|
(Mrs. Davids, Koster, De Savornin Lohman, Numann, van Schendel; A-G Jörg;
m.nt. PMe)
JOL 2003,
30
Sv art. 430 (oud);
Sr art. 137c
[Essentie] Zuivere
vrijspraak belediging. De voor homoseksuelen grievende uitlatingen van een
dominee stonden in direct verband met zijn geloofsovertuiging en waren voor
hem van belang voor een maatschappelijk debat, waardoor zijn uitlatingen
niet onnodig grievend zijn.
[Tekst] Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem
van 26 juni 2001, nummer 21/000117-00, in de strafzaak tegen E.S. H.
Hof:
Uitspraak
Het Hof heeft in
hoger beroep bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank
te Almelo van 22 november 1999, waarbij de Officier van Justitie ontvankelijk
is verklaard in zijn recht tot strafvervolging en de verdachte is vrijgesproken
van het hem bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.
Cassatiemiddel:
Schending van het
recht, in het bijzonder van artikel 137c wetboek van strafrecht, en/of verzuim
van vormen, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt, doordat het hof het
vrijsprekende vonnis heeft bevestigd en daarmee niet heeft beraadslaagd en
beslist op grondslag van de tenlastelegging en van iets anders heeft vrijgesproken
dan is ten laste gelegd, aangezien het hof - door de bevestiging met verbetering
van gronden - met name de woorden
opzettelijk beledigend
en/of vieze en vuile
zonden onjuist heeft
uitgelegd.
Het hof is van oordeel dat de uitlating op zichzelf, los van de context,
voor homoseksuelen een beledigend karakter heeft en als een beledigende uitlating
wegens homoseksuele gerichtheid is aan te merken.
Het hof redeneert voorts dat deze homoseksuelen op zichzelf beschouwd kwetsende
en grievende uitlating haar beledigend karakter kan verliezen, indien die
uitlating dient ter aanduiding van de in de geloofsopvatting van de verdachte
verankerde opvatting dat homofilie als een zonde moet worden aangemerkt.
Vervolgens redeneert het hof dat de gewraakte uitlating inderdaad zijn beledigend
karakter verliest onder de omstandigheden waaronder deze is gedaan en dat
het bestempelen van homofilie als vieze en vuile zonde daaraan niet afdoet.
Daarmee heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten.
Ter toelichting moge
het volgende dienen.
1. Homoseksuele gerichtheid
Het is nadrukkelijk
de bedoeling van de wetgever geweest om belediging van een groep mensen wegens
hun homoseksuele gerichtheid strafbaar te stellen. De regering heeft destijds
gekozen voor de term gerichtheid boven geaardheid "omdat hierdoor beter
tot uitdrukking wordt gebracht dat het er niet alleen om gaat discriminatie
wegens de aangeboren gerichtheid (de verklaring van Van Dale voor "geaardheid")
tegen te gaan, doch ook om bescherming te bieden tegen discriminatie wegens
het gedrag waardoor de gerichtheid zich openbaart." (
TK , 1987-1988, 20
239, B p. 2) Bij gerichtheid gaat het om "vormen van seksueel gedrag
die voortvloeien uit de geaardheid." (
TK 1988-189, 20 239,
nr. 5 p. 14)
Belediging van een
groep mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid?
Is er sprake van
belediging in de zin van artikel 137c Sr, belediging van een groep mensen
wegens hun homoseksuele gerichtheid? De vraag dient te worden beantwoord
of de aard van de uitlatingen, de eventuele onderlinge samenhang en de context
waarin de uitlatingen zijn gedaan, beledigend is voor een groep mensen wegens
hun homoseksuele gerichtheid. Of een uitlating beledigend is voor een groep
mensen is afhankelijk van de aard van die uitlating en niet mede van de bedoelingen
van degene die de uitlatingen openbaar maakt. 1
In de Memorie van Antwoord geeft de regering een definitie van het beledigingbegrip
van art. 137c Sr: "strafbaar is enkel het aantasten van de eigenwaarde
of het in diskrediet brengen van een groep, omdat die van een bepaald ras
is". 2
Uit latere jurisprudentie blijkt dat deze zelfde definitie wordt gebruikt
als het gaat over homoseksuele gerichtheid.
De regering merkte destijds bij de wijziging van artikel 137c Sr in het
algemeen op dat deze bepaling terughoudend dient te worden toegepast. 3
"Kritiek op opvattingen en gedragingen, zelfs al zou die kritiek beledigend
of kwetsend zijn, valt niet odner art. 137c Sr". 4
Strafbaar zou slechts zijn die kritische uitlating, waarin "tevens
conclusies ten aanzien van die mensen worden getrokken". 5
2. Aard van de uitlatingen
De vraag is of het
in casu gaat om het "aantasten van de eigenwaarde" of het "in
diskrediet brengen van een groep mensen" wegens hun homoseksuele gerichtheid.
In de uitlatingen wordt homofilie bestempeld als "vieze en vuile zonden".
Daarnaast wordt homofilie op een lijn geplaatst met pedofilie en polygamie,
twee vormen van seksuele gedragingen die door het wetboek van strafrecht
worden verboden.
De toevoeging "vieze en vuile" aan het woord zonden, is een onnodige
grievende toevoeging. Het zijn termen waarvan algemeen bekend is dat zij
in combinatie met een groep mensen maatschappelijk gebruikt worden om te
grieven of te krenken. Vergelijk in dit verband de rechtspraak inzake belediging
met uitlatingen als "vieze of vuile Turken" e.d. Naast de feitelijk
afkeuring dat het woord zonden uitdrukt, wordt met de toevoeging van de woorden
vieze en vuile en extra afkeuring gegeven die homofilie als minderwaardig,
onwaardig afschildert. De dominee had zijn boodschap al duidelijk kunnen
maken door "enkel" over zonden te spreken, zoals homoseksualiteit
in bijbelse termen pleegt te worden aangeduid. Dit leidt tot de conclusie
dat de uitlatingen voldoende beledigend zijn om een groep mensen wegens hun
homoseksuele gerichtheid in diskrediet te brengen en/of hun eigenwaarde aan
te tasten, waardoor de uitlatingen vallen binnen de grenzen van artikel 137c
Sr.
De onderlinge samenhang
De onderlinge samenhang
is als criterium eigenlijk slechts dan van belang indien de uitlatingen geïsoleerd
bezien niet beledigend zijn. De samenhang kan dan toch het beledigend karakter
vormen. In casu bevestigt de samenhang hooguit het beledigend karakter van
de afzonderlijke uitlatingen.
3. De context van
de uitlatingen
In het Van Dijke-arrest
heeft het Hof 's-Gravenhage overwogen dat de context waarin een uitlating
is geplaatst en de daaruit blijkende kennelijk bedoeling van die uitlating,
het beledigende karakter aan die uitlating kunnen ontnemen en dat dat in
casu het geval was. De Hoge Raad overwoog dat dit oordeel van het Hof niet
van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
Ontneemt in dit geval
ook de context het beledigende karakter aan de uitlatingen?
Om dit te beoordelen
dienen de gehanteerde criteria en de specifieke invulling in de van Dijke-zaak
in beschouwing genomen te worden.
Het Hof overweegt daarin: "Uit die context blijkt immers duidelijk
dat verdachte in feite zegt dat hij op grond van zijn geloofsovertuiging
homoseksuele praxis afwijst als zondig, namelijk als strijdig met één
van de bijbelse geboden en dat hij het, eveneens op grond van die geloofsovertuiging,
onjuist vindt om in die geboden gradaties aan te brengen. In die context
wordt door de retorische vraag "waarom zou een praktiserend homoseksueel
beter zijn dan een dief?" de waardigheid van praktiserende homoseksuelen
niet aangetast. De betreffende zin is dan niet meer dan
een illustratie ter verduidelijking
van de uitgedragen geloofsovertuiging. Gezien de grondrechtelijke vrijheden
van godsdienst en van meningsuiting stond het verdachte vrij zijn geloofsverkondiging
uit te dragen. De wijze waarop hij dat deed valt, zoals uit het voorgaande
blijkt, binnen acceptabele proporties." De Hoge Raad overweegt hierover:
Het Hof heeft "de vergelijking met dieven/fraudeurs niet geïsoleerd
maar in de context van de uitlatingen in zijn geheel beschouwd. Dat leidde
het Hof tot het oordeel dat de uitlatingen de waardigheid van praktiserend
homoseksuelen niet aantasten. Bij de waardering van die context heeft het
Hof in het bijzonder betekenis toegekend aan het feit dat de gebezigde vergelijking
van in de ogen van de verdachte verboden gedragingen, de functie had om de
inhoud van diens geloofsovertuiging
nader uiteen te zetten."
Het Hof heeft, zegt de HR, mede als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht
dat "de voor praktiserende homoseksuelen op zichzelf beschouwd kwetsende
en of grievende vergelijking met fraudeurs en dieven een beledigend karakter
kan missen, indien die verwijzing naar fraude en diefstal dient ter aanduiding
van de in de geloofsopvatting van de verdachte verankerde opvatting omtrent
het evenzeer zondige karakter van de homoseksuele leefwijze." "Het
Hof mocht in dat oordeel betrekken dat de vrijheid van godsdienst en meningsuiting
mede
bepalend kunnen
zijn voor het al dan niet aannemen van een beledigend karakter van - op
zichzelf beschouwd kwetsende of grievende - uitlatingen. De Hoge Raad neemt
daarbij in aanmerking dat in 's Hofs overwegingen besloten ligt dat deze
uitlatingen kenbaar
in direct verband stonden met de uiting van de geloofsopvatting
van de verdachte en
als zodanig voor hem van betekenis zijn in het maatschappelijk debat.
"
Toetsing van de onderhavige
zaak Herbig aan de Van Dijke-criteria
De uitlatingen van
de dominee zijn volgens het Hof Arnhem naar hun aard beschouwd beledigend.
