Aan auteursrecht heb je niets
Verschenen in De Volkskrant, 25 november 2005.
Zie ook de reactie op dit pleidooi door A. van Rooijen

Joost Smiers
Joost Smiers is auteur van Arts Under Pressure. Promoting Cultural Diversity in the Age of Globalization, en lector politicologie van de kunsten in de Onderzoeksgroep Kunst & Economie, Hogeschool voor de Kunsten Utrecht.


Enkele weken geleden heeft de Amerikaanse minister van handel, Carlos Gutierrez, een serie initiatieven aangekondigd om korte metten te maken met de alsmaardoor voortwoekerende wereldwijde piraterij van, onder meer, muziek. Vervalsingen en piraterij zouden de Verenigde Staten 250 miljard dollar per jaar kosten. Volgens zijn woorden is 'de bescherming van intellectueel eigendom vitaal voor onze economische groei en voor ons mondiaal vermogen om te concurreren, en het heeft verregaande consequenties voor onze niet aflatende inspanning om veiligheid en stabiliteit in de wereld te bevorderen.'

Ik moet eerlijk bekennen dat het nog nooit in me opgenomen was dat auteursrecht bij kon dragen aan de veiligheid en stabiliteit in de wereld. Dat klinkt erg bemoedigend, zeker uit de mond van een Amerikaanse minister! Het andere aspect dat Carlos Gutierrez te berde brengt springt inderdaad wel in het oog. Auteursrecht is meer en meer verworden tot een instrument voor de bescherming van forse investeringen. Het is een van de pijlers waarop de groei van met name de Amerikaanse economie draait. De consequentie hiervan is echter wel dat ondernemingen die bakken vol auteursrechten bezitten, en ook nog eens de distributiekanalen van culturele goederen en diensten beheersen, met groot gemak zwakkere culturele activiteiten van de markt en uit de aandacht van het publiek kunnen wegduwen. Dit is wat we onder onze ogen zien gebeuren. Het is moeilijk de blockbusters, bestsellers en stars die deze culturele giganten ons voorspiegelen, en waarover ze een wijd pakket van rechten bezitten, over het hoofd te zien. Dan is het nog moeilijker om te ontwaren dat er nog velerlei anders op muzikaal, theatraal, filmisch, beeldend en talig gebied door kunstenaars gecreëerd en opgevoerd wordt! Dat is jammer want onze democratie gedijt alleen maar als een grote verscheidenheid van culturele expressies kan circuleren en vrijelijk becommentarieerd kan worden.

Over het algemeen denken we dat het auteursrecht kunstenaars een weldadige bescherming geeft. De allereerste beleidsdaad in de geschiedenis die iets in het leven riep dat lijkt op ons huidige auteursrecht laat zien dat er meestal met die bescherming iets anders in het geding is dan zorg geven aan het inkomen van kunstenaars. Die eerste aanzet voor het intellectuele eigendomsrecht van artistieke expressies komt van de Engelse Queen Anne die in 1557 aan het gilde van de Stationers een monopolie gaf op het drukken en publiceren van boeken; een monopolie is natuurlijk altijd prettiger dan het vooruitzicht op competitie, bijvoorbeeld van drukkers uit de provincie of van over de grens in Schotland. Auteursrecht geeft de eigenaar van dat recht een monopolie op het gebruik van het artistiek materiaal, in dit Engelse geval, van boeken. In het Engels heet dit copyright. Dat is het alleenrecht voor de drukker en uitgever om te vermenigvuldigen; het woord auteur komt er niet aan te pas. Queen Anne op haar beurt had niet zo'n behoefte aan het vrije woord en door exclusieve publicatierechten te geven aan de Stationers kon ze controleren wat op de markt kwam, en ze kon tegenhouden wat haar niet aanstond. Immers, wie rechten heeft uit te delen kan ook rechten onthouden.

