Arrest van de strafkamer van
de Hoge Raad der Nederlanden
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof
te 's-Gravenhage van 9
juni 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof
gegeven beslissingen in de
strafzaak tegen:
de heer van D., geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
1950, wonende te
[woonplaats].1 De
bestreden einduitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep
- met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de
Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 29 september 1998 -
de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende
dagvaarding tenlastegelegde.
2 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door
de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur
een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit
arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge
Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren
in zijn cassatieberoep.
3 Beoordeling van de
ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1 Nu het beroep is gericht
tegen een vrijspraak moet de Hoge Raad, gezien het eerste lid
van art. 430 Sv, allereerst beoordelen of de Advocaat-Generaal
bij het Hof in dat beroep kan worden ontvangen. Daartoe dient
te worden onderzocht of de gegeven vrijspraak een andere is
dan die bedoeld in deze wetsbepaling. Dit brengt mee dat voor
het onderhavige geval eerst de vraag moet worden beantwoord of
het Hof, door te overwegen en te beslissen als in dit arrest
is weergegeven, de grondslag van de tenlastelegging heeft
verlaten en van iets anders heeft vrijgesproken dan was
tenlastegelegd.
3.2 Aan de verdachte is
tenlastegelegd dat:
'hij op of omstreeks 12 december 1997, althans in de maand
december 1997 te Ouddorp en/of Den Haag, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging, althans alleen,
zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend
heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten
homoseksuelen, wegens hun homoseksuele gerichtheid,
immers heeft verdachte een (ingezonden) brief, althans
geschreven stuk, gestuurd naar, althans laten opnemen in de
Justitiekrant, een (openbaar) beleidsinformatieblad van het
Ministerie van Justitie, welk(e) brief/stuk onder meer de
passage bevatte:
'Homoseksualiteit wordt
gelijk gesteld aan heteroseksualiteit. Dat is zo ongeveer
diefstal gelijkstellen met het schenkingsrecht of mishandeling
met verpleging, althans woorden van soortgelijke strekking,
zulks terwijl die brief/dat stuk is opgenomen in dat
(beleids)informatieblad, te weten aflevering/nummer 23, 12
december 1997 en die aflevering/dat nummer (in grote getale)
in of omstreeks de maand december 1997 in Nederland is
verspreid' .
3.3 Het Hof heeft de
verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe
overwogen:
Naar het oordeel van het hof is niet bewezen hetgeen aan de
verdachte is ten laste gelegd. Daartoe overweegt het hof als
volgt.
'Homoseksualiteit
wordt gelijk gesteld aan heteroseksualiteit. Dat is zo
ongeveer diefstal gelijk stellen met het schenkingsrecht of
mishandeling met verpleging'.
Deze uitlating heeft
verdachte gedaan in een ingezonden brief in het informatieblad
van het Ministerie van Justitie naar aanleiding van een oproep
van de redactie van het blad om te reageren op de conclusies
van de commissie Kortmann over de openstelling van het
huwelijk voor homo-paren.
'Het hof is van oordeel dat
de uitlating op zichzelf beschouwd voor homofielen een
beledigend karakter heeft, aangezien de homofiel vergeleken
wordt met iemand die misdrijven pleegt. Daardoor wordt de
waardigheid van de desbetreffende groep mensen miskend.
Daaraan doet niet af dat verdachte blijkens zijn ingezonden
stuk alleen het oog heeft gehad op de homoseksuele praxis, die
nu eenmaal inherent is aan een homohuwelijk -zoals dit ook ten
aanzien van de heteroseksuele praxis en het huwelijk kan
worden aangenomen. Bij de totstandkoming van artikel 137c van
het Wetboek van Strafrecht heeft de wetgever bewust de
bescherming tegen beledigende uitlatingen niet beperkt tot
beledigende uitlatingen wegens de homofiele geaardheid maar
gekozen voor bescherming tegen dergelijke uitlatingen wegens
homoseksuele gerichtheid. Met homoseksuele gerichtheid wordt
bedoeld de homofiele geaardheid en het daarmee samenhangende
gedrag.
