|
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte,
geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de
vrijheid om van godsdienst of overtuiging te
veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij
met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn
godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te
brengen in erediensten, in onderricht, in practische
toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en
voorschriften.
2.
De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging
tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen
worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien
en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in
het belang van de openbare veiligheid, voor de
bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede
zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden
van anderen.
|