Bijlagen

Appendix IV - De (rechts-)economische methode

De doelstelling van dit onderzoek is meer duidelijkheid te scheppen in het materiële recht inzake koppeling van netwerk-elementen en informatieprodukten, meer in het bijzonder het mededingingsrecht. Daarbij wordt voor de juridische afweging teruggegrepen op economische criteria. De vraag of bepaald gedrag dient te worden veroordeeld komt in feite vrijwel steeds neer op de vraag of er een 'positieve economische balans' is. De in het kader van zo'n onderzoek noodzakelijke (rechts-)economische methoden en begrippen worden daarom in deze appendix kort behandeld. Lezers die bekend zijn met de rechtseconomische methode kunnen dit gedeelte eventueel overslaan.

Het werkterrein van de economie is het fenomeen schaarste. Schaarste bestaat wanneer aan een keuze 'alternatieve kosten' (opportunity costs) verbonden zijn, d.w.z. een alternatieve waarde niet gerealiseerd wordt. Economie is de wetenschap die keuzeproblemen in de aanwending van schaarse middelen probeert op te lossen. De economie gaat er daarbij van uit dat actoren hun doelen maximaliseren op een zo rationeel mogelijke wijze. [525] Consumenten worden geacht te streven naar behoeftenbevrediging, producenten naar winst.

De rechtseconomie hanteert de economische methode om het recht te analyseren. Zij is enkele decennia geleden tot ontwikkeling gekomen aan de Universiteit van Chicago. [526] Het belangrijkste 'wapen' van de zgn. 'Chicago School' (waarmee o.m. Director, Levi, Coase, Bork en Posner worden geassocieerd) is de neo-klassieke prijstheorie, aangevuld met neo-institutionele economie. [527] De basis van de neo-klassieke prijstheorie is een model van een vrije markt met volledige concurrentie. Dit economisch model veronderstelt vier fundamentele eigenschappen:

1. er zijn (oneindig) veel vragers en aanbieders op de markt, die zich gedragen als 'price takers' (er is geen marktmacht of coöperatief gedrag);
2. er is sprake van een homogeen goed (er is dus geen produktdifferentiatie); [528]
3. er zijn geen transactiekosten, wat betekent dat alle transacties zonder kosten worden uitgevoerd en impliceert dat alle deelnemers volledig (d.w.z. symmetrisch [529] ) zijn geïnformeerd (transparantie van de markt);
4. er zijn geen toe- of uittredingsbarrières, wat impliceert dat op ieder schaars middel (indien dat mogelijk is) een overdraagbaar en goed omlijnd 'eigendomsrecht' [530] rust.

Uit de eerste drie eigenschappen samen volgt dat er één prijs in de markt zal zijn, uit de vierde eigenschap volgt dat op de lange termijn geen winst in de markt wordt gemaakt. Een belangrijke eigenschap van dit model is de symmetrie tussen de prijs die de consument betaalt en de kosten (inclusief een 'normale' winsttoeslag) voor de producent. Bij een geslaagde transactie is deze prijs minimaal de subjectieve waarde voor die consument, [531] zodat produkten als het ware vanzelf worden verplaatst naar de plek waar ze meer, en uiteindelijk het meeste waard zijn. Zo'n optimum wordt Pareto-optimale allocatie genoemd, en leidt - zonder aan subjectieve waarde-oordelen af te doen - tot een objectieve maximalisatie van efficiency. Dit optimum wordt als een evenwicht benaderd.

Alle afwijkingen van deze voorwaarden zijn 'marktimperfecties' ('market failure'). [532] De bovengenoemde symmetrie van prijs en kosten geldt dan niet. De prijs van een bepaald produkt drukt dan dus ook niet meer de relatieve schaarste daarvan uit. De belangrijkste marktimperfecties bestaan:

1. wanneer er een concentratie van vraag of aanbod is (in de meest extreme vorm een monopolie of monopsonie), of wanneer collusie plaatsvindt;
2. wanneer er toe- of uittredingsbarrières zijn;
3. wanneer er externaliteiten optreden (dit geldt ook voor een 'publiek goed', dat vaak apart wordt genoemd als marktimperfectie);
4. wanneer er een transactiekosten bestaan, zoals door een gebrek aan informatie of strategisch gedrag.

ad 1. De voornaamste toepassingen van het mededingingsrecht vinden hier hun oorsprong: monopolisten worden in hun gedrag beperkt, en concentratie van resp. collusie tussen ondernemingen wordt gecontroleerd en soms verboden.

