Annotatie bij Hoge Raad 9 januari 2001 (strafzaak uitlatingen Van Dijke)

G.A.I. Schuijt


1. Het tweede-kamerlid Leerndert van Dijke (RPF) zorgde eind 1998 voor opschudding door in een interview met Nieuwe Revu zijn aan zijn godsdienstig geloof ontleende opvatting te geven over praktiserende homo's: 'Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?'. Hij werd door de Rechtbank Den Haag veroordeeld wegens belediging van een groep mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid, art. 137c Sr. Zie voor de andere gewraakte uitlatingen de dagvaarding, zoals weergegeven in bovenvermeld arrest onder 3.2.

Het vonnis van de rechtbank was, zoals B.P. Vermeulen schreef in zijn noot in de AB 'politiek correct, maar juridisch ondeugdelijk'( AB 1999, 150). Het vonnis riep meer commentaar op: G.A. den Hartogh, 'Een martelaarskroontje voor Van Dijke', NJB 1998-44, p. 2017-2020; E.C.M. Jurgens, 'Godsdienstvrijheid bedreigd? Over het rechterlijk verbod om te preken', AA 1999-4, p. 352-353; de noot van A. Woltjer in AA 1999-2, p. 222-230 en ook ik zelf mengde me al vroeg in de pennenstrijd 'Tolerantie gevraagd' ( Mediaforum 1998-11/12, p. 317). De strekking van alle commentaren was dat de rechtbank de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting miskend had. De rechtbank had niet alle woorden van Van Dijke op een goudschaaltje moeten wegen, maar meer moeten kijken naar wat hij blijkens de context – wellicht wat ongelukkig geformuleerd – bedoeld had te zeggen. Dat was: volgens mijn (Van Dijke's) geloofsovertuiging is het praktiseren van homoseksualiteit zondig, evenals het overtreden van een van de andere tien geboden zondig is. Of die commentaren daar toe hebben bijgedragen, is niet vast te stellen, maar Van Dijke werd in hoger beroep door het Hof Den Haag vrijgesproken (9 juni 1999, Mediaforum 1999-7/8, nr. 35; ook AB 1999, 328 wederom met een noot van Vermeulen).

2. Conform eerdere rechtspraak keek het Hof naar de context waarin Van Dijke zijn uitspraken had gedaan. De gewraakte zinsneden miskennen de waardigheid van praktiserende homo's en zijn dus op zichzelf beledigend, maar hun context en de daaruit blijkende bedoeling ontnemen daaraan het beledigende karakter. Uit de context blijkt dat Van Dijke op grond van zijn geloofsovertuiging homosexuele praxis afwijst als zondig en in die context wordt de waardigheid van praktiserende homosexuelen niet aangetast. Het Hof houdt bovendien rekening met de grondrechtelijke vrijheden van godsdienst en van meningsuiting en ook de wijze waarop Van Dijke zijn opvatting uitdroeg viel volgens het Hof binnen acceptabele proporties. (vgl. HR 11 februari 1986, NJ 1986, 689 (Van Gogh), HR 11 december 1990, NJ 1991, 313 (Van Gogh), Hof Amsterdam 20 februari 1996, Mediaforum 1996-4, p. B57 (Holman) en Hof Amsterdam 26 januari 1993, Rechtspraak Rassendiscriminatie , nr. 309 (Van Gogh).

3. Volgens de Hoge Raad mocht het Hof bijzondere betekenis toekennen aan de context van Van Dijke's gewraakte bewoordingen én aan de omstandigheid dat Van Dijke's (lees: ongelukkige en op zichzelf beledigende G.S.) vergelijking de functie had om de inhoud van zijn geloofsovertuiging nader uiteen te zetten. Ook het oordeel van het Hof dat Van Dijke binnen de grenzen van het toelaatbare is gebleven houdt stand bij de Hoge Raad en tenslotte mocht het Hof in zijn oordeel betrekken dat de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting mede bepalend kunnen zijn voor het al dan niet aannemen van het beledigend karakter. In 's Hofs overwegingen ligt volgens de Hoge Raad besloten dat Van Dijke uiting gaf aan zijn geloofsopvatting en deelnam aan het maatschappelijk debat.(r.o. 3.4.1-3.4.4.).

