| Merkinbreuk.
Uitleg van het begrip 'verwarringsgevaar' in de zin van art. 5
lid 1 sub b van Richtlijn 89/104/EEG (eerste
harmonisatierichtlijn).
Samenvatting van feiten en
verloop van procedure
Adidas is rechthebbende op
een Benelux-beeldmerk voor sportkleding en sportartikelen,
bestaande uit drie parallelle strepen. Marca Mode bood in haar
vestiging te Breda een collectie sportkleding aan, waarvan
sommige kledingstukken aan de zijkanten waren voorzien van
twee in de lengterichting parallel lopende strepen. Deze
kledingstukken waren wit met zwart. Daarnaast verkocht Marca
Mode witte en oranje T-shirts met in het midden van de
voorzijde over de gehele lengte drie zwarte, verticaal en
parallel lopende strepen, die aan de buitenzijde waren
voorzien van een smal wit randje en aan de voorzijde waren
onderbroken door een medaillon met de afbeelding van een kat,
met daarop vermeld TIM.
Adidas daagde Marca Mode in
kort geding voor de president van de Rechtbank te Breda wegens
merkinbreuk en vorderde een verbod het uit drie of twee
strepen bestaande teken nog verder in de Benelux te gebruiken.
De president wees deze vordering toe, waarna het Gerechtshof
te 's-Hertogenbosch dit vonnis heeft bekrachtigd. Marca Mode
heeft tegen het arrest van het Gerechtshof cassatieberoep bij
de Hoge Raad ingesteld.
In cassatie betoogde Marca
onder meer dat de rechter in hoger beroep artikel 13A, lid 1,
sub b, van de Eenvormige Beneluxwet op de merken onjuist heeft
toegepast door zijn beslissing enkel hierop te baseren dat de
mogelijkheid bestaat dat bij het in aanmerking komende publiek
een associatie wordt gewekt tussen de litigieuze tekens en het
ingeschreven merk. Volgens Marca had het Gerechtshof, onder
verwijzing naar het arrest van het Hof van 11 november 1997,
SABEL (C-251/95, Jur. I-6191) op grond van artikel 5,
lid 1, sub b Richtlijn 89/104/EEG de aanwezigheid van
verwarringsgevaar moeten vaststellen.
De Hoge Raad is van oordeel,
dat het arrest SABEL de conclusie zou kunnen rechtvaardigen,
dat indien op grond van bijzondere omstandigheden, zoals de
bijzondere onderscheidingskracht die een merk hetzij van huis
uit hetzij wegens zijn bekendheid bij het publiek bezit, moet
worden aangenomen dat verwarringsgevaar niet is uitgesloten,
de vaststelling van associatiegevaar voldoende is om
een verbod op het gebruik van de tekens toe te wijzen. Deze
uitlegging zou, aldus de Hoge Raad, het bepaalde in lid 1, sub
b, en in lid 2, van artikel 5 van Richtlijn 89/104/EEG met
elkaar in harmonie kunnen brengen waar het om bekende merken
gaat; laatstgenoemde bepaling staat de lidstaten toe om aan
bekende merken bescherming te verlenen in geval van gebruik
voor niet soortgelijke waren of diensten, wanneer "door het
gebruik, zonder geldige reden, van het teken ongerechtvaardigd
voordeel getrokken wordt uit of afbreuk wordt gedaan aan het
onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk". Bij de
voorgestelde uitlegging van artikel 5, lid 1, sub b, zouden
bekende merken ook in geval van gebruik voor dezelfde of
soortgelijke waren of diensten worden beschermd tegen het
trekken van voordeel uit of afbreuk doen aan hun bijzondere
onderscheidend vermogen. Ten slotte overweegt de Hoge Raad,
dat wanneer zijn lezing van het arrest SABEL juist zou zijn,
het middel van Marca Mode niet tot cassatie van het arrest van
het Gerechtshof kan leiden. Behalve het bestaan van de
mogelijkheid van associatie tussen het teken van Marca Mode en
het merk van Adidas heeft het Gerechtshof immers ook
vastgesteld, dat dit merk algemeen bekend is. Gelet op deze
laatste factor kan niet worden uitgesloten, aldus de Hoge
Raad, dat de associatiemogelijkheid verwarring kan doen
ontstaan. Derhalve zouden de vastgestelde feiten toewijzing
van de verbodsvordering van Adidas kunnen rechtvaardigen.
