In Artikel 6.1 lid 1 van
de Telecommunicatiewet (Tw)[1]
wordt bepaald dat aanbieders van openbare elektronische
communicatienetwerken of –diensten die de toegang tot
eindgebruikers controleren verplicht zijn om te onderhandelen
over de totstandkoming van zogenaamde eind-tot-eind
verbindingen met iedere andere aanbieder die daar om vraagt.
Dit algemene onderhandelingsrecht kwam aan de orde in een
uitspraak van het CBB in de zaak T-Mobile & Yarosa / OPTA.[2]
Het CBB legde de omvang hiervan zeer beperkt uit, althans in
vergelijking met de oorspronkelijke opvatting van de OPTA. Er
is echter op verschillende punten kritiek mogelijk op de wijze
waarop het CBB komt tot deze beperkte uitleg van het algemene
onderhandelingsrecht van art. 6.1 lid 1 Tw.
De uitspraak van het CBB in de
zaak T-Mobile & Yarosa / OPTA
De centrale vraag in de
procedure was of T-Mobile op grond van art. 6.1 Tw verplicht
was om te onderhandelen met Yarosa. De OPTA meende dat art.
6.1 lid 1 Tw van toepassing is op de onderhavige casus, en had
beide partijen daarom (op grond van art. 6.1 lid 3 Tw) bevolen
verder te onderhandelen. T-Mobile bestreed echter dat deze
situatie onder de werkingssfeer van de algemene
onderhandelingsplicht van art. 6.1 lid 1 Tw valt. De
argumenten van T-Mobile (zie §3.2 van de uitspraak) waren
onder meer dat met het nieuwe Europese reguleringskader niet
zou zijn beoogd om het (mogelijke) toepassingsgebied van de
bestaande algemeen geldende (onderhandelings‑)verplichtingen
inzake interconnectie te wijzigen (d.w.z. uit te breiden).
Volgens T-Mobile zou hetgeen Yarosa wenst vallen onder een
vorm van toegang die wordt bestreken door hoofdstuk 6A van de
Tw, en niet onder de soort van toegang die wordt aangeduid met
‘interconnectie’ respectievelijk ‘interoperabiliteit’ waarop
hoofdstuk 6 Tw betrekking heeft. T-Mobile stelde verder dat
het onderhandelingsrecht volgens art. 4 van de
Toegangsrichtlijn alleen voor aanbieders van netwerken zou
gelden, en dus niet voor aanbieders van enkel diensten.
Hetzelfde zou gelden voor de bevoegdheden van NRI’s tot het
opleggen van verplichtingen op grond van art. 5 lid 1 sub
a) van de Toegangsrichtlijn. Omdat artikel 6.1 lid 1 Tw ook
dienstenaanbieders noemt, zou dit een onjuiste implementatie
van deze bepalingen vormen.
Het CBB kiest in deze
uitspraak de zijde van T-Mobile, maar vermijd een expliciet
oordeel over de vraag of de Europese regels correct zijn
geïmplementeerd. Het CBB kijkt eerst naar de bedoeling van de
nationale wetgever voor de vraag of art. 6.1 lid 1 Tw van
toepassing is op de onderhavige casus, en knoopt daartoe aan
bij de parlementaire behandeling van de Telecommunicatiewet.
Het CBB ziet hier geen gronden in voor een bevestigend
antwoord. Het CBB beziet daarna tevens de bedoeling van de
Europese wetgever, en gaat na of art. 4 respectievelijk art. 5
lid 1 sub a) van de Toegangsrichtlijn[3]
– de bepalingen die de Nederlandse wetgever naar eigen zeggen
in art. 6.1 Tw heeft beoogd te implementeren – desondanks
dwingen tot een uitleg van art. 6.1 lid 1 Tw op grond waarvan
in de onderhavige casus sprake zou zijn van een dergelijke
onderhandelingsplicht. Het CBB neemt de door T-Mobile
opgeworpen argumenten die hierboven zijn beschreven min of
meer over, en komt tot de conclusie dat T-Mobile niet op grond
van art. 6.1 lid 1 Tw verplicht was om met Yarosa te
onderhandelen. In het verlengde hiervan meent het CBB dat de
OPTA ook geen voorschriften terzake aan T-Mobile kon geven op
basis van art. 6.1 lid 3 of art. 6.2 lid 1 Tw, omdat deze
bepalingen aanknopen bij de toepasselijkheid van art. 6.1 lid
1 Tw.
Commentaar
Op de redeneringen van het
CBB valt echter nog wel het één en ander af te dingen.
Hieronder volgen eerst enkele inleidende opmerkingen. Daarna
wordt ingegaan op de argumentatie van het CBB met betrekking
tot de parlementaire behandeling van art. 6.1 lid 1 Tw, en
daarna op de bepalingen uit de Toegangsrichtlijn.
Men kan de instrumenten uit
het Europese reguleringskader inzake toegang tot netwerken
onderscheiden in twee verschillende basale typen. Enerzijds
zijn er ‘symmetrische’ regels, die algemeen toepasselijk zijn
voor alle aanbieders. De artikelen 4 lid 1 en 5 lid 1 sub
a) van de Toegangsrichtlijn, die de Nederlandse wetgever heeft
beoogd te implementeren in art. 6.1 Tw, zijn hiervan een
voorbeeld. Anderzijds zijn er ‘asymmetrische’ regels, die
alleen kunnen scheppen voor aanbieders met ‘aanmerkelijke
marktmacht’ (AMM) op vooraf geselecteerde, afgebakende en
geanalyseerde relevante markten.
De Nederlandse wetgever heeft
de samenhang en verhouding tussen deze twee typen van
regulering echter miskend. In een waarschijnlijk goedbedoelde
poging om meer helderheid te scheppen, is op een wat
simplistische wijze getracht dit onderscheid te laten
samenvallen met een onderscheid tussen enerzijds “toegang ten
behoeve van interoperabiliteit” en anderzijds “toegang anders
dan ten behoeve van interoperabiliteit”, hetgeen wordt
geregeld in de hoofdstukken 6 respectievelijk 6A van de
Telecommunicatiewet. Deze aanpak miskent echter dat in de
systematiek van het Europese reguleringskader niet een
dergelijke waterscheiding tussen deze concepten bestaat.
Immers, enerzijds zien de algemene, ‘symmetrische’ regels van
de artikelen 4 en 5 van de Toegangsrichtlijn niet alleen op
“interoperabiliteit van diensten”, maar ook op “toegang” en
“interconnectie”. Anderzijds betreffen de ‘asymmetrische’
regels niet enkel “toegang anders dan ten behoeve van
interoperabiliteit”, maar tevens vraagstukken van
interoperabiliteit en interconnectie.[4]
De Nederlandse wetgever heeft bovendien de concepten
‘interconnectie’ en ‘interoperabiliteit van diensten’ min of
meer op één hoop gegooid.
Om mogelijke misverstanden te
vermijden dient hier wellicht tevens te worden gewaarschuwd
voor mogelijke spraakverwarring. Er is namelijk noch in het
Europese reguleringskader voor elektronische communicatie noch
bij de implementatie in de Tw een helder onderscheid gemaakt
tussen centrale concepten zoals ‘toegang’, ‘interconnectie’,
‘interoperabiliteit’, ‘interoperabiliteit van diensten’,
‘eind-tot-eind-verbindingen’ of
‘eind-tot-eind-connectiviteit’. Evenmin zijn daar duidelijke
definities van gegeven. De materiële regels bevatten bovendien
niet of nauwelijks criteria die zich op een duidelijk
voorspelbare wijze laten operationaliseren.
Hoewel het begrip
“interoperabiliteit” niet in art. 6.1 Tw wordt genoemd speelt
dit toch een rol in deze uitspraak. Terwijl de bepalingen van
hoofdstuk 6 Tw verwijzen naar “eind- tot eindverbindingen”, is
de titel daarvan “interoperabiliteit van diensten”. In feite
wordt het begrip “interoperabiliteit” op (minstens) twee
verschillende manieren gebruikt, die lang niet altijd
zorgvuldig zijn onderscheiden door de (Europese noch
Nederlandse) wetgever. In het Europese reguleringskader voor
elektronische communicatie wordt het begrip
“interoperabiliteit” op verschillende plaatsen genoemd, doch
nergens gedefinieerd.
