
en de verdeling van die bedragen ten behoeve van de
auteurs die onderdaan van een andere lidstaat zijn. Deze
richtlijn laat regelingen van de lidstaten voor de
inning en distributie onverlet.
(29) Het volgrecht van
de kunstenaar moet worden beperkt tot auteurs die
onderdaan zijn van een lidstaat, alsook tot auteurs die
onderdaan zijn van een derde land dat een dergelijke
bescherming toekent aan auteurs die onderdaan zijn van
een lidstaat. Een lidstaat moet de mogelijkheid hebben
het gebruik van dit recht uit te breiden tot auteurs van
een derde land die hun gewone verblijfplaats hebben in
die lidstaat.
(30) Er moeten adequate
procedures komen teneinde langs praktische weg controle
op de betrokken transactie uit te oefenen, om de
daadwerkelijke toepassing van het volgrecht door de
lidstaten te waarborgen. Dit houdt voor de auteur of
voor diens gemachtigde tevens een recht in om bij de
opdrachtplichtige natuurlijke of rechtspersoon van het
volgrecht alle nodige inlichtingen in te winnen. De
lidstaten die bepalen dat het volgrecht collectief wordt
beheerd, kunnen tevens bepalen dat alleen de voor het
collectieve beheer verantwoordelijke instanties
gerechtigd zijn tot het verkrijgen van informatie,
HEBBEN DE VOLGENDE
RICHTLIJN VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Toepassingsgebied
Artikel 1
Voorwerp van het
volgrecht
1. De lidstaten stellen
ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk
kunstwerk een volgrecht in, dat wordt omschreven als een
onvervreemdbaar recht waarvan geen afstand kan worden
gedaan, zelfs niet op voorhand, om telkens wanneer het
kunstwerk na de eerste overdracht door de auteur wordt
doorverkocht, een op de doorverkoopprijs berekend recht
te ontvangen.
2. Het in lid 1
bedoelde recht is van toepassing op alle
doorverkooptransacties waarbij actoren uit de
professionele kunsthandel, zoals veilinghuizen,
kunstgaleries of andere kunsthandelaren, betrokken zijn
als verkoper, koper, of tussenpersoon.
3. De lidstaten mogen
bepalen dat het in lid 1 bedoelde recht niet van
toepassing is op transacties waarbij de verkoper het
werk minder dan drie jaar voor de doorverkoop heeft
verkregen van de kunstenaar zelf en de doorverkoopprijs
maximaal EUR 10.000 bedraagt.
4. Het recht komt ten
laste van de verkoper. De lidstaten kunnen bepalen dat
een van de in lid 2 bedoelde natuurlijke of
rechtspersonen, maar niet de verkoper, alleen dan wel
samen met de verkoper aansprakelijk is voor het betalen
van het recht.
Artikel 2
Kunstwerken waarbij het
volgrecht speelt
1. In deze richtlijn
wordt onder "oorspronkelijk kunstwerk"
verstaan werken van grafische of beeldende kunst, zoals
afbeeldingen, collages, schilderingen, tekeningen,
gravures, prenten, lithografieën, beeldhouwwerk,
tapisserieën, keramische werken, glaswerk en foto's,
voorzover dit scheppingen zijn van de kunstenaar zelf,
of voorzover het exemplaren betreft die als
oorspronkelijke kunstwerken worden beschouwd.
2. Kopieën van
kunstwerken die onder deze richtlijn vallen en die door
de kunstenaar zelf of in zijn opdracht in beperkte
oplage zijn vervaardigd, worden in deze richtlijn als
oorspronkelijke kunstwerken beschouwd. Dergelijke
kopieën zijn in de regel genummerd, gesigneerd of door
de kunstenaar op andere wijze als authentiek gemerkt.
HOOFDSTUK II
Bijzondere bepalingen
Artikel 3
Toepassingsdrempel
1. De lidstaten zijn
bevoegd een minimumverkoopprijs vast te stellen,
waarboven de in artikel 1 bedoelde verkopen aan het
volgrecht onderworpen zijn.