Tegen deze achtergrond heeft
de Hoge Raad besloten, de behandeling van de zaak te schorsen
en het Hof een prejudiciële vraag te stellen. (Bij hetzelfde
verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad eveneens enkele
prejudiciële vragen aan het Benelux-Gerechtshof gesteld. Deze
procedure is aangehouden).
Overwegingen van het Hof
20. Adidas wenst, dat het Hof
zich uitspreekt over de uitlegging van artikel 5, lid 2, van
de richtlijn.
21. Volgens vaste rechtspraak
is in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de
nationale rechter en het Hof van Justitie overeenkomstig
artikel 177 van het Verdrag de nationale rechter, die als
enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding
en van de door partijen aangevoerde argumenten en die
uitspraak in de zaak zal moeten doen, het best in staat om,
met volledige kennis van zaken, het belang van de in het bij
hem aanhangige geding opgeworpen rechtsvragen te beoordelen en
te beslissen, of een prejudiciële beslissing voor het wijzen
van zijn vonnis noodzakelijk is. Niettemin is het Hof van
Justitie vrij om, wanneer de vragen onjuist zijn geformuleerd,
uit de door de nationale rechter verschafte gegevens en met
name de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen
van gemeenschapsrecht te putten die, gelet op het voorwerp van
het geschil, uitlegging behoeven (zie onder meer arrest van 29
november 1978, Pigs Marketing Board, 83/78, Jur. 2347,
punten 25 en 26).
22. Blijkens het
verwijzingsarrest in de onderhavige zaak verzoekt de Hoge Raad
enkel om uitlegging van artikel 5, lid 1, sub b, van de
richtlijn en hangt de oplossing van het geschil in het
hoofdgeding af van de vraag, of het Gerechtshof terecht heeft
geoordeeld dat was voldaan aan de voorwaarde, dat bij het
publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van
associatie met het merk in de
zin van genoemde gemeenschapsbepaling.
23. Voorts blijkt uit het
verwijzingsarrest niet, dat Adidas in het hoofdgeding zou
hebben gesteld, dat door het gebruik, zonder geldige reden,
van het litigieuze teken ongerechtvaardigd voordeel is
getrokken uit of afbreuk gedaan aan het onderscheidend
vermogen of de reputatie van het door haar ingeschreven
beeldmerk, hetgeen als voorwaarde geldt voor de eventuele
toepassing van de
omzettingsbepaling van artikel 5, lid 2, van de richtlijn. De
Hoge Raad haalt deze laatste bepaling aan, niet omdat het
geschil daadwerkelijk verband zou houden met de in die
bepaling bedoelde specifieke merkinbreuk, maar als argument
voor zijn opvatting, dat de in het verwijzingsarrest
verdedigde uitlegging van artikel 5, lid 1, sub b, van de
richtlijn
een zekere samenhang zou
bewerkstelligen tussen de door de beide bepalingen geregelde
situaties.
24. Voor een nuttig antwoord
op de vraag van de Hoge Raad is uitlegging van artikel 5, lid
2, van de richtlijn derhalve niet nodig.
25. Artikel 5, lid 1, sub b,
van de richtlijn, waarop de vraag betrekking heeft, staat de
houder van een merk onder bepaalde voorwaarden toe om derden
het gebruik van een teken te verbieden, indien daardoor bij
het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van
associatie met het merk.
26. Een in wezen
gelijkluidende formulering bevat artikel 4, lid 1, sub b, van
de richtlijn, dat de gronden opsomt waarop de inschrijving van
een merk kan worden geweigerd of, indien het is ingeschreven,
nietig kan worden verklaard.
27. Artikel 4, lid 1, sub b,
van de richtlijn is door het Hof uitgelegd in, onder meer, het
arrest SABEL (reeds aangehaald).
28. Die uitlegging moet
daarom eveneens gelden voor artikel 5, lid 1, sub b, van de
richtlijn.