De dominee heeft het weliswaar over zonden, maar voegt daar aan toe dat
het om vieze en vuile zonden gaat. Deze toevoegingen defameren en zijn onnodig
grievend. Het is een waardering (een oordeel) waarvan gezegd kan worden dat
het meer is dan een op basis van het geloof uitgesproken afkeuring of verwerping.
De inhoud en lading van de uitlatingen van de dominee gaan verder dan slechts
een illustratie van een geloofsopvatting of (zelfs) een directe weergave
van die opvatting.
De uitlatingen van de dominee voldoen op dit punt niet aan de door het Hof
(en de HR) geformuleerde criteria.
In "Van Dijke" zegt de Hoge Raad dat de rechtsopvatting van het
Hof niet onjuist is en neemt daarbij in aanmerking dat: "in 's Hofs
overwegingen besloten ligt dat deze uitlatingen
kenbaar in direct verband stonden met de uiting van de geloofsopvatting
van de verdachte"
Fundamentele eis uit de jurisprudentie is dat "uit de uiting zèlf
op te maken moet zijn dat het gaat om het uitdragen van een godsdienstige
of geloofsovertuiging. Indien dat niet het geval is kan enkel de vrijheid
van meningsuiting worden ingeroepen." 6
"De grens tussen min of meer persoonlijke levensbeschouwelijke uitingen
en (zuivere) geloofsverkondigingen is immers vaag en vloeiend. Wanneer op
het eerste gezicht meer levensbeschouwelijke uitingen worden verpakt in een
boodschap waarin ook de christelijke leer wordt verkondigd, krijgen die levensbeschouwingen
al snel de kleur van een geloofsverkondiging." 7
De dominee doet zijn uitspraken op basis van en ter verkondiging van zijn
geloofsovertuiging.
De dominee zegt immers: "Maar God verbiedt dit (
verwijzend naar pedofilie, homofilie en polygamie
) in de bijbel. De bijbel is Gods woord en hiernaast is geen andere waarheid."
Het is echter een onjuiste conclusie dat de bestempeling van homofilie als
"vieze en vuile" zonde rechtstreeks voortvloeit uit de bijbel en
dat voor een ieder direct kenbaar zou zijn dat deze woorden in direct verband
staan met de uiting van de geloofsopvatting.
Dit leidt tot de conclusie dat niet gezegd kan worden dat de dominee voldoet
aan het door het Hof en de Hoge Raad geformuleerde criterium in de zaak Van
Dijke.
De HR zegt echter niet alleen dat hij in aanmerking heeft genomen dat de
uitlatingen kenbaar
in direct verband stonden met de uiting van de geloofsopvatting
van de verdachte maar tevens dat zij
als zodanig voor hem van betekenis zijn in het maatschappelijk debat.
De dominee reageerde
kennelijk op een tv-uitzending over een groep in de Verenigde Staten. Daarop
schrijft de dominee een ingezonden brief in de Twentsche Courant Turbantia.
Hieruit kan men afleiden dat de dominee "deelneemt" aan het maatschappelijk
debat. De vraag is alleen welk maatschappelijk debat?
Toch is de vervulling van het door de HR geformuleerde criterium hier minder
vanzelfsprekend dan bij Van Dijke (en van der Wende). Bij Van Dijke is de
inhoud van het "maatschappelijk debat" het weren door een omroep
van christelijke huize van homoseksuelen. Daar geeft Van Dijke zijn commentaar
op. Bij Van der Wende gaat het "maatschappelijk debat" om het invoeren
van het homohuwelijk. Daar geeft Van der Wende commentaar op. Bij de dominee
is onduidelijk om welk maatschappelijk debat het gaat. De uitlatingen van
de dominee voldoen ook op dit punt niet aan de door het Hof (en de HR) geformuleerde
criteria in de zaak Van Dijke.
Bovendien, zo voegde de Hoge Raad er aan toe: "De wijze waarop hij
dat deed valt, zoals uit het voorgaande blijkt, binnen acceptabele proporties."
Door de toevoeging van de woorden "vieze en vuile" begeeft de dominee
zich buiten de grenzen van acceptabele proporties. Immers hij gebruikt onnodig
grievende termen die algemeen bekend staan om hun beledigende karakter. Ook
door het op één lijn stellen van homofilie met de strafrechtelijk
verboden polygamie en pedofilie blijven zijn uitlatingen niet binnen redelijke
proporties.
De uitlatingen van dominee Herbig voldoen dus niet aan de door het Hof en
de HR geformuleerde criteria in de zaak Van Dijke. Door dit wel aan te nemen
heeft het Arnhemse Gerechtshof een onjuiste uitleg gegeven aan het bestanddeel
beledigend uit artikel 137c Sr.
4. Het bestanddeel
opzet
AG Machielse zegt
over de opzet in conclusie in het Van Dijke arrest: "Terzijde merk ik
op dat, nu deze enkele uitlating vanwege haar inhoud so wie so als grievend
zou kunnen worden bestempeld, verzoekers opzet tot deze belediging eveneens
zou kunnen worden verondersteld". 8
De opzet wordt bepaald door de wetenschap omtrent het beledigende karakter
van de gebruikte woorden 9
, en kan uit de omstandigheden worden afgeleid, zoals de inhoud en de vorm
van de uiting. 10
De wetgever heeft het vereiste van "oogmerk" niet gewild, het
komt aan op de wetenschap dat het feit beledigend is. 11
De wetenschap omtrent het beledigende van de gebezigde woorden beheerst
de opzet.
"Nu staat reeds lang vast op grond van meerdere uitspraken van Uw Raad
dat niet beslissend is of de belediging al of niet is beoogd, doch opzet
reeds aanwezig is, indien de dader het beledigende karakter der door hem
gebezigde uitdrukkingen noodzakelijkerwijs moet hebben begrepen 12
of, met andere woorden, voor opzet is niet noodzakelijk de animus iniuriandi. 13
De belediging op zichzelf, de inhoud van de uitlating sec, die krenkend
en kwetsend is, kan een strafbare belediging opleveren, ook al had degene
die zich uitliet mogelijk andere motieven en bedoelingen." 14
In de discriminatiesfeer is het, anders dan nogal eens verondersteld, niet
nodig dat de verdachte een propagandistisch oogmerk moet hebben gehad om
de delictsomschrijving te kunnen vervullen. 15
Zijn opzet tot beledigen in de zin van art. 137c Sr kan aanwezig worden
geacht indien de dominee zich ervan bewust moet zijn geweest dat zijn uitlatingen,
gezien de inhoud en vorm ervan, door homoseksuelen als kwetsend en grievend
zouden worden ervaren. 16
Dit bewustzijn moeten geoordeeld worden aanwezig te zijn geweest op grond
van de door hem gebezigde bewoordingen "vieze en vuile". Algemeen
bekend is dat de woorden "vieze en vuile" gekoppeld aan een bepaalde
bevolkingsgroep beledigend zijn in de zin van de strafwet. Dit leidt tot
de conclusie dat ook opzet op het beledigende karakter van de gebruikte woorden
bewijsbaar is.
5. Het belang van het instellen van cassatie in deze zaak ligt vooral in
het helder krijgen van de jurisprudentie. Beledigende uitspraken, zoals in
de zaak H. blijven beledigend. Dat de context het beledigende karakter aan
een uitlating kan ontnemen in geval van een illustratie ter verduidelijking
van de uitgedragen geloofsovertuiging (vergelijk Van D-zaak) dient als een
uitzondering op de hoofdregel te worden gezien en is in casu niet aan de
orde.
Hoge Raad:
3. Beoordeling
van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1. Nu het beroep
is gericht tegen een vrijspraak moet de Hoge Raad, gezien het eerste lid
van art. 430 (oud) Sv, allereerst beoordelen of de Advocaat-Generaal bij
het Hof in dat beroep kan worden ontvangen. Daartoe dient te worden onderzocht
of de gegeven vrijspraak een andere is dan die bedoeld in deze wetsbepaling.
Dit brengt mee dat voor het onderhavige geval eerst de vraag moet worden
beantwoord of het Hof, door te overwegen en te beslissen als hierna is weergegeven,
de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en van iets anders heeft
vrijgesproken dan was tenlastegelegd.
3.2. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 16 januari 1998, in elk geval in de maand januari
1998, in de gemeente(n) Enschede en/of Hengelo (O), in elk geval in Nederland,
zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend
heeft uitgelaten over een groep mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid,
immers heeft hij, verdachte, aan het regionaal dagblad De Twentsche Courant
Tubantia een (ingezonden) brief/artikel, althans geschreven stuk gezonden
en/of laten opnemen waarin onder andere was vermeld:
"Ik kan niet zwijgen. Pedofilie, homofilie en polygamie (dit was op
de tv over een groep in Amerika, een paar dagen geleden) zijn niet goed te
praten. Naar eigen gedachten en gevoelens spreekt men dit goed, zelfs met
boosheid in het hart. Maar God verbiedt dit in de Bijbel. De Bijbel is Gods
woord en hiernaast is er geen andere waarheid. De bijbel zegt dat de ongerechtigheid
zich zal vermenigvuldigen. Zonde is geen zonde meer en men moet maar tolerant
zijn in de richting van vieze en vuile zonden", althans woorden van
soortgelijke strekking, zulks terwijl die brief/dat artikel/stuk is opgenomen
in de rubriek "Lezers schrijven" van bedoelde Twentsche Courant
Tubantia van 16 januari 1998.""
3.3. Het Hof heeft omtrent die gegeven vrijspraak onder meer overwogen:
"Bewezen dient te worden dat verdachte zich door deze ingezonden brief
opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen wegens hun
homoseksuele gerichtheid.