2. Deze
minimumverkoopprijs mag in geen geval hoger liggen dan
EUR 3000.
Artikel 4
Tarieven
1. Het in artikel 1
bedoelde recht wordt vastgesteld op:
a) 4% van het deel
van de verkoopprijs tot en met EUR 50.000;
b) 3% van het deel
van de verkoopprijs van EUR 50.000,01 tot en met EUR
200.000;
c) 1% van het deel
van de verkoopprijs van EUR 200.000,01 tot en met EUR
350.000;
d) 0,5% van het deel
van de verkoopprijs van EUR 350.000,01 tot en met EUR
500.000;
e) 0,25% van het deel
van de verkoopprijs boven EUR 500.000.
Het totale bedrag van
het recht mag evenwel niet hoger liggen dan EUR 12.500.
2. In afwijking van lid
1 kunnen de lidstaten een tarief van 5% toepassen op het
in lid 1, onder a), bedoelde deel van de verkoopprijs.
3. Stelt een lidstaat
de minimumverkoopprijs vast onder EUR 3000, dan stelt
hij tevens het tarief vast voor het deel van de
verkoopprijs tot EUR 3000; dit tarief bedraagt ten
minste 4%.
Artikel 5
Berekeningsgrondslag
De in de artikelen 3 en
4 bedoelde verkoopprijzen zijn exclusief belasting.
Artikel 6
Rechthebbenden
1. Het in artikel 1
bedoelde recht is verschuldigd aan de auteur van het
werk en, behoudens artikel 8, lid 2, na diens overlijden
aan zijn rechtsopvolgers.
2. De lidstaten kunnen
bepalen dat het beheer van het in artikel 1 bedoelde
recht verplicht of vrijwillig collectief gebeurt.
Artikel 7
Rechthebbenden uit
derde landen
1. De lidstaten bepalen
dat auteurs die onderdaan van een derde land zijn
alsmede, behoudens artikel 8, lid 2, hun rechtsopvolgers
het volgrecht van de kunstenaar overeenkomstig deze
richtlijn en de wetgeving van de betrokken lidstaat
alleen dan genieten, wanneer de wetgeving in het land
waarvan de auteur of zijn rechtsopvolger onderdaan is,
de bescherming in dat land van het volgrecht van auteurs
uit de lidstaten en hun rechtsopvolgers mogelijk maakt.
2. Op basis van de door
de lidstaten verstrekte informatie publiceert de
Commissie zo spoedig mogelijk een indicatieve lijst van
derde landen die voldoen aan de in lid 1 genoemde
voorwaarde. Deze lijst wordt voortdurend bijgewerkt.
3. De lidstaten mogen
auteurs die geen onderdaan zijn van een lidstaat maar
wel in die lidstaat hun gewone verblijfplaats hebben,
ten behoeve van de bescherming van het volgrecht op
dezelfde wijze behandelen als hun eigen onderdanen.
Artikel 8
Beschermingsduur van
het volgrecht
1. De duur van de
bescherming van het volgrecht komt overeen met die van
artikel 1 van Richtlijn 93/98/EEG.
2. In afwijking van lid
1 zijn de lidstaten die het volgrecht op [de in artikel
13 genoemde datum van inwerkingtreding] niet toepassen
tot uiterlijk 1 januari 2010 niet verplicht het
volgrecht toe te passen ten behoeve van rechtsopvolgers
van een kunstenaar na diens overlijden.
3. Een lidstaat waarop
lid 2 van toepassing is heeft de beschikking over een
aanvullende termijn van ten hoogste twee jaar, indien
dat nodig is om economische actoren in die lidstaat in
staat te stellen zich geleidelijk aan te passen aan het
volgrechtstelsel en tegelijkertijd hun economische
levensvatbaarheid in stand te houden, voordat hij
verplicht is het volgrecht toe te passen ten behoeve van
rechtsopvolgers van een kunstenaar na diens overlijden.