ad 2. Toe- en uittredingsbarrières vaste kosten leiden tot schaal- [533] en spreidingsvoordelen [534] en/of toetredingsbelemmeringen, maar de 'Chicago Scool' heeft duidelijk gemaakt dat dit alléén geldt indien kosten 'verzonken' zijn, wat inhoud dat deze kosten bij uittreding van de markt niet weer ten gelde kunnen worden gemaakt.

ad 3. Externaliteiten zijn kosten en/of baten van een aktie die 'buiten de markt om gaan' en dus niet in de prijs die de actor daarvoor betaalt en/of ontvangt zijn verdisconteerd, wat neerkomt op het ongevraagd - en dus zonder toestemming - opleggen van additionele kosten en / of baten aan derden. [535] Dit leidt tot een verstoring van de signaalfunctie van prijzen, waardoor de 'sociale kosten' [536] niet meer gelijk zijn aan de private kosten. Een voorbeeld is de 'free rider'-problematiek: het profiteren van positieve externe effecten, zoals niet betalen voor publieke en collectieve goederen terwijl men die wel consumeert.

Ook bij het ondescheid tussen private, publieke en collectieve goederen speelt dit een grote rol. De analyse van collectieve goederen en externaliteiten is volledig uitwisselbaar, hetzelfde probleem wordt daarbij vanuit een andere invalshoek bezien. [537] Een 'privaat goed' is uitputbaar en uitsluitbaar. Een 'publiek goed' wordt gekenmerkt door non-rivaliserend gebruik: na produktie van het goed sluit het gebruik daarvan door de één gebruik door de ander niet uit. Dit is een eigenschap van het goed zelf. Met andere woorden: de marginale produktiekosten zijn nihil (MK = 0). [538] Een 'collectief goed' [539] is ook non-exclusief (niet uitsluitbaar): het is niet (goed) mogelijk anderen op individuele basis uit te sluiten van het gebruik van een eenmaal geproduceerd collectief goed. [540] Dit is van belang i.v.m. de toerekenbaarheid van gebruik, omdat daardoor asymmetrische prijzen vereist zijn. [541] Deze eigenschap is uitsluitend een sociale keuze omdat zij afhangt van het recht, zulks i.t.t. non-rivaliteit, wat een eigenschap van het goed in kwestie is. [542] Externaliteiten worden dus mede door het recht bepaald, in die zin dat het recht al dan niet toestaat dat zij worden geïnternaliseerd. 'Collectieve goederen' verschillen alleen van externaliteiten door een aparte eigenschap: de marginale produktiekosten zijn nul (MK=0). [543] In onderstaande tabel wordt de classificatie van deze verschillende typen goederen in een matrix aan de hand van deze twee eigenschappen nog eens grafisch weergegeven:

 

eigenschap:

uitsluitbaar: niet uitsluitbaar:

uitputbaar (= rivaliserend gebruik):

privaat goed private good externalities [544]

niet uitputbaar:

publiek goed collectief goed

De status van (semi-)publiek goed is, in tegenstelling tot wat vroeger - d.w.z. vóór Coase (1960) - in de economie werd verondersteld, op zich géén voldoende reden om de overheid de produktie ervan ter hand te laten nemen, 'schoolvoorbeelden' als de exploitatie van vuurtorens of het houden van bijen, die traditioneel gebruikt werden door vele toonaangevende economen van John Stuart Mill tot Paul A. Samuelson, zijn vaak door empirisch historisch onderzoek onjuist bevonden. [545]

ad 4. Transactiekosten zijn alle kosten die met het uitvoeren van een bepaalde transactie gemoeid zijn, met name informatie- en communicatiekosten, en strategische kosten, en zijn van diverse aard, zoals kosten van zoeken, kosten van informatieverwerving, kosten van communicatie (onderhandelen, afdingen), kosten van beslissingen (informatieverwerking), kosten van strategisch gedrag zoals 'holding out', [546] kosten van 'monitoren', etc.

De grondlegger van de neo-institutionele economie, Ronald Coase, benadrukt steeds het belang van transactiekosten in de economische analyse van externaliteiten. Zijn inzicht is dat externe kosten niet simpelweg door de één worden veroorzaakt en gedragen worden door de ander, maar dat het bestaan en de omvang vrijwel altijd afhangt van beslissingen van beide partijen. Het ontstaan van economische instituties (bv. eigendom, de markt, de onderneming, maar ook de staat of het recht) is volgens hem te verklaren als een poging om transactiekosten te verminderen. Het 'Coase-theorema' [547] . komt er op neer dat optimale allocatie bij afwezigheid van transactiekosten door coöperatie (overeenkomsten) tussen de betrokkenen als 'vanzelf' [548] tot stand komt ongeacht de toepasselijke rechtsregel. [549] Internalisatie van het externe effect door heffingen of subsidies is dus niet noodzakelijk om een Pareto-optimum te bereiken. [550] Dit komt omdat eigendomsrechten - wederom, bij afwezigheid van transactiekosten - daarheen zullen worden overgedragen waar ze het meest gewaardeerd worden. Het niveau van het (al dan niet geïnternaliseerde!) externe effect is niet afhankelijk van de toedeling van de eigendomsrechten: de uiteindelijke verdeling is hetzelfde, en dus ook het niveau van het extern effect. De toewijzing van eigendomsrechten kan dan dus enkel van invloed zijn op de welvaartsverdeling (recht als instrument voor rent seeking). [551] Anders geformuleerd: bij volkomen concurrentie zijn de private en sociale kosten (het hoogst gewaardeerde alternatieve gebruik van die produktiemiddelen) gelijk aan elkaar. Wettelijke maatregelen als een verbod, ('Pigouviaanse') heffingen of subsidies zoals die vóór Coase algemeen werden geaccepteerd blijken lang niet altijd efficiënt te zijn. Nu zijn er - in tegenstelling tot de presumptie van het Coase-theorema - in de echte wereld altijd transactiekosten. De relevante vergelijking moet daarbij niet worden gemaakt tussen idealen ('perfecte'markt of overheid), [552] maar tussen onvolmaakte en dus kostbare maar wel realistische alternatieven. De relevante vraagstelling is daarom in dit opzicht altijd wat de respectievelijke transactiekosten van de verschillende opties (bijvoorbeeld marktwerking of een bepaalde vorm van overheidsingrijpen) zijn, inclusief een correctie voor 'switching costs', die belemmeren dat de markt 'vanzelf' tot optimale allocatie komt. De rechtseconomische methode poogt de transactiekosten van alternatieve rechtsregels in kaart te brengen en te voorspellen welke invloed die op de 'incentives' hebben. Daarbij zijn ook de effecten van kleine veranderingen te analyseren volgens de marginale methode.

De rechtseconomische methode werkt in twee richtingen: zij kan analyseren door welke rechtsregel een gegeven doelstelling het meest efficiënt wordt bereikt, maar ook kan van een gegeven rechtsregel worden afgeleid wat de gevolgen zijn voor de welvaart. Zelfs kan men zoals Posner vanuit de descriptieve vaststelling dat het recht vaak vergroting van de algemene welvaart dient - de zgn. 'Posner Conjecture' luidt: "Common Law tends to be economically efficient" - een normatieve doelstelling van het recht afleiden, zijnde doelmatigheid. Dit is een erg controversiële these, welke hier niet behandeld wordt. In het mededingingsrecht is deze doelstelling namelijk duidelijk wél normatief. De vraag is dus eerder wat voor type effeciëntie moet worden nagestreefd: allocatieve of dynamische (op innovatie gerichte) effeciëntie. Er dient vaak min of meer een afweging plaats te vinden tussen goedkopere produkten versus meer keuzemogelijkheden en snellere kwaliteitsverbetering. Dit is echter vooral een politieke keuze, en geen juridische of economische wetenschap.

In de tak van de economie die wordt aangeduid met de term 'industriële organisatie' heeft lange tijd het zgn. 'structure-conduct-performance paradigma' (SSCP) [553] de theorievorming en de praktische toepassing daarvan beheerst. Dat hield kort gezegd in dat de (statisch gemodellerde) structuur van de markt het gedrag en daarmee weer de prestaties van ondernemingen bepaalde. Ondertussen is de aandacht van de 'mainstream' sinds de jaren '80 van de vorige eeuw verschoven van de oude, statische modellen naar meer dynamische modellen die de analyse van transactiekosten benadrukken, hetgeen wordt aangeduid met termen als 'new industrial economics' en 'new industrial organisation'. De 'Moderne' ofwel 'post-Chicago' stroming die nu overheersend is neemt ook inzichten uit de (m.n. non-coöperatieve) speltheorie in ogenschouw die het strategisch gedrag van ondernemingen verklaart op een wijze die tegengesteld is aan het SSCP: men ziet nu in dat (m.n. in oligopolische markten) ook het strategisch gedrag van ondernemingen de marktstructuur kan veranderen in plaats van andersom.