29. Volgens de Hoge Raad
sluit de rechtspraak van het Hof niet uit, dat een gevaar van
verwarring tussen merk en teken kan worden verondersteld,
ingeval het merkbijzondere onderscheidingskracht heeft, onder
meer wegens zijn bekendheid, en het door derden voor dezelfde
of soortgelijke waren gebruikte teken zodanig met het merk
overeenstemt, dat hierdoor de mogelijkheid van associatie met
het merk ontstaat.
30. Zo komt de Hoge Raad tot
de vraag, of artikel 5, lid 1, sub b, van de richtlijn aldus
moet worden uitgelegd, dat de merkhouder in dergelijke
omstandigheden aan een derde het gebruik van het teken kan
verbieden, wanneer de onderscheidingskracht van het merk
zodanig is dat niet is uitgesloten, dat de bij het publiek
gewekte associatie tussen het teken en het merk verwarring kan
teweegbrengen.
31. Onder verwijzing naar het
arrest SABEL (reeds aangehaald) hebben Marca Mode, de
Nederlandse regering en de regering van het Verenigd
Koninkrijk en de Commissie betoogd, dat de door artikel 5, lid
1, sub b, van de richtlijn geboden bescherming, evenals die
krachtens artikel 4, lid 1, sub b, van dezelfde richtlijn,
steeds afhankelijk is van het positieve bewijs van
verwarringsgevaar. Ook voor bekende merken is het niet
voldoende, dat in geval er enkel associatiegevaar bestaat,
verwarringsgevaar niet is uit te sluiten.
32. Adidas stelt daarentegen,
steun zoekend in met name punt 24 van het arrest SABEL (reeds
aangehaald), dat bij bekende merken associatiegevaar voldoende
is om een verbod te rechtvaardigen, zodra verwarringsgevaar
niet is uitgesloten. Met andere woorden, associatiegevaar zou
bij zulke merken een vermoeden van verwarringsgevaar scheppen.
33. Op dit punt moet
aanstonds worden vastgesteld, dat verwarringsgevaar niet op
grond van een vermoeden mag worden aangenomen, ook niet in de
specifieke omstandigheden als in het verwijzingsarrest worden
beschreven.
34. Artikel 5, lid 1, sub b,
van de richtlijn kan immers slechts toepassing vinden, indien
wegens de identiteit of gelijksoortigheid van zowel de merken
als de erdoor geïdentificeerde waren of diensten bij het
publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van
associatie met het merk. Blijkens deze formulering is het
begrip associatiegevaar geen alternatief voor het begrip
verwarringsgevaar, maar dient het ter precisering van de
draagwijdte ervan. Reeds op grond van haar formulering is deze
bepaling derhalve niet toepasbaar, indien bij het publiek geen
verwarring kan ontstaan (zie, in verband met artikel 4, lid 1,
sub b, van de richtlijn, arrest SABEL, reeds aangehaald, punt
18). Artikel 5, lid 1, sub b, van de richtlijn vereist dus
voor bescherming van een ingeschreven merk het bestaan van
gevaar van verwarring (zie, in verband met artikel 4, lid 1,
sub b, van de richtlijn, arrest van 29 september 1998, Canon,
C-39/97, Jur. I-5507, punt 18).
35. Deze uitlegging volgt
eveneens uit de tiende overweging van de richtlijn, waar wordt
gezegd, dat het gevaar van verwarring (...) de grondslag voor
de bescherming vormt (arrest SABEL, reeds aangehaald, punt
19).
36. Deze uitlegging is niet
in strijd met artikel 5, lid 2, van de richtlijn, dat bekende
merken bescherming biedt zonder dat het bestaan van
verwarringsgevaar is vereist. Deze bepaling geldt immers voor
situaties waarin de grondslag voor de bescherming bestaat in
een gebruik van het betwiste teken zonder geldige reden,
waardoor ongerechtvaardigd voordeel wordt
getrokken uit of afbreuk
wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie
van het merk.
37. Adidas kan zich niet met
succes op punt 24 van het arrest SABEL (reeds aangehaald)
beroepen.
38. Daarin overwoog het Hof,
dat het verwarringsgevaar des te groter is naarmate de
onderscheidingskracht van het oudere merk sterker is, en dat
derhalve niet kan worden uitgesloten, dat een begripsmatige
gelijkenis voortvloeiend uit het feit dat twee merken
afbeeldingen met een overeenstemmende begripsinhoud gebruiken,
verwarring kan doen ontstaan in een geval waarin een ouder
merk hetzij van huis uit, hetzij wegens zijn bekendheid bij
het publiek, bijzondere onderscheidingskracht bezit.
39. Het Hof heeft hiermee te
kennen gegeven, dat de bijzondere onderscheidingskracht van
het oudere merk het verwarringsgevaar kan vergroten en, in
geval van een begripsmatige gelijkenis tussen merk en teken,
aan het ontstaan van dit gevaar kan bijdragen. De negatieve
formulering kan niet worden uitgesloten in punt 24 van het
arrest SABEL (reeds aangehaald) benadrukt enkel de
mogelijkheid, dat uit de combinatie van de twee genoemde
factoren een gevaar kan ontstaan. Zij betekent geenszins een
vermoeden van verwarringsgevaar bij het bestaan van gevaar
voor associatie in enge zin. Met deze formulering heeft het
Hof impliciet gedoeld op de door de nationale rechter in
iedere bij hem aanhangige zaak te verrichten bewijswaardering.
Het Hof heeft de nationale rechter niet ontheven van de
noodzakelijke positieve vaststelling van verwarringsgevaar,
waarvan het bewijs moet worden geleverd.
40. Het verwarringsgevaar
dient globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van alle
relevante omstandigheden van het concrete geval (arrest SABEL,
reeds aangehaald, punt 22). De globale beoordeling van het
verwarringsgevaar veronderstelt een zekere onderlinge
samenhang tussen de in aanmerking komende factoren (arrest
Canon, reeds aangehaald, punt 17). Er kan bijvoorbeeld ondanks
een geringe mate van gelijksoortigheid van de desbetreffende
waren of diensten verwarringsgevaar worden vastgesteld,
wanneer de merken in hoge mate overeenstemmen en het oudere
merk een grote onderscheidingskracht en meer bepaald een grote
bekendheid heeft (arrest Canon, reeds aangehaald, punt 19).
41. De bekendheid van een
merk, indien deze is bewezen, is dus een factor die naast
andere stellig van belang kan zijn. Merken met een - in het
bijzonder door hun bekendheid - sterke onderscheidingskracht
genieten in zoverre een ruimere bescherming dan merken met een
geringere onderscheidingskracht (arrest Canon, reeds
aangehaald, punt 18). Niettemin is de bekendheid van een merk
geen grond om het bestaan van verwarringsgevaar te vermoeden,
enkel omdat er gevaar voor associatie in enge zin bestaat.
42. Op de prejudiciële vraag
moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 5, lid 1, sub b,
van de richtlijn niet aldus kan worden uitgelegd, dat ingeval
-een merk hetzij van huis uit
hetzij wegens zijn bekendheid bij het publiek een bijzondere
onderscheidingskracht bezit, en
-een derde zonder de
toestemming van de merkhouder in het economisch verkeer voor
dezelfde of soortgelijke waren of diensten als die waarvoor
het merk is ingeschreven, een teken gebruikt dat in zodanige
mate met het merk overeenstemt dat daardoor de mogelijkheid
van associatie met het merk ontstaat, het uitsluitend recht
van de merkhouder hem toestaat aan die derde dat gebruik van
het teken te verbieden, wanneer de onderscheidingskracht van
het merk zodanig is dat niet uitgesloten is, dat die
associatie verwarring kan doen ontstaan.
|
| Het
drie-strepen beeldmerk van Adidas heeft al eerder tot
interessante merkenrechtelijke jurisprudentie geleid. Zo kwam
het merk in 1985 aan de orde bij het Benelux-Gerechtshof in
een zaak over zgn. "inburgering".
[1] In de onderhavige zaak
voor het Hof van Justitie gaat het om een van de kernpunten
van het merkenrecht, de omvang van het recht. Hoever strekt
het "uitsluitend recht" van de merkhouder eigenlijk? Waartegen
kan hij zich als merkhouder verzetten? Sinds enige tijd is ook
dit een vraag geworden die Europeesrechtelijk beantwoord moet
worden. In art. 5 van de EG-harmonisatierichtlijn van 1989 is
precies vastgelegd welke rechten de merkhouder kan uitoefenen.
[2] Op grond van art. 5 lid
1 sub a kan de merkhouder zich in de eerste plaats verzetten
tegen merkpiraterij, dus bij voorbeeld tegen de verkoop van
namaak-sportschoenen waarop het drie-strepen merk van Adidas
is aangebracht. Daarnaast kan de merkhouder zich op grond van
zijn uitsluitend recht verzetten tegen gebruik van een teken
"dat gelijk is aan of overeenstemt met het merk en gebruikt
wordt voor dezelfde of soortgelijke waren indien daardoor
bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar
van associatie met het merk "(art. 5 lid 1 sub b
harmonisatierichtlijn). Om het cursief gedrukte zinsdeel gaat
het. In de Benelux Merkenwet 1971 (BMW) is weliswaar in 1996
de harmonisatierichtlijn geïmplementeerd. Juist op dit punt
wijkt de tekst van de wet af van de richtlijn en bestond veel
onduidelijkheid. Zo ook in deze zaak, waarbij Marca, die
sportkleding met twee verticale strepen op de markt bracht,
beticht werd van inbreuk op het drie-strepenmerk dat Adidas al
sinds jaar en dag op jogging-pakken e.d. aanbracht.
[3]
Vóór 1993 (de uiterste
implementatiedatum van de harmonisatierichtlijn) was in de
Benelux in merkinbreukzaken slechts associatiegevaar vereist:
er was reeds sprake van inbreuk als het publiek een verband
zag tussen het teken en het merk omdat door de waarneming van
het teken de herinnering aan het merk (een associatie) werd
opgeroepen. [4] Als het
publiek twee strepen op kleding ziet, wordt het herinnerd aan
de drie Adidas strepen, en is er dus sprake van inbreuk. Na de
inwerkingtreding van de harmonisatierichtlijn kwam de vraag op
of dit associatiecriterium nu al dan niet verlaten moest
worden ten gunste van het verwarringscriterium:
verwarringsgevaar is aanwezig als het publiek merk en teken
daadwerkelijk verwart, bij voorbeeld als men denkt dat de van
twee strepen voorziene Marca-shirts Adidas-shirts zijn
(directe verwarring), of als het publiek een (juridisch of
economisch) verband legt tussen de gerechtigde op het merk en
de gebruiker van het teken (indirecte verwarring).
[5]
In het arrest van het Hof van
Justitie uit 1998 inzake Sabel/Puma is duidelijk geworden dat
in ieder geval bij de inschrijving van merken, ook in de
Benelux voortaan het (strengere) vereiste van verwarring
gesteld moest worden. [6]
Het ging in deze zaak om een merkdepot van een springende
roofkat, die associaties opwekte met de Puma-poema. Het
verwarringsgevaar moet - aldus het Hof van Justitie -
beoordeeld worden met inachtneming van alle relevante
omstandigheden van het geval, waaronder bij voorbeeld ook de
onderscheidingskracht van het merk. Hoe sterker het merk, hoe
eerder sprake zal zijn van gevaar voor verwarring met een
overeenstemmend teken.
Uit onder meer deze
overweging putte de Hoge Raad hoop dat bij een bekend merk als
het Adidas-merk, dat immers "bijzondere onderscheidingskracht"
heeft, het associatiegevaar toch wel weer voldoende zou zijn.
[7] Bovendien ging het in
de zaak Sabel/Puma om een merkdepot (art. 4) en niet om
merkinbreuk (art. 5 harmonisatierichtlijn). De Hoge Raad
stelde dus opnieuw vragen aan het Hof van Justitie over het
criterium "verwarring, inhoudende het gevaar van associatie"
van art. 5 lid 1 sub b harmonisatierichtlijn. Kan niet toch
het associatiecriterium toegepast worden "wanneer de
onderscheidingskracht van het merk zodanig is dat niet
uitgesloten is dat die associatie verwarring kan doen
ontstaan"?
Het Hof van Justitie gaf de
Hoge Raad ongelijk. Het is zoals het is, en zo staat het in de
richtlijn: verwarringsgevaar is het enige doorslaggevende
criterium in een inbreukzaak waarbij soortgelijke waren in het
spel zijn, zie art. 5 lid 1 sub b. Weliswaar wordt in art. 5
lid 2 geen verwarring vereist, maar dit betreft een bijzondere
inbreuksituatie (bekend merk, niet-soortgelijke waren), die
zich hier niet voordoet. De bekendheid van een merk is bij
toepassing van art. 5 lid 1 sub b niet meer dan een van de
factoren die van belang kunnen zijn voor de
onderscheidingskracht. Overigens had het Hof van Justitie dit
eigenlijk ook al in het Sabel/Puma arrest gezegd.
[8]
Het blijft moeilijk te
begrijpen dat bij niet soortgelijke waren een bekend
merk wel wordt beschermd in geval van associatie, terwijl dit
bij soortgelijke waren niet het geval is. Als de Marca strepen
op een koffiebeker hadden gestaan, was er al sprake geweest
van merkinbreuk als de strepen associaties zouden opwekken. De
tekst van art. 5 harmonisatierichtlijn is een moeizaam tot
stand gekomen compromis. Nu dat er eenmaal ligt, moet men
ermee leven. [9] In de EG
is voor het verwarringscriterium gekozen omdat men (in
meerderheid) van oordeel was dat bij een ander criterium de
merkhouder te veel macht zou krijgen. Zijn monopolie zou bij
toepassing van het associatiecriterium te groot worden.
Wellicht heeft ook een rol gespeeld dat toepassing van het
verwarringsgevaar minder negatieve effecten op de eenwording
van de interne markt zal hebben bij grensoverscheidende
inbreukzaken.
Er is veel meer over dit
onderwerp te zeggen. Recent is over dit onderwerp zelfs een
lijvig proefschrift verschenen.
[10] De Benelux Merkenwet
zal overigens naar aanleiding van al de Europeesrechtelijke
ontwikkelingen gewijzigd worden en meer woordelijk in
overeenstemming met de harmonisatierichtlijn worden gebracht.
De voorbereidingen hiertoe zijn al in volle gang.
B. M. Vroom-Cramer
[1] BenGH 23 december 1985,
NJ 1986, 258 (drie-strepen motief).
[2] Richtlijn 89/104/EEG
van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het
merkenrecht der lid-staten, PbEG 1989 L 440/1. Zie over
de beschermingsomvang in de richtlijn ook: P. Eeckman, 'Het
merkenrecht en de BMW na de richtlijn', SEW 1995, p.
232-251.
[3] Zie de afbeeldingen bij
Hoge Raad 20 november 1998 (Adidas / Marca), IER
1999, p. 15, m.nt. Ch. Gielen.
[4] G. Van Empel en
P.G.F.M. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom,
Deventer: Kluwer 1999, p. 89. Zie over het overgangsrecht
(vanaf 1993): D.W.F. Verkade, BIE 2000, p. 380-381.
[5] Van Empel & Geerts,
a.w., p. 89.
[6]
HvJEG 11 november 1997, C-251/95 (Sabel / Puma), Jur.
1997, I-6191, NJ 1998, 523 m.nt. D.W.F. Verkade,
SEW 1998, 350 m.nt. H.M.H. Speyart. Zie ook: BenGH 20
oktober 2000 (Haacht / GSB), n.n.g. (BIE 2000,
p. 380).
[7] De criteria voor de
'bekendheid' van een merk in de zin van art. 5 lid 2 zijn
uitgewerkt in:
HvJEG 14 september 1999 (General Motors / Yplon),
IER 1999, p. 267.
[8]
HvJEG 11 november 1997, C-251/95 (Sabel / Puma), Jur.
1997, I-6191, r.o 24. Zie ook: HvJEG 29 september 1998,
C-39/97 (Canon / Cannon), Jur. 1998, I-5507,
r.o. 17.
[9] Het is mogelijk dat het
Hof van Justitie zich in de toekomst uitlaat over een andere
uitleg van art. 5 lid 2 van de harmonisatierichtlijn.
[10] R.P. Raas, Het
Benelux Merkenrecht en de eerste Merkenrichtlijn:
Overeenstemming over verwarring?, Diss. RUL, Den
Haag: Boon Jur. Uitgeverij, 2000. Zie van dezelfde auteur:
'Drie strepen en de bescherming van bekende merken in Europees
verband', NTER 2000, p. 256-262.
|