Tenminste 12 maanden voor het eind van de in lid 2
genoemde periode, deelt de lidstaat de Commissie onder
opgave van redenen mede dat hij van die termijn gebruik
wil maken zodat de Commissie na passend overleg binnen
drie maanden na ontvangst van die mededeling advies kan
uitbrengen. Indien de lidstaat het advies van de
Commissie niet volgt, stelt hij de Commissie daarvan
onder opgave van redenen in kennis. De kennisgeving en
de motivering van de lidstaat en het advies van de
Commissie worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van
de Europese Gemeenschappen en aan het Europees Parlement
toegezonden.
4. Indien binnen de in
artikel 8, leden 2 en 3, genoemde termijnen
internationale onderhandelingen over de internationale
uitbreiding van het volgrecht met succes worden
bekroond, dient de Commissie passende voorstellen in.
Artikel 9
Het recht om
inlichtingen in te winnen
De lidstaten bepalen
dat de in artikel 6 bedoelde rechthebbenden gedurende
een periode van drie jaar na de doorverkoop, van een in
artikel 1, lid 2, genoemde actor uit de professionele
kunsthandel alle inlichtingen kunnen verlangen die
noodzakelijk zijn om de betaling van het recht in
verband met de doorverkoop veilig te stellen.
HOOFDSTUK III
Slotbepalingen
Artikel 10
Toepassing in de tijd
Deze richtlijn is van
toepassing ten aanzien van alle oorspronkelijke
kunstwerken in de zin van artikel 2, die op 1 janauri
2006 nog beschermd zijn krachtens de wetgeving van de
lidstaten op het gebied van auteursrecht of op die datum
voldoen aan de criteria voor bescherming krachtens deze
richtlijn.
Artikel 11
Herzieningsbepaling
1. De Commissie legt
het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en
Sociaal Comité uiterlijk 1 januari 2009 en vervolgens
om de vier jaar een verslag voor over de toepassing en
de gevolgen van deze richtlijn, waarin zij in het
bijzonder aandacht schenkt aan de concurrentiepositie
van de markt van moderne en hedendaagse kunst in de
Gemeenschap, met name uit het oogpunt van de positie van
de Gemeenschap ten opzichte van betrokken markten die
geen volgrecht toepassen en het stimuleren van het maken
van kunst en het ondersteunen van de lidstaten bij hun
kunstbeleid. Zij onderzoekt met name de gevolgen van de
richtlijn voor de interne markt en de effecten van de
invoering van het volgrecht in de lidstaten waar dit
recht voor de inwerkingtreding van deze richtlijn niet
werd toegepast. De Commissie doet in voorkomend geval
voorstellen om de minimumdrempel en de tarieven van het
recht aan te passen om rekening te houden met de
ontwikkelingen in de sector, alsmede voorstellen in
verband met het in artikel 4, lid 1, bepaalde
maximumbedrag die zij noodzakelijk mocht achten om de
doeltreffendheid van de richtlijn te verbeteren.
2. Bij deze richtlijn
wordt een contactcomité opgericht, bestaande uit
vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de
lidstaten en voorgezeten door een vertegenwoordiger van
de Commissie. Het comité komt bijeen op initiatief van
de voorzitter of op verzoek van de vertegenwoordiging
van een lidstaat.
3. Het comité heeft
tot taak:
- overleg te
organiseren over alle vraagstukken die rijzen als
gevolg van de toepassing van de richtlijn;
- de uitwisseling van
gegevens tussen de Commissie en de lidstaten over
relevante ontwikkelingen op de kunstmarkt in de
Gemeenschap te vergemakkelijken.
Artikel 12
Uitvoering
1. De lidstaten doen de
nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in
werking treden om vóór 1 januari 2006 aan deze
richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan
onverwijld in kennis.
Wanneer de lidstaten
deze bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of
bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze
richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing
worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen
de Commissie de tekst van de bepalingen van nationaal
recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallend
gebied vaststellen.
Artikel 13
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt
in werking op de dag van haar bekendmaking in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 14
Adressaten
Deze richtlijn is
gericht tot de lidstaten.
|