Enerzijds lijkt dit begrip
vaak te worden gebruikt met de ‘klassieke’ betekenis
“mogelijkheid tot onderlinge samenwerking.”[5]
Deze betekenis is met name gangbaar in de sector
informatietechnologie.[6]
Hierbij wordt bijvoorbeeld aangeknoopt in de
Softwarerichtlijn.[7]
De mogelijke bron van
verwarring is dat ditzelfde begrip “interoperabiliteit” binnen
het reguleringskader voor elektronische communicatie
anderzijds ook met een veel specifiekere betekenis lijkt te
worden gebruikt in de artikelen 4 lid 1 en 5 lid 1 van de
Toegangsrichtlijn. Men doelt dan op zogenaamde ‘any to any’
communicatie, ofwel de omstandigheid dat eindgebruikers van
een elektronische communicatiedienst van één bepaald type[8]
(zoals openbare spraaktelefonie of, in casu, SMS) met elkaar
kunnen communiceren ongeacht de vraag of zij de dienst in
kwestie van dezelfde dan wel van verschillende aanbieder(s)
afnemen. Voor dit concept is “eind-tot-eind connectiviteit”
een betere term dan “interoperabiliteit van diensten”, niet in
de laatste plaats omdat de laatste term suggereert dat het
gaat om de vraag welke verschillende typen
elektronische-communicatiediensten onderling interoperabel
zouden moeten worden gemaakt. De Europese wetgever heeft
echter om voor mij onbegrijpelijke redenen gemeend voor dit
concept de term “interoperabiliteit van/tussen diensten” te
moeten hanteren.[9]De
Nederlandse wetgever heeft de term ‘interoperabiliteit’
vervolgens gebruikt als een soort synoniem voor “eind-tot-eind
verbindingen.”[10]
De parlementaire behandeling
van art. 6.1 lid 1 Tw
Het CBB knoopt nogal
selectief aan bij een wat ongelukkig geformuleerde opmerking
van de minister van Economische Zaken over
‘interoperabiliteit’ tijdens de parlementaire behandeling van
art. 6.1 Tw.[11] Het
CBB concludeert op grond hiervan dat “een aanbieder zich in de
opvatting van de Nederlandse wetgever alleen op
interoperabiliteit [kan] beroepen als dat geschiedt met het
doel de communicatie- of bereikbaarheidsmogelijkheden voor
zijn eigen gebruikers te verbeteren.”[12]
Bovendien toetst het CBB één en ander aan de toelichting van
de Minister: “Het gaat er bij interoperabiliteit dus
uitdrukkelijk niet om dat A op verzoek van B zijn netwerk
beschikbaar stelt, zodat B zijn diensten kan aanbieden aan de
klanten van A. B handelt dan immers niet in het belang van
zijn eigen gebruikers, maar primair om de exploitatie van zijn
dienst uit te breiden.”[13]
Op de geciteerde passages uit
de opmerkingen van de minister valt echter het nodige aan te
merken. Allereerst is de uitleg van de minister innerlijk
tegenstrijdig. Indien ‘interoperabiliteit’ “er ook op gericht
[kan] zijn dat diensten van op het netwerk van B aangesloten
aanbieders door de klanten van A kunnen worden bereikt” (derde
zin), dan zijn de uitspraken in de eerste twee zinnen – dat
hun respectievelijke klanten daardoor met elkaar zouden kunnen
communiceren – simpelweg onwaar voor die gevallen. Bovendien
is het bewerkstelligen van interconnectie respectievelijk
interoperabiliteit nog lang niet hetzelfde als een “netwerk
beschikbaar stellen.”
De minister veronderstelt
hier ten onrechte impliciet dat de status van eindgebruikers
als “klant” van een bepaalde aanbieder op één bepaald moment
in de tijd gefixeerd is, en daarmee onveranderlijk is.
Daardoor blijft de analyse van de minister strikt statisch van
aard, en mist de dynamische elementen van marktwerking. In een
proces van (een overgang naar) concurrentie zijn deze juist
van centraal belang. Om in de termen van de parlementaire
behandeling te blijven spreken: indien aanbieder “B zijn
diensten kan aanbieden aan de klanten van A”, dan worden de
“klanten van A” die daadwerkelijk gebruik gaan maken van B’s
diensten natuurlijk per definitie (ook) klanten van B.
Aanbieder B handelt dan juist per definitie in het belang van
zijn eigen – aldus verworven – klanten. Het CBB maakt dezelfde
fout wanneer zij in de uitspraak stelt: “Uit niets blijkt dat
Yarosa deze dienst in het belang van haar klanten wil
aanbieden en niet om haar eigen activiteiten uit te breiden en
daarmee winst te behalen.”[14]
De vermeende tegenstelling tussen handelen door aanbieders in
het belang van de ‘eigen’ gebruikers versus handelen om
(primair) de exploitatie van de eigen dienst uit te breiden is
kunstmatig, omdat degenen onder de klanten van T-Mobile die op
Yarosa’s aanbod ingaan vanaf dat moment (tevens) klanten van
de eigen dienst van Yarosa zijn.
Indien men de mogelijkheden
om ‘nieuwe’ eigen klanten te verwerven (door ze ‘af te pakken’
van een andere aanbieder) negeert, dan impliceert dit dat het
dynamische proces van concurrentie niet kan werken, en het
streven naar concurrentie dus geen enkele rol kan spelen bij
de uitleg van deze regels. Dat zou echter de bedoeling van het
reguleringskader miskennen. Het beoogde doel van de algemene
onderhandelingsrechten en ‑verplichtingen inzake
interconnectie en ‘interoperabiliteit van diensten’ was immers
dat nieuwe toetreders hierdoor gemakkelijker zouden kunnen
concurreren met de ‘incumbents’. Dit betekent
noodzakelijkerwijze dat het de bedoeling was dat zij bestaande
‘eigen’ klanten van de ‘incumbents’ zouden moeten gaan
‘afpakken’. In algemene zin verplichten de Kaderrichtlijn
respectievelijk de Telecommunicatiewet ertoe dat NRI’s
rekening houden met mededinging.[15]
Bovendien komt naast het belang van mededinging ook
zelfstandig belang toe aan de keuzemogelijkheden van
eindgebruikers.[16]
Het feit dat NRI’s deze doelstellingen steeds moeten nastreven
heeft natuurlijk op zijn minst een indirecte invloed op het
effect van de regels die voor ondernemingen gelden.
Onderhandelingen tussen ondernemingen worden immers ingekleurd
tegen de achtergrond van eventueel ingrijpen door NRI’s.
Verbeteren van de
communicatie- en/of bereikbaarheidsmogelijkheden: de
‘kwantitatieve’ benadering
Het CBB geeft vervolgens op
een extreem restrictieve wijze nadere invulling aan het door
de minister geformuleerde doelcriterium “verbeteren van de
communicatie- en/of bereikbaarheidsmogelijkheden.” Het CBB
gaat simpelweg na of hetgeen Yarosa wenst zou leiden tot de
mogelijkheid voor de eindgebruikers van Yarosa’s SMS-dienst om
SMS-berichten te versturen naar en/of ontvangen van de
eindgebruikers die zijn aangesloten op het netwerk en/of de
dienst van T-Mobile. Het CBB beantwoord deze feitelijke
kwestie ontkennend, en concludeert op grond daarvan dat
hetgeen Yarosa wenst niet zou leiden tot een “verbeter[ing]
van de communicatie- of bereikbaarheidsmogelijkheden voor de
eigen gebruikers.”
In feite koppelt het CBB het
door de minister genoemde criterium “verbeteren van de
communicatie- of bereikbaarheidsmogelijkheden voor de eigen
gebruikers” hiermee aan een strikt kwantitatieve benadering
van ‘interoperabiliteit van diensten’. Uitsluitend in gevallen
waar (voor de bestaande ‘eigen’ eindgebruikers) (meer)
‘interoperabiliteit’ ontstaat – d.w.z. dat zij één of meer
eindgebruiker(s) kunnen bereiken en/of daardoor bereikt kunnen
worden waar dat voorheen niet het geval was – is volgens het
CBB sprake van een “verbeter[ing] van de communicatie- of
bereikbaarheidsmogelijkheden voor de eigen gebruikers.”
