| 1. Het tweede-kamerlid
Leerndert van Dijke (RPF) zorgde eind 1998 voor opschudding
door in een interview met Nieuwe Revu zijn aan zijn
godsdienstig geloof ontleende opvatting te geven over
praktiserende homo's: 'Ja, waarom zou een praktiserend
homoseksueel beter zijn dan een dief?'. Hij werd door de
Rechtbank Den Haag veroordeeld wegens belediging van een groep
mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid, art. 137c Sr. Zie
voor de andere gewraakte uitlatingen de dagvaarding, zoals
weergegeven in bovenvermeld arrest onder 3.2.
Het vonnis van de rechtbank was,
zoals B.P. Vermeulen schreef in zijn noot in de AB
'politiek correct, maar juridisch ondeugdelijk'( AB
1999, 150). Het vonnis riep meer commentaar op: G.A. den
Hartogh, 'Een martelaarskroontje voor Van Dijke', NJB
1998-44, p. 2017-2020; E.C.M. Jurgens, 'Godsdienstvrijheid
bedreigd? Over het rechterlijk verbod om te preken', AA
1999-4, p. 352-353; de noot van A. Woltjer in AA
1999-2, p. 222-230 en ook ik zelf mengde me al vroeg in de
pennenstrijd 'Tolerantie gevraagd' ( Mediaforum
1998-11/12, p. 317). De strekking van alle commentaren was dat
de rechtbank de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting
miskend had. De rechtbank had niet alle woorden van Van Dijke
op een goudschaaltje moeten wegen, maar meer moeten kijken
naar wat hij blijkens de context – wellicht wat ongelukkig
geformuleerd – bedoeld had te zeggen. Dat was: volgens mijn
(Van Dijke's) geloofsovertuiging is het praktiseren van
homoseksualiteit zondig, evenals het overtreden van een van de
andere tien geboden zondig is. Of die commentaren daar toe
hebben bijgedragen, is niet vast te stellen, maar Van Dijke
werd in hoger beroep door het Hof Den Haag vrijgesproken (9
juni 1999, Mediaforum 1999-7/8, nr. 35; ook AB
1999, 328 wederom met een noot van Vermeulen).
2. Conform eerdere
rechtspraak keek het Hof naar de context waarin Van Dijke zijn
uitspraken had gedaan. De gewraakte zinsneden miskennen de
waardigheid van praktiserende homo's en zijn dus op zichzelf
beledigend, maar hun context en de daaruit blijkende bedoeling
ontnemen daaraan het beledigende karakter. Uit de context
blijkt dat Van Dijke op grond van zijn geloofsovertuiging
homosexuele praxis afwijst als zondig en in die context wordt
de waardigheid van praktiserende homosexuelen niet aangetast.
Het Hof houdt bovendien rekening met de grondrechtelijke
vrijheden van godsdienst en van meningsuiting en ook de wijze
waarop Van Dijke zijn opvatting uitdroeg viel volgens het Hof
binnen acceptabele proporties. (vgl. HR 11 februari 1986,
NJ 1986, 689 (Van Gogh), HR 11 december 1990, NJ
1991, 313 (Van Gogh), Hof Amsterdam 20 februari 1996,
Mediaforum 1996-4, p. B57 (Holman) en Hof Amsterdam 26
januari 1993, Rechtspraak Rassendiscriminatie , nr. 309
(Van Gogh).
3. Volgens de Hoge Raad mocht
het Hof bijzondere betekenis toekennen aan de context van Van
Dijke's gewraakte bewoordingen én aan de omstandigheid dat Van
Dijke's (lees: ongelukkige en op zichzelf beledigende G.S.)
vergelijking de functie had om de inhoud van zijn
geloofsovertuiging nader uiteen te zetten. Ook het oordeel van
het Hof dat Van Dijke binnen de grenzen van het toelaatbare is
gebleven houdt stand bij de Hoge Raad en tenslotte mocht het
Hof in zijn oordeel betrekken dat de vrijheid van godsdienst
en van meningsuiting mede bepalend kunnen zijn voor het al dan
niet aannemen van het beledigend karakter. In 's Hofs
overwegingen ligt volgens de Hoge Raad besloten dat Van Dijke
uiting gaf aan zijn geloofsopvatting en deelnam aan het
maatschappelijk debat.(r.o. 3.4.1-3.4.4.).