Deze beslissing van Queen Anne achtervolgt het auteursrecht tot op de dag van vandaag, en misschien meer dan ooit. Op de gebieden van boeken, films, muziek en beeld ontwikkelen zich enkele grote groepen die steeds meer rechten verwerven op artistiek materiaal. Bijvoorbeeld Bill Gates koopt met zijn onderneming Corbis overal ter wereld beeldmateriaal en ontwikkelt zich tezamen met de maatschappij van Getty tot een oligopolist op het gebied van foto's en reproducties van schilderijen, dus tot iemand die de markt in grote mate naar z'n hand kan zetten, zoals de Stationers dat konden in de zestiende eeuw. Vervolgens, wie dit materiaal wil gebruiken moet ervoor betalen, maar moet ook toestemming krijgen. De oligopolist controleert dus of we artistiek materiaal mogen gebruiken en onder welke voorwaarden, zoals Queen Anne dat nastreefde.

In de meeste culturen in de wereld was en is dit ondenkbaar. Kunstenaars maakten gebruik van elkaars werk en zo ging dat eindeloos door. Anders kunnen we de enorme berg van creaties van Shakespeare, Bach en vele andere duizenden kunstenaars niet begrijpen. Echter, wat zien we nu zich afspelen? Voor makers van documentaires, bijvoorbeeld, wordt het met de dag moeilijker, zo niet onmogelijk om nog een film tot stand te brengen want daar zit vrijwel altijd beeld- of muziekmateriaal in waar toestemming voor gevraagd moet worden en betaald. Dat laatste is meestal veel te duur en het eerste geeft Bill Gates, of een andere rechthebbende, de volmacht om gebruik van “zijn” artistiek materiaal alleen te tolereren in contexten die hem aanstaan. Als dit aan het gebeuren is, waar blijven dan onze mensenrechten? Die zouden moeten garanderen dat we in vrijheid met elkaar kunnen communiceren. De tegenspraak helpt ons verder. Maar daar kan geen sprake meer van zijn als slechts enkele personen of bedrijven zich “eigenaar” mogen noemen van honderdduizenden beelden, of op het gebied van muziek, van miljoenen melodieën. Zij zijn dan in de positie om te bepalen dat we veel van onze collectieve menselijke expressies, uitgedrukt in artistieke vormen, niet meer mogen gebruiken, of alleen op hun voorwaarden. We worden sprakeloos gemaakt, ons cultureel geheugen wordt van ons afgenomen, onze eigen culturele identiteit kan zich nog maar moeizaam ontwikkelen, en onze fantasie wordt aan banden gelegd.

Zo gaat het ook met de nieuwe digitale technologieën. Die maken het mogelijk om eindeloos te samplen. De kans is echter groot dat het meeste gebruikte materiaal in handen is van een “eigenaar” die meteen een advocaat op je afstuurt als je dat gebruikt, al gaat het bijvoorbeeld maar om een paar seconden geluidsmateriaal. Wat een digitale geluidskunstenaar doet is wat alle kunstenaars vrijwel overal ter wereld deden en doen – samplen -, maar nu worden ze gecriminaliseerd. Auteursrechten-industrieën scouten dag en nacht het zwerk af of er niet ergens materiaal gebruikt wordt waar zij een recht op hebben, en zo ja, dan ben je het haasje.

Het auteursrecht heeft nog een weeffout waardoor het maar moeilijk kan functioneren in een democratische samenleving. Auteursrecht is een zogenaamd intellectueel eigendom srecht. In het woord eigendom zit het probleem. Het is een categorie die niet past op kennis en creativiteit. Een melodie, of een uitvinding, wordt er niet minder op als vele mensen die gebruiken. Een tafel daarentegen kan maar door één persoon tegelijkertijd bezeten worden. Het woord eigendom heeft in die context een nuttige functie. Wat we in de huidige samenleving echter doen is het begrip eigendom eindeloos oprekken. Bijna alles kan in privaat eigendom genomen worden waardoor anderen worden uitgesloten van gebruik; zelfs geuren en kleuren, om maar niet te spreken van ons bloed en onze genen worden voor onze neus weggekaapt en geprivatiseerd. Het is tijd om het begrip eigendom weer eens tegen het licht te houden.