De redering van het CBB ten
aanzien van interconnectie die hieronder nog zal worden
besproken verloopt parallel aan deze ‘kwantitatieve’
benadering van ‘interoperabiliteit van diensten.’ Volgens het
CBB biedt art. 4 lid 1 van de huidige Toegangsrichtlijn geen
beroep op een recht om onderhandelingen af te dwingen over een
overeenkomst inzake interconnectie indien de eindgebruikers
van de dienst (van een bepaald type) van de ene aanbieder de
eindgebruikers van de dienst (van hetzelfde type) van de
andere aanbieder reeds kunnen bereiken en vice versa.
Op de bezwaren tegen deze ‘kwantitatieve’ benadering wordt
hieronder teruggekomen.
Vreemd genoeg wordt enerzijds
simpelweg door het CBB verondersteld dat
“communicatiemogelijkheden” uitsluitend het verzenden van
berichten betreft (de ‘actieve’ variant), terwijl ontvangst
natuurlijk een even onmisbaar onderdeel van het
communicatieproces vormt – ongeacht de vraag of gegevens
daarbij simultaan in één dan wel twee richtingen worden
verzonden. Anderzijds wordt het begrip
“bereikbaarheidsmogelijkheden” door het CBB op een
spiegelbeeldige wijze gereduceerd tot uitsluitend de passieve
variant: het betreft volgens het CBB de vraag of men kan
worden bereikt door (d.w.z. berichten kan ontvangen van)
andere eindgebruikers, en dus niet de vraag welke
eindgebruikers men al dan niet zelf kan bereiken. Daarmee
worden “communicatiemogelijkheden” en
“bereikbaarheidsmogelijkheden”, elkaar uitsluitende (doch
complementaire) begrippen, terwijl allerminst duidelijk is of
de minister dit ook exact zo heeft bedoeld,[17]
en ook andere interpretaties mogelijk zijn.[18]
Het CBB haalt in §4.1.1 van
de uitspraak tevens een passage aan uit de parlementaire
behandeling waarin de minister spreekt over “de
communicatiemogelijkheden of de dienstverlening […]
verbeteren” (cursivering toegevoegd). De functie van dit
onderscheid wordt niet duidelijk, omdat de minister helaas
niet nader uitlegt wat de toegevoegde waarde is van het
criterium “de dienstverlening […] verbeteren.” Het CBB negeert
dit criterium verder bij de uitleg van de bedoeling van de
wetgever. Het is wel wat raar dat het CBB het ene criterium
zelfstandig nader invult, maar het andere criterium niet eens
probeert toe te passen.
Het CBB laat weliswaar nog de
mogelijkheid open dat een betere bereikbaarheid ook als
verbetering kan worden beschouwd. Dit lijkt juist bij uitstek
een voorbeeld van een mogelijke verbetering van “de
dienstverlening” – het door de minister genoemde en door het
CBB geciteerde doch verder genegeerde criterium dat uitnodigt
tot het opnemen van enige kwalitatieve elementen in de
beoordeling. Dat dient echter nader te worden onderbouwd. De
bewijslast hiervoor ligt volgens het CBB klaarblijkelijk
geheel bij de partij die zich op het recht om te
onderhandelingen beroept.[19]
Dit is mijns inziens niet in overeenstemming met het
reguleringskader, waarover later meer.
Onderhandelingsrecht: (niet)
alleen voor netwerkexploitanten?
De definitie van
‘interconnectie’ meldt dat “interconnectie […] een specifiek
type toegang [is] dat wordt gerealiseerd tussen exploitanten
van openbare netwerken”.[20]
In §4.2.1 van de uitspraak stelt het CBB dat dit “een
duidelijke aanwijzing [vormt] dat de zinsnede “daartoe
gemachtigde ondernemingen” in artikel 4, eerste lid, van de
Toegangsrichtlijn verwijst naar exploitanten van openbare
netwerken.” Vervolgens stelt het CBB, in navolging van
T-Mobile, dat Yarosa geen openbaar netwerk exploiteert, maar
alleen diensten aanbiedt, en dus geen onderhandelingsrecht kan
ontlenen aan artikel 4 van de Toegangsrichtlijn. Hier valt
echter nog wel het nodige tegenin te brengen.
Artikel 2 sub c)
Toegangsrichtlijn definieert de term “exploitant” als
“onderneming die een openbaar communicatienetwerk of een
bijbehorende faciliteit aanbiedt of gemachtigd is aan te
bieden.” Het begrip “exploitant” is dus sowieso ruimer
dan het begrip “aanbieder” uit art. 6.1 Tw. Men bedenke tevens
dat het aanbieden van toegang tot een netwerk veelal niet
vrijwillig gebeurt, maar juist moet worden afgedwongen door
regulering. De keuze van de nationale wetgever voor de term
“aanbieder van openbare elektronische communicatienetwerken”
is reeds daarom bijzonder ongelukkig gekozen;[21]
de Europese wetgever heeft deze term juist vermeden, evenals
het CBB.
In considerans 3 van de
Toegangsrichtlijn staat expliciet dat ook ondernemingen die
(al) hun netwerk(elementen) huren als exploitant van een
communicatienetwerk worden aangemerkt: “[…] Een exploitant kan
eigenaar zijn van het betrokken netwerk of de betrokken
faciliteiten of kan deze geheel of gedeeltelijk huren.” Een
redelijke interpretatie van de term “exploitant” brengt dus
bovendien met zich mee dat een aanbieder van diensten die de
daarvoor benodigde netwerkelementen gedeeltelijk of zelfs
geheel huurt (ook) kan worden aangemerkt als (mede‑)exploitant
daarvan. Dit leidt reeds tot een vrij ruime uitleg van het
begrip “exploitant.”
Dat interconnectie –
koppeling van netwerken – per definitie dient te worden
gerealiseerd tussen netwerken verklaart uiteraard waarom de
exploitanten daarvan altijd betrokken zullen moeten zijn bij
het realiseren van interconnectie. Dat impliceert echter nog
geenszins dat de kring van diegenen die terzake rechten
bezitten beperkt zou zijn tot exploitanten van netwerken.
Artikel 4 lid 1 van de Toegangsrichtlijn maakt een onderscheid
tussen enerzijds “exploitanten van openbare
communicatienetwerken”, op wie verplichtingen rusten om te
onderhandelen over interconnectie, en anderzijds “daartoe
gemachtigde ondernemingen”, die dergelijke onderhandelingen
kunnen afdwingen. Voor de vraag welke ondernemingen
“gemachtigd” zijn, dient men uiteraard primair te rade te gaan
bij de Machtigingsrichtlijn.[22]
Daarin wordt expliciet bepaald dat aanbieders van diensten
rechten hebben om te onderhandelen over interconnectie.[23]
Zoals het CBB zelf stelt (in
§4.2.2 van de uitspraak): “In artikel 4, eerste lid, van de
Interconnectierichtlijn werd, voorzover hier van belang,
bepaald dat de organisaties die gerechtigd zijn openbare
telecommunicatienetwerken en/of algemeen beschikbare
telecommunicatiediensten als vermeld in bijlage II te
verstrekken, het recht en, indien organisaties in die
categorie daarom verzoeken, de plicht hebben met elkaar over
interconnectie te onderhandelen om de betreffende netwerken en
diensten te kunnen verstrekken, zodat die verstrekking in de
gehele Gemeenschap kan worden gewaarborgd.”[24]
Artikel 4 lid 1 en Bijlage II van de Interconnectierichtlijn
maken dus juist zeer expliciet duidelijk dat ook
dienstenaanbieders reeds onder het oude regime tot de kring
van “daartoe gemachtigde ondernemingen” behoorden. En, in
zoverre het voorheen restrictievere[25]
machtigingsbeleid inmiddels is verlaten, is de kring van
“gemachtigde ondernemingen” omgekeerd evenredig verruimd ten
gunste van een zo licht mogelijk algemeen machtigingssysteem.[26]
Het lijkt ook daarom niet aannemelijk dat een dusdanig
beperkte interpretatie is beoogd als het CBB voorstaat.
