Gerecht van
Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen
Zaak T-30/00, Henkel KGaA tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken,
tekeningen en modellen).
Gemeenschapsmerk. Uitleg van de
absolute weigeringsgrond van art. 7 lid 1 sub b Verordening
40/94/EG bij beeldmerken.
Arrest van 19 september 2001,
n.n.g.
Samenvatting van feiten en
verloop van procedure
Op 2 juni 1998 diende Henkel
een aanvraag in voor de inschrijving van een Gemeenschapsmerk
op grond van Verordening 40/94/EG voor waren (was- en
afwasmiddelen in tabletvorm) en diensten (onderzoek op het
gebied van was- en afwasmiddelen). Het betrof een beeldmerk
bestaande uit "de weergave, vanuit een bepaalde gezichtshoek,
van een rechthoekig tablet met enigszins afgeronde hoeken en
bestaande uit twee lagen waarvan de kleuren, wit (onderste
deel) en rood (bovenste deel), eveneens worden geclaimd".
Conform de inschrijvingsprocedure van Verordening 40/94/EG
werd de aanvraag 'onderzocht' door een onderzoeker van het
Bureau (veelal naar de Engelstalige benaming afgekort tot
OHIM) en vervolgens afgewezen wegens gebrek aan onderscheidend
vermogen (art. 38 lid 1). Henkel ging in beroep bij de Kamer
van Beroep (art. 57). Op 25 november 1999 sprak de Kamer haar
beslissing uit: voor inschrijving van een merk is volgens haar
vereist dat de waren waarvoor het is gedeponeerd aan de hand
van dit merk naar hun herkomst kunnen worden
onderscheiden en niet naar hun aard. Zij oordeelde voorts dat
een beeldmerk "bestaande uit de waarheidsgetrouwe weergave van
een waar" weliswaar onderscheidend vermogen kán hebben, maar
dat in een dergelijk geval hogere eisen aan het onderscheidend
vermogen moeten worden gesteld. De vorm van het tablet is
volgens de Kamer een typische basisvorm op de betrokken markt
en ook de gebruikte kleuren verlenen aan het beeld geen
bijzondere kenmerken. Het beeldmerk heeft volgens de Kamer wel
onderscheidend vermogen voor de diensten, maar niet voor de
waren (afwasmiddelen in tabletvorm). Henkel ging in beroep van
de beslissing van de Kamer van Beroep bij het Gerecht van
Eerste Aanleg (GvEA). Henkel voerde twee middelen aan tegen de
beslissing. Het tweede middel betreft een beroep op misbruik
van bevoegdheid (beginsel van gelijke behandeling). Hierop
wordt, nu de overwegingen hierover van minder van belang zijn,
niet verder ingegaan. Het eerste middel betreft het
onderscheidend vermogen.
Volgens Henkel heeft het
beeldmerk wél voldoende onderscheidend vermogen voor de
producten. Daarbij wijst zij onder meer op de kleurstelling en
de vorm van de tabletten. Een zeer minimaal onderscheidend
vermogen volstaat reeds om de merken in te schrijven. Het
onderscheidend vermogen ten aanzien van de vorm van de waar
moet volgens Henkel bovendien minder streng worden beoordeeld
bij een beeldmerk dan bij een (driedimensionaal) vormmerk.
Tevens wijst Henkel op de situatie op de markt. Een klein
aantal grote producenten biedt tweekleurige tabletten aan.
Deze aanbiedingsvorm is erg nieuw. De producenten
onderscheiden zich van elkaar onder meer door vorm en kleur
van de tabletten op de verpakking zichtbaar te maken. Henkel
is de enige die rood/witte tabletten op de markt brengt. Tot
slot doet Henkel een beroep op inburgering (art. 7 lid 3
Verordening 40/94/EG).
Het Bureau sluit zich aan bij
de opvatting van de Kamer van Beroep dat een merk slechts
onderscheidend vermogen heeft wanneer het de mogelijkheid
biedt de betrokken waren naar de herkomst ervan te
onderscheiden, en niet naar de aard of andere kenmerken ervan.
De criteria voor beoordeling van het onderscheidend vermogen
van een beeldmerk dat uit de weergave van de waar bestaat
(zoals in dit geval) verschillen niet al naar gelang
beeldmerken of vormmerken beoordeeld worden. Het Bureau vindt
in het onderhavige geval de vorm van het tablet niet ongewoon,
maar "banaal en gebruikelijk op de markt". Ook de kleuren
(toevoeging van de rode laag) verlenen het teken geen
onderscheidend vermogen. Deze kleuren (één laag wit of grijs
en één laag basiskleur van rood, groen of blauw) wijzen op de
aanwezigheid van actieve bestanddelen. Zij informeren de
consument over de eigenschappen van de waar en dus niet over
de herkomst .
Overwegingen van het
Gerecht
43. Het onderscheidend
vermogen van een merk moet worden beoordeeld ten aanzien van
de waren of diensten waarvoor de inschrijving van het merk
wordt gevraagd.
44. In casu bestaat het
betrokken merk uit de weergave van was- en
afwasmiddeltabletten, met andere woorden uit de weergave van
de waar zelf.
45. Zoals de kamer van beroep
terecht heeft opgemerkt, kan niet a priori worden uitgesloten
dat de grafische of fotografische weergave - zelfs indien zij
waarheidsgetrouw is - van de waar zelf onderscheidend vermogen
kan hebben in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van
verordening nr. 40/94.
46. Volgens artikel 7, lid 1,
sub b, van verordening nr. 40/94 wordt de inschrijving
geweigerd van merken die elk onderscheidend vermogen missen.
Een merk heeft onderscheidend vermogen wanneer de waren of
diensten waarvoor de inschrijving wordt gevraagd, aan de hand
van dit merk naar hun herkomst kunnen worden onderscheiden.
Daarvoor is niet vereist dat het merk precieze informatie over
de identiteit van de producent of van de dienstverrichter
verstrekt. Het merk moet de doelgroep alleen in staat stellen
de door het merk aangeduide waar of dienst te onderscheiden
van die van een andere commerciële herkomst en te concluderen
dat alle door dat merk aangeduide waren of diensten zijn
vervaardigd, in de handel gebracht of verstrekt onder toezicht
van de merkhouder, die verantwoordelijk kan worden geacht voor
de kwaliteit ervan (zie, in die zin,
arrest Hof van 29 september 1998, Canon, C-39/97, Jurispr.
blz. I-5507, punt 28).
47. Blijkens de bewoordingen
van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94
volstaat een minimaal onderscheidend vermogen voor de
niet-toepasselijkheid van de in deze bepaling genoemde
weigeringsgrond. Derhalve dient te worden onderzocht - a
priori en zonder het gebruik van het teken in de zin van
artikel 7, lid 3, van verordening nr. 40/94 in aanmerking te
nemen - of het aangevraagde merk de doelgroep in staat stelt
de betrokken waren te onderscheiden van die van een andere
commerciële herkomst wanneer zij bij een aankoop een keuze zal
moeten maken.
48. Artikel 7, lid 1, sub b,
van verordening nr. 40/94 maakt geen onderscheid tussen de
verschillende categorieën merken. De criteria ter beoordeling
van het onderscheidend vermogen van beeldmerken bestaande uit
de weergave van de waar zelf, verschillen dus niet van de voor
andere categorieën merken te hanteren criteria.
49. Niettemin dient bij de
toepassing van deze criteria in aanmerking te worden genomen
dat de perceptie van de doelgroep in het geval van een
beeldmerk bestaande uit de getrouwe weergave van de waar zelf,
niet noodzakelijkerwijs dezelfde is als in het geval van een
woordmerk of van een beeldmerk of driedimensionaal merk dat de
waar niet getrouw weergeeft. Terwijl het publiek de gewoonte
heeft deze laatste merken onmiddellijk als identificatietekens
van de waar op te vatten, is dit immers niet
noodzakelijkerwijs het geval wanneer het teken samenvalt met
het voorkomen van de waar zelf. Bijgevolg zal de beoordeling
van het onderscheidend vermogen in het geval van een
driedimensionaal merk bestaande uit de aanbiedingsvorm van de
waar zelf, geen ander resultaat opleveren dan in het geval van
een beeldmerk bestaande uit de waarheidsgetrouwe weergave van
de waar zelf.
50. Wat de perceptie van de
doelgroep betreft, heeft de kamer van beroep terecht opgemerkt
dat de waren waarvoor de inschrijving van het merk in casu
werd geweigerd, te weten was- en afwasmiddelen in tabletvorm,
wijd verbreide verbruiksgoederen zijn. De doelgroep bestaat
uit alle consumenten. Derhalve dient bij de beoordeling van
het onderscheidend vermogen van het betrokken merk rekening te
worden gehouden met de vermoedelijke verwachting van een
redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende gemiddelde
consument (zie, mutatis mutandis,
arrest Hof van 16 juli 1998, Gut Springenheide en Tusky,
C-210/96, Jurispr. blz. I-4657, punten 30-32).
51. De wijze waarop de
doelgroep het merk opvat, hangt allereerst af van het
aandachtsniveau van de gemiddelde consument, dat kan variëren
naar gelang van de soort waren of diensten waarom het gaat
(zie
arrest Hof van 22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer,
C-342/97, Jurispr. blz. I-3819, punt 26). Dienaangaande
heeft de kamer van beroep terecht opgemerkt dat het
aandachtsniveau van de gemiddelde consument ten aanzien van
het voorkomen van detergenten in tabletvorm niet hoog is,
aangezien dit dagelijkse verbruiksgoederen zijn.
52. Om te beoordelen of het
publiek de geclaimde weergave, gelet op de combinatie van de
vorm en de kleurstelling van het weergegeven tablet, als een
aanduiding van herkomst kan opvatten, dient de door deze
weergave opgeroepen totaalindruk te worden onderzocht (zie,
mutatis mutandis,
arrest Hof van 11 november 1997, SABEL, C-251/95, Jurispr.
blz. I-6191, punt 23). Dit is niet onverenigbaar met een
achtereenvolgend onderzoek van de verschillende bestanddelen
ervan. Aangezien het gaat om een merk bestaande uit de
getrouwe weergave van de waar, dient te worden onderzocht of
de aanbiedingsvorm van de weergegeven waar op zichzelf invloed
kan uitoefenen op het geheugen van het publiek, alsmede of de
wijze waarop de waar is weergegeven, een bijzonder kenmerk
vertoont dat kan wijzen op de herkomst van de waar.
53. De door het beeld
weergegeven vorm waarvoor de inschrijving werd gevraagd, te
weten een rechthoekig tablet, is een geometrische basisvorm
alsmede een voor de hand liggende vorm voor een was- of
afwasmiddel. Praktische overwegingen liggen ten grondslag aan
de enigszins afgeronde hoeken van het tablet en de gemiddelde
consument kan deze enigszins afgeronde hoeken niet opvatten
als een bijzonder kenmerk van de betrokken vorm dat geschikt
is om het tablet van andere was- en afwasmiddeltabletten te
onderscheiden.
54. Met betrekking tot de
twee lagen, een witte en een rode, zij opgemerkt dat de
doelgroep eraan is gewend dat een detergent bestanddelen in
verschillende kleuren heeft. De poeders, de traditionele
aanbiedingsvorm van deze waren, zijn meestal grijs of zeer
licht beige en lijken bijna wit. Zij bevatten vaak deeltjes in
één of meer andere kleuren. De door verzoekster en de andere
producenten van detergenten gemaakte reclame beklemtoont dat
deze deeltjes de aanwezigheid van verschillende actieve
bestanddelen belichamen. De gekleurde deeltjes suggereren dus
bepaalde kwaliteiten van de waar zonder evenwel als een
beschrijvende aanduiding in de zin van artikel 7, lid 1, sub
c, van verordening nr. 40/94 te kunnen worden beschouwd. Uit
de niet-toepasselijkheid van deze laatste weigeringsgrond kan
evenwel niet worden afgeleid dat de gekleurde deeltjes het
betrokken merk noodzakelijkerwijs onderscheidend vermogen
verlenen. Er is immers geen sprake van onderscheidend vermogen
wanneer - zoals in casu - de doelgroep ertoe wordt gebracht de
aanwezigheid van gekleurde deeltjes als een verwijzing naar
bepaalde kwaliteiten van de waar, en niet als de aanduiding
van de herkomst ervan, op te vatten. De kans dat de
consumenten toch de gewoonte aannemen de waar op basis van de
kleuren ervan te herkennen, volstaat op zichzelf niet om de
weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening
nr. 40/94 buiten toepassing te laten. Een dergelijke evolutie
van de perceptie van het teken door het publiek kan, wanneer
zij wordt aangetoond, alleen in het kader van artikel 7, lid
3, van verordening nr. 40/94 in aanmerking worden genomen.
55. Dat de gekleurde deeltjes
in casu niet gelijkmatig over het gehele weergegeven tablet
zijn verdeeld, maar op het bovenste deel ervan zijn
geconcentreerd, volstaat niet om het voorkomen van het tablet
als een aanduiding van de herkomst van de waar te kunnen
opvatten. Bij het combineren van verschillende bestanddelen in
een was- of afwasmiddel in tabletvorm is de toevoeging van een
laag immers een erg voor de hand liggende oplossing.
56. Dat verzoekster als enige
onderneming de kleur rood gebruikt voor tabletten die uit twee
lagen bestaan, is in dit verband niet ter zake dienend. Het
gebruik van basiskleuren, zoals blauw of groen, is
gebruikelijk en zelfs typerend voor detergenten. Het gebruik
van andere basiskleuren, zoals rood of geel, is een voor de
hand liggende variatie op de typische aanbiedingsvorm van deze
waren.
57. Bijgevolg bestaat de
aanbiedingsvorm van de waar, waarvan de weergave het
aangevraagde merk is, uit een combinatie van elementen die
voor de hand liggend en typerend zijn voor de betrokken waar.
58. Bovendien zijn
verschillende combinaties van deze elementen mogelijk door de
geometrische basisvorm te variëren alsmede door aan de
basiskleur van de waar een andere basiskleur toe te voegen,
die in één laag van het tablet of als spikkels voorkomt. Dat
de verschillende tabletten daardoor een verschillend voorkomen
krijgen, volstaat niet om elk van deze tabletten of de
weergave ervan als aanduiding van de herkomst van de waar te
doen gelden, aangezien het - zoals in casu - om voor de hand
liggende variaties op de basisvormen van de waar gaat.
59. De weergave waarvoor om
inschrijving werd gevraagd, toont een tablet vanuit een
bepaalde gezichtshoek. Deze gezichtshoek heeft tot gevolg dat
de vorm van het tablet enigszins wordt scheefgetrokken. De
wijze waarop het tablet in casu wordt weergegeven, verschilt
dus enigszins van een volledig waarheidsgetrouwe weergave.
Zoals verzoekster evenwel zelf ter terechtzitting heeft
erkend, kan dit beeld van het tablet vanuit een bepaalde
gezichtshoek het aangevraagde merk geen onderscheidend
vermogen verlenen. Dit beeld is geen bijzonder kenmerk dat
dermate invloed kan uitoefenen op het geheugen van de
consument dat deze laatste het weergegeven tablet kan
onderscheiden van andere was- of afwasmiddeltabletten.
60. Gezien de totaalindruk
die de vorm en de kleurstelling van het weergegeven tablet
oproepen, zal het aangevraagde merk de doelgroep niet in staat
stellen de betrokken waren te onderscheiden van die van een
andere commerciële herkomst wanneer zij bij een aankoop een
keuze zal moeten maken.
61. Aan de ongeschiktheid van
het betrokken merk om - a priori en onafhankelijk van het
feitelijk gebruik ervan - de herkomst van de waar aan te
duiden, doet voorts niet af dat er reeds een min of meer groot
aantal soortgelijke tabletten op de markt zijn. Derhalve
behoeft de vraag of het onderscheidend vermogen van het
betrokken merk op het tijdstip van de indiening van de
inschrijvingsaanvraag dan wel op het tijdstip van de
effectieve inschrijving moet worden beoordeeld, in casu niet
te worden beantwoord.
62. Met betrekking tot
verzoeksters argumenten inzake de praktijk van de nationale
merkenbureaus en de omstandigheid dat een Italiaanse
rechterlijke instantie het onderscheidend vermogen van een
driedimensionaal merk bestaande uit een tweekleurig
wasmiddeltablet heeft erkend, zij eraan herinnerd dat de reeds
in lidstaten verrichte inschrijvingen alleen een factor vormen
die een rol kan spelen bij de inschrijving van een
gemeenschapsmerk, zonder evenwel beslissend te zijn [arresten
Gerecht van 16 februari 2000, Procter & Gamble/BHIM (vorm van
een stuk zeep), T-122/99, Jurispr. blz. II-265, punt 61,
en
31 januari 2001, Sunrider/BHIM (VITALITE), T-24/00, Jurispr.
blz. II-449, punt 33]. Hetzelfde geldt voor de rechtspraak
van de nationale rechterlijke instanties. Bovendien blijkt uit
de antwoorden van het Bureau op de vragen van het Gerecht dat
de nationale merkenbureaus geen uniforme praktijk inzake
driedimensionale merken bestaande uit was- en
afwasmiddeltabletten volgen. Bijgevolg kan de kamer van beroep
niet worden verweten dat zij aan die praktijk en aan nationale
rechtspraak is voorbijgegaan.
63. Derhalve heeft de kamer
van beroep terecht geoordeeld dat het betrokken beeldmerk elk
onderscheidend vermogen mist.
64. Dat de criteria ter
beoordeling van het onderscheidend vermogen van een beeldmerk
bestaande uit de weergave van de waar zelf, niet strenger zijn
dan de criteria die voor andere categorieën merken worden
gehanteerd, leidt niet tot een andere conclusie.
65. De voor alle merken - of
het nu woordmerken, beeldmerken of driedimensionale merken
zijn - te hanteren criteria ter beoordeling van het
onderscheidend vermogen rechtvaardigen immers juist dezelfde
conclusie als de overwegingen op grond waarvan de kamer van
beroep tot het gemis aan onderscheidend vermogen van het
betrokken merk heeft geconcludeerd.
66. Zonder uitdrukkelijk
schending van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 40/94 aan
te voeren, betoogt verzoekster verder nog dat het betrokken
merk onderscheidend vermogen heeft wegens het gebruik dat
ervan is gemaakt. Aangezien dit betoog voor de kamer van
beroep niet werd gevoerd, mag het door het Gerecht niet worden
onderzocht (zie
arrest Gerecht van 8 juli 1999, Procter & Gamble/BHIM,
BABY-DRY, T-163/98, Jurispr. blz. II-2383, punten 48-51).
Noot
In dit arrest gaat het om de
uitleg van Verordening 40/94/EG waarin regels zijn opgenomen
omtrent het Gemeenschapsmerk.
[1]
Sedert de invoering van de
verordening in 1996 wordt op grote schaal gebruik gemaakt van
de mogelijkheid die de verordening biedt: het Gemeenschapsmerk
is een enorm succes. [2]
De aanvraag voor inschrijving
van een Gemeenschapsmerk wordt veelal ingediend bij het Bureau
in Alicante, Spanje (art. 25). Bij weigering van de
inschrijving van een teken als Gemeenschapsmerk, is in eerste
instantie beroep mogelijk bij één van de Kamers van Beroep
(art. 57). [3] Indien ook
de beslissing van de Kamer van Beroep negatief uitvalt, kan de
aanvrager op grond van art. 62 in beroep gaan bij het Gerecht
van Eerste Aanleg (GvEA). Tegen een eindbeslissing van het
GvEA kan dan eventueel nog in hoger beroep worden gegaan bij
het Hof van Justitie op grond van art. 49 van het Statuut van
het Hof van Justitie. [4]
De laatste jaren is een
groeiende stroom jurisprudentie verschenen. In 1999 oordeelde
het GvEA voor het eerst over een merkweigering in zijn
beslissing over het woordmerk BABY-DRY voor luiers.
[5] Het jaar 2000 leverde
een zestal uitspraken van het GvEA op inzake "merkweigering",
terwijl in de periode januari-oktober 2001 al 21 arresten zijn
gewezen. In veel gevallen ging het om de weigering van
woordmerken. Een enkel arrest betrof een vormmerk.
[6] Zeer recent heeft het
Hof van Justitie zelf zich voor het eerst in hoger beroep
uitgelaten over de weigering een merk in te schrijven: het
betrof wederom het woordmerk BABY-DRY.
[7]
In de hier besproken zaak
ging het niet om een woordmerk, maar om een beeldmerk voor
wasmiddelen en afwasmiddelen in tabletvorm. Deze zaak staat
overigens niet op zichzelf. Op dezelfde dag deed het GvEA in
nog 10 zaken uitspraak over beeldmerken én vormmerken voor
(af)wastabletten. Drie daarvan betroffen eveneens beroepszaken
van Henkel. [8] Daarbij
ging het om driedimensionale vormmerken. Zeven andere zaken
waren aanhangig gemaakt door Procter & Gamble en betroffen
vorm- en beeldmerken voor (af)wastabletten met andere vormen
en kleuren. [9] Zoveel
arresten op één dag kan geen toeval zijn. Zoals door partijen
zelf al wordt aangegeven zijn er slechts enkele 'spelers' in
de markt. Zodra één van hen tracht voor zich het alleenrecht
te verwerven op tabletvorm en -kleur, volgen de anderen.
Procter & Gamble geeft zelfs aan dat zij van mening is dat
haar merken géén bescherming verdienen, maar dat zij zich in
feite gedwongen voelt ook bescherming te vragen nu de andere
'spelers' daartoe zijn overgegaan.
[10] Overigens werd in
alle arresten door het GvEA het beroep verworpen en geoordeeld
dat de vorm- en beeldmerken voor de (af)wasmiddelen geen
onderscheidend vermogen hadden.
Het gaat daarbij steeds om
art. 7 van Verordening 40/94/EG. In dit artikel staan de
absolute gronden om Gemeenschapsmerken te weigeren opgesomd.
[11] In art. 7 lid 1 sub
b staat expliciet dat merken die elk onderscheidend vermogen
missen, geweigerd worden. Dit geldt overigens in alle
merkenrechtelijke systemen. Voor de EG-lidstaten is het
vereiste van onderscheidend vermogen terug te vinden in art. 3
van Richtlijn 89/104/EEG, dat uiteraard in de diverse
nationale stelsels geïmplementeerd moet zijn. In het
Benelux-recht ligt het enigszins verstopt in de omschrijving
van een merk (zie art. 6 bis jo art. 1 Benelux Merkenwet). Dit
betekent echter niet dat het vereiste in de Benelux een andere
inhoud heeft, zoals door A-G Jacobs in zijn Conclusie in de
BABY-DRY zaak wordt gesuggereerd.
[12] Het vereiste is
overigens voor een zeer groot aantal landen vastgelegd in art.
6 quinquies B onder 2 van het Unieverdrag van Parijs (1883) en
recent ook in art. 15 lid 1 TRIPS-verdrag.
[13]
De onderhavige zaak betreft
een beeldmerk, een plaatje, zoals de tijger van Esso of de
schelp van Shell. Van deze bekende en sterk onderscheidende
beeldmerken zal niemand betwijfelen dat ze onderscheidend
vermogen hebben. In dit geval ligt het wel wat moeilijker. Het
beeldmerk bestaat immers uit een afbeelding van het product
zelf: een plaatje van een rechthoekig tablet in rood en wit.
Kan een dergelijk 'beeld' een merk zijn voor een
afwasmiddeltablet? In beginsel kan een merk, bestaande uit de
weergave van de waar zelf, onderscheidend vermogen hebben, zo
valt uit het arrest te lezen (r.o.45). In dit geval voldoet
het plaatje echter niet aan het vereiste. Daarbij overweegt
het GvEA dat (af)wasmiddelen producten zijn die dagelijks
verbruikt (opgemaakt) worden. Bovendien zijn het producten
waar de 'gemiddelde' consument niet veel aandacht voor heeft.
Het GvEA bekijkt de diverse onderdelen van de aanbiedingsvorm
(vorm, lagen, kleur) waarna het concludeert dat deze een
combinatie vormen van elementen die voor de hand liggend en
typerend zijn voor dergelijke afwastabletten. Deze redenering
lijkt op hetgeen het GvEA met betrekking tot woordmerken
overwogen heeft, bij voorbeeld in het geval van Giroform,
EuroHealth en Companyline.
[14]
Het GvEA voert ook in het
merkenrecht de "redelijk geïnformeerde, omzichtig en
oplettende gemiddelde consument" als norm op. Deze
omschrijving is afkomstig uit een arrest over misleidende
reclame, maar heeft een ruime toepassing gevonden.
Is het OHIM even streng als
het Benelux Merkenbureau (BMB)? Sedert 1 januari 1996 heeft
ook het BMB de bevoegdheid de inschrijving van een merkdepot
te weigeren. De weigeringsgronden komen overeen met die van
het Bureau te Alicante (via Richtlijn 89/104/EG).
[15] In het algemeen
wordt het beleid als streng ervaren.
[16] Op dit moment zijn
vragen aanhangig bij het Hof van Justitie over de woordmerken
POSTKANTOOR en BIOMILD. [17]
Over de weigering van beeldmerken is niet veel jurisprudentie
bekend. [18] In 1997
heeft het Hof Den Haag zich uitgesproken over het
onderscheidend vermogen van S-vormig opvulmateriaal. Ook in
dit geval kwam de vorm van de waar overeen met het (vorm)merk.
Het Hof overweegt dat noch de BMW noch Richtlijn 89/104/EG er
vanuit gaan dat de enkele vorm(geving) van een waar geen
onderscheidend vermogen kan hebben bij (gebruik voor) die
waar. Het S-vormig opvulmateriaal voldeed aan het vereiste van
onderscheidend vermogen. Nu het om een vormmerk ging, lag de
situatie overigens enigszins anders en werd ook ingegaan op de
specifieke vereisten die daarvoor gelden.
Voor de inschrijving van een
merk is maar weinig nodig: het zwakste onderscheidend vermogen
is voldoende om de weigeringsgrond uit te sluiten (r.o.47). In
dit geval had ook best geoordeeld kunnen worden dat dit
minimale onderscheidende vermogen er wél was.
[19] Met name gezien het
feit voor de tabletten een heel specifieke kleurcombinatie
gebruikt wordt. Uit de andere arresten blijkt dat die
gekleurde lagen voor elke merk weer anders zijn. Zo is een
kleurencombinatie voor geneesmiddelencapsules (die ook
allemaal dezelfde vorm hebben) wel al eens voldoende bevonden.
[20] Ook voor tandpasta
vormen de gestreepte kleuren een beeldmerk.
[21] Het GvEA legt de
nadruk op het feit dat de gekleurde lagen duiden op
verschillende actieve bestanddelen van het tablet. De
doelgroep ziet de lagen als verwijzing naar de kwaliteit van
de waar en niet als een verwijzing naar de herkomst
(r.o.58). Al met al vind ik dit argument niet sterk. Mijns
inziens 'herkent' de consument (als hij al bewust voor een
bepaald wasmiddel kiest) 'zijn' merk mede aan vorm en kleuren
van het tablet, en die kan je niet zien als deze niet op het
pak staan afgebeeld. Het GvEA is echter strenger met als
gevolg dat de consument daar niet meer op af kan gaan.
B. M. Vroom-Cramer
[1]
Verordening 40/94/EG van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk
van 20 december 1993, PbEG 1994, L 11/1. Zie over
de Verordening: W. Hoorneman & G. Vos, "Benelux vreemde
elementen aan het Gemeenschapsmerk", BMM-bulletin 1999,
p. 74-80.
[2] In 2000 werden er meer
dan 57.000 aanvragen gedaan, zie 'statistics' op
http://www.oami.eu.int. Zie ook: A. von Mühlendahl, "The
OHIM and its boards of appeal: registrability of community
trade marks", IER 1999, p. 95-100.
[3] Uitspraken van de
verschillende Kamers van Beroep zijn te raadplegen op
internet:
http://www.oami.eu.int/ Voor uitspraken van het Gerecht
van Eerste Aanleg zie:
http://www.europa.eu.int/.
[4] Zie hierover de 13e
overweging van de Considerans van Verordening
40/94/EG. Zie Protocol betreffende het Statuut van het
HvJEG, Trb. 1957, 94.
[5]
GvEA 8 juli 1999, T-163/98 (Procter & Gamble/BHIM), BABY-DRY,
Jur . 1998, II-2383.
[6]
GvEA 16 februari 2000, T-122/99 (Procter & Gamble/BHIM),
n.n.g. Het ging om de vorm van een stuk zeep.
[7]
HvJEG 20 september 2001, C-383/99 (Procter & Gamble/BHIM),
BABY-DRY, n.n.g.
[8]
GvEA 19 september 2001, T-335/99, T-336/99 en T-337/99 (Henkel
KgaA/BHIM), n.n.g.
[9] GvEA 19 september
T-117/00,
T-118/00,
T-119/00,
T-120/00,
T-121/00,
T-128/00,
T-129/00 (Procter & Gamble/BHIM), n.n.g. Zie noot Ch.
Gielen in IER 2002, p. 24.
[10] Zie onder meer r.o.
10 in
GvEA 19 september 2001, T-129/00 (P & G/BHIM), n.n.g.
[11] In art. 7 lid 1 sub
e staan specifieke weigeringsgronden genoemd voor vormmerken.
Deze komen echter in geen van de arresten verder ter sprake.
[12] Zie opmerking in
noot 23 van zijn
Conclusie in de zaak C-389/99, Baby-dry.
[13] Verdrag van Parijs
ter bescherming van de intellectueel Eigendom, Trb.
1969, 144; Overeenkomst inzake de Handelsaspecten van de IE,
Trb. 1995, 130.
[14]
GvEA 12 januari 2000, T-19/99 (Companyline), GvEA 7 juni 2001
T-359/99 (EuroHealth) en GvEA 31 januari 2001 (Giroform),
n.n.g.
[15]
Eerste Richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988
betreffende aanpassing van het merkenrecht der lid-staten,
PbEG 1989, L 40/1. Geïmplementeerd in de
Benelux Merkenwet (BMW)
bij Protocol d.d. 2 december 1992, Trb. 1993, 12 (in
werking getreden op 1 januari 1996).
[16] Zie over het beleid
van het BMB sinds 1996: Artz 1999.
[17] Zie
C-363/99 en
C-265/00.
[18] Hof Den Haag 2
oktober 1997 (S-vormig opvulmateriaal), BIE 1999, 60.
[19] Met name als men
achteraf het arrest van het HvJ in de zaak Baby-dry van 20
september 2001 in aanmerking neemt, zie hierover ook de noot
van Brinkhof in BIE 2001, p. 344-345. Zie ook de noot
van Ch. Gielen in Ars Aequi 2002, p. 41-44 en D.W.F.
Verkade in NJ 2002, 139.
[20] Hof Den Haag 7 juli
1994 (rood-groene capsules), BIE 1995, 54.
[21] Hof Den Haag 29 juni
2000 (Beecham/Unilever, gestreepte tandpasta), IER
2000, 61. Uit het arrest blijkt dat er voor tandpasta meerdere
streepjesmerken in de Benelux zijn.
|