Het hof is van oordeel dat de uitlating op zichzelf, los van de context,
voor homoseksuelen een beledigend karakter heeft en als een beledigende uitlating
wegens homoseksuele gerichtheid is aan te merken. Homofilie wordt bestempeld
als een vieze en vuile zonde. Daardoor wordt de waardigheid van de desbetreffende
groep mensen miskend.
Deze voor homoseksuelen op zichzelf beschouwd kwetsende en grievende uitlating
kan echter haar beledigend karakter verliezen, indien die uitlating dient
ter aanduiding van de in de geloofsopvatting van de verdachte verankerde
opvatting dat homofilie als een zonde moet worden aangemerkt.
Verdachte wijst, als dominee redenerend vanuit zijn christelijke gedachtegoed,
homofilie af als zondig, namelijk als strijdig met de bijbel. Nu verdachte
de ingezonden brief heeft ondertekend met Rev. E.S. H. en in die brief uitdrukkelijk
verwijst naar de Bijbel, stonden zijn uitlatingen kenbaar in direct verband
met zijn uiting van de geloofsopvatting en was zijn bedoeling de mensheid
te waarschuwen duidelijk.
Aan voornoemd oordeel doet niet af dat verdachte homofilie als vieze en
vuile zonde heeft bestempeld, nu in de bijbel, zoals de raadsman heeft gesteld,
homofilie gezien wordt als een "gruwel(daad)" of een "gruwelijke
zonde" (Leviticus 18:22).
Dit leidt ertoe dat de gewraakte uitlating gelet op de context niet beledigend
is in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht."
3.4.1. De gedachtegang van het Hof kan als volgt worden samengevat.
Het Hof heeft de tenlastegelegde uitlatingen, meer in het bijzonder voorzover
daarin homofilie als een vieze en vuile zonde wordt bestempeld, op zich zelf
voor homoseksuelen grievend geacht.
Het heeft vervolgens geoordeeld dat die uitlating, beschouwd in haar context,
kenbaar in direct verband stond met de geloofsovertuiging van de verdachte
en dat diens bedoeling de mensheid te waarschuwen duidelijk was, in welke
laatste vaststelling ligt besloten dat die uitlating voor de verdachte van
betekenis is voor een maatschappelijk debat. Het Hof heeft voorts als zijn
oordeel tot uitdrukking gebracht dat de door de verdachte gebezigde terminologie
niet onnodig grievend is.
Het Hof is op grond van een en ander tot de slotsom gekomen dat de tenlastegelegde
uitlatingen dienden ter aanduiding van de in de geloofsopvatting van de verdachte
verankerde opvatting dat homofilie als een zonde moet worden aangemerkt en
dat daarom die uitlatingen niet als beledigend in de zin van art. 137c Sr
kunnen worden aangemerkt.
3.4.2. Aldus heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting
omtrent de term "beledigend" in de betekenis die daaraan toekomt
in art. 137c Sr, in welke zin die term in de tenlastelegging kennelijk is
gebezigd.
Aangezien ook overigens niet blijkt van enige omstandigheid op grond waarvan
de vrijspraak zou zijn aan te merken als een andere dan die waarop in voormeld
art. 430, eerste lid, (oud) Sv wordt gedoeld, kan de Advocaat-Generaal bij
het Hof in zijn beroep niet worden ontvangen.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor
is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart
de Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk in het beroep.
[Mening]
Conclusie A-G mr. Jörg:
1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 26 juni 2001 het vrijsprekende
vonnis van de politierechter in de rechtbank te Almelo bevestigd; het betrof
een tenlastelegging van opzettelijke belediging van een groep mensen wegens
hun homoseksuele gerichtheid.
2. De advocaat-generaal bij het hof heeft tegen dit arrest beroep in cassatie
ingesteld en heeft tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
Het beroep is tegengesproken door mr. W.J.E. Hendriks, advocaat te Arnhem.
3. In de tekst van de schriftuur heb ik slechts één middel
kunnen ontwaren: grondslagverlating door een onjuiste uitleg van de in de
tenlastelegging voorkomende woorden "opzettelijk beledigend" en
"vieze en vuile zonden".
4. Nu het beroep zich richt tegen een vrijspraak moet, gelet op het bepaalde
in art. 430, eerste lid, Sv, allereerst worden bepaald of de advocaat-generaal
in dit beroep kan worden ontvangen, hetgeen het geval zou zijn indien het
hof inderdaad bij het geven van zijn beslissing de grondslag van de tenlastelegging
heeft verlaten, en aldus van iets anders zou hebben vrijgesproken dan was
tenlastegelegd.
5. Aan verzoeker is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 16 januari 1998, in elk geval in de maand januari
1998, in de gemeente(n) Enschede en/of Hengelo (O), in elk geval in Nederland,
zich in het openbaar, bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend
heeft uitgelaten over een groep mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid,
immers heeft hij, verdachte, aan het regionaal dagblad De Twentsche Courant
Tubantia een (ingezonden) brief/artikel, althans geschreven stuk gezonden
en/of laten opnemen waarin onder andere was vermeld:
"Ik kan niet zwijgen. Pedofilie, homofilie en polygamie (dit was op
de tv over een groep in Amerika, een paar dagen geleden) zijn niet goed te
praten. Naar eigen gedachten en gevoelens spreekt men dit goed, zelfs met
boosheid in het hart. Maar God verbiedt dit in de Bijbel. De Bijbel is Gods
woord en hiernaast is er geen andere waarheid. De bijbel zegt dat de ongerechtigheid
zich zal vermenigvuldigen. Zonde is geen zonde meer en men moet maar tolerant
zijn in de richting van vieze en vuile zonden", althans woorden van
soortgelijke strekking, zulks terwijl die brief/dat artikel/stuk is opgenomen
in de rubriek "Lezers schrijven" van bedoelde Twentsche Courant
Tubantia van 16 januari 1998.""
6. Het hof heeft de gegeven vrijspraak als volgt gemotiveerd:
"Het hof is van oordeel dat de uitlating op zichzelf, los van de context,
voor homoseksuelen een beledigend karakter heeft en als een beledigende uitlating
wegens homoseksuele gerichtheid is aan te merken. Homofilie wordt bestempeld
als een vieze en vuile zonde. Daardoor wordt de waardigheid van de desbetreffende
groep mensen miskend. Deze voor homoseksuelen op zichzelf beschouwd kwetsende
en grievende uitlating kan echter haar beledigend karakter verliezen, indien
die uitlating dient ter aanduiding van de in de geloofsopvatting van de verdachte
verankerde opvatting dat homofilie als een zonde moet worden aangemerkt.
Verdachte wijst, als dominee redenerend vanuit zijn christelijke gedachtengoed,
homofilie af als zondig, namelijk als strijdig met de bijbel. Nu verdachte
de ingezonden brief heeft ondertekend met Rev. E.S. H. en in die brief uitdrukkelijk
verwijst naar de Bijbel, stonden zijn uitlatingen kenbaar in direct verband
met zijn uiting van de geloofsopvatting en was zijn bedoeling de mensheid
te waarschuwen duidelijk. Aan voornoemd oordeel doet niet af dat verdachte
homofilie als vieze en vuile zonde heeft bestempeld, nu in de bijbel, zoals
de raadsman heeft gesteld, homofilie gezien wordt als een "gruwel(daad)"
of een "gruwelijke zonde" (Leviticus 18:22). Dit leidt ertoe dat
de gewraakte uitlating gelet op de context niet beledigend is in de zin van
artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht. ()"
7. Uit de overwegingen van het hof volgt dat het hof de gegeven vrijspraak
heeft laten berusten op zijn oordelen dat:
a) de uitlating op zichzelf als beledigend is aan te merken;
b) de uitlating haar beledigend karakter kan verliezen indien die uitlating
dient ter aanduiding van de in de geloofsopvatting van [verdachte] verankerde
opvatting dat homofilie als een zonde moet worden aangemerkt;
c) verzoeker homofilie afwijst als strijdig met de bijbel;
d) de ingezonden brief is ondertekend met Rev. [verdachte] en uitdrukkelijk
verwijst naar de bijbel;
e) de uitlatingen van verzoeker kennelijk in direct verband stonden met
zijn uiting van de geloofsopvatting en het zijn bedoeling was de mensheid
te waarschuwen.
8. De vraag rijst derhalve of het oordeel van het hof dat de gewraakte uitlating
niet beledigend is
in de zin van art. 137c Sr
, juist is. Ik ga er daarbij vanuit dat steller van de tenlastelegging evenals
verzoeker met homofilie het uiterlijke gedrag bedoelt: de homoseksuele praxis
(zie N-L-R, Het Wetboek van Strafrecht, art. 137c, aant. 4a (suppl. 107).
De pleitnota in hoger beroep verduidelijkt dat het verzoeker niet om de homofiele
geaardheid, maar om de homoseksuele praxis gaat.
9. De Hoge Raad heeft inmiddels in verscheidene arresten de gelegenheid
gekregen zich uit te spreken over bijzondere omstandigheden die aan op zichzelf
beledigende uitlatingen het strafbare karakter kunnen ontnemen. (Dat die
vraag vooral in het kader van de bewijsvraag moet worden beantwoord is een
technische, nl. tenlasteleggingskwestie die inhoudelijk niet van belang is,
zij het dat door het obstakel van art. 430 Sv de processuele invalshoek bijzonder
is.) Er bestaat hier een spanningsveld. Enerzijds beoogt de bepaling van
art. 137c 1*
(en ook 137e) Sr bepaalde minderheidsgroepen vanwege hun kwetsbaarheid te
beschermen zodat kritische opmerkingen over die groepen al snel onder die
bepaling gebracht kunnen worden; anderzijds hebben de vrijheid van meningsuiting
en van het ontvangen van meningen, van godsdienst en van artistieke expressie,
ruimte nodig om ook onwelgevallige dingen te mogen zeggen en schrijven (cf.
A.L.J. Jansen, Strafbare belediging, diss. Groningen, 1998, p. 394; Th.E.
Rosier, Vrijheid van meningsuiting en discriminatie in Nederland en Amerika,
diss. VU 1997; J.A. Peters, Het primaat van de vrijheid van meningsuiting,
Nijmegen 1981). De aard van dergelijke grondrechten is immers dat zij tegen
de verdrukking in functioneren: tegen de verdrukking door de politiek correct
denkende gemeente in. Het gaat om het mogen verschaffen van inlichtingen
en uiten van denkbeelden die "ergeren, shockeren en verwarring zaaien"
(vaste rechtspraak EHRM):
juist die verdienen
bescherming. De regering heeft een en ander ook onder ogen gezien door te
verordonneren dat deze bepaling zeer terughoudend moet worden toegepast:
"() aan kritiek op opvattingen en gedragingen, zelfs al zou die kritiek
beledigend zijn, [wordt] strafrechtelijk niets in de weg gelegd" (
TK 1969-70, 9724,
nr 6 (MvA), p. 4). De seksuele gerichtheid is overigens bij Wet van 14 november
1991, Stb.
1991, 623 in art. 137c Sr opgenomen.
10. Zonder naar volledigheid te willen streven (daar zijn proefschriften
voor) noem ik de volgende rechterlijke uitspraken.
In zijn arrest van HR 11 februari 1986,
NJ
1986, 689
, m.nt. 'tH betrok de Hoge Raad de onnodig grievende vorm van de uitlatingen
("macabere grappen") bij de door het hof beslissend - maar door
de Hoge Raad waarschijnlijk 2*
minder cruciaal geachte - strekking van het artikel. De buitenvervolgingstelling
werd ongedaan gemaakt.
In HR 18 oktober 1988,
NJ
1989, 476
, m.nt. GEM (de Goeree-zaak
) maakte de Hoge Raad uit dat de vraag of een uitlating beledigend is niet
mede afhankelijk is van de bedoelingen van de dader (van i.c. art. 137e Sr)
en dat een theologische rechtvaardiging van de belediging dat de Holocaust
de schuld van de Joden zelf is, irrelevant is. Deze uitspraak heeft nogal
wat kritiek opgewoeld (een wel zeer objectief beledigingsbegrip zonder beoordeling
van de samenhang met de inhoud van het gehele artikel en de strekking, aldus
Jansen, t.a.p.), maar het komt mij voor dat deze uitlating zó bizar
is dat hiervoor inderdaad geen enkele steekhoudende Schriftgeleerde rechtvaardiging
denkbaar is. 3*
Het demonstratief dragen van een hakenkruis waarmee de nationaal-socialistische
ideologie wordt gesymboliseerd, die zich kenmerkte door rassenleer, antisemitisme
en de uitroeiing van Joden is een voor Joden vanwege hun ras beledigende
- uitbeeldende - uitlating (HR 21 januari 1995,
NJ
1995, 452
, m.nt. Sch).
In HR 9 januari 2001,
NJ
2001, 203
, m.nt. JdH onder nr 204 en Rozemond in DD 2001, p. 441-452, (
de zaak-Van Dijke )
waarin aan de orde was of aan de kwetsende en grievende vergelijking van
praktiserende homoseksuelen met fraudeurs en dieven, het karakter van belediging
kon worden ontnomen door de context waarin zij werd gedaan, oordeelde Uw
Raad dat het medewegen van de in de geloofsopvatting van de verdachte verankerde
opvatting omtrent het zondige karakter van een homoseksuele levenswijze,
zoals het hof had gedaan, geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.
In HR 9 januari 2001,
NJ
2001, 204
m.nt. JdH ging het om een in de Justitiekrant geplaatst ingezonden stuk,
waarin stelling werd genomen over het homohuwelijk. De gelijkstelling van
homoseksualiteit met heteroseksualiteit verleidde de auteur tot het gelijkstellen
van diefstal met het schenkingsrecht of mishandeling met verpleging. De opvatting
van het hof dat de aan bijbelse opvattingen 4*
ontleende mening een element is waarmee rekening mag worden gehouden bij
de beoordeling of sprake is van belediging in de zin van art. 137c Sr was
niet onjuist, zoals ook niet onjuist was zijn opvatting dat de vrijheid van
meningsuiting, die werd uitgeoefend in het maatschappelijk debat over het
homohuwelijk, medebepalend kan zijn voor dat beledigende karakter.
In HR 9 oktober 2001,
NJ
2002, 76
, m.nt. JdH ging het om een beledigende passage in het boek
Danslessen , waarover
Uw Raad opmerkte dat van overschrijding van de grens van het recht van vrijheid
van artistieke expressie in ieder geval sprake is wanneer de kunstenaar die
vrijheid kennelijk misbruikt om beledigingen te uiten. Wel zou op grond van
de aard en strekking van een roman en de verdere in aanmerking te nemen omstandigheden
het beledigende karakter aan dat boek kunnen worden ontzegd. Daarbij moet
in aanmerking worden genomen dat indien een door de auteur gecreëerde
romanfiguur de beledigende uitlating doet en niet de auteur zelf, de auteur
- anders dan het hof had aangenomen - niet van zijn aansprakelijkheid wordt
ontheven. Evenmin is beslissend of de beledigde persoon of groep zich in
de desbetreffende passage meent te herkennen; waar het wel om gaat is of,
objectief gezien, buiten redelijke twijfel staat dat die passage op hem/hen
het oog heeft. Uw Raad beoordeelde vervolgens zelf de inhoud van het boek
en liet de vrijspraak door het hof intact, zij het op andere grond, waarbij
van belang was dat de gewraakte uitlating een incidentele passage in het
boek is.
11. Het is dus niet slechts de context van een uitlating in het geheel van
een stuk, maar het zijn - wat De Hullu noemde (in zijn noot onder HR
NJ
2001, 204
): - bijzondere omstandigheden die aan het op zichzelf beledigende karakter
de strafbaarheid kan ontnemen. Dat is dus ruimer.
12. Wanneer we deze kwestie in de sleutel van het Europese grondrecht van
de vrijheid van meningsuiting zetten, geeft het tweede lid van art. 10 EVRM
het beslissingsschema over de toelaatbaarheid van beperkingen op de uitoefening
van dit grondrecht. In de eerste plaats moet vastgesteld worden òf
sprake is van een beperking van de uitingsvrijheid. Zo ja, dan luidt de volgende
vraag of die beperking rechtens is voorzien. Is dat het geval, dan is de
derde vraag of een (of meer) van de belangen die in het tweede lid worden
genoemd in het geding is. Indien ook dat het geval is, luidt de laatste vraag
of de beperking noodzakelijk is met het oog op de democratische samenleving.
Over het antwoord op de eerste drie vragen kunnen we in de onderhavige zaak
kort zijn: een strafrechtelijke vervolging en veroordeling betekent een beperking
van het grondrecht. Die beperking is in het Wetboek van Strafrecht voorzien,
en zij dient een van de belangen die in het tweede lid worden genoemd (bescherming
van de goede naam of de rechten van anderen). De kernvraag is: is de beperking
ook noodzakelijk?
13. Van Europese rechtspraak over de spanning tussen strafbare belediging
en de in art. 10 EVRM gegarandeerde vrijheid van meningsuiting noem ik EHRM
8 juli 1986,
NJ
1987, 901
, m.nt. EAA, Lingens
v. Oostenrijk . Het
betrof hier twee artikelen waarin de Oostenrijkse kanselier Kreisky naar
aanleiding van een politieke controverse een paar negatieve kwalificaties
naar zijn hoofd kreeg.
"The limits of acceptable
criticism are accordingly wider as regards a politician as such than as regards
a private individual."
Weliswaar hebben ook politici recht op bescherming van eer en goede naam,
"even when they are not acting in their private capacity; but in such
cases the requirements of such protection have to be weighed in relation
to the interests of open discussion of political issues" (§ 42).
14. Bij het onderzoek
of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk was bespreekt
het hof de taak van de pers 5*
die soms tot publicatie leidt van nieuws dat ergert, shockeert en verwarring
zaait. Desondanks heeft het publiek recht op die informatie. De vrijheid
van de pers draagt bij tot de openbare discussie over politieke aangelegenheden
en over politici, welke openbare discussie op haar beurt het hart is van
de democratische samenleving. Art. 10 EVRM werd geschonden geacht.
15. Oberschlick v.
Oostenrijk , EHRM 23
mei 1991,
NJ
1992, 456
, m.nt. EAA, betrof de uitlating van de secretaris-generaal van de regerende
coalitiepartij FPÖ, waarin hij voorstelde dat Oostenrijkse vrouwen een
verhoging van de familietoeslag met 50% zouden krijgen (om te voorkomen dat
zij zich om financiële redenen zouden laten aborteren), tegen een verlaging
voor geïmmigreerde vrouwen met 50%. De journalist Oberschlick hekelde
dit (demoniserende?) als discriminatoir en vergeleek de uitlating met de
doelstelling van de NSDAP: het creëren van een vijandige houding jegens
buitenlanders, zodat zij het land zouden verlaten.
16. Het Hof laat een "margin of appreciation" aan de verdragsstaten,
maar reserveert een eigen Europese beoordelingsruimte van nationale beslissingen
als het gaat om de politieke meningsuiting en om onderwerpen die in sterke
mate onderdeel vormen van het publieke debat, een onderwerp dat niet slechts
in Oostenrijk maar ook elders in Europa tot heftig debat leidt. Wie, zoals
de politicus, zich in dat debat mengt met voorstellen die anderen zullen
shockeren
"exposes himself to a strong reaction on the part of journalists and
the public."
De vergelijking met desbetreffende passages uit het manifest van de nationaal-socialistische
partij kan in het licht van wat er op het spel staat niet als een overschrijding
van de vrijheid van meningsuiting worden gezien.
17. Castells v. Spanje
, EHRM 23 april 1992,
NJ
1994, 102
, m.nt. EJD betreft de publicatie in een weekblad van de hand van Castells,
waarin de autoriteiten laksheid wordt verweten inzake de vervolging van verdachten
van rechts-extremistisch moordaanslagen.
18. Castells parlementaire onschendbaarheid werd opgeheven zodat hij wegens
belediging van de regering kon worden vervolgd.
Het hof overweegt dat
"The limits of permissible criticism are wider with regard to the Government
than in relation to a private citizen, or even a politician. In a democratic
system the actions or omissions of the Government must be subject to the
close scrutiny not only of the legislative and judicial authorities but also
of the press and public opinion. Furthermore, the dominant position which
the Government occupies makes it necessary for it to display restraint in
resorting to criminal proceedings, particularly where other means are available
for replying to the unjustified attacks and criticisms of its adversaries
or the media. Nevertheless it remains open to the competent State authorities
to adopt, in their capacity as guarantors of public order, measures, even
of a criminal law nature, intended to react appropriately and without excess
to defamatory accusations devoid of foundation or formulated in bad faith."
Dat een politicus buiten het parlement zijn mening geeft, maakt voor het
hof geen verschil:
"Freedom of the press affords the public one of the best means of discovering
and forming an opinion of the ideas and attitudes of their political leaders.
In particular, it gives politicians the opportunity to reflect and comment
on the preoccupations of public opinion, it thus enables everyone to participate
in the free political debate which is the very core of the concept of a democratic
society" (§ 43).
19.
Thorgeir Thorgeirson v. IJsland
, EHRM 23 mei 1992,
NJCM-Bulletin 1993,
423, m.nt. JvdV en G.A.I. Schuijt in AA 1993 p. 687 betrof kritiek op het
gewelddadige optreden van het night-squad van de politie in Reykjavik. Ook
hier werd weer overwogen dat het politieke debat de essentie van het concept
van de democratische rechtsstaat is. Het hof maakte geen onderscheid tussen
kritiek inzake politieke discussie en inzake andere onderwerpen van publiek
belang. Eventuele "police-brutality" is een serieuze publieke aangelegenheid
waarover zonder excessieve termen werd geschreven; het doel was niet om te
beledigen (noch de politie, noch individuele politiefunctionarissen), maar
om de Minister van Justitie tot een onafhankelijk onderzoek te brengen. De
veroordeling en straf dragen het gevaar in zich dat anderen worden ontmoedigd
om openlijk over publieke onderwerpen te schrijven; de beperking was derhalve
niet noodzakelijk in een democratische samenleving.
20. Schwabe v. Oostenrijk
, EHRM 28 augustus 1992,
NJ
1994, 103
, m.nt. EJD gaat over een veroordeling wegens smaad omdat betrokkene in een
persbericht de selectieve opstelling van het hoofd van de regionale regering
had gehekeld, die op aftreden van een burgemeester van een rivaliserende
partij had aangedrongen wegens begane verkeersmisdrijven, terwijl een partijgenoot
van dat hoofd 19 jaar eerder een dodelijk verkeersongeluk had veroorzaakt.
Deze partijgenoot startte met succes een private vervolging.
21. Bij de vaststelling of een bewering in het openbare debat geoorloofd
is maakt het hof een scheiding tussen feitelijke en waardeoordelen. Waardeoordelen
kunnen niet worden bewezen; voor feitelijke oordelen mag er een bewijslast
zijn. Volgens het hof was het Schwabe niet zo zeer te doen om twee delicten
en de feitelijke bijzonderheden daarvan te vergelijken, maar om de politieke
moraal van de rivaliserende politicus, die kennelijk met twee maten mat. Dat was een waardeoordeel
"for which no proof of truth is possible."
Volgens het hof had Schwabe met zijn persbericht een toelaatbare bijdrage
geleverd aan een algemeen debat over de politieke zeden tussen twee rivaliserende
partijen. Het Europese Hof blijkt in deze kwesties niet of nauwelijks een
margin of appreciation op nationaal niveau te accepteren.
22. De beslissing maakt wederom duidelijk dat de nationale rechters de grenzen
in het openbare politieke debat niet te strikt mogen trekken. Negatieve waardeoordelen
zijn toegelaten. De vraag is of de kwalificatie "onnodig grievend"
die in de Nederlandse rechtspraak is ontwikkeld, met weer een nuancering
voor de hitte van de verkiezingsstrijd, daar wel in past, aldus de annotator.
23. Jersild v. Denemarken
(EHRM 23 september 1994,
NJ
1995, 387
m.nt. EJD en Kn) betreft een veroordeling voor medeplichtigheid aan het
verspreiden van racistische denkbeelden, nl. het doelbewust aan het woord
laten van Deense jongeren van wie de televisiemaker wist dat ze racistische
denkbeelden hadden, het aanmoedigen van het uiten daarvan, en het vervolgens
uitzenden ervan. De uitzending paste evenwel in een recent publiek debat
en bij perscommentaren over racisme in Denemarken.
"Taken as a whole,
the feature could not objectively have appeared to have as its purpose the
propagation of racist views and ideas. On the contrary, it clearly sought
- by means of an interview - to expose, analyse and explain this particular
group of youths, limited and frustrated by their social situation, with criminal
records and violent attitudes, thus dealing with specific aspects of a matter
that already then was of great public concern" (§ 33).
24. Dommering merkt in
zijn noot op dat het niet alleen gaat om de noodzaak informatie te kunnen
doorgeven, maar ook om het recht van het publiek die informatie te ontvangen:
het publiek heeft er recht op te weten hoe mooi of lelijk de sociaal-politieke
werkelijkheid is waarin het leeft. De minderheid van het hof was zo geschokt
door de inhoud van de uitlatingen zelf dat het van oordeel was dat de journalist
onmiddellijk in het programma zelf van zijn verontwaardiging blijk had moeten
geven. Voor Knigge kan dat echter geen eis zijn naast die van de objectieve
strekking van de televisie-uitzending: al dan niet gericht op het propageren
van racistische ideeën. In de Nederlandse context stelt art. 137e Sr
het openbaar maken van racistische uitlatingen alleen strafbaar als dat geschiedt
"anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving". Een verdragsconforme
uitleg van deze strafbepaling ligt daardoor binnen handbereik: wat Jersild
deed, kan aangemerkt worden als zakelijke berichtgeving.
25. De Haes en Gijsels
v. België (HUMO-zaak),
EHRM 24 februari 1997,
NJ
1998, 360
m.nt. EJD gaat over twee journalisten die felle kritiek op rechters hadden
geuit, die in een voogdijzaak, waar vermoedens van seksueel misbruik speelden,
zich bij hun beslissingen wellicht hadden laten leiden door extreemrechtse
sympathieën voor de vader.
Het hof oordeelde dat
"In addition [to "information" or "ideas" that
offend, shock or disturb the State or any section of the community], journalistic
freedom also covers possible recourse to a degree of exaggeration, or even
provocation.
Looked at against the background of the case, the accusations in question
amount to an opinion, whose truth, by definition, is not susceptible of proof.
Such an opinion may, however, be excessive, in particular in the absence
of any factual basis, but it was not so in this instance.
Although Mr De Haes and Mr Gijsels' comments were without doubt severely
critical, they nevertheless appear proportionate to the stir and indignation
caused by the matters alleged in their articles. As to the journalists' polemical
and even aggressive tone, which the Court should not be taken to approve,
it must be remembered that Article 10 protects not only the substance of
the ideas and information expressed but also the form in which they are conveyed."
Een bijkomende schending
betrof die van art. 6 omdat de Belgische rechters niet van het bewijsmateriaal
kennis hadden willen nemen dat de journalisten bij het schrijven van hun
artikel hadden geraadpleegd.
26. Oberschlick v.
Oostenrijk (EHRM 1
juli 1997,
NJ
1999, 709
, m.nt. EJD) laat zien dat een polemische uitlating ("Jörg Haider
eerder een idioot dan een Nazi") als reactie op een provocerende redevoering
niet per se een strafrechtelijke veroordeling verdient.
27. Wel door de beugel kon in
Wabl v. Oostenrijk
(EHRM 21 maart 2000, appl. Nr 24773/94) een rechterlijk verbod op herhaling
van de beschuldiging dat een krant zich aan Nazi-journalistiek had schuldig
gemaakt (doordat de krant zich bediende van de methode van de karaktermoord),
als reactie op de journalistieke suggestie dat een parlementslid aan AIDS
leed. Van belang was dat de betrokkene deze beschuldiging niet meteen had
geuit, maar pas na een rectificatie in de krant een paar dagen later, en
dat de krant in een private vervolging schuldig was bevonden aan belediging.
28. Tammer v. Estland
(EHRM 6 februari 2001,
NJ
2002, 158
m.nt. EJD) staat voor een zaak waarin niet het totale privé-leven
van een publieke figuur schietschijf voor journalisten is. De (strafrechtelijke)
veroordeling voor de beledigende uitlatingen dat de beledigde vrouw het huwelijk
van een ander kapot had gemaakt en de opvoeding van haar eigen kind had verwaarloosd
hield stand, waarbij vooral de pejoratieve betekenis van de gebruikte woorden
beslissend was.
29. In Jerusalem v.
Oostenrijk (EHRM 27
februari 2001, EHRC 2001, 27 m.nt. Heringa) had klaagster als lid van de
gemeenteraad van Wenen kritiek geuit op twee organisaties die zij "psychosektes"
had genoemd, en die, als al zulke sektes, volgens haar een totalitair karakter
hadden en fascistische neigingen. De kritiek uitte zij omdat die organisaties
invloed uitoefenden op het drugsbeleid van een politieke partij. Ook hier
hadden de Oostenrijkse rechters een verbod op herhaling uitgevaardigd. Het
EHRM, steevast van oordeel dat zonder de eisen van pluralisme, tolerantie
en ruimdenkendheid geen democratische samenleving kan bestaan, waarbinnen
niet slechts onomstreden, maar juist ook controversiële informatie en
ideeën de bescherming van art. 10 genieten, vond de positie van klaagster
als lid van de oppositie in het bijzonder van belang (ongeacht of in die
positie formeel immuniteit bestaat) alsmede het punt dat de beschuldigde
organisaties zich in het publieke debat begaven. Dat brengt mee dat men meer
kritiek moet kunnen verdragen. De zaak sneuvelde voor Oostenrijk met name
op het punt dat van klaagster werd geëist dat ze feitelijk bewijs leverde
voor haar aanduiding van het karakter van de sektes, terwijl de gerechten
weigerden ter beschikking gesteld bewijs te aanvaarden. Opmerkelijk inconsistent,
vond het hof.
30. In Dichand e.a.
v. Oostenrijk (26
februari 2002; appl.nr 29271/95) kwam een parlementariër onder vuur
te liggen omdat hij zijn zakelijke belangen onvoldoende van zijn politieke
belangen had gescheiden, hoewel daartoe wettelijk geen verplichting bestond:
de kritiek was van morele aard. Het door de Oostenrijkse rechters opgelegde
verbod tot herhaling van in een krant gepubliceerde verklaringen en het bevel
tot intrekking hiervan werd door het EHRM beoordeeld als een overschrijding
van de vrije beoordelingsruimte die aan Lid-Staten toekomt in het kader van
art. 10. De getroffen maatregel stond in geen verhouding tot het nagestreefde
doel van bescherming van iemands goede naam.
31. Tenslotte noem ik nog twee kort in het
NJCM-Bulletin 2002,
nr 1, beschreven zaken.
Perna v. Italië
(25 juli 2001) betrof een tweetal beledigingen in een krant aan het adres
van een rechter omdat die een militante politieke activist was en omdat hij
de strategie van de communistische partij van Italië zou uitvoeren om
politieke carrières van niet-communisten, en met name van Andreotti,
te vernietigen. De eerste uitlating was toelaatbaar, omdat militant politiek
activisme het noodzakelijk vertrouwen in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid
van de rechterlijke macht kan ondermijnen. De tweede uitlating kon niet door
de beugel, omdat deze zeer ernstige beschuldiging niet door feiten werd gestaafd,
waarmee de grenzen van acceptabele kritiek werden overschreden.
32. Feldek v. Slowakije
(12 juli 2001) beschermde de journalistieke uitlating dat de benoeming van
een minister met een fascistisch verleden een slechte zaak zou zijn voor
de democratische ontwikkeling van het land, ook als dat fascistisch verleden
uit niet meer dan het - publiek bekende - partijlidmaatschap bestond.
33. De conclusie van Heringa in zijn noot onder de HUMO-zaak lijkt mij juist:
"geconcludeerd kan worden dat in gevallen waarin het hof een meningsuiting
beziet als te zijn gedaan in de context van het publieke debat, de noodzakelijkheidsmaatstaf
(pressing social need, proportionaliteit) zeer streng wordt toegepast: deze
striktheid in theorie leidt dan misschien nog niet tot een in de praktijk
altijd fatale uitkomst, maar wel veelal." (EVRM R&C art. 10/3.10-31)
Ik zie in de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de
Mens geen aanwijzing dat deze een andere benadering zou kiezen wanneer niet
de vrijheid van meningsuiting, maar de vrijheid om het complex van rechten
in art. 9 EVRM - kortheidshalve aangeduid als de
godsdienstvrijheid
- uit te oefenen zou worden beperkt en het hof de noodzaak van die beperking
- in het tweede lid van dat artikel eenzelfde stramien vertonend als in art.
10 - zou dienen te beoordelen. De conclusie van Heringa gaat derhalve ook
op voor zaken die onder de waarborg van de
godsdienstvrijheid
worden beoordeeld. Terug naar onze zaak.
34. Het Arnhemse hof heeft in zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat
de voor homofielen op zichzelf beschouwd kwetsende en grievende uitlating
haar beledigend karakter kan verliezen, indien die uitlating dient ter aanduiding
van de in geloofsopvatting van verzoeker verankerde opvatting dat homofilie
als een zonde moet worden aangemerkt. Het hof heeft, zoals blijkt uit zijn
oordeel, op deze wijze de uitlatingen van verzoeker niet geïsoleerd,
maar in de context van de gehele ingezonden brief beschouwd. Het hof heeft
daarbij in aanmerking genomen dat de uitlatingen kenbaar in direct verband
stonden met de uiting van verzoekers geloofsopvatting en dat het de bedoeling
van verzoeker was om de mensheid te waarschuwen. Dat heeft vervolgens tot
het oordeel geleid dat aan de uitlatingen het beledigend karakter wordt ontnomen.
Door de context te betrekken in zijn oordeel, heeft het hof geen blijk gegeven
van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de term "belediging".
35. Het hof heeft bovendien overwogen dat aan het oordeel, dat de uitlatingen
kenbaar in direct verband stonden met zijn uiting van de geloofsopvatting
en het de bedoeling was van verzoeker de mensheid te waarschuwen, niet afdoet
dat verdachte homofilie als "vieze en vuile" zonde heeft bestempeld,
nu in de bijbel, zoals de raadsman heeft gesteld, homofilie gezien wordt
als een "gruwel(daad)" of een "gruwelijke zonde" (Leviticus
18:22).
36. In de overweging van het hof ligt besloten dat het hof van oordeel is
dat ook deze uitlating in direct verband stond met de uiting van de geloofsopvatting.
Met deze overweging heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de uitlating binnen
de grenzen van het aanvaardbare is gebleven nu door de verdediging een beroep
is gedaan op een tekst uit de bijbel, waarin gesproken wordt over een "gruwel".
37. De [A]-zaak leert dat in bepaalde religieuze kringen geen onderscheid
wordt gemaakt tussen zonden: zonden kennen geen gradaties. Men kan zich dus
de vraag stellen waarom verzoeker de "zonde der homofilie" de kwalificaties
vies en vuil meegeeft. Zijn - in die opvatting - niet alle zonden even vies
en vuil? Door deze kwalificaties wordt gesuggereerd dat hier wel iets bijzonder
ernstigs aan de hand is. Is de kwalificatie van de "zonde" nodeloos,
en daarom extra grievend, zodanig dat alsnog de bescherming van de vrijheid
van godsdienst en van meningsuiting verloren gaat?
38. Vooropgesteld moet worden dat het hier niet over een op feiten gebaseerde
belediging gaat, maar over een opinie. De waarheid van een opinie valt niet
te bewijzen, maar aan een opinie behoort wel enig feitelijk substraat ten
grondslag. Verzoeker gelooft dat dit substraat in de bijbel kan worden gevonden.
Hoewel het door het hof geciteerde bijbelboek niet de kwalificaties vuil
en vies bezigt, is een vertaling van "gruwelijke zonde" door "vieze
en vuile zonde" niet zodanig vrij dat daarmee teveel afstand van de
tekst wordt genomen. Overigens is in die tekst niet de homofilie als zondig
gestempeld, maar de homoseksuele praxis. De tekst is trouwens wel erg oud
en de schrijver ervan kon onmogelijk rekening houden met wat de moderne wetenschap
ons leert. Het is ook niet goed voorstelbaar dat de god die de mens schiep,
tot zondig zou verklaren de evengoed geschapen, maar anders geaarde medemens.
Verzoeker gelooft echter nu eenmaal dat er naast de bijbel geen andere waarheid
is, zoals andere gelovigen dat vinden met betrekking tot hun heilige boeken.
Ik voeg krantenknipsels aan het dossier toe die gewag maken van de vrijspraak
(rechtbank te Rotterdam, 8 april 2002) van imam El-Moumni, die homoseksualiteit
met een besmettelijke ziekte vergeleek (NRC Handelsblad van 8 april 2002).
39. Het oordeel van het hof dat de gedane uitlatingen niet beledigend zijn in de zin van art.
137c van het Wetboek
van Strafrecht acht ik dan ook juist, hoezeer de uitlatingen homoseksuelen
kwetsen.
40. Nu de vrijspraak in de onderhavige zaak naar mijn oordeel zuiver is,
acht ik het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk.
41. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het openbaar ministerie
niet-ontvankelijk verklaart in diens cassatieberoep.
Noot:
1. De Hoge Raad zet
met vijf raadsheren het beslissingsschema voor de strafrechtelijke beoordeling
van een uitlating onder - in dit geval - art. 137c Sr uiteen. Het gaat daarbij
om de beoordeling van het bestanddeel "beledigend" in dat delict.
Omdat de Hoge Raad zo expliciet uiteen zet wat het hof kennelijk als inhoudelijke
maatstaf heeft gehanteerd, wordt de materieelrechtelijke betekenis van het
arrest niet verminderd door de formeelrechtelijke vraag naar de ontvankelijkheid
van het tegen een vrijspraak gerichte beroep in cassatie. Inhoudelijk sluit
de beoordeling aan bij HR 9 januari 2001,
NJ
2001, 203
m.n. JdH onder HR 9 januari 2001,
NJ
2001, 204
waarin de overwegingen van de HR net iets anders luiden. In het onderhavige
arrest lijkt de beoordeling van bepaalde uitlatingen nog iets sterker te
worden gezet in het teken van de bijdrage van die uitlating aan het maatschappelijk
debat. Dat heeft consequenties voor de reikwijdte van de strafbaarheid van
dergelijke uitingsdelicten. Het arrest ik ook besproken door Stolwijk in
de maartaflevering van DD 2003 en door Nieuwenhuis in
Mediaforum 2003, p.
95-96.
2. Het beslissingsschema van de Hoge Raad bestaat uit drie stappen. De beoordeling
van de uitlating op zichzelf, de context waarin deze is gedaan en ten slotte
het al dan niet onnodig grievend karakter ervan. De drie onderdelen vragen
elk voor zich aandacht, maar ook uit de uitkomst van de toepassing van deze
criteria in deze en andere zaken als geheel, is relevant.
3. In de toepassing werkt deze jurisprudentie vooral als volgt uit. De eerste
stap wordt betrekkelijk gemakkelijk genomen, waardoor een uitlating op zichzelf
al snel een beledigend karakter heeft. De tweede en derde stap leiden in
de toepassing van de Hoge Raad even zo vaak tot vrijspraak. Men vergelijke
de naar binnen, op strafbaarheid gerichte redenering van de A-G bij het hof
in zijn cassatieschriftuur, met de lijn van het hof die de Hoge Raad i.c.
ondersteunt. Daarin werkt de context eerder disculperend en niet mede strafbaarheidbepalend,
terwijl de grens van het onnodig grievende karakter dan al erg overschreven
moet zijn wil de strafuitsluitende context nog worden ingehaald. Deze wijze
van beoordeling van uitlatingen betekent dat de strafrechtelijke bescherming
van kwetsbare groepen door strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht
van op zich beledigende uitlatingen, in de conreto toepassing daarvan toch
niet snel door veroordeling (en daardoor in de toekomst wellicht ook niet
meer door vervolging) geëffectueerd wordt, hoewel die delicten toch
ter bescherming van kwetsbare groepen zijn ingericht. Het belang van die
bescherming moet het kennelijk betrekkelijk snel afleggen tegen het belang
of de belangen gediend met het toelaten van dergelijke op zich beledigende
uitlatingen. Die kwetsbare groepen moeten zich kennelijk heel wat laten zeggen.
Het materiële strafrecht suggereert hier wellicht meer bescherming dan
het kan bieden. Dat levert interessante vragen op van zowel theoretische
als praktische aard. Tot de rechtstheoretische behoort de vraag of de rechter
de strafrechtelijke bescherming die de wetgever heeft willen bieden niet
teveel uitkleedt, een vraag die ook onder het EVRM van belang kan zijn omdat
ook daarin onder omstandigheden daadwerkelijke bescherming door (effectieve)
strafbaarstelling aan de orde kan zijn. Ook rijst de vraag of in de strafbaarstelling
niet nader onderscheid moet worden gemaakt tussen het object van belediging.
Ligt volstrekte gelijkschakeling van ras, godsdienstige overtuiging en sexuele
gerichtheid in één strafbepaling wel voor de hand, zeker als
daar door wetsvoorstel 28 221 ook nog de discriminatie wegens handicap aan
wordt toegevoegd? Tot de meer praktische vragen behoort bijvoorbeeld deze
of een eventueel spreekrecht van een door de uitlating van bovenstaande verdachte
beledigd "slachtoffer" mag worden uitgeoefend als de rechter op
voorhand al vrijspraak sterk geïndiceerd acht. Voor de beoordeling van
deze en andere kwesties is het van belang wat meer aandacht te besteden aan
de criteria van de Hoge Raad. Daarbij is het goed om vast te stellen dat
de Hoge Raad veel - en misschien wel meer dan ooit - ruimte biedt voor niet-strafwaardige
uitlatingen, maar dat zelfs binnen het kader dat in bovenstaand arrest wordt
uitgezet, het uiteindelijk oordeel van de feitenrechter medebepalend is.
Een andere uitkomst dan vrijspraak, bijvoorbeeld een ander feitelijk oordeel
van het hof over het onnodig grievend karakter van de gekozen bewoordingen,
had i.c. in cassatie wellicht ook stand gehouden. In zoverre moet uit het
arrest niet te snel de conclusie worden getrokken dat inzake dergelijke uitingsdelicten
een vervolging in de toekomst telkens beter achterwege kan blijven.
4. Het eerste criterium van de beoordeling van de uitlating op zichzelf,
ligt nogal voor de hand. Een uitlating die in het geheel niet beledigend
is, brengt de zender daarvan in het geheel niet in aanraking met het strafrecht.
Aan te nemen valt dat dit criterium reeds bij de vervolgingsbeslissing een
grote rol zal spelen en in de jurisprudentie niet de achilleshiel van het
beslissingschema zal blijken te zijn. De toets aan dit criterium en de verklaring
dat een uitlating op zich beledigend is, kan wel de acceptatie van de uiteindelijke
vrijspraak bij degenen die zich beledigd voelden, vergroten.
5. Het tweede criterium is veel belangrijker. Een op zich grievende uitlating
als bedoeld in art. 137c Sr kan zijn beledigend karakter verliezen in de
context waarin die uitlating gedaan is. De vraag is waardoor die context
i.c. voor de Hoge Raad wordt gevormd, door de geloofsovertuiging van de verdachte
of - uiteindelijk - door het karakter van bijdrage aan "een" maatschappelijk
debat. Het lijkt op dat laatste, al is de tekst van het arrest terzake niet
glashelder. De Hoge Raad sluit het tweede criterium in de dragende O. 3.4.1.
immers af met de vaststelling dat verdachte een bijdrage bedoelde te leveren
aan een maatschappelijk debat, maar dat element komt in de afrondende, concluderende
bewoordingen van die overweging niet terug. De context staat echter prominenter
in de bewoordingen van de Hoge Raad dan in
NJ
2001, 203
waar de context van het debat opduikt bij de beoordeling van het al dan
niet onnodig grievende karakter van de uitlating. Die context is ook precies
het punt waarop de Hoge Raad i.s. in zijn bewoordingen van het hof afwijkt;
hij voegt de context van een maatschappelijk debat in waar het hof de vrijspraak
geheel op de overgenomen geloofsinterpretatie van de verdachte lijkt te hebben
gebaseerd.
Ook de A-G volgt het spoor van het hof in zijn conclusie waarin de bijdrage
van de uitlating aan het debat als beoordelingscriterium niet met zoveel
woorden voorkomt. De Hoge Raad wijst die benadering door het invlechten van
de context in zijn bewoordingen af. Dat lijkt me als uitgangspunt overigens
terecht. Het spoor van het hof en A-G zou leiden tot de situatie dat een
geloofsovertuiging meer ruimte zou bieden voor het leveren van een bijdrage
aan een maatschappelijk debat, te weten door het doen van op zichzelf grievende
uitlatingen, dan er ruimte voor bijdrage zou zijn door iemand die zich niet
door een geloofsovertuiging laat leiden. Een dergelijk onderscheid is, juist
als het gaat om een maatschappelijk debat, rechtens niet acceptabel. De geloofsovertuiging
vult in de kennelijk andere benadering van de Hoge Raad eerder de context
mede in, maar is geen zelfstandige disculpatiegrond voor het doen van op
zichzelf beledigende uitspraken. Dat kan anders zijn als de uitlating niet
gericht is op deelname aan een maatschappelijk debat, maar deze slechts een
bijdrage vormt aan een theologisch debat in min of meer besloten kring.
6. Acht men aldus het karakter van bijdrage aan een maatschappelijk debat
(en niet de geloofsovertuiging) uiteindelijk doorslaggevend voor de reikwijdte
van de context, dan is vooral de reikwijdte van dit criterium van belang,
omdat die heel groot lijkt te zijn. Immers, naar de opvatting van de Hoge
Raad levert het feit dat uitlatingen een bijdrage leveren aan een maatschappelijk
debat niet alleen de context die het beledigend karakter wegneemt, maar die
context kan al bestaan als de uitlatingen "voor de verdachte" van
betekenis is voor een maatschappelijk debat. Daarmee wordt aan de subjectieve
opvatting van de verdachte wel heel veel betekenis toegekend. Niet alleen
is die opvatting van betekenis voor datgene waar kennelijk een maatschappelijk
debat over gevoerd wordt (het debat over de vraag of homosexuele praxis een
zonde is, is een maatschappelijk debat omdat de dominee dat er van maakt;
de Hoge Raad knoopt aan bij het waarschuwende karakter van de boodschap,
en minder direct bij de band met de geloofsovertuiging van de verdachte,
zoals hij dat in HR 9 januari 2001,
NJ
2001, 203
("als zodanig") wel nog deed, maar de verdachte bepaald ook nog
eens de bewoordingen die hij kan kiezen om zijn bijdrage aan dat debat te
leveren. Die benadering heeft voor- en nadelen.