Tevens maakt vergelijking met
de ‘oude’ Interconnectierichtlijn juist duidelijk dat niet
alleen de (“fysieke”) koppeling van netwerken maar ook de
(“logische”) koppeling van daarmee aangeboden diensten een
onderdeel vormen van het concept interconnectie. Men
vergelijke ook de definitie van ‘interconnectie’ zoals de ITU
die hanteert,[27]
die juist de aanbieders van diensten centraal stelt,
alsmede het feit dat de WTO-regels inzake interconnectie zijn
overeengekomen in de context van het GATS-verdrag, dat
diensten betreft. Uit considerans 14 van de Toegangsrichtlijn
kan men afleiden dat met de artikelen 4 en 5 tevens is beoogd
deze regels in de EU te implementeren.
Bovendien meldt considerans 8
Toegangsrichtlijn ook het volgende: “Netwerkexploitanten
regelen de toegang tot hun eigen klanten, die individueel
worden geïdentificeerd door middel van nummers of adressen uit
een gepubliceerde nummer- of adresseringsruimte. Andere
netwerkexploitanten moeten in staat zijn deze klanten te
bereiken en moeten dus in staat zijn direct of indirect
interconnectie met elkaar tot stand te brengen. […]” Dat hier
wordt gesproken over “klanten […] bereiken” impliceert al dat
het hier in feite gaat over de dienstverlening. De
evidente bedoeling van de Europese wetgever is om voor de
regulering van interconnectie ter bewerkstelliging van
eind-tot-eind-verbindingen aan te knopen bij de (controle
over) de toegang tot de (individuele) eindgebruiker, die via
“nummers of adressen” geschiedt. Aangezien “nummers of
adressen” in de praktijk ook door aanbieders van diensten
kunnen worden ‘gecontroleerd’, zou deze bedoeling worden
miskend indien men aanbieders van diensten die de toegang tot
hun klanten controleren middels (exclusieve) controle over
nummers uitsluit van het toepassingsgebied van de betreffende
regels.
De opvatting van het CBB is
verder ook niet goed te verenigen met de opmerking in
considerans 1 van de Toegangsrichtlijn dat “[d]e richtlijn […]
ook betrekking [heeft] op de tussen dienstverleners getroffen
regelingen voor toegang en interconnectie. […]”[28]
Het feitelijke oordeel van
het CBB dat Yarosa geen exploitant is van een openbaar
elektronische-communicatienetwerk kan overigens sowieso
worden betwist, aangezien duidelijk is dat Yarosa een eigen
“centrale” benut. Daar stel ik me iets fysieks bij voor,
hetgeen dus per definitie geen dienst kan zijn – men kan een
dienst immers niet vast pakken.[29]
Aangezien deze centrale blijkbaar wordt benut voor het
aanbieden van een elektronische-communicatiedienst,[30]
vormt deze centrale (een element van) een
elektronische-communicatienetwerk.[31]
Geen uitbreiding van
verplichtingen inzake interconnectie beoogd?
In §4.2.2 van de uitspraak
meent het CBB tevens steun voor een restrictieve uitleg van
art. 4 lid 1 van de Toegangsrichtlijn te kunnen ontlenen aan
considerans 8 van de Toegangsrichtlijn, die (onder meer)
expliciet stelt dat bestaande verplichtingen inzake
interconnectie moeten worden gehandhaafd. Daar leidt het CBB
uit af dat met art. 4 lid 1 van de Toegangsrichtlijn geen
uitbreiding van de bestaande verplichtingen inzake
interconnectie zou (kunnen) zijn beoogd, zoals T-Mobile
stelde.
Daarbij hanteert het CBB
echter een ongeldige redenering a contrario. Wat
betreft het andere voorbeeld dat considerans 8
Toegangsrichtlijn noemt van verplichtingen die dienen te
worden gehandhaafd is (ook) zeer expliciet voorzien in
een uitbreiding van deze verplichtingen.[32]
Het feit dat de formulering van considerans 8 van de
Toegangsrichtlijn de term “handhaven” gebruikt kan reeds
daarom niet zonder meer leiden tot een dusdanig restrictieve
interpretatie van art. 4 lid 1 van de Toegangsrichtlijn.
Vervolgens impliceert het
enkele feit dat in art. 4 lid 1 van de Toegangsrichtlijn wordt
gesproken over “openbare communicatienetwerken” en “algemeen
beschikbare elektronische communicatiediensten” al een flinke
materiële uitbreiding van het toepassingsgebied van deze
bepaling in vergelijking met art. 4 lid 1 van de ‘oude’
Interconnectierichtlijn, dat slechts sprak over “openbare
telecommunicatienetwerken en/of algemeen beschikbare
telecommunicatiediensten” (cursiveringen toegevoegd).
Een erg curieuze stap in de
uitspraak van het CBB is dat slechts wordt nagegaan of de
oude regels inzake interconnectie in deze casus zouden
leiden tot een onderhandelingsplicht inzake interconnectie
(§4.2.2 van de uitspraak). Dat is wellicht het gevolg van de
hierboven beschreven misvatting dat er geen uitbreiding van de
regels zou zijn beoogd, maar het blijft wat vreemd.
De ‘kwantitatieve’
benadering van interconnectie en interoperabiliteit van
diensten
De inhoudelijke redering van
het CBB ten aanzien van interconnectie verloopt als volgt:
indien de eindgebruikers van de dienst (van een bepaald type)
van de ene aanbieder de eindgebruikers van de dienst (van
hetzelfde type) van de andere aanbieder reeds kunnen bereiken
en vice versa, dan bood de ‘oude’
Interconnectierichtlijn – en derhalve nu ook art. 4 van de
huidige Toegangsrichtlijn – volgens het CBB geen beroep op een
recht om onderhandelingen af te dwingen over een overeenkomst
inzake interconnectie. Met andere woorden: indirecte
interconnectie volstaat per definitie, langs welke weg deze
ook verloopt. Deze redenering verloopt dus parallel aan de
‘kwantitatieve’ benadering van ‘interoperabiliteit’ die
hierboven is beschreven.
Er zijn enkele fundamentele
bezwaren in te brengen tegen deze zuiver ‘kwantitatieve’ – en
daarmee extreem restrictieve – benadering van het begrip
‘interconnectie’ (respectievelijk ‘interoperabiliteit van
diensten’).
Een eerste gevaar is dat alle
kwalitatieve aspecten van de dienstverlening geheel buiten het
toepassingsgebied verdwijnen van de bepalingen van de
artikelen 4 lid 1 en 5 lid 1 sub a) van de
Toegangsrichtlijn, respectievelijk 6.1 en 6.2 Tw, of althans
achter een bewijslast. Indien men een andere eindgebruiker wel
kan bereiken, ook al is dat via een verbinding van een hogere
prijs of slechtere kwaliteit,[33]
dan is er volgens het CBB dus reeds sprake van een “passende”
mate van interconnectie respectievelijk “interoperabiliteit
van diensten” middels het waarborgen van
“eind-tot-eindverbindingen” met het oog op de doelstellingen
van artikel 8 van de Kaderrichtlijn[34]
respectievelijk artikel 1.3 lid 1 Tw. In een zeer extreem
scenario zouden netwerken en diensten bijvoorbeeld slechts via
één aanbieder – laten we bijvoorbeeld zeggen in Griekenland –
aan elkaar kunnen zijn gekoppeld, doch zou daarmee de kous af
zijn wat betreft de ‘algemene’ regulering van interconnectie
en ‘interoperabiliteit’ (eind-tot-eindverbindingen).