In het verband van artistiek materiaal is het niet goed voorstelbaar dat een enkeling kan zeggen: deze melodie is van mij. Immers, we weten heel goed dat elk artistiek werk, net als elke uitvinding, voor het overgrote deel voortkomt uit artistiek werk, en uit uitvindingen van voorgangers. Natuurlijk, we kunnen groot respect hebben voor wat kunstenaars en uitvinders daarmee uitrichten, en we moeten zorgen dat ze financieel het hoofd boven water kunnen houden met hun werk en meer dan dat. Maar het gaat te ver om hen voor hun creatie of uitvoering een exclusieve monopolistische controle te geven, voor decennia lang en voor alles wat op dat werk lijkt. Dat betekent dat er vrijwel niets meer overblijft voor volgende kunstenaars om hun werk op voort te bouwen. We mogen zulk werk ook niet weerspreken want al snel raken we aan het eigendomsrecht van de “auteur”, wat natuurlijk, zoals gezegd, in democratisch opzicht zeer schadelijk is. Het wordt nog doller als we bedenken dat de meeste auteursrechten in handen liggen van grote conglomeraten die al helemaal niks gecreëerd of uitgevonden hebben en aan wie kunstenaars hun rechten moeten overdragen om gedistribueerd te kunnen worden.

Er is dus de nodige reden om ons te ontdoen van het Westerse systeem van auteursrechten en het af te schaffen. De grote en begrijpelijke angst bij veel kunstenaars is dan natuurlijk dat ze dan niet meer aan een inkomen geraken. Dat is een misverstand. Allereerst, alle economisch onderzoek maakt duidelijk dat van het portie geld van rechten dat naar kunstenaars gaat, 90% naar 10% van de kunstenaars gaat, en 10% naar 90% van de scheppers en uitvoerders. Er valt voor het overgrote deel van de kunstenaars dus niet zo veel garen te spinnen bij het auteursrecht. Het is meer naar waarheid om te zeggen dat de meesten van hen in een vreemde coalitie vertoeven met de grote culturele industrieën. Alsof beide groepen een zelfde belang hebben! De auteursrechtenorganisatie GEMA in Duitsland exporteert 70% van wat ze aan rechten ophalen naar het buitenland en dat is vrijwel alleen naar de VS, en daar zijn het enkele culturele conglomeraten die de grote ontvangers zijn. De gemiddelde kunstenaar komt daar niet aan te pas.

Het is beter voor kunstenaars om een nieuwe analyse te maken hoe ze aan een fatsoenlijk inkomen kunnen komen met hun werk zonder dat ze door de distributiekracht van grote rechthebbenden van de markt en uit de aandacht van het publiek geduwd worden. Het is uiteraard belangrijk dat veel kunstenaars een behoorlijk inkomen aan hun werk overhouden want zij maken en spelen die verscheidenheid van uitdrukkingsvormen waar we als samenleving zo'n grote behoefte aan hebben.

Interessant is dat het verwerven van zulke inkomens heel goed voorstelbaar is zonder het bestaan van auteursrecht. Waarom? Wat is auteursrecht immers anders dan een grote beschermingshuls die rond het werk gedrapeerd wordt? De vraag laat zich stellen of die beschermingshuls nodig is. Kunstenaars en hun bemiddelaars en producenten zijn ondernemers. Men kan zich afvragen wat de reden is dat zij eindeloos veel meer bescherming krijgen – immers een exclusieve monopolistische controle over hun werk – dan de meeste andere ondernemers. Waarom brengen zij hun werk niet gewoon op vrije markt en proberen er klanten voor te vinden?

Gesteld dat we het auteursrecht, dus die beschermingshuls, laten vallen, wat gebeurt er dan? Eigenlijk iets heel boeiends. Voor grote culturele ondernemingen is het dan niet meer de moeite waard om zo enorm te investeren in blockbusters, bestsellers en stars. Als iedereen dat werk óók kan gebruiken, en er dus geen intellectueel eigendom bestaat, vervalt hun exclusiviteit die hen de overrompelend sterke positie op de markt geeft waar we zo een last van hebben. Er is dan dus een belangrijk doel behaalt: de markt wordt genormaliseerd. Op die meer normale markt is het heel goed mogelijk voor veel kunstenaars om hun waar aan te prijzen, gekend te worden, en met hun creaties en voorstellingen een goed inkomen te verdienen. Gedeeltelijk omdat ze als eerste met een creatie of een voorstelling op de culturele en entertainment markt komen, en daarmee een voorsprong hebben op anderen. Gedeeltelijk omdat ze kunnen werven met hun reputatie . De digitalisering en de snelle mogelijkheden om te vermenigvuldigen en te kopiëren laat die reputatie onverlet en daar valt geld mee te maken. Heel veel kunstenaars worden juist door het verdwijnen van het auteursrecht niet meer per definitie uit de publieke aandacht weggeduwd door enkele grote culturele industrieën.