4. Wat opvalt is dat vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting in één adem genoemd worden, maar dat in concreto veel betekenis wordt toegekend aan de omstandigheid dat Van Dijke de gewraakte uitlatingen deed in het kader van een uiteenzetting van zijn geloofsovertuiging en deelnam aan het maatschappelijk debat. Is er verschil tussen het uiten van een geloofsovertuiging en het uiten van een mening zonder dat daar een geloofsovertuiging aan ten grondslag ligt? Is het uiten van een geloofsovertuiging sterker beschermd? Nieuwenhuis heeft die vraag opgeworpen in 'Tolerantie verkregen', Mediaforum 1999-13, p. 366-367 en ook de A-G Machielse gaat in zijn conclusie voor de HR in op die vraag, mede onder verwijzing naar Vermeulens commentaar op art. 6 Gw (in: P.C.W. Akkermans & A.K. Koekoek (red.), De Grondwet. Een artikelsgewijs commentaar . Zwolle: Tjeenk Willink). De Hoge Raad geeft geen antwoord op die vraag. Zelfs wordt niet verwezen naar de parlementaire discussie toen 'sexuele gerichtheid' in art. 137c Sr. werd ingevoegd. Christelijke kamerleden vroegen toen of de christelijke opvattingen over de zondigheid van homosexualiteit, mits niet onnodig kwetsend, mochten worden uitgedragen en verkondigd. Minister Hirsch Ballin antwoordde dat hun vrees dat zij dan met het strafrecht in aanraking zouden komen, niet terecht was. ( Handelingen II 1989/90, p. 3090 en Kamerstukken II 1990/91, 20 239, nr. 76c, p. 3). De vraag lijkt mij niettemin van belang. Een beroep op geloofsovertuiging gaat immers niet altijd op. Dat ondervond het echtpaar Goeree.

5. Het echtpaar Goeree had met een beroep op de bijbel verkondigd, dat de joden de holocaust aan zichzelf te danken hebben. Hun beroep op de godsdienstvrijheid faalde. (HR 5 juni 1987, NJ 1988, 702; vgl. ook HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 476; zie ook S. Stolwijk, 'De zaak Goeree', AA 1988, p. 124.). De Goeree's hadden het ook op homo's gemunt: 'De levensstijl van de heer Z. is een voorbeeld uit de praktijk van hetgeen deze passage uit 'Sodom in Nederland' zegt: Iemand die homosexualiteit bedrijft laadt net als een moordenaar bloedschuld op zich. Hij verdient de doodstraf. Dat staat in de bijbel'. Het Hof Arnhem oordeelde dat de onrechtmatigheid jegens de heer Z. niet werd weggenomen door de toevoeging 'Dat staat in de bijbel'. De woorden 'als een moordenaar' legden volgens het Hof een ongenuanceerd verband tussen de ziekte aids en de verbreiding ervan door homosexuelen en dat alles met name gericht tegen de persoon Z. (Hof Arnhem 7 februari 1989, KG 1989, 110). Kardinaal Simonis daarentegen mocht voor de radio zeggen dat volgens katholiek standpunt homosexualiteit een afwijking van de natuurlijke scheppingsorde is en hij mocht begrip opbrengen voor verhuurders die zich op grond van dit standpunt gedwongen voelden geen woonruimte aan homo's te verhuren (Hof Amsterdam 10 december 1987, ongepubl., te vinden bij A.B. Vermeulen 'De Goerees en de kardinaal, ofwel: vrijheid van godsdienst versus discriminatieverbod', in L. Heyde e.a. 'Begrensde vrijheid (Scheltensbundel), Zwolle, Tjeenk Willink 1989, p. 258-278).

6. Wanneer gaat dat beroep op die geloofsovertuiging dan niet op? Inderdaad: als het wel heel erg krenkend is of als bijvoorbeeld wordt opgeroepen tot geweld en discriminatie, zoals Nieuwenhuis (zie het boven vermelde artikel) opmerkt en volgens welk standpunt de kardinaal dus door het oog van de naald ging. Maar dat geldt allemaal ook voor een beroep op de vrijheid van meningsuiting. Ook dat beroep gaat niet op als de krenking te erg is, als de uiting oproept tot geweld en discriminatie e.d. Anderzijds zou men zich kunnen afvragen of de conclusie ten aanzien van Van Dijke dezelfde zou (moeten) zijn als men in bovenvermeld arrest overal de woorden 'geloofsovertuiging' zou vervangen door 'door mijn levensovertuiging ingegeven morele opvattingen', of, nog sterker, door 'volgens mijn morele opvattingen', waarbij zij opgemerkt dat 'levensovertuiging' in art. 6 Gw. uitdrukkelijk genoemd wordt. Daarmee is blijkens de wetsgeschiedenis een min of meer samenhangende levensovertuiging bedoeld, wat dat ook wezen moge en ik laat maar in het midden de vraag of een geloofsovertuiging óók samenhangend moet zijn. Waar het mij om te doen is, is dat iemand óók zonder beroep op de godsdienstvrijheid moet kunnen zeggen, dat volgens zijn– al dan niet samenhangende - morele opvattingen de homosexuele praxis verwerpelijk is, uiteraard mits niet onnodig grievend en zo.