4. Wat opvalt is dat vrijheid
van godsdienst en vrijheid van meningsuiting in één adem
genoemd worden, maar dat in concreto veel betekenis wordt
toegekend aan de omstandigheid dat Van Dijke de gewraakte
uitlatingen deed in het kader van een uiteenzetting van zijn
geloofsovertuiging en deelnam aan het maatschappelijk debat.
Is er verschil tussen het uiten van een geloofsovertuiging en
het uiten van een mening zonder dat daar een
geloofsovertuiging aan ten grondslag ligt? Is het uiten van
een geloofsovertuiging sterker beschermd? Nieuwenhuis heeft
die vraag opgeworpen in 'Tolerantie verkregen', Mediaforum
1999-13, p. 366-367 en ook de A-G Machielse gaat in zijn
conclusie voor de HR in op die vraag, mede onder verwijzing
naar Vermeulens commentaar op art. 6 Gw (in: P.C.W. Akkermans
& A.K. Koekoek (red.), De Grondwet. Een artikelsgewijs
commentaar . Zwolle: Tjeenk Willink). De Hoge Raad geeft
geen antwoord op die vraag. Zelfs wordt niet verwezen naar de
parlementaire discussie toen 'sexuele gerichtheid' in art.
137c Sr. werd ingevoegd. Christelijke kamerleden vroegen toen
of de christelijke opvattingen over de zondigheid van
homosexualiteit, mits niet onnodig kwetsend, mochten worden
uitgedragen en verkondigd. Minister Hirsch Ballin antwoordde
dat hun vrees dat zij dan met het strafrecht in aanraking
zouden komen, niet terecht was. ( Handelingen II
1989/90, p. 3090 en Kamerstukken II 1990/91, 20 239,
nr. 76c, p. 3). De vraag lijkt mij niettemin van belang. Een
beroep op geloofsovertuiging gaat immers niet altijd op. Dat
ondervond het echtpaar Goeree.
5. Het echtpaar Goeree had
met een beroep op de bijbel verkondigd, dat de joden de
holocaust aan zichzelf te danken hebben. Hun beroep op de
godsdienstvrijheid faalde. (HR 5 juni 1987, NJ 1988,
702; vgl. ook HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 476; zie ook
S. Stolwijk, 'De zaak Goeree', AA 1988, p. 124.). De
Goeree's hadden het ook op homo's gemunt: 'De levensstijl van
de heer Z. is een voorbeeld uit de praktijk van hetgeen deze
passage uit 'Sodom in Nederland' zegt: Iemand die
homosexualiteit bedrijft laadt net als een moordenaar
bloedschuld op zich. Hij verdient de doodstraf. Dat staat in
de bijbel'. Het Hof Arnhem oordeelde dat de onrechtmatigheid
jegens de heer Z. niet werd weggenomen door de toevoeging 'Dat
staat in de bijbel'. De woorden 'als een moordenaar' legden
volgens het Hof een ongenuanceerd verband tussen de ziekte
aids en de verbreiding ervan door homosexuelen en dat alles
met name gericht tegen de persoon Z. (Hof Arnhem 7 februari
1989, KG 1989, 110). Kardinaal Simonis daarentegen
mocht voor de radio zeggen dat volgens katholiek standpunt
homosexualiteit een afwijking van de natuurlijke
scheppingsorde is en hij mocht begrip opbrengen voor
verhuurders die zich op grond van dit standpunt gedwongen
voelden geen woonruimte aan homo's te verhuren (Hof Amsterdam
10 december 1987, ongepubl., te vinden bij A.B. Vermeulen 'De
Goerees en de kardinaal, ofwel: vrijheid van godsdienst versus
discriminatieverbod', in L. Heyde e.a. 'Begrensde vrijheid
(Scheltensbundel), Zwolle, Tjeenk Willink 1989, p. 258-278).
6. Wanneer gaat dat beroep op
die geloofsovertuiging dan niet op? Inderdaad: als het wel
heel erg krenkend is of als bijvoorbeeld wordt opgeroepen tot
geweld en discriminatie, zoals Nieuwenhuis (zie het boven
vermelde artikel) opmerkt en volgens welk standpunt de
kardinaal dus door het oog van de naald ging. Maar dat geldt
allemaal ook voor een beroep op de vrijheid van meningsuiting.
Ook dat beroep gaat niet op als de krenking te erg is, als de
uiting oproept tot geweld en discriminatie e.d. Anderzijds zou
men zich kunnen afvragen of de conclusie ten aanzien van Van
Dijke dezelfde zou (moeten) zijn als men in bovenvermeld
arrest overal de woorden 'geloofsovertuiging' zou vervangen
door 'door mijn levensovertuiging ingegeven morele
opvattingen', of, nog sterker, door 'volgens mijn morele
opvattingen', waarbij zij opgemerkt dat 'levensovertuiging' in
art. 6 Gw. uitdrukkelijk genoemd wordt. Daarmee is blijkens de
wetsgeschiedenis een min of meer samenhangende
levensovertuiging bedoeld, wat dat ook wezen moge en ik laat
maar in het midden de vraag of een geloofsovertuiging óók
samenhangend moet zijn. Waar het mij om te doen is, is dat
iemand óók zonder beroep op de godsdienstvrijheid moet kunnen
zeggen, dat volgens zijn– al dan niet samenhangende - morele
opvattingen de homosexuele praxis verwerpelijk is, uiteraard
mits niet onnodig grievend en zo.
7. Wat betekent dit voor de
vrijheid van godsdienst? Ik denk dat de bescherming van de
godsdienstvrijheid verschillende niveau's heeft (vgl. ook de
'schillen' van Voogt, te lezen bij Jurgens, zie hierboven). De
sterkste bescherming geniet de geloofs overtuiging
(waar niemand aan kan komen, behalve misschien via
hersenspoeling, hetgeen dus verboden is), in de tweede plaats
geniet sterke bescherming de eredienst in én buiten de
kerkgebouwen (geen schuilkerken nodig, geen processieverbod).
In de derde plaats geniet de godsdienst bescherming bij de
verkondiging of het uitdragen van het geloof naar
buiten. Dat heeft altijd iets beledigends en krenkends in
zich: 'bekeert u, komt tot ons ware geloof, u dwaalt en
zondigt' etcetera. Dat verkondigen kan ook zeer hinderlijk en
opdringerig worden. Het EHRM heeft in een zaak tegen
Griekenland bepaald, dat volgens art. 9 EVRM 'proper
proselytism' niet, maar 'improper proselytism' wél verboden
zou kunnen worden (EHRM 25 mei 1993, Series A. vol.
260) en in de vierde plaats? Wordt ook de mededeling naar
buiten over wat de geloofsopvatting inhoudt, door de
godsdienstvrijheid beschermd of door de vrijheid van
meningsuiting? Hier zijn we op een glijdende schaal van al dan
niet 'proper' proselitisme naar de enkele mededeling,
desgevraagd aan een journalist van Nieuwe Revu, wat men er
volgens zijn geloofsovertuiging van vindt. En dat laatste valt
volgens mij gewoon onder de vrijheid van meningsuiting
(overigens ook met zijn beperkingen) of - zo men wil – hier
valt de godsdienstvrijheid samen met de vrijheid van
meningsuiting.(zie ook nr. 12 in de conclusie van de A-G
Machielse).