Uiteraard roept deze benadering van het afschaffen van het auteursrecht enkele vragen op waar een oplossing voor gevonden moet worden. Daarom zijn er drie correcties nodig. De eerste komt voort uit het feit dat sommig artistiek werk een grote investering aan tijd of geld kost dat niet meteen rendabel te maken valt zonder een korte beschermingsperiode. Te denken valt aan films of boeken. Het is zinnig om de makers van zulk soort werk een periode van een jaar te geven waarin ze het vruchtgebruik hebben over het werk. Dat is dus geen eigendom want elk werk valt na zijn voortbrenging per definitie in het publieke domein zoals dat in vrijwel alle culturen, te allen tijde, het geval was en zich nu in het digitale tijdvak ook weer sterk opdringt.

Waarom een jaar vruchtgebruik en niet meer? De ervaring leert dat de meeste werken na een jaar hun leven gehad hebben. Bovendien, het loont niet de moeite voor een ander om zo'n werk ook uit te brengen want vele anderen zouden dat ook kunnen doen en dan is het de investering niet waard. Het wordt duidelijk dat het begrip piraterij ook als sneeuw voor de zon verdwijnt, want als gebruik door anderen vrij staat – eventueel met de beperking van het ene jaar vruchtgebruik – dan kan er geen illegaal gebruik bestaan! Dan hoeft er ook niet meer op gebruikers van artistiek materiaal – mensen die bijvoorbeeld op het internet muziek uitwisselen - gejaagd te worden, en ze hoeven al helemaal niet meer gecriminaliseerd te worden.

De tweede correctie is dat het voorstelbaar is dat bepaalde artistieke werken het voor enige tijd niet goed op de markt doen, ook niet met een jaar vruchtgebruik. Bijvoorbeeld omdat ze voor veel publieken nog erg onbekend zijn. Toch kan het vanuit maatschappelijk oogpunt belangrijk gevonden worden dat een grote diversiteit van artistieke werken het daglicht kan zien, en genoten en bediscussieerd kan worden. Bovendien moeten kunstenaars een kans hebben hun werk te ontwikkelen, ook als de markt daar niet meteen gevoelig voor is. De ontwikkeling van vakman- en vakvrouwschap in de kunsten is iets dat tijd kost. Het is een maatschappelijk belang daarin te investeren. Om al die redenen is het wenselijk dat de gemeenschap met subsidies of andere faciliteiten het ont- en bestaan van werk van zulk soort kunstenaars mede mogelijk maakt.

De derde correctie neemt de culturele markt in zijn totale breedte in beschouwing. Met het verdwijnen van het auteursrecht is één poot onder de dominantie van grote culturele industrieën weggezaagd. Dat neemt niet weg dat ze nog een tweede houvast hebben om de culturele markt te domineren. Dat is de controle die ze hebben op de middelen van de productie, distributie en marketing van culturele goederen en diensten. Daardoor wordt het merendeel van het culturele aanbod en de sfeer geschapen waarin films, boeken, muziek, theatervoorstellingen en beeldmateriaal genoten worden.

Die concentratie van markt-macht moet in elke bedrijfstak tegengegaan worden, in de culturele sector is machtsconcentratie zelfs funest. Het is daarom dus goed voor te stellen dat de culturele markt onderworpen wordt aan een mededingingsrecht met een sterke culturele inslag. Dat gaat dan om de beperking van de eigendom van de middelen van culturele productie en distributie. Het gaat ook om regels die culturele ondernemingen een verplichting opleggen om de feitelijke verscheidenheid voor het voetlicht te brengen en uit te stralen die kunstenaars in en buiten eigen land creëren en opvoeren.

Als we dit allemaal doen, dan is een leven zonder auteursrecht goed voorstelbaar, profijtelijk voor heel veel kunstenaars en een zegen voor de culturele democratie.


Geplaatst 03.02.2006