7. Wat betekent dit voor de vrijheid van godsdienst? Ik denk dat de bescherming van de godsdienstvrijheid verschillende niveau's heeft (vgl. ook de 'schillen' van Voogt, te lezen bij Jurgens, zie hierboven). De sterkste bescherming geniet de geloofs overtuiging (waar niemand aan kan komen, behalve misschien via hersenspoeling, hetgeen dus verboden is), in de tweede plaats geniet sterke bescherming de eredienst in én buiten de kerkgebouwen (geen schuilkerken nodig, geen processieverbod). In de derde plaats geniet de godsdienst bescherming bij de verkondiging of het uitdragen van het geloof naar buiten. Dat heeft altijd iets beledigends en krenkends in zich: 'bekeert u, komt tot ons ware geloof, u dwaalt en zondigt' etcetera. Dat verkondigen kan ook zeer hinderlijk en opdringerig worden. Het EHRM heeft in een zaak tegen Griekenland bepaald, dat volgens art. 9 EVRM 'proper proselytism' niet, maar 'improper proselytism' wél verboden zou kunnen worden (EHRM 25 mei 1993, Series A. vol. 260) en in de vierde plaats? Wordt ook de mededeling naar buiten over wat de geloofsopvatting inhoudt, door de godsdienstvrijheid beschermd of door de vrijheid van meningsuiting? Hier zijn we op een glijdende schaal van al dan niet 'proper' proselitisme naar de enkele mededeling, desgevraagd aan een journalist van Nieuwe Revu, wat men er volgens zijn geloofsovertuiging van vindt. En dat laatste valt volgens mij gewoon onder de vrijheid van meningsuiting (overigens ook met zijn beperkingen) of - zo men wil – hier valt de godsdienstvrijheid samen met de vrijheid van meningsuiting.(zie ook nr. 12 in de conclusie van de A-G Machielse).

8. De Hoge Raad accepteert dat op zichzelf beledigende uitlatingen, gedaan in de context van een uiteenzetting van de geloofsovertuiging, het beledigend karakter kunnen missen. Dat lijkt mij dus geen wezenlijke toevoeging aan wat de Hoge Raad eerder gezegd heeft over de context die aan bepaalde uitlatingen (bijvoorbeeld die van de agnost Theo van Gogh) het beledigend karakter kan ontnemen. Het wordt bevestigd door het in één adem noemen van de vrijheid godsdienst en van meningsuiting. Sterker nog, waar het Hof op diverse plaatsen spreekt over de door Van Dijk uitgedragen geloofsovertuiging, wordt dat woord door de HR consequent vermeden. De HR spreekt van 'de inhoud van zijn geloofsovertuiging nader uiteen te zetten ', ' ter aanduiding van de in de geloofsopvatting verankerde opvatting', ' uiting van zijn geloofsopvatting' en last but not least, die uiting was voor Van Dijk 'van betekenis in het maatschappelijk debat' (zonder overigens te verwijzen naar de vele uitspraken van het EHRM over de heel in het bijzonder door art. 10 EVRM beschermde vrijheid van het publieke debat). Als ik het goed lees, laat de Hoge Raad in het midden of Van Dijke in dit geval door de vrijheid van godsdienst dan wel door de vrijheid van meningsuiting beschermd diende te worden, maar dat in elk geval rekening moest worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval, zoals er zo vele omstandigheden kunnen zijn, waarmee rekening gehouden moet worden.

9. Over art. 10 EVRM gesproken, merk op dat de Hoge Raad en het Hof er niet aan toe komen, omdat zij tot vrijspraak concluderen. Artikel 10 zou pas aan de orde komen als de opzettelijke belediging bewezen was verklaard en de vraag beantwoord moest worden of in dit concrete geval art. 137c Sr. in verband met art. 94 Gw. iuncto art. 10 EVRM buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Tegelijk ziet men dat 'de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting' wel reeds een rol speelt bij de feitelijke vraag of sprake is van belediging. Het loopt bij de Hoge Raad (en ook bij het Hof) dus een beetje door elkaar. Dat gebeurt in ons recht wel vaker: vgl. Art. 261 lid 3 Sr 'noch smaad, noch smaadschrift indien ¼ .etc'. Maar de benadering van art 10 EVRM is toch wat helderder. Wat dat betreft liet de Rechtbank in eerste instantie een kans voorbij gaan. Die was rechtlijnig: het is beledigend en daarmee basta. Toen vervolgens terecht een beroep werd gedaan op art. 10 EVRM, liet de rechtbank het helaas af weten. Het had zo mooi kunnen zijn: het is beledigend, maar een veroordeling voor deze uitlatingen acht de rechtbank – alle omstandigheden in aanmerking genomen – in dit geval niet noodzakelijk in een democratische, dus tolerante, samenleving. Immers, de vrijheid van meningsuiting is er ook om te beledigen (' offend' ! zie o.m. EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146). Gelukkig dat beide benaderingen ertoe leiden dat Van Dijke moest kunnen zeggen wat hij zei. Gelukkig ook, dat men – homo of geen homo - zijn geloof niet hoeft aan te hangen.

10. Op dezelfde dag wees de HR nóg een arrest over een vergelijkbare uiting in een ingezonden brief van een minder bekende persoonlijkheid. De overwegingen van de HR zijn nagenoeg gelijkluidend. Aan het einde wordt het kader van het maatschappelijk debat heel concreet. De HR neemt in aanmerking dat 'in 'Hofs overwegingen besloten ligt dat de uitlatingen werden gedaan in het kader van het maatschappelijk debat over de aanvaardbaarheid van de voorstellen van de Commissie Kortman ten aanzien van het homohuwelijk'.

 


Geplaatst 16.09.2000