8. De Hoge Raad accepteert
dat op zichzelf beledigende uitlatingen, gedaan in de context
van een uiteenzetting van de geloofsovertuiging, het
beledigend karakter kunnen missen. Dat lijkt mij dus geen
wezenlijke toevoeging aan wat de Hoge Raad eerder gezegd heeft
over de context die aan bepaalde uitlatingen (bijvoorbeeld die
van de agnost Theo van Gogh) het beledigend karakter
kan ontnemen. Het wordt bevestigd door het in één adem noemen
van de vrijheid godsdienst en van meningsuiting. Sterker nog,
waar het Hof op diverse plaatsen spreekt over de door Van Dijk
uitgedragen geloofsovertuiging, wordt dat woord door de
HR consequent vermeden. De HR spreekt van 'de inhoud van zijn
geloofsovertuiging nader uiteen te zetten ', ' ter
aanduiding van de in de geloofsopvatting verankerde
opvatting', ' uiting van zijn geloofsopvatting' en last
but not least, die uiting was voor Van Dijk 'van betekenis in
het maatschappelijk debat' (zonder overigens te verwijzen naar
de vele uitspraken van het EHRM over de heel in het bijzonder
door art. 10 EVRM beschermde vrijheid van het publieke debat).
Als ik het goed lees, laat de Hoge Raad in het midden of Van
Dijke in dit geval door de vrijheid van godsdienst dan wel
door de vrijheid van meningsuiting beschermd diende te worden,
maar dat in elk geval rekening moest worden gehouden met de
bijzondere omstandigheden van het geval, zoals er zo vele
omstandigheden kunnen zijn, waarmee rekening gehouden moet
worden.
9. Over art. 10 EVRM
gesproken, merk op dat de Hoge Raad en het Hof er niet aan toe
komen, omdat zij tot vrijspraak concluderen. Artikel 10 zou
pas aan de orde komen als de opzettelijke belediging bewezen
was verklaard en de vraag beantwoord moest worden of in dit
concrete geval art. 137c Sr. in verband met art. 94 Gw. iuncto
art. 10 EVRM buiten toepassing zou moeten worden gelaten.
Tegelijk ziet men dat 'de vrijheid van godsdienst en van
meningsuiting' wel reeds een rol speelt bij de feitelijke
vraag of sprake is van belediging. Het loopt bij de Hoge Raad
(en ook bij het Hof) dus een beetje door elkaar. Dat gebeurt
in ons recht wel vaker: vgl. Art. 261 lid 3 Sr 'noch smaad,
noch smaadschrift indien ¼ .etc'. Maar de benadering van art
10 EVRM is toch wat helderder. Wat dat betreft liet de
Rechtbank in eerste instantie een kans voorbij gaan. Die was
rechtlijnig: het is beledigend en daarmee basta. Toen
vervolgens terecht een beroep werd gedaan op art. 10 EVRM,
liet de rechtbank het helaas af weten. Het had zo mooi kunnen
zijn: het is beledigend, maar een veroordeling voor deze
uitlatingen acht de rechtbank – alle omstandigheden in
aanmerking genomen – in dit geval niet noodzakelijk in een
democratische, dus tolerante, samenleving. Immers, de vrijheid
van meningsuiting is er ook om te beledigen (' offend'
! zie o.m. EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146). Gelukkig
dat beide benaderingen ertoe leiden dat Van Dijke moest kunnen
zeggen wat hij zei. Gelukkig ook, dat men – homo of geen homo
- zijn geloof niet hoeft aan te hangen.
10. Op dezelfde dag wees de
HR nóg een arrest over een vergelijkbare uiting in een
ingezonden brief van een minder bekende persoonlijkheid. De
overwegingen van de HR zijn nagenoeg gelijkluidend. Aan het
einde wordt het kader van het maatschappelijk debat heel
concreet. De HR neemt in aanmerking dat 'in 'Hofs overwegingen
besloten ligt dat de uitlatingen werden gedaan in het kader
van het maatschappelijk debat over de aanvaardbaarheid van de
voorstellen van de Commissie Kortman ten aanzien van het
homohuwelijk'.
|