Ook onderhandelingen over
eventuele aanpassing van overeenkomsten (al dan niet in het
licht van veranderende omstandigheden) kunnen dus volgens het
CBB niet op deze grondslag worden afgedwongen. Dit bezwaar is
voor de huidige praktijk wellicht het belangrijkst. Het
centrale twistpunt bij overeenkomsten inzake interconnectie
en/of ‘interoperabiliteit’ betreft meestal de prijs die de ene
aanbieder aan de andere zou moeten betalen voor het afwikkelen
van het verkeer naar de eindgebruikers die zijn aangesloten op
het netwerk en/of de dienst van een bepaalde aanbieder. Er
zijn relatief weinig conflicten over de vraag of men netwerken
en/of diensten überhaupt aan elkaar moet koppelen, en
of voor de ‘totstandkoming’ van die koppeling (ook) een ‘vaste
prijs’ wordt betaald, en zo ja, welke, en door wie.
Een tweede bezwaar tegen de
benadering dat (‘interoperabiliteit van diensten’ middels)
indirecte interconnectie (in beginsel) volstaat (tenzij de
vragende partij ‘verbetering’ aantoont), is dat dit allerlei
mogelijk zeer onwenselijk strategisch gedrag uitlokt. Indien
Yarosa nu bijvoorbeeld eens niet zou beschikken over
een koppeling tussen haar SMS-centrale en het netwerk van KPN
(of een vergelijkbare koppeling met het netwerk van een andere
aanbieder), dan zou zij volgens de redenering van het CBB
blijkbaar wel onderhandelingen kunnen afdwingen op
basis van art. 6.1 lid 1 Tw. Indien Yarosa deze koppeling met
KPN’s netwerk zou tenietdoen, dan kan zij blijkbaar weer
vrijelijk kiezen welke aanbieder zij op basis van art. 6.1 lid
1 Tw wil dwingen tot onderhandelingen.
De minister heeft blijkens de
parlementaire behandeling van de wet duidelijk niet een
dergelijk restrictieve, ‘kwantitatieve’ benadering beoogd als
het CBB volgt. Hij stelde immers dat indirecte interconnectie
niet in de weg staat aan de onderhandelingsplicht.[35]
De interpretatie van het CBB
impliceert – zeker indien geplaatst in de historische context
waarin het CBB één en ander zelf poogt te duiden – in
extremo dat nieuwe toetreders, die op het moment van
liberalisering per definitie nog helemaal geen ‘eigen’ klanten
hadden daarom op dat moment ook geen enkel recht hadden om
over ‘interoperabiliteit’ respectievelijk interconnectie te
onderhandelen met de ‘incumbents’ onder de ‘algemene’ (dus
niet van de AMM-status afhankelijke) regels voor
interconnectie. Dit zou het ‘algemene’ recht om te
onderhandelen over ‘interoperabiliteit’ respectievelijk
interconnectie dus de facto strikt hebben beperkt tot
onderhandelingen tussen de ‘incumbents’ onderling.[36]
Bovendien waren de netwerken en diensten van de ‘incumbents’
onderling lang voor de liberalisering al geïnterconnecteerd
respectievelijk interoperabel, met name om internationale
telecommunicatie mogelijk te maken. Volgens de interpretatie
van het CBB zouden zelfs de ‘incumbents’ onderling zich
destijds dus niet hebben kunnen beroepen op het algemene
onderhandelingsrecht, omdat dit slechts zou gelden voor zover
dit op de “totstandkoming” van interconnectie (respectievelijk
eind-tot-eind-verbindingen) zou zijn gericht. Er was immers al
sprake van interconnectie en ‘interoperabiliteit van diensten’
met een zodanige universele dekking dat alle aangesloten
eindgebruikers met elkaar konden communiceren. De
interpretatie van het CBB leidt er dus toe dat er van het
‘algemene’ onderhandelingsrecht hoegenaamd niets over blijft.
Dit kan simpelweg niet juist zijn. Een dergelijke uitholling
van de reikwijdte van de betreffende bepalingen is niet te
verenigen met de doelstellingen van het oude
ONP-reguleringskader, noch met die van het huidige
reguleringskader. De door het CBB gehanteerde redenering moet
daarom worden verworpen.
Met het bestaan van
interconnectie op zich is men er dus nog lang niet. Regulering
van interconnectie impliceert eigenlijk per definitie dat
expliciete beslissingen moeten worden genomen over de meest
geschikte wijzen en plaatsen om te interconnecteren.[37]
Ook de ‘oude’ Interconnectierichtlijn hanteerde duidelijk een
meer genuanceerde benadering. Dit kan men afleiden uit
formuleringen als “open en efficiënte interconnectie”[38]
en “adequate en efficiënte interconnectie”.[39]
Waar het CBB meent dat het er niet toe doet dat het verkeer
“niet langs de door Yarosa gewenste weg” verloopt, meldt
considerans 12 van de ‘oude’ Interconnectierichtlijn echter
overduidelijk “[…] dat adequate interconnectie rekening houdt
met de verzoeken van de exploitant die interconnectie wenst,
met name voor wat betreft de meest passende
interconnectiepunten […].” De uitleg van het CBB miskent dit
echter volledig. In casu had een indirecte verbinding via KPN
wellicht volstaan. In het oude systeem van de
Interconnectierichtlijn behoorde de bewijslast daarvoor echter
geheel te worden gelegd bij de NRI,[40]
en dus niet bij de om interconnectie vragende partij.[41]
Eén van de belangrijkste
onderliggende problemen die op de achtergrond van deze zaak
spelen is dat er, te beginnen bij de Europese wetgever, geen
helder onderscheid is gemaakt tussen de ratio en de nadere
uitwerking van de verschillende aspecten van de concepten
‘interconnectie’ en ‘interoperabiliteit’. Ten eerste is de
vraag naar totstandbrenging (met andere woorden: een
structurele verandering teweegbrengen) van interconnectie van
netwerken en/of ‘interoperabiliteit’ van diensten iets geheel
anders dan de vraag naar handhaving daarvan (met andere
woorden: een structurele verandering blokkeren),[42]
en vraagt derhalve om een andere beoordeling. Als men het
karakter wenst te conserveren van een dienst als
spraaktelefonie waarbij historisch sprake is van ‘any to any’
communicatie, ofwel universele “eind-tot-eind connectiviteit”
van eindgebruikers, is dat nog iets anders dan – bijvoorbeeld
– dat men vooraf bepaalt dat geheel nieuwe
elektronische-communicatiediensten (in beginsel) een dergelijk
karakter moeten bezitten.
Ten tweede zijn beslissingen
om netwerken al dan niet te koppelen en om diensten (van
eenzelfde type) van verschillende aanbieders zodanig op elkaar
aan te sluiten dat de eindgebruikers van deze dienst elkaar
kunnen bereiken in beginsel (telkens) een éénmalige kwestie
die de structuur van het productaanbod voor eindgebruikers
veranderen, net zoals de ‘ontwerpbeslissing’ om al dan niet
diensten van verschillende typen te ontwerpen (die daardoor
niet interoperabel zijn). Hiermee wordt immers het bereik van
het netwerk respectievelijk de dienst direct beïnvloed, d.w.z.
dat de omvang verandert van de groep waarmee een individuele
eindgebruiker kan communiceren. De vraag of dat moet gebeuren
kan worden onderscheiden van de vraag naar de voorwaarden
waaronder dat moet gebeuren, zoals met name de prijs die
daarvoor eventueel moet worden betaald. Dit betreft meestal
niet zozeer een ‘vaste’ prijs, maar veeleer de ‘continue’
voorwaarden inzake het ‘dagelijks gebruik’ van koppelingen
tussen netwerken en/of diensten. Beide vragen betreffen
primair de verhoudingen tussen de betrokken aanbieders, die
echter meestal zeer direct doorwerken in de voorwaarden
(prijzen, kwaliteit) van de dienstverlening aan
eindgebruikers. Het vragen van een prohibitieve prijs voor
toegang is de facto natuurlijk gelijk aan een weigering
tot toegang.[43] NRI’s
ontkomen er dus niet aan om ook beslissingen over prijzen te
nemen om de regels van art. 4 en 5 Toegangsrichtlijn niet tot
een dode letter te laten verworden. Dat dergelijke
beslissingen een meer marginale beoordeling zullen inhouden
dan onder het ‘asymmetrische’ regime lijkt voor de hand te
liggen.
Interventie op initiatief
van de NRI
In §4.2.5 van de uitspraak
kijkt het CBB naar artikel 5 lid 1 sub a) van de
Toegangsrichtlijn. Deze bepaling eist dat een NRI bevoegd moet
zijn om “verplichtingen [te] kunnen opleggen, voorzover
noodzakelijk om eind-tot-eindverbindingen te waarborgen, aan
ondernemingen die de toegang tot de eindgebruikers controleren
[…].” Volgens het CBB zou hieraan “[…] eventueel uitvoering
gegeven kunnen worden door wetgeving tot stand te brengen die
marktpartijen in een situatie als de onderhavige verplicht tot
het voeren van onderhandelingen, maar, zoals in §4.1.1 van
deze uitspraak is uiteengezet, heeft de Nederlandse wetgever
dat niet gedaan. Artikel 5 van de Toegangsrichtlijn
verplichtte daartoe ook niet.”
Het is maar zeer de vraag of
een wettelijke regeling met een algemeen voorschrift niet
strijdig is met de bedoeling van de Toegangsrichtlijn (en
Kaderrichtlijn). Dit lijkt immers een (zaaksgewijze)
beoordeling van de proportionaliteit van dergelijke
verplichtingen in het licht van de doelstellingen van het
reguleringskader te doorkruisen.[44]
De conclusie lijkt mij echter in beginsel juist. Artikel 5
Toegangsrichtlijn noemt immers nergens expliciet (wettelijke)
verplichtingen tot onderhandelen.
Het genoemde in lid 1 onder
a) is bovendien slechts een voorbeeld. Lid 1 ziet in bredere
zin op het “bevorderen, en waar nodig waarborgen […] [van]
passende toegang en interconnectie, alsook
interoperabiliteit van diensten” door de NRI (cursivering
toegevoegd). Dit is duidelijk een bredere doelstelling dan
enkel verplichtingen opleggen “voorzover noodzakelijk om
eind-tot-eindverbindingen te waarborgen”. Een vergelijkbare
redenering kan bovendien tevens worden gevolgd voor “toegang
en interconnectie” op grond van art. 5 lid 4 van de
Toegangsrichtlijn gelezen in samenhang met art. 8 lid 3 sub
b) van de Kaderrichtlijn.
Dan blijft echter de
mogelijkheid dat een NRI op eigen initiatief verplichtingen
oplegt. Artikel 6.2 lid 2 Tw geeft de OPTA dan ook de
mogelijkheid om verplichtingen inzake ‘interoperabiliteit’ op
te leggen los van onderhandelingen.[45]
Niet duidelijk is waarom dergelijke verplichtingen niet tevens
een verplichting tot onderhandelen zouden kunnen omvatten.[46]
Met andere woorden: er is weliswaar niet zonder meer sprake
van een onderhandelingsplicht op grond van de wet, maar de
OPTA moet deze eventueel wel kunnen opleggen. De OPTA moet
bijvoorbeeld kunnen beslissen dat eind-tot-eind verbindingen
tot stand moeten worden gebracht of gehandhaafd, maar de
nadere voorwaarden (deels) overlaten aan (verplichte)
onderhandelingen. Op voorhand valt niet in te zien waarom de
OPTA geen gebruik van deze mogelijkheid zou (proberen te)
maken, zeker nu blijkt dat het CBB een extreem restrictieve
uitleg geeft aan art. 6.1 lid 1 Tw. De OPTA beoogde –
bijvoorbeeld – in deze zaak blijkens de aangevoerde stellingen
en argumentatie dat de partijen zouden onderhandelen. De OPTA
zou dan ook nogmaals aan T-Mobile een min of meer zelfde bevel
kunnen geven om te onderhandelen, maar dan op grond van art.
6.2 lid 2 Tw. Men kan verwachten dat de motivering dan wel de
nodige aanvulling zal behoeven.
Afrondende opmerkingen
Tussen de regels door kan men
afleiden dat er fundamentele spanningen bestaan tussen de
Toegangsrichtlijn en de Telecommunicatiewet. Het CBB ontwijkt
in haar uitspraak echter een expliciete beantwoording van de
vraag of de relevante bepalingen van de Toegangsrichtlijn
correct zijn geïmplementeerd. Hiertoe moet zij zich in enkele
schier onnavolgbare kronkels wringen, en komt daar mijns
inziens niet zonder kleerscheuren vanaf. Schillemans (2005b)
noemt “[d]e door het CBB gekozen oplossing […] de meest
elegante jegens de Nederlandse wetgever omdat daarmee niet
expliciet behoefde te worden ingegaan op de door de advocaten
van T-Mobile ingebrachte stelling dat de richtlijn onjuist was
geïmplementeerd.”[47]
Men kan daar tegenover stellen dat elegantie jegens de
(bedoeling van) Nederlandse wetgever hier wat misplaatst is.
Het gaat hier immers om Europese regels. Men dient dus primair
te pogen om de bedoeling van de Europese wetgever te
achterhalen. Als er gerede twijfel bestaat over de vraag of
deze correct zijn geïmplementeerd,[48]
dan past het in het licht van het beginsel van
gemeenschapstrouw eerder om prejudiciële vragen terzake te
stellen aan het Hof van Justitie, dan om te proberen om deze
vraag zelf (impliciet dan wel expliciet) te beantwoorden of te
ontwijken. Eenzelfde soort kritiek betreft overigens ook de
nationale wetgever. Deze had beter bij het Hof kunnen
aankloppen om een verduidelijking van de regels te krijgen,
dan zelf te proberen de gewenste duidelijkheid te scheppen. Er
schijnt inmiddels een infractieprocedure tegen Nederland te
zijn ingeleid door de Europese Commissie wegens incorrecte
implementatie van (onder meer) het algemene
onderhandelingsrecht. De inhoudelijke details zijn mij echter
niet bekend. Al met al lijkt het laatste woord over deze
kwestie in ieder geval nog lang niet te zijn gesproken met de
uitspraak van het CBB.
[1] Zie voor de integrale
tekst van de Telecommunicatiewet zoals deze luidt met ingang
van 19 mei 2004 Stb. 2004, 308.
[2] CBB, 24 november
2004, T-Mobile & Yarosa / OPTA, Nrs. Awb 04/651 en
04/727,
http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AR6450; tevens
gepubliceerd in: Mediaforum 2005-3, nr. 12. Zie over
deze zaak ook: C.E. Schillemans, ‘Interoperabiliteit: van
toverwoord tot Trojaans paard?’, Mediaforum 2005-2, p.
38-43 (Schillemans 2005a); C. Borba Lefèvre & J.F.A. Doeleman,
‘Reactie op: ‘Interoperabiliteit: van toverwoord tot Trojaans
paard?’’, Mediaforum 2005-3, p. 104-105 (Borba Lefèvre
& Doeleman 2005); en C.E. Schillemans, naschrift bij ‘Reactie
op: ‘Interoperabiliteit: van toverwoord tot Trojaans paard?’,
Mediaforum 2005-3, p. 105 (Schillemans 2005b).
[3] Richtlijn 2002/19/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake
de toegang tot en interconnectie van
elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende
faciliteiten (‘Toegangsrichtlijn’),
Pb. L 108/7 (24.04.2002).
[4] Art. 12 lid 1 sub
e) Tr noemt “open toegang verlenen tot technische interfaces,
protocollen of andere kerntechnologieën die onmisbaar zijn
voor de interoperabiliteit van diensten of virtuele
netwerkdiensten”, art. 12 lid 1 sub g) Tr noemt “[…]
bepaalde diensten aanbieden die nodig zijn voor de
interoperabiliteit van de aan gebruikers geleverde
eind-tot-eind-diensten […]”, en art. 12 lid 1 sub i) Tr
noemt “zorgen voor interconnectie van netwerken of
netwerkfaciliteiten.” Ook de formulering van art. 12 lid 1
sub b) Toegangsrichtlijn is duidelijk zeer algemeen van
aard (“te goeder trouw onderhandelen met ondernemingen die
verzoeken om toegang”), en sluit toegang ten behoeve van
interoperabiliteit van diensten allerminst uit.
[5] Op diverse plaatsen
in het reguleringskader zijn hiervan voorbeelden te vinden.
Zie bijvoorbeeld art. 12 lid 1 sub e) en sub g)
Toegangsrichtlijn; art. 24 Universeledienstrichtlijn; en artt.
17 en 18 Kaderrichtlijn (waarbij zij opgemerkt dat de
betekenis in art. 17 wat tweeslachtig lijkt).
[6] Zie bijvoorbeeld de
uitgebreide discussie over dit begrip in de context van de
Europese Commissie v. Microsoft-casus. Europese Commissie,
beschikking van 24 maart 2004 inzake een procedure op grond
van artikel 82 EG, zaak COMP/C-3/37.792 – Microsoft
(Brussel, 21.4.2004), C(2004)900 def. (n.n.g.);
http://europa.eu.int/comm/competition/antitrust/cases/decisions/37792/en.pdf;
zie met name de overwegingen in de paragrafen 3.1.1.2 (alinea
30 e.v.), 4.1 (alinea 144 e.v.), 5.2.2.3 (alinea 515 e.v.), en
5.3.1 (alinea 546 e.v.) van de beschikking.
[7] Richtlijn 91/250/EEG
van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming
van computerprogramma’s, Pb. 1991 L 122/42, zie met
name art. 6 en overwegingen 10 tot en met 12. Merk op dat de
Nederlandstalige versie spreekt van “compatibiliteit” waar de
Engelstalige versie spreekt van “interoperability.” De
implementatie in art. 45m van de Auteurswet 1912 hanteert de
term “interoperabiliteit.” De begrippen “compatibiliteit” en
“interoperabiliteit” kunnen in deze context derhalve als
synoniemen worden gezien.
[8] Ofwel hetgeen in de
Nederlandse context als “categorie” van diensten wordt
aangeduid, zie art. 6.3 lid 1 Tw en art. 2 van het daarop
gebaseerde Besluit van 7 mei 2004, houdende regels met
betrekking tot interoperabiliteit van openbare elektronische
communicatiediensten, toegang tot de Europese
telefoonnummeringsruimte en landsgrensoverschrijdende toegang
tot niet-geografische nummers (‘Besluit interoperabiliteit’),
Stb. 2004, 205.
[9] Merk op dat
“interoperabiliteit” volgens de allesbepalende
doelstellingencatalogus van art. Kaderrichtlijn uitsluitend
wordt nagestreefd voor zover dat betrekking heeft op
zogenaamde “pan-Europese diensten”, en dus niet voor alle
elektronische-communicatiediensten; zie art. 8 lid 3 sub
b) Kaderrichtlijn. In dezelfde zin wordt bovendien ook het
begrip “eind-tot-eind connectiviteit” gebruikt. Merk bovendien
op dat geen van beiden wordt geacht betrekking te hebben op
concurrentie. In de formulering van art. 1 lid 2
Toegangsrichtlijn lijkt echter sprake te zijn van een
doelstelling met een veel bredere, algemene strekking:
“Doelstelling is, met inachtneming van de beginselen van de
interne markt een regelgevingskader voor de betrekkingen
tussen aanbieders van netwerken en diensten tot stand te
brengen, dat leidt tot duurzame concurrentie,
interoperabiliteit van elektronische communicatiediensten en
voordelen voor de consument.”
[10] Zoals Schillemans
(2005b) op p. 43 suggereert zou de wetgever bij herziening van
hoofdstuk 6Tw deze misleidende titel dienen te schrappen.
[11] Zie
Kamerstukken II, 2002-2003, 28 851, nr. 7, p. 33;
geciteerd in r.o. 4.1.1 van de uitspraak.
[12] R.o. 4.1.1 van de
uitspraak. NB: men leze voor ‘interoperabiliteit’ het recht om
onderhandelingen af te dwingen over een overeenkomst inzake
eind-tot-eind verbindingen.
[13] Kamerstukken II,
2002-2003, 28 851, nr. 7, p. 33.
[14] R.o. 4.1.2 van de
uitspraak.
[15] Art. 8 lid 2
Kaderrichtlijn respectievelijk art. 1.3 lid 1 sub a Tw.
[16] Art. 8 lid 3
Kaderrichtlijn respectievelijk art. 1.3 lid 1 sub c Tw.
[17] De geciteerde
passage uit de parlementaire behandeling sloeg immers op
alle mogelijke typen van
elektronische-communicatiediensten, en niet slechts op de
SMS-diensten waarover de onderhavige casus handelt, waarbij in
tegenstelling tot vele andere typen van
elektronische-communicatiediensten steeds sprake is van
éénrichtingsverkeer.
[18] Wat mij betreft is
er in deze context geen zinvol onderscheid te maken tussen de
begrippen “communicatiemogelijkheden” en
“bereikbaarheidsmogelijkheden”, zodat geen twee begrippen
nodig zijn. Communicatie en het kunnen bereiken van een
ander impliceren elkaar immers noodzakelijkerwijze. Beide
begrippen lenen zich echter ook voor een meer kwalitatieve
invulling, die het CBB echter geheel ontwijkt.
[19] Aangezien het
verre van onmogelijk lijkt dat de bereikbaarheid (hoe dan ook
opgevat) toeneemt (of de kwaliteit van de dienstverlening
anderszins verbetert), bijvoorbeeld door een andere routering
of technologie configuratie, is het jammer dat niet (bij
benadering) duidelijk is geworden welke bewijslast het CBB
hierbij in gedachten heeft.
[20] Zie art. 2, aanhef
en sub b) Toegangsrichtlijn, en de daarop gebaseerde
definitie in art. 1.1 lid 1, aanhef en sub m) Tw.
[21] Men kan zelfs
stellen dat dit een incorrecte implementatie vormt omdat dit
een beperktere strekking heeft dan is beoogd door art. 4 lid 1
Tr.
[22] Richtlijn
2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart
2002 betreffende de machtiging voor
elektronische-communicatienetwerken en -diensten
(‘Machtigingsrichtlijn’),
Pb. L 108/21 (24.04.2002).
[23] Zie met name art.
4 lid 2 sub a) van de Machtigingsrichtlijn: “Dergelijke
ondernemingen die openbare elektronische-communicatienetwerken
en -diensten aanbieden, worden door de algemene instantie
voorts gemachtigd om […] te onderhandelen over interconnectie
met en eventueel toegang of interconnectie te verkrijgen van
andere aanbieders van openbare communicatienetwerken en
-diensten die ongeacht waar in de Gemeenschap onder een
algemene machtiging vallen, onder de voorwaarden van en
overeenkomstig Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn)[.]”
Hierbij dient te worden opgemerkt dat (bijvoorbeeld) de
Engelstalige versie spreekt van: “When such undertakings
provide electronic communications networks or services
[…]” (cursivering toegevoegd). Het is dus niet aannemelijk dat
het aanbieden van zowel een dienst als een netwerk als
cumulatieve voorwaarden moeten worden opgevat voor het recht
om te onderhandelen over interconnectie.
[24] Cursivering
toegevoegd.
[25] De ‘oude’
Interconnectierichtlijn hanteerde reeds een zeer voorzichtige
formulering in considerans 5: “Overwegende dat, na de
afschaffing van bijzondere en uitsluitende rechten voor
telecommunicatiediensten en ‑infrastructuur in de Gemeenschap,
de verstrekking van telecommunicatienetwerken of
telecommunicatiediensten wellicht aan enige vorm van
machtiging door de lidstaten moet worden onderworpen[.]”
Richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van
30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied,
wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de
interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open
Network Provision (ONP), Pb. L 199/32 (26/07/1997).
[26] Onder het huidige
regime is evident sprake van een nog verder gaande
liberalisering. Zie ook overwegingen 7-8 uit de preambule van
de Machtigingsrichtlijn: “(7) Een zo licht mogelijk
machtigingssysteem moet worden gehanteerd om het aanbieden
van elektronische-communicatienetwerken en -diensten mogelijk
te maken, teneinde de ontwikkeling van nieuwe
elektronische-communicatiediensten alsmede transnationale
communicatienetwerken en -diensten te bevorderen en
dienstenaanbieders en consumenten te laten profiteren van de
schaalvoordelen van de interne markt.
(8) Deze doelstellingen kunnen het best worden verwezenlijkt
door middel van een algemene machtiging voor alle
elektronische-communicatienetwerken en -diensten […].”
[27] Deze luidt als
volgt: “The commercial and technical arrangements under which
service providers connect their equipment, networks and
services to enable customers to have access to the customers,
services and networks of other service providers.” Zie Eli M.
Noam, ‘Interconnection Policy’, in: Martin Cave, Sumit
Majumdar & Ingo Vogelsang (red.): Handbook of
Telecommunications Economics, Vol. 1, Amsterdam:
North-Holland (2001),
http://www.citi.columbia.edu/elinoam/articles/intercon.htm,
§ 1, verwijzend naar: International Telecommunication Union,
The Changing Role of Government in an Era of Telecom
Deregulation. Interconnection: Regulatory Issues, Geneva,
Switzerland: International Telecommunication Union (1995).
[28] Zie wat betreft de
implementatie in nationale wetgeving ook de opmerkingen van de
minister tijdens de parlementaire behandeling, Kamerstukken
II, 2002-2003, 28 851, nr. 7 (nota naar aanleiding van
verslag), p. 33: “Ook dienstenaanbieders hebben op grond van
artikel 4, eerste lid, van de Toegangsrichtlijn het recht om
te onderhandelen over interconnectie. Exploitanten zijn
volgens dit artikel immers verplicht te onderhandelen over
interconnectie als zij daarom worden verzocht door ‘daartoe
gemachtigde ondernemingen’. Het begrip onderneming omvat ook
dienstenaanbieders, en is dus niet beperkt tot alleen
aanbieders van netwerken.” Tussen de regels door impliceert de
uitspraak van het CBB dus dat deze uitlatingen van de
minister, evenals de implementatie in de Tw, volgens het CBB
incorrect zijn.
[29] Levering van
toegang tot een (al dan niet fysiek) (element van een) netwerk
vormt natuurlijk wel weer een (toegangs‑)dienst.
[30] In de zin van art.
2 aanhef en sub c) Kaderrichtlijn respectievelijk art.
1.1 aanhef en sub f) Tw. Vreemd genoeg blijft in het
midden of de dienst van Yarosa een “openbaar” karakter heeft
in de zin van art. 1.1 aanhef en sub g) Tw. Dit begrip
is niet gedefinieerd in de Europese richtlijnen, die echter
soms wel spreken van “algemeen beschikbare diensten”
(considerans 1 en art. 4 lid 1 Toegangsrichtlijn).
[31] In de zin van art.
2 aanhef en sub a) Kaderrichtlijn respectievelijk art.
1.1 aanhef en sub e) Tw.
[32] Dit betreft de
mogelijkheid tot het introduceren van verplichtingen ten
aanzien van applicatieprogramma-interfaces (API’s) en
elektronische programmagidsen (EPG’s). Zie art. 5 lid 1 sub
b) juncto bijlage I, deel II van de Toegangsrichtlijn. Dit
betreft een significante uitbreiding ten opzichte van de
bepalingen uit Richtlijn 95/47/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 24 oktober 1995 inzake het gebruik van normen
voor het uitzenden van televisiesignalen, Pb. 1995 L
281/51.
[33] Bij SMS-verkeer
zal dit bijvoorbeeld gelegen kunnen zijn in de mate van
vertraging; men denke voor een ander type dienst zoals
spraaktelefonie aan de mate van verstaanbaarheid en
dergelijke.
[34] Richtlijn
2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart
2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor
elektronische-communicatienetwerken en -diensten
(‘Kaderrichtlijn’),
Pb. L 108/33 (24.04.2002).
[35] Zie
Kamerstukken II, 2002-2003, 28 851, nr. 7 (nota naar
aanleiding van verslag), p. 34-35.
[36] Weliswaar zouden
er jegens aanbieders met AMM onderhandelingen kunnen worden
afgedwongen op basis van art. 4 lid 2 van de ‘oude’
Interconnectierichtlijn. Dat neemt echter niet weg dat art. 4
lid 1 van de ‘oude’ Interconnectierichtlijn dan geheel
betekenisloos zou zijn.
[37] Vgl. Noam (2001)
(zie voetnoot 19, supra), § 4.2:
“Interconnection is fairly meaningless without reference to
where interconnection would physically take place. If an
incumbent network offers an entrant interconnection at a
far‑off point, little is resolved. In consequence,
interconnection points are established at various levels of a
network, thereby ‘unbundling’ it.”
[38] Art. 1 van de
Interconnectierichtlijn (cursivering toegevoegd).
[39] Art. 3 lid 2 van
de Interconnectierichtlijn (cursivering toegevoegd). NB: Deze
nadere eisen aan interconnectie gelden onverminderd het feit
dat de doelstelling reeds strikt is beperkt tot “voorzover dit
nodig is om voor alle gebruikers in de Gemeenschap de
interoperabiliteit van die diensten te garanderen” (idem).
[40] De NRI kan deze
bewijslast inhoudelijk natuurlijk weer doorschuiven naar
belanghebbende partijen.
[41] Zie art. 4 lid 1
van de ‘oude’ Interconnectierichtlijn: “De nationale
regelgevende instantie kan van geval tot geval besluiten [de
verplichting om met elkaar over interconnectie te
onderhandelen] tijdelijk te beperken wanneer er voor de
gevraagde interconnectie andere, technisch en commercieel
haalbare mogelijkheden bestaan en wanneer de aangevraagde
interconnectie niet geschikt is in het licht van de middelen
die beschikbaar zijn om aan de aanvraag te voldoen. Een
dergelijke door de nationale regelgevende instantie opgelegde
beperking dient uitvoerig met redenen te worden omkleed […].”
[42] Wat betreft de
beoogde implementatie van art. 5 lid 1 sub a)
Toegangsrichtlijn in art. 6.1 Tw zij ook opgemerkt dat
“bevorderen, en waar nodig waarborgen” (Toegangsrichtlijn) een
ruimere strekking heeft dan “tot stand brengen” (Tw), en deze
bepaling dus niet correct is geïmplementeerd. De gehanteerde
argumentatie bij de parlementaire behandeling verwarde deze
twee invalshoeken eveneens voortdurend.
[43] Vgl. art. 12 lid 1
Toegangsrichtlijn, waar “het weigeren van toegang” gelijk
wordt gesteld aan “het opleggen van onredelijke voorwaarden
met eenzelfde effect[.]”
[44] Eenzelfde kritiek
betreft overigens het Besluit interoperabiliteit (zie
voetnoot 9, supra), omdat dit
verplichtingen oplegt zonder zaaksgewijze beoordeling.
[45] Dit wordt door het
CBB erkend in r.o. 4.4.1 van de uitspraak. Dit wordt echter
blijkbaar miskend door de OPTA, althans indien de visie van de
OPTA correct is weergegeven door het CBB. In r.o. 3.4 van de
uitspraak van het CBB staat namelijk dat OPTA meent dat “[v]an
partijen mag worden verlangd serieus te onderhandelen voordat
OPTA verplichtingen op grond van artikel 6.2 Tw oplegt.” Dit
standpunt is in strijd met de wet. Artikel 6.2 lid 2 Tw geeft
OPTA immers ook de bevoegdheid om op te treden
buiten de context van (voorafgaande) onderhandelingen.
Terughoudendheid is één ding, een vooraf aangekondigde
algemene weigering op te treden is echter iets geheel anders.
[46] Vgl. ook art. 12
lid 1 sub b) Toegangsrichtlijn. Hieruit blijkt dat de
‘asymmetrische’ verplichtingen inzake toegang (die op
initiatief van de NRI worden opgelegd) ook verplichtingen tot
onderhandelen kunnen omvatten.
[47] Schillemans
(2005b). Zie voor de voorafgaande discussie ook de literatuur
genoemd in voetnoot 2, supra.
[48] Vgl. voetnoten
14, 20 en
34 en begeleidende tekst, supra.
|