Delen van UMTS-netwerken
Te verschijnen in M&M 2002-2

Nico van Eijk [1]


 
In een gezamenlijke notitie van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA), de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) en het ministerie van Verkeer en Waterstaat (V&W) wordt toegestaan dat de aanbieders van mobiele telecommunicatienetwerken in bepaalde gevallen netwerkonderdelen gezamenlijk mogen aanleggen en gebruiken. In dit artikel worden de achtergronden geschetst en wordt de notitie besproken en geanalyseerd. Er blijkt een zekere spanning tussen de relevante telecommunicatieregulering en het mededingingsrecht. Zo wordt onder meer geconstateerd dat bepaalde vormen van samenwerking tussen de mobiele operators zijn uitgesloten op grond van de Telecommunicatiewet, terwijl zich mededingingsrechtelijk geen probleem hoeft voor te doen.

Het delen van netwerken of onderdelen daarvan staat al lang op de agenda van mobiele operators. In feite is het een discussie-onderwerp sinds er meerdere aanbieders zijn in de sector. In Europa werden bij de invoering van de nieuwe digitale standaard GSM naast de zittende 'PTT' voor de eerste maal andere aanbieders toegelaten. De meeste Europese landen besloten tot het verdelen van de beschikbare vergunningen in de periode 1993-1995. Nieuwkomers maakten zich toen al druk om de vraag of zij, al dan niet tijdelijk, met hun diensten konden meeliften op het netwerk van de zittende aanbieder. Dit wordt ook wel nationale roaming genoemd. Ook werd toegang gevraagd tot de antenne-opstelpunten van deze aanbieder. In Nederland werd wel een (tijdelijk) recht op roaming toegekend, maar het delen van infrastructurele voorzieningen kreeg verder weinig aandacht. Roaming is onder de huidige Telecommunicatiewet (Tw) beperkt tot partijen met een aanmerkelijke marktmacht.

Bij de tweede golf van vergunningen voor mobiele communicatie in 1997-1998 voor DCS 1800 (in feite hetzelfde als GSM, maar dan in een andere frequentieband, daarom ook wel GSM-1800 genoemd), werd er meer tijd besteed aan de discussie over het delen van voorzieningen. Een van de redenen was het feit dat voor een DCS 1800-netwerk veel meer antennes nodig waren dan voor een klassiek GSM-netwerk. In Nