|
1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken,
geweten en godsdienst. Dit recht omvat mede de vrijheid
een zelf gekozen godsdienst of levensovertuiging te
hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij
alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in
zijn particuliere leven zijn godsdienst of
levensovertuiging tot uiting te brengen door de
eredienst, het onderhouden van de geboden en
voorschriften, door praktische toepassing en het
onderwijzen ervan.
2.
Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een
belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door
hemzelf gekozen godsdienst of levensovertuiging te
hebben of te aanvaarden.
3.
De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of
levensovertuiging tot uiting te brengen kan slechts in
die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de
wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare
veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden
of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.
4.
De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich
de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige
voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun
kinderen overeenkomstig hun eigen levensovertuiging te
verzekeren. |