Het hof is evenwel van oordeel dat de context waarin de
uitlating is geplaatst en de daaruit blijkende kennelijke
bedoeling daarvan het beledigende karakter aan de uitlating
ontneemt. Uit die context blijkt dat de verdachte de zin heeft
ge-plaatst in het publieke debat over het al of niet geven van
een wettelijke basis aan het homohuwelijk en dat zijn mening
daarover is geïnspireerd door de bijbelse opvattingen over
homofilie. Hij belijdt zijn mening door de stijlfiguur van de
vergelijking te hanteren.
Wie, zoals verdachte, redenerend vanuit zijn christelijke
gedachtengoed, de homoseksuele praxis afkeurt - hetgeen op
zichzelf beschouwd zijn goed recht is - en wie kiest voor de
stijlfiguur van de vergelijking om die mening te belijden
-welke keuze hem evenmin kan worden ontzegd- kan haast niet
anders dan als voorbeeld in die vergelijking het kwade met
naam en toenaam benoemen. Vlak voorafgaande aan de gewraakte
tekst schrijft hij ook dat het hem gaat om de vergelijking
tussen goed en kwaad.
Dat verdachte om zijn verwerping van de homoseksuele praxis
uit te drukken koos voor 'ongeveer' de diefstal en de
mishandeling als kwaden is dan niet buiten proportie.
Verder weegt het hof mee dat de uitlating in de opvatting van
verdachte functioneel kan zijn vanwege het lopend debat over
het homohuwelijk en de voor-stellen in die richting van de
commissie Kortmann. In een democratische samenleving behoort
voor een derge-lijk debat ruimte te zijn, mits binnen
acceptabele proporties. Zoals gesteld acht het hof dit laatste
het geval, zodat hier geen beperking kan worden toegelaten op
het grondrecht van vrije meningsuiting.
Dit leidt ertoe dat de gewraakte uitlating gelet op haar
context niet onnodig grievend is en derhalve niet beledigend
in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht.
Onbesproken kan verder blijven of verdachte ook het opzet tot
beledigen in die zin had. Daarom zal hij worden vrijgesproken
van de hem verweten gedraging'.
3.4.1 Het Hof heeft aldus van
de tenlastegelegde uitlatingen, uitmondend in de zinsnede
'Homoseksualiteit wordt gelijk gesteld aan heteroseksualiteit.
Dat is zo ongeveer diefstal gelijk stellen met het
schenkingsrecht of mishandeling met verpleging' , de
vergelijking met diefstal/mishandeling niet geïsoleerd, maar
in de context van de uitlatingen in zijn geheel beschouwd. Dat
leidde het Hof tot het oordeel dat aan de uitlatingen het
beledigende karakter wordt ontnomen. Bij de waardering van die
context heeft het Hof in het bijzonder betekenis toegekend aan
het feit dat de gebezigde vergelijking van in de ogen van de
verdachte verboden gedragingen dient ter aanduiding van de in
de bijbelse opvattingen van de verdachte verankerde opvatting
omtrent het goede tegenover het kwade, zulks in het kader van
een publiek debat over de voorstellen van de
Commissie-Kortmann.
3.4.2 Door te overwegen als
hiervoor onder 3.3 is weergegeven, heeft het Hof mede als zijn
oordeel tot uitdrukking gebracht dat de voor praktiserende
homoseksuelen op zichzelf beschouwd kwetsende en of grievende
vergelijking met diefstal en mishandeling een beledigend
karakter kan missen, indien die verwijzing naar diefstal en
mishandeling dient ter aanduiding van de aan de bijbelse
opvatting van de verdachte ontleende mening dat een
homoseksuele levenswijze als een kwaad moet worden aangemerkt.
3.4.3 Noch door de wijze
waarop het Hof (blijkens het hiervoor onder 3.4.1 overwogene)
de context heeft betrokken in zijn oordeel over de zinsnede,
die de kern van de tenlastegelegde uitlating vormt, noch door
de betekenis die het Hof (blijkens het hiervoor onder 3.4.2
overwogene) heeft toegekend aan de omstandigheid dat die
zinsnede een uiting vormt van de aan bijbelse opvattingen
ontleende mening van de verdachte, heeft het Hof blijk gegeven
van een onjuiste opvatting ten aanzien van de term
'beledigend', die de steller van de tenlastelegging kennelijk
heeft gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 137c Sr
toekomt.