7. Een nadeel is dat deze context wel geheel gemakkelijk disculperend werkt
voor op zichzelf beledigende uitlatingen. Het derde criterium (is de uitlating
onnodig grievend) zal daar niet veel aan af kunnen doen, ook omdat de Hoge
Raad niet snel aanneemt dat een uitlating onnodig grievend is en ook nalaat
aan te geven wanneer dat wel het geval zal zijn. (Hij gaat i.c. stilzwijgend
voorbij aan de toch behartenswaardige opmerkingen van de A-G bij het hof
in deze.) De kans bestaat dat het karakter van bijdrage aan een maatschappelijk
debat zal meebrengen dat er niet snel sprake zal van zijn van een onnodig
grievende uitlating, waardoor een omgekeerde benadering als in HR 11 februari
1986,
NJ
1986, 689
(gelet op onnodig grievende bewoordingen kan de context niet zonder meer
disculperend werken) minder voor de hand ligt. Daarbij zal wellicht ook mogen
meespelen dat een bijdrage aan een maatschappelijk debat hedentendage al
in forse bewoordingen moet worden gedaan, wil zij gehoord worden. Een ander
nadeel van de ruime reikwijdte van bijdrage aan een maatschappelijk debat
als context is dat aan dat maatschappelijk debat of aan die bijdrage geen
inhoudelijke eisen lijken te kunnen worden gesteld. De benadering van de
Hoge Raad sluit als gezegd de vraag al uit of de homosexuele praxis, bijvoorbeeld
tegen de achtergrond van art. 1 Grondwet, wel voorwerp van maatschappelijk
debat kan zijn, maar er is ook nauwelijks ruimte voor een beoordeling of
een uitlating niet een bepaald niveau van sereniteit moet hebben alvorens
daaraan het beschermingswaardig karakter van bijdrage aan een debat kan worden
toegekend, dan wel dat sprake is van misbruik van recht, een criterium dat
de Hoge Raad in HR 9 oktober 2001,
NJ
2002, 76
bij de beoordeling van een artistieke expressie nog noemt. (Zie ook HR 25
november 1997,
NJ
1998, 261
over de noodzaak van de verdediging in een civiele procedure als grens aan
de vrijheid bepaalde bewoordingen in dat kader te bezigen.) Het criterium
van het niet-onnodig grievende van de gekozen bewoordingen maakt op grond
van de bewoordingen die de Hoge Raad gebruikt althans i.c. geen deel uit
van het criterium of sprake is van een bijdrage aan een maatschappelijk debat
(wellicht is dit bij zeer krenkende uitlatingen anders). Dergelijke, min
of meer inherente beperkingen, worden niet gehanteerd. De A-G bij het hof
probeerde die lijn uit door aan te geven dat niet duidelijk is aan welk debat
de verdachte beoogde deel te nemen, maar ook die lijn wordt door de Hoge
Raad niet gevolgd.
8. De benadering die de Hoge Raad lijkt te kiezen waarin de bijdrage aan
een debat - uiteindelijk - doorslaggevend lijkt (en - bijvoorbeeld - niet
de geloofsovertuiging) heeft echter ook belangrijke voordelen. Het gebruik
van inherente beperkingen alvorens een uitlating toelaatbaar wordt geacht,
levert al gauw meer onduidelijkheden en discussies op en is daarom niet gewenst.
Het ruime criterium van de bijdrage aan een maatschappelijk debat maakt duidelijk
dat het i.c. niet de geloofsovertuiging van de verdachte is die disculperend
werkt. Daarmee wordt als gezegd terecht bewerkstelligd dat een geloofsovertuiging
als zelfstandige context niet een grotere, eigen vrijheid oplevert om op
zichzelf grievende uitlatingen te doen en daardoor met meer vrijheid aan
een maatschappelijk debat deel te nemen. Die vaststelling raakt aan het belangrijkste
voordeel van de benadering van de Hoge Raad. De verdachte dominee kan zonder
strafrechtelijke aansprakelijkheid van repliek worden gediend door degene
die hij aanvalt als
diens bijdrage aan
een maatschappelijk debat en dat ook in bewoordingen die op zichzelf grievend
zijn. De reactie hoeft zich niet te beperken tot een weerlegging van de theologische
grondslag er van, maar er is ruimte deze dominee in forse bewoordingen te
diskwalificeren, althans zonder dat dergelijke diskwalificaties tot strafrechtelijke
consequenties leiden. Het weerwoord tegen de verdachte dominee ligt daarmee
in het reageren op diens opinie en niet in de eerste plaats in de weg van
diens strafvervolging en berechting vanwege zijn uitlatingen, al dan niet
ingekleurd door een rol van bepaalde beledigde personen als slachtoffer.
De rol van de geloofsovertuiging wordt teruggebracht tot de achtergrond die
de bijdrage aan het maatschappelijk debat bepaald: die achtergrond zette
de dominee aan tot waarschuwing en dat is een bijdrage aan een debat. Die
aanzet tot waarschuwing (bijvoorbeeld tegen de opvattingen van deze dominee)
kan ook door enige andere persoonlijke overtuiging worden ingegeven. Die
benadering biedt ten slotte nog het bijkomend voordelen dat inderdaad naar
de subjectieve geloofsovertuiging voor de verdachte kan worden verwezen,
in plaats van dat de rechter voor de beslissing over de strafbaarheid zelf
over de juistheid van de geloofsinterpretatie moet gaan beslissen (vgl. het
verschil tussen hof en Hoge Raad op dit punt; het hof moet de opvatting van
Leviticus als het ware tot de zijne maken).
9. De conclusie van de A-G bevat een overzicht van de relevante jurisprudentie
van het EHRM. In de door hem aangehaalde jurisprudentie gaat het dan wel
vooral om de vraag of een beperking in de vrijheid van meningsuiting door
strafbaarstelling acceptabel is. De lijn van de Hoge Raad komt op dat punt
met die van het EHRM overeen: aan een bijdrage aan een maatschappelijk debat
worden niet snel inhoudelijke eisen als beperking in de weg gelegd. Het hanteren
van de bijdrage aan het debat als belangrijkste toetsingscriterium, maakt
dat de beoordeling van uitlatingen, ook als die door een geloofsovertuiging
geïnspireerd zijn, in de eerst plaats onder art. 10 EVRM en hooguit
aanvullend onder art. 9 EVRM zullen worden getoetst. Maar als gezegd, kan
juist in deze ruime benadering onder het EVRM ook de vraag rijzen of de door
strafbaarstelling bedoelde bescherming van kwetsbare groepen tegen discriminatoire
uitlatingen in het nationale recht voldoende uit de verf komt. Het laatste
woord over de aan de orde zijnde botsing van grondrechten is dan ook nog
niet gesproken. Zie de discussie in
NJB 2003, afl. 16,
p. 829-834. De Minister van Justitie heeft nog een notitie toegezegd (Aanhangsel
Kamerstukken
II, 2002-2003, p. 1305-1306.
10. Uitdrukkelijke aantekening verdient ten slotte dat het in de discussie
naar aanleiding van bovenstaand arrest gaat om de grenzen van de strafrechtelijke
aansprakelijkheid. Dat is niet onbelangrijk. De Hoge Raad schroeft in zijn
benadering in deze en andere arresten de strafbaarheid van op zichzelf beledigende
uitlatingen fors terug. Daar is veel voor te zeggen, maar die benadering
is geen vrijbrief voor een verharding van een maatschappelijk debat. Alleen
de rol van het strafrecht bij de bewaking van de grenzen wordt geminimaliseerd
en dat is, gelet op de betekenis van maatschappelijk debat, terecht. Dat
neemt niet weg dat iedere burger voor zich de vraag moet beantwoorden of
hij met op zichzelf voor anderen krenkende opvattingen naar buiten treedt,
ook al zijn de uitlatingen naar zijn overtuiging waarschuwend. Zo'n missionaire
aandrang kan, met name als zij de gekozen bewoordingen mee inkleurt, ook
zonder strafrechtelijke aansprakelijkheid aan het respect dat moraal en maatschappelijke
betamelijkheid voor de medemens als zodanig eisen, te kort doen. Vrijspraak
in een strafzaak is nog geen morele vrijbrief voor een daarin beoordeelde
uitlating.
PMe
Voetnoot verwijzingen
1:
HR 18 oktober 1988, RR196,
NJ
1989, 476
inzake Goeree.
2:
Tweede Kamer 1969-1970, 9724, MvA, nr. 6, p. 5. Uit Janssens, Strafbare belediging,
p. 392.
3:
De wijziging waarbij de gronden van 137c Sr worden uitgebreid met hetero-
en homoseksuele gerichtheid.
4:
Strafbare belediging, Janssens p. 394.
5:
Idem 6.
6:
B.P. Vermeulen, artikel 6, in: Akkermans/Koekoek, De Grondwet, Een artikelsgewijs
commentaar, tweede druk, p. 124.
7:
AG Machielse in HR van Dijke; zie ook HR
NJ
1992, 568
op dit punt kritische noot van 't H, rubriek 5.
8:
NLR, aant. 5 op art. 261 Sr. AG mr Machielse in zijn conclusie bij Van Dijke.
9:
Conclusie AG Biegman-Hartogh bij HR 21 oktober 1980,
NJ
1981, 69
.
10:
Strafrecht Tekst en Commentaar, art. 261 Sr.
11:
Conclusie AG Biegman-Hartogh bij HR 21 oktober 1980,
NJ
1981, 69
.
12:
HR 16 juni 1953, NJ
1953, 618.
13:
HR 21 okt. 1980,
NJ
1981, 69
.
14:
Vgl. behandeling wetsontwerp betreffende de uitvoeringen van het Discriminatieverdrag
in de Tweede Kamer, Hand. II, 1969/70, met name het commentaar van het lid
Roethof op p. 4335 en het antwoord minister Polak, terwijl uit die discussie
ook blijkt dat voor het begrip beledigend in art. 137c Sr uitdrukkelijk aansluiting
is gezocht bij het begrip belediging van titel XVI van het Wetboek van Strafrecht.
15:
Vergelijk de PG in Hoge Raad 11 februari 1986,
NJ
1986, 689
, Theo van Gogh.
16:
Vergelijk HR 11 december 1990, RR 257,
NJ
1991, 313
.
1*:
Er bestaat hier een verdragsverplichting, nl. het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, New York, 7
maart 1966 ( Trb.
1967, 48).
2*:
De tweede zin van r.o. 6.3. laat zich in de gepubliceerde tekst moeilijk
lezen.
3*:
In zekere zin vergelijkbaar met de niet-toepasselijkheid van de bescherming
van art. 10 EVRM op "clearly established historical facts - such as
the Holocaust" (EHRM 23 september 1998,
JB 1999, 3, m.nt.
RdW, Lehideux en Isorni
v. Frankrijk ).
4*:
In de publicatie zelf lijkt de bijbel er met de haren bijgesleept te zijn.
De ingezonden brief staat integraal opgenomen in de conclusie van mijn ambtgenoot
Machielse.
5*:
Sunday Times-zaak EHRM 26 april 1979,
NJ
1980, 146
, m.nt. EAA.
|