|
Enkele
weken geleden heeft de Amerikaanse minister van handel,
Carlos Gutierrez, een serie initiatieven aangekondigd om
korte metten te maken met de alsmaardoor voortwoekerende
wereldwijde piraterij van, onder meer, muziek.
Vervalsingen en piraterij zouden de Verenigde Staten 250
miljard dollar per jaar kosten. Volgens zijn woorden is
'de bescherming van intellectueel eigendom vitaal voor
onze economische groei en voor ons mondiaal vermogen om
te concurreren, en het heeft verregaande consequenties
voor onze niet aflatende inspanning om veiligheid en
stabiliteit in de wereld te bevorderen.'
Ik
moet eerlijk bekennen dat het nog nooit in me opgenomen
was dat auteursrecht bij kon dragen aan de veiligheid en
stabiliteit in de wereld. Dat klinkt erg bemoedigend,
zeker uit de mond van een Amerikaanse minister! Het
andere aspect dat Carlos Gutierrez te berde brengt
springt inderdaad wel in het oog. Auteursrecht is meer
en meer verworden tot een instrument voor de bescherming
van forse investeringen. Het is een van de pijlers
waarop de groei van met name de Amerikaanse economie
draait. De consequentie hiervan is echter wel dat
ondernemingen die bakken vol auteursrechten bezitten, en
ook nog eens de distributiekanalen van culturele
goederen en diensten beheersen, met groot gemak zwakkere
culturele activiteiten van de markt en uit de aandacht
van het publiek kunnen wegduwen. Dit is wat we onder
onze ogen zien gebeuren. Het is moeilijk de
blockbusters, bestsellers en stars die deze culturele
giganten ons voorspiegelen, en waarover ze een wijd
pakket van rechten bezitten, over het hoofd te zien. Dan
is het nog moeilijker om te ontwaren dat er nog velerlei
anders op muzikaal, theatraal, filmisch, beeldend en
talig gebied door kunstenaars gecreëerd en opgevoerd
wordt! Dat is jammer want onze democratie gedijt alleen
maar als een grote verscheidenheid van culturele
expressies kan circuleren en vrijelijk becommentarieerd
kan worden.
Over
het algemeen denken we dat het auteursrecht kunstenaars
een weldadige bescherming geeft. De allereerste
beleidsdaad in de geschiedenis die iets in het leven
riep dat lijkt op ons huidige auteursrecht laat zien dat
er meestal met die bescherming iets anders in het geding
is dan zorg geven aan het inkomen van kunstenaars. Die
eerste aanzet voor het intellectuele eigendomsrecht van
artistieke expressies komt van de Engelse Queen Anne die
in 1557 aan het gilde van de Stationers een monopolie
gaf op het drukken en publiceren van boeken; een
monopolie is natuurlijk altijd prettiger dan het
vooruitzicht op competitie, bijvoorbeeld van drukkers
uit de provincie of van over de grens in Schotland.
Auteursrecht geeft de eigenaar van dat recht een
monopolie op het gebruik van het artistiek materiaal, in
dit Engelse geval, van boeken. In het Engels heet dit
copyright. Dat is het alleenrecht voor de drukker en
uitgever om te vermenigvuldigen; het woord auteur komt
er niet aan te pas. Queen Anne op haar beurt had niet
zo'n behoefte aan het vrije woord en door exclusieve
publicatierechten te geven aan de Stationers kon ze
controleren wat op de markt kwam, en ze kon tegenhouden
wat haar niet aanstond. Immers, wie rechten heeft uit te
delen kan ook rechten onthouden.
Deze
beslissing van Queen Anne achtervolgt het auteursrecht
tot op de dag van vandaag, en misschien meer dan ooit.
Op de gebieden van boeken, films, muziek en beeld
ontwikkelen zich enkele grote groepen die steeds meer
rechten verwerven op artistiek materiaal. Bijvoorbeeld
Bill Gates koopt met zijn onderneming Corbis overal ter
wereld beeldmateriaal en ontwikkelt zich tezamen met de
maatschappij van Getty tot een oligopolist op het gebied
van foto's en reproducties van schilderijen, dus tot
iemand die de markt in grote mate naar z'n hand kan
zetten, zoals de Stationers dat konden in de zestiende
eeuw. Vervolgens, wie dit materiaal wil gebruiken moet
ervoor betalen, maar moet ook toestemming krijgen. De
oligopolist controleert dus of we artistiek materiaal
mogen gebruiken en onder welke voorwaarden, zoals Queen
Anne dat nastreefde.
In
de meeste culturen in de wereld was en is dit
ondenkbaar. Kunstenaars maakten gebruik van elkaars werk
en zo ging dat eindeloos door. Anders kunnen we de
enorme berg van creaties van Shakespeare, Bach en vele
andere duizenden kunstenaars niet begrijpen. Echter, wat
zien we nu zich afspelen? Voor makers van documentaires,
bijvoorbeeld, wordt het met de dag moeilijker, zo niet
onmogelijk om nog een film tot stand te brengen want
daar zit vrijwel altijd beeld- of muziekmateriaal in
waar toestemming voor gevraagd moet worden en betaald.
Dat laatste is meestal veel te duur en het eerste geeft
Bill Gates, of een andere rechthebbende, de volmacht om
gebruik van “zijn” artistiek materiaal alleen te
tolereren in contexten die hem aanstaan. Als dit aan het
gebeuren is, waar blijven dan onze mensenrechten? Die
zouden moeten garanderen dat we in vrijheid met elkaar
kunnen communiceren. De tegenspraak helpt ons verder.
Maar daar kan geen sprake meer van zijn als slechts
enkele personen of bedrijven zich “eigenaar” mogen
noemen van honderdduizenden beelden, of op het gebied
van muziek, van miljoenen melodieën. Zij zijn dan in de
positie om te bepalen dat we veel van onze collectieve
menselijke expressies, uitgedrukt in artistieke vormen,
niet meer mogen gebruiken, of alleen op hun voorwaarden.
We worden sprakeloos gemaakt, ons cultureel geheugen
wordt van ons afgenomen, onze eigen culturele identiteit
kan zich nog maar moeizaam ontwikkelen, en onze fantasie
wordt aan banden gelegd.
Zo
gaat het ook met de nieuwe digitale technologieën. Die
maken het mogelijk om eindeloos te samplen. De kans is
echter groot dat het meeste gebruikte materiaal in
handen is van een “eigenaar” die meteen een advocaat
op je afstuurt als je dat gebruikt, al gaat het
bijvoorbeeld maar om een paar seconden geluidsmateriaal.
Wat een digitale geluidskunstenaar doet is wat alle
kunstenaars vrijwel overal ter wereld deden en doen –
samplen -, maar nu worden ze gecriminaliseerd.
Auteursrechten-industrieën scouten dag en nacht het
zwerk af of er niet ergens materiaal gebruikt wordt waar
zij een recht op hebben, en zo ja, dan ben je het
haasje.
Het
auteursrecht heeft nog een weeffout waardoor het maar
moeilijk kan functioneren in een democratische
samenleving. Auteursrecht is een zogenaamd intellectueel
eigendom srecht. In het woord eigendom zit het
probleem. Het is een categorie die niet past op kennis
en creativiteit. Een melodie, of een uitvinding, wordt
er niet minder op als vele mensen die gebruiken. Een
tafel daarentegen kan maar door één persoon
tegelijkertijd bezeten worden. Het woord eigendom heeft
in die context een nuttige functie. Wat we in de huidige
samenleving echter doen is het begrip eigendom eindeloos
oprekken. Bijna alles kan in privaat eigendom genomen
worden waardoor anderen worden uitgesloten van gebruik;
zelfs geuren en kleuren, om maar niet te spreken van ons
bloed en onze genen worden voor onze neus weggekaapt en
geprivatiseerd. Het is tijd om het begrip eigendom weer
eens tegen het licht te houden.
In
het verband van artistiek materiaal is het niet goed
voorstelbaar dat een enkeling kan zeggen: deze melodie
is van mij. Immers, we weten heel goed dat elk artistiek
werk, net als elke uitvinding, voor het overgrote deel
voortkomt uit artistiek werk, en uit uitvindingen van
voorgangers. Natuurlijk, we kunnen groot respect hebben
voor wat kunstenaars en uitvinders daarmee uitrichten,
en we moeten zorgen dat ze financieel het hoofd boven
water kunnen houden met hun werk en meer dan dat. Maar
het gaat te ver om hen voor hun creatie of uitvoering
een exclusieve monopolistische controle te geven, voor
decennia lang en voor alles wat op dat werk lijkt. Dat
betekent dat er vrijwel niets meer overblijft voor
volgende kunstenaars om hun werk op voort te bouwen. We
mogen zulk werk ook niet weerspreken want al snel raken
we aan het eigendomsrecht van de “auteur”, wat
natuurlijk, zoals gezegd, in democratisch opzicht zeer
schadelijk is. Het wordt nog doller als we bedenken dat
de meeste auteursrechten in handen liggen van grote
conglomeraten die al helemaal niks gecreëerd of
uitgevonden hebben en aan wie kunstenaars hun rechten
moeten overdragen om gedistribueerd te kunnen worden.
Er
is dus de nodige reden om ons te ontdoen van het
Westerse systeem van auteursrechten en het af te
schaffen. De grote en begrijpelijke angst bij veel
kunstenaars is dan natuurlijk dat ze dan niet meer aan
een inkomen geraken. Dat is een misverstand. Allereerst,
alle economisch onderzoek maakt duidelijk dat van het
portie geld van rechten dat naar kunstenaars gaat, 90%
naar 10% van de kunstenaars gaat, en 10% naar 90% van de
scheppers en uitvoerders. Er valt voor het overgrote
deel van de kunstenaars dus niet zo veel garen te
spinnen bij het auteursrecht. Het is meer naar waarheid
om te zeggen dat de meesten van hen in een vreemde
coalitie vertoeven met de grote culturele industrieën.
Alsof beide groepen een zelfde belang hebben! De
auteursrechtenorganisatie GEMA in Duitsland exporteert
70% van wat ze aan rechten ophalen naar het buitenland
en dat is vrijwel alleen naar de VS, en daar zijn het
enkele culturele conglomeraten die de grote ontvangers
zijn. De gemiddelde kunstenaar komt daar niet aan te
pas.
Het
is beter voor kunstenaars om een nieuwe analyse te maken
hoe ze aan een fatsoenlijk inkomen kunnen komen met hun
werk zonder dat ze door de distributiekracht van grote
rechthebbenden van de markt en uit de aandacht van het
publiek geduwd worden. Het is uiteraard belangrijk dat
veel kunstenaars een behoorlijk inkomen aan hun werk
overhouden want zij maken en spelen die verscheidenheid
van uitdrukkingsvormen waar we als samenleving zo'n
grote behoefte aan hebben.
Interessant
is dat het verwerven van zulke inkomens heel goed
voorstelbaar is zonder het bestaan van auteursrecht.
Waarom? Wat is auteursrecht immers anders dan een grote
beschermingshuls die rond het werk gedrapeerd wordt? De
vraag laat zich stellen of die beschermingshuls nodig
is. Kunstenaars en hun bemiddelaars en producenten zijn
ondernemers. Men kan zich afvragen wat de reden is dat
zij eindeloos veel meer bescherming krijgen – immers
een exclusieve monopolistische controle over hun werk
– dan de meeste andere ondernemers. Waarom brengen zij
hun werk niet gewoon op vrije markt en proberen er
klanten voor te vinden?
Gesteld
dat we het auteursrecht, dus die beschermingshuls, laten
vallen, wat gebeurt er dan? Eigenlijk iets heel
boeiends. Voor grote culturele ondernemingen is het dan
niet meer de moeite waard om zo enorm te investeren in
blockbusters, bestsellers en stars. Als iedereen dat
werk óók kan gebruiken, en er dus geen intellectueel
eigendom bestaat, vervalt hun exclusiviteit die hen de
overrompelend sterke positie op de markt geeft waar we
zo een last van hebben. Er is dan dus een belangrijk
doel behaalt: de markt wordt genormaliseerd. Op die meer
normale markt is het heel goed mogelijk voor veel
kunstenaars om hun waar aan te prijzen, gekend te
worden, en met hun creaties en voorstellingen een goed
inkomen te verdienen. Gedeeltelijk omdat ze als eerste
met een creatie of een voorstelling op de culturele en
entertainment markt komen, en daarmee een voorsprong
hebben op anderen. Gedeeltelijk omdat ze kunnen werven
met hun reputatie . De digitalisering en de
snelle mogelijkheden om te vermenigvuldigen en te
kopiëren laat die reputatie onverlet en daar valt geld
mee te maken. Heel veel kunstenaars worden juist door
het verdwijnen van het auteursrecht niet meer per
definitie uit de publieke aandacht weggeduwd door enkele
grote culturele industrieën.
Uiteraard
roept deze benadering van het afschaffen van het
auteursrecht enkele vragen op waar een oplossing voor
gevonden moet worden. Daarom zijn er drie correcties
nodig. De eerste komt voort uit het feit dat sommig
artistiek werk een grote investering aan tijd of geld
kost dat niet meteen rendabel te maken valt zonder een
korte beschermingsperiode. Te denken valt aan films of
boeken. Het is zinnig om de makers van zulk soort werk
een periode van een jaar te geven waarin ze het
vruchtgebruik hebben over het werk. Dat is dus geen
eigendom want elk werk valt na zijn voortbrenging per
definitie in het publieke domein zoals dat in vrijwel
alle culturen, te allen tijde, het geval was en zich nu
in het digitale tijdvak ook weer sterk opdringt.
Waarom
een jaar vruchtgebruik en niet meer? De ervaring leert
dat de meeste werken na een jaar hun leven gehad hebben.
Bovendien, het loont niet de moeite voor een ander om
zo'n werk ook uit te brengen want vele anderen zouden
dat ook kunnen doen en dan is het de investering niet
waard. Het wordt duidelijk dat het begrip piraterij ook
als sneeuw voor de zon verdwijnt, want als gebruik door
anderen vrij staat – eventueel met de beperking van
het ene jaar vruchtgebruik – dan kan er geen illegaal
gebruik bestaan! Dan hoeft er ook niet meer op
gebruikers van artistiek materiaal – mensen die
bijvoorbeeld op het internet muziek uitwisselen -
gejaagd te worden, en ze hoeven al helemaal niet meer
gecriminaliseerd te worden.
De
tweede correctie is dat het voorstelbaar is dat bepaalde
artistieke werken het voor enige tijd niet goed op de
markt doen, ook niet met een jaar vruchtgebruik.
Bijvoorbeeld omdat ze voor veel publieken nog erg
onbekend zijn. Toch kan het vanuit maatschappelijk
oogpunt belangrijk gevonden worden dat een grote
diversiteit van artistieke werken het daglicht kan zien,
en genoten en bediscussieerd kan worden. Bovendien
moeten kunstenaars een kans hebben hun werk te
ontwikkelen, ook als de markt daar niet meteen gevoelig
voor is. De ontwikkeling van vakman- en vakvrouwschap in
de kunsten is iets dat tijd kost. Het is een
maatschappelijk belang daarin te investeren. Om al die
redenen is het wenselijk dat de gemeenschap met
subsidies of andere faciliteiten het ont- en bestaan van
werk van zulk soort kunstenaars mede mogelijk maakt.
De
derde correctie neemt de culturele markt in zijn totale
breedte in beschouwing. Met het verdwijnen van het
auteursrecht is één poot onder de dominantie van grote
culturele industrieën weggezaagd. Dat neemt niet weg
dat ze nog een tweede houvast hebben om de culturele
markt te domineren. Dat is de controle die ze hebben op
de middelen van de productie, distributie en marketing
van culturele goederen en diensten. Daardoor wordt het
merendeel van het culturele aanbod en de sfeer geschapen
waarin films, boeken, muziek, theatervoorstellingen en
beeldmateriaal genoten worden.
Die
concentratie van markt-macht moet in elke bedrijfstak
tegengegaan worden, in de culturele sector is
machtsconcentratie zelfs funest. Het is daarom dus goed
voor te stellen dat de culturele markt onderworpen wordt
aan een mededingingsrecht met een sterke culturele
inslag. Dat gaat dan om de beperking van de eigendom van
de middelen van culturele productie en distributie. Het
gaat ook om regels die culturele ondernemingen een
verplichting opleggen om de feitelijke verscheidenheid
voor het voetlicht te brengen en uit te stralen die
kunstenaars in en buiten eigen land creëren en
opvoeren.
Als
we dit allemaal doen, dan is een leven zonder
auteursrecht goed voorstelbaar, profijtelijk voor heel
veel kunstenaars en een zegen voor de culturele
democratie.
|