3.4.4 Het oordeel van het Hof
dat de vergelijking van de homoseksuele praxis met andere in
verdachtes opvatting even kwade gedragingen binnen de grenzen
van het aanvaardbare is gebleven en daarom een onnodig
grievend en beledigend karakter mist, getuigt evenmin van een
onjuiste rechtsopvatting. Het Hof mocht in dat oordeel
betrekken dat de vrijheid van meningsuiting mede bepalend kan
zijn voor het al dan niet aannemen van een beledigend karakter
van - op zichzelf beschouwd kwetsende of grievende -
uitlatingen. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat in
's Hofs overwegingen besloten ligt dat deze uitlatingen werden
gedaan in het kader van het maatschappelijke debat over de
aanvaardbaarheid van de voorstellen van de Commissie Kortmann
ten aanzien van het homohuwelijk.
3.5 Aangezien ook overigens
niet blijkt van enige omstandigheid op grond waarvan de
vrijspraak zou zijn aan te merken als een andere dan die
waarop in voormeld art. 430, eerste lid, Sv wordt gedoeld, kan
de Advocaat-Generaal bij het Hof in zijn beroep niet worden
ontvangen.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart de
Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de
vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren
G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens en
J.P. Balkema, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en
uitgesproken op 9 januari 2001.
Nr. 00946/99
Mr Machielse
Zitting 26 september 2000
Conclusie inzake:
De heer van D.
Edelhoogachtbaar College,
1 De heer van D. is bij
arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 juni 1999 -
na vrijspraak door de politierechter te Rotterdam -
vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde verwijt, te
weten overtreding van art. 137c Sr.
2 Het Openbaar Ministerie
heeft tijdig cassatieberoep ingesteld en één middel van
cassatie voorgesteld.
3 Art. 430 lid 1 Sv bepaalt
dat tegen een vrijspraak geen cassatieberoep open staat. Op
grond van de rechtspraak van uw Raad lijdt deze regeling
uitzondering, indien het een zogenaamde onzuivere vrijspraak
betreft. Daarvan is onder meer sprake indien de verdachte van
iets anders is vrijgesproken dan aan hem was tenlastegelegd.
4 Aan de heer van D. is
tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12
december 1997, althans in de maand december 1997 te Ouddorp
en/of Den Haag, althans elders in Nederland, tezamen en in
vereniging, althans alleen,
zich in het openbaar bij
geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een
groep mensen, te weten homoseksuelen, wegens hun homosexuele
gerichtheid,
immers heeft verdachte een
(ingezonden) brief, althans geschreven stuk, gestuurd naar,
althans laten opnemen in de Justitiekrant, een (openbaar)
beleidsinformatieblad van het Ministerie van Justitie, welk(e)
brief/stuk onder meer de passage bevatte:
'Homoseksualiteit wordt
gelijk gesteld aan heteroseksualiteit. Dat is zo ongeveer
diefstal gelijkstellen met het schenkingsrecht of mishandeling
met verpleging, althans woorden van soortgelijke strekking,
zulks terwijl die brief/dat
stuk is opgenomen in dat (beleids)informatieblad, te weten
aflevering/nummer 23, 12 december 1997 en die aflevering/dat
nummer (in grote getale) in of omstreeks de maand december
1997 in Nederland is verspreid;
5 Het hof heeft de gegeven
vrijspraak als volgt gemotiveerd:
Naar het oordeel van het hof
is niet bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd.
Daartoe overweegt het hof als volgt.
'Homoseksualiteit wordt
gelijk gesteld aan heteroseksualiteit. Dat is zo ongeveer
diefstal gelijk stellen met het schenkingsrecht of
mishandeling met verpleging.'
Deze uitlating heeft
verdachte gedaan in een ingezonden brief in het informatieblad
van het Ministerie van Justitie naar aanleiding van een oproep
van de redactie van het blad om te reageren op de conclusies
van de commissie Kortmann over de openstelling van het
huwelijk voor homo-paren.
Het hof is van oordeel dat de
uitlating op zichzelf beschouwd voor homofielen een beledigend
karakter heeft, aangezien de homofiel vergeleken wordt met
iemand die misdrijven pleegt. Daardoor wordt de waardigheid
van de desbetreffende groep mensen miskend. Daaraan doet niet
af dat verdachte blijkens zijn ingezonden stuk alleen het oog
heeft gehad op de homoseksuele praxis, die nu eenmaal inherent
is aan een homohuwelijk -zoals dit ook ten aanzien van de
heteroseksuele praxis en het huwelijk kan worden aangenomen.
Bij de totstandkoming van artikel 137c van het Wetboek van
Strafrecht heeft de wetgever bewust de bescherming tegen
beledigende uitlatingen niet beperkt tot beledigende
uitlatingen wegens de homofiele geaardheid maar gekozen voor
bescherming tegen dergelijke uitlatingen wegens homoseksuele
gerichtheid. Met homoseksuele gerichtheid wordt bedoeld de
homofiele geaardheid en het daarmee samenhangende gedrag.
Het hof is evenwel van
oordeel dat de context waarin de uitlating is geplaatst en de
daaruit blijkende kennelijke bedoeling daarvan het beledigende
karakter aan de uitlating ontneemt. Uit die context blijkt dat
de verdachte de zin heeft geplaatst in het publieke debat over
het al of niet geven van een wettelijke basis aan het
homohuwelijk en dat zijn mening daarover is geïnspireerd door
de bijbelse opvattingen over homofilie. Hij belijdt zijn
mening door de stijlfiguur van de vergelijking te hanteren.
Wie, zoals verdachte,
redenerend vanuit zijn christelijke gedachtengoed, de
homoseksuele praxis afkeurt -hetgeen op zichzelf beschouwd
zijn goed recht is- en wie kiest voor de stijlfiguur van de
vergelijking om die mening te belijden -welke keuze hem
evenmin kan worden ontzegd- kan haast niet anders dan als
voorbeeld in die vergelijking het kwade met naam en toenaam
benoemen. Vlak voorafgaande aan de gewraakte tekst schrijft
hij ook dat het hem gaat om de vergelijking tussen goed en
kwaad.
Dat verdachte om zijn
verwerping van de homoseksuele praxis uit te drukken koos voor
'ongeveer' de diefstal en de mishandeling als kwaden is dan
niet buiten proportie.
Verder weegt het hof mee dat
de uitlating in de opvatting van verdachte functioneel kan
zijn vanwege het lopend debat over het homohuwelijk en de
voorstellen in die richting van de commissie Kortmann. In een
democratische samenleving behoort voor een dergelijk debat
ruimte te zijn, mits binnen acceptabele proporties. Zoals
gesteld acht het hof dit laatste het geval, zodat hier geen
beperking kan worden toegelaten op het grondrecht van vrije
meningsuiting.
Dit leidt ertoe dat de
gewraakte uitlating gelet op haar context niet onnodig
grievend is en derhalve niet beledigend in de zin van artikel
137c van het Wetboek van Strafrecht. Onbesproken kan verder
blijven of verdachte ook het opzet tot beledigen in die zin
had. Daarom zal hij worden vrijgesproken van de hem verweten
gedraging.
6 Bij de stukken bevindt zich
de desbetreffende ingezonden brief van de heer van D.. Deze
luidt - in zijn geheel weergegeven - als volgt:
Ingezonden
Verkeerd advies
Recentelijk konden we in de
Justitiekrant kennis nemen van de adviezen van de commissie
Kortmann. Een meerderheid van vijf leden vindt dat twee mensen
van hetzelfde geslacht moeten kunnen trouwen. Deze leden
geloven dat de huidige situatie discriminerend is en
historisch samenhangt met de verwerping van homoseksualiteit.
Wat niet duidelijk wordt, is op welke normen en waarden de
overtuiging van deze leden is gestoeld. Hoewel: het artikel
lezend kom je uit op een vorm van humanisme, dan wel 'ik
bepaal mijn eigen norm'.
Niets is funester voor een samenleving, dan die welke
gebaseerd is op individuele normen en waarden, zeker wanneer
de som daarvan te vatten is onder: 'Ik doe wat goed is in mijn
eigen oog'. Aan die normen zijn wereldrijken ten onder gegaan.
Veel meer verontrusting wekt het advies omdat daarin het kwade
goed wordt geheten.
Homoseksualiteit wordt gelijk gesteld aan heteroseksualiteit
Dat is zo ongeveer diefstal gelijk stellen met het
schenkingsrecht of mishandeling met verpleging.
Voor alle duidelijkheid: de homofiel geaarde mens dient niet
te worden afgewezen, maar het praktiseren van deze geaardheid
is verwerpelijk.
Op de praktijk van homoseksualiteit mag geen wetgeving
gestoeld zijn. Veel publicaties willen de burger van Nederland
doen geloven, dat homoseksualiteit een geaccepteerd
verschijnsel geworden is.
Echter, wat meer diepgaand onderzoek bewijst het tegendeel.
Zolang het verschijnsel buiten de deur gehouden kan worden,
wordt een neutraal standpunt ingenomen. Hoe dichterbij, des te
afwijzender gereageerd wordt.
De lengte van deze ingezonden brief dwingt mij te komen tot
afronding.
Regering, leg het meerderheidsadvies van deze commissie naast
u neer. Neemt de Bijbel ter hand en stel normen en waarden
daaruit tot richtsnoer voor uw doen en handelen.
de heer van D.
Inspecteur van politie,
Regio Rotterdam-Rijnmond
7 Uit 's hofs hiervoor onder
5. weergegeven overweging volgt dat het hof zijn vrijspraak
klaarblijkelijk - en in essentie samengevat - heeft laten
berusten op zijn oordelen:
(i) dat de gewraakte
uitlating op zichzelf beschouwd voor homofielen een beledigend
karakter heeft;
(ii) dat de heer van D.s gewraakte uiting, gelet op de context
waarin deze gesteld is, een bijdrage was aan een publiek debat
over het homohuwelijk, welke bijdrage geïnspireerd is op de
bijbelse opvattingen over homofilie;
(iii) dat de heer van D.s uitdrukking van afkeuring van de
homosexuele praxis middels een vergelijking niet buiten
proportie was;
(iv) dat de heer van D. op grond van de artikelen 6 en 7 GW
ook -op zichzelf beschouwd - gerechtigd was om zich zodanig te
uiten.
In cassatie moet derhalve worden onderzocht of dit samenstel
van oordelen uitgaat van een juiste uitleg van het
telastegelegde.
8 Laat ik vooropstellen dat
ik het oordeel van het hof deel, dat de gewraakte uitlating
'op zich zelf beschouwd voor homofielen een beledigend
karakter heeft, aangezien de homofiel vergeleken wordt met
iemand die misdrijven pleegt. Daardoor wordt de waardigheid
van de betreffende groep mensen miskend'. Deze uitlating tast
op zichzelf beschouwd de waardigheid van homofiele mensen aan
en brengt hen als groep ook in diskrediet op de door het hof
aangegeven gronden.(1)
Terzijde merk ik op dat, nu deze uitlating vanwege haar inhoud
so wie so als grievend zou kunnen worden bestempeld, de heer
van D.s opzet op deze belediging eveneens zou kunnen worden
verondersteld.(2)
9 De vraag die dus meteen
opdoemt is of er een reden is, om aan te nemen dat op grond
van de context waarin de heer van D.s woorden zijn geplaatst
en de eventueel daarmee gepaard gaande grondwettelijke
rechtsbescherming van de heer van D., het in beginsel
beledigende karakter van die woorden in de zin van art. 137c
Sr daaraan komt te ontvallen.
10 Vermeulen heeft uit de
jurisprudentie, mijns inziens met juistheid, een fundamentele
eis gedestilleerd waaraan een beroep op geloofsbelijdenis moet
voldoen wil het beledigend karakter daaraan komen te
ontvallen: de uiting moet de godsdienstige overtuiging direct
uitdrukken. 'Uit de uiting zèlf moet op te maken zijn dat het
gaat om het uitdragen van een godsdienstige of
geloofsovertuiging; indien dat niet het geval is kan enkel de
vrijheid van meningsuiting worden ingeroepen'.(3)
Ik voeg hier meteen aan toe dat de Hoge Raad inmiddels ook
meermalen tot uitdrukking heeft gebracht dat de context van de
uitlatingen van groot belang is; zo dienen passages in een
geschrift in samenhang met de overige inhoud van dat
geschrift, en ook gelet op de strekking daarvan, te worden
gelezen.(4) Dat het om een
godsdienstige of geloofsovertuiging gaat, kan dus óók direct
uit de context van een geschrift worden opgemaakt.
Voorts benadrukt Vermeulen meermalen, mijns inziens eveneens
op steekhoudende gronden dat 'de interpretatie die de
betrokkene van de door hem ingeroepen religieuze of
levensbeschouwelijke regels geeft uitgangspunt [dient] te
zijn'(5) en dat verder van
belang is dat 'geloofsverkondiging - naar haar aard - veelal
met zich brengt dat anders- of niet-gelovigen gekwetst worden;
de verkondiger probeert immers anderen ervan te overtuigen dat
hun godsdienst of levensovertuiging onjuist is, dat ze dwalen,
zondigen etc. en zich - omwille van hun eigen heil - tot de
waarheid (d.w.z. zijn waarheid) dienen te bekeren'.(6)
Anders evenwel dan Vermeulen, meen ik niet dat het erop lijkt
dat de (huidige) artikelen 137c en 137e Sr 'de vrijheid van
meer orthodoxe groeperingen om de traditionele sexuele moraal
te verkondigen aantast', mede nu de wetgever zulks niet
uitdrukkelijk heeft onderschreven, hetgeen Vermeulen zelf
overigens eveneens uitdrukkelijk onderkent.(7)
Ook meer orthodoxe gelovigen, of dit nu de Joodse traditie, de
christelijke facties, de Islam of gelovigen van anderen huize
betreft, hebben op grond van art. 6 GW een sterk recht om hun
geloof - op enigerlei wijze - uit te dragen en te
verkondigen.(8)
11 Ik keer terug naar de
vraag of 's hofs interpretatie en kwalificatie van de heer van
D.s uitlating, gelet op de context waarin deze is geplaatst,
terecht als niet beledigend is aangemerkt.
12 In mijn ogen is dit, met
overigens de nodige voorzichtigheid, wel het geval. 's Hofs
oordeel (ii) dat de heer van D. zijn gewraakte uitspraak in
het publieke debat over het al of niet geven van een
wettelijke basis aan het homohuwelijk heeft geplaatst en dat
zijn mening daarover is geïnspireerd door de bijbelse
opvattingen over homofilie, acht ik niet onbegrijpelijk.
Immers, dat het om een op het geloof voortbordurende vrije
meningsuiting gaat kan in casu direct uit de context van de
ingezonden brief worden opgemaakt. Het slotakkoord van de
ingezonden brief vermaant de wetgever ernstig terug te keren
naar de Bijbelse waarden en normen. Enige terughoudendheid
acht ik bovendien wel op zijn plaats voor een rechter, die de
lastige vraag of sprake is van een (zuivere)
'geloofsverkondiging' (9)
dan wel een vrije meningsuiting moet beantwoorden.(10)
De grens tussen min of meer persoonlijke levensbeschouwelijke
uitingen en zuivere geloofsverkondigingen is immers vaag en
vloeiend. Wanneer op het eerste gezicht meer
levensbeschouwelijke uitingen worden verpakt in een boodschap
waarin ook de christelijke leer wordt verkondigd, krijgen die
levensbeschouwingen al snel de kleur van een
geloofsverkondiging.(11)
Weliswaar blijft er, ook binnen een bredere context van (op de
bijbel gestoelde) uitingen, ruimte bestaan voor een verklaring
die van een strikt persoonlijke visie getuigt waarmee niet met
vrucht de bescherming van art. (6 GW of) 7 GW kan worden
inroepen,(12) maar in de
heer van D.s zaak acht ik dit niet het geval. Kortom: 's hofs
oordeel dat de heer van D.s gewraakte uiting gelet op de
context waarin dit is gesteld minstens een vorm van op het
geloof geïnspireerde vrije meningsuiting is geweest, houdt in
cassatie stand.
13 Rijst nu de vraag of
hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat deze op het
geloof geïnspireerde vrije meningsuiting op grond van art. 7
GW niet buiten proportie en mogelijk functioneel was (iii). In
dit opzicht is van belang dat het grondrecht van
geloofsverkondiging gelet op de wetsgeschiedenis van deze
bepaling (in een situatie als de onderhavige) een sterk
grondrecht is; zo heeft dit een beduidend sterkere horizontale
werking dan het grondrecht van vrije meningsuiting.(13)
De heer van D. heeft, zo heeft het hof vastgesteld, zijn
uitlatingen gepresenteerd als een bijdrage aan het publieke
debat over het homohuwelijk en daarbij blijk gegeven van zijn
religieus geïnspireerde afkeuring. Ter demonstratie heeft de
heer van D. gebruik mogen maken van vergelijkingen met andere
afkeurenswaardige gedragingen, omdat door zo een vergelijking
de heer van D.s opvatting over de homosexuele praxis voor de
lezer meteen zwart-wit duidelijk is. Terecht heeft het hof
geoordeeld dat in een democratische samenleving ruimte moet
zijn voor een publiek debat, waarin meningen verkondigd kunnen
worden die anderen onwelgevallig zijn.(14)
De beperkingsclausule op art. 7 GW is derhalve mijns inziens
niet in het geding.(15)
De vergelijking van de homosexuele praxis, als belichaming van
afkeurenswaardig gedrag dat in strijd is met de christelijke
geboden zoals door de heer van D. verstaan, met ander
afkeurenswaardig gedrag moet mijns inziens in zowel
grondwettelijke als strafrechtelijke zin worden gesauveerd.
14 De Procureur-Generaal bij
het hof te 's-Gravenhage schrijft in zijn cassatiemiddel wel
dat het hof de bedoeling van de heer van D. op de voorgrond
heeft gesteld in plaats van de aard van de uitlating, maar het
gerechtshof heeft terecht de context van de uitlating in zijn
beschouwingen betrokken en heeft op grond daarvan geen
beledigend karakter aangenomen. Het middel gaat ook uit van
een verkeerde lezing van de overwegingen van het hof door te
stellen dat de heer van D. de Bijbelse terminologie heeft
verlaten en aansluiting heeft gezocht bij eigentijdse
strafrechtelijke begrippen. De steller van het middel voert
dit punt kennelijk aan om de uitlatingen van de heer van D.
los te maken van hun geloofsachtergrond. In de overwegingen
van het hof ligt evenwel besloten dat het naast elkaar zetten
van de homosexuele praxis, mishandeling en diefstal, tegenover
de heterosexuele praxis, schenking en verpleging, enkel een
vergelijking was van wat voor de heer van D. belichamingen van
het kwade en het goede was. Ik waag ook te bestrijden dat de
heer van D. zich van typisch strafrechtelijke begrippen heeft
bediend. Woorden als 'mishandeling' en 'diefstal' hebben niet
enkel een typisch strafrechtelijke, maar zeker ook een
alledaagse, voor ieder begrijpelijke betekenis.
15 De juistheid van 's hofs
oordeel dat (iv) de heer van D. op grond van de artikelen (6
en) 7 GW ook - op zichzelf beschouwd - gerechtigd was om zich
zodanig te uiten, behoeft op grond van het vorenoverwogene
geen nadere uitwijding.
16 's Hofs oordeel dat er
geen sprake is van een beledigende uitlating in de zin van
artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht, geeft niet blijk
van een onjuiste rechtsopvatting van 'beledigend' in de zin
van de genoemde strafrechtsbepalingen. Dat de desbetreffende
uitingen - op zijn zachtst gezegd - homoseksuelen uiterst
onaangenaam zullen hebben kunnen treffen, kan hieraan in
strafrechtelijke zin niet afdoen.
17 Nu 's hofs vrijspraken
naar mijn oordeel zuiver zijn, acht ik het door het openbaar
ministerie ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk.
18 Deze conclusie strekt
ertoe dat de Hoge Raad het openbaar ministerie
niet-ontvankelijk verklaart in diens cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 MvA, Kamerstukken II
1969-1970, 9724, nr. 6, p. 5.
2 NLR, aant. 5 op art. 261
Sr.
3 B.P. Vermeulen, artikel
6, in: Akkermans/Koekoek, De Grondwet, Een artikelsgewijs
commentaar, tweede druk, p. 124.
4 Zie onder meer de
conclusie van A-G Leijten vóór HR NJ 1991, 313; HR NJ 1990,
667, m.nt, 't H en HR NJ 1986, 689.
5 B.P. Vermeulen, t.a.p.,
p. 127.
6 B.P. Vermeulen, t.a.p.,
p. 140. Zie voor dit problematische karakter van de
geloofsverkondiging ook N.L.R., aant. 9 op art. 137c Sr en
Janssen, (diss.), p. 394-396.
7 B.P. Vermeulen, t.a.p.,
p. 124.
8 Vgl. EHRM, NJ 1998, 359,
m.nt. EJD; HR (eerste kamer) AB 1984, 366 m.nt. FHvdB / HR
(eerste kamer) NJ 1985, 350, m.nt. EEA.
9 Vgl. op dit punt rov 6
van het hof, dat zich aansloot bij de President in kort
geding, in de civiele zaak tegen 'de Goerees', naar aanleiding
waarvan de Hoge Raad (eerste kamer) zijn in HR NJ 1991, 289,
m.nt. EEA. gepubliceerde arrest heeft gewezen. Ik wijs erop
dat de annotator bij deze uitspraak mijns inziens, wat
impliciet, terecht ervan getuigt enige moeite te hebben met
het feit dat 'de rechter zo wel heel dicht bij de vraag wat
tot de geloofsverkondiging kan worden gerekend'.
10 Zie de noot van
Alkemade in de civiele zaak tegen 'de Goerees', naar
aanleiding waarvan de Hoge Raad (eerste kamer) zijn in HR NJ
1991, 289, m.nt. EAA. gepubliceerde arrest heeft gewezen. De
annotator bij deze uitspraak getuigt ervan enige moeite te
hebben met het feit dat 'de rechter zo wel heel dicht bij de
vraag wat tot de geloofsverkondiging kan worden gerekend'..
11 Zie de - op dit punt
kritische - noot van 'tH, rubriek 5, bij HR NJ 1992, 568 en de
aldaar genoemde jurisprudentie.
12 Zie HR NJ 1986, 689,
m.nt. 't H, en in het bijzonder rubriek 3. en 4 in deze noot,
waarin een heldere (semantische) analyse wordt gegeven van het
- niet steeds doorslaggevende - belang van de context van
beledigende uitlatingen..
13 B.P. Vermeulen,
t.a.p., p. 134-141, m.n. p. 134-135, nt. 179.
14 Bijvoorbeeld EHRM 8
juli 1986, NJ 1987, 901 (Lingens), EHRM 29 oktober 1992, NJ
1993, 544 (Open Door Counselling Ltd.), EHRM 20 september
1994, NJ 1995, 366 (Otto-Preminger Institut); EHRM 24 februari
1997, NJ 1998, 360 (De Haes en Gijsels).
15 Anders - in civilibus
- in het bijzonder HR NJ 1991, 289, waarin evenwel het hof had
vastgesteld dat kenbaar onjuiste en onzorgvuldige uitlatingen
waren gedaan, en ook HR NJ 1988, 702, waarin de Hoge Raad
besliste dat het hof in hoger beroep van een kort-gedingvonnis
heeft kunnen oordelen dat de publikatie grievend, kwetsend en
beledigend was en aldus in strijd met art. 1401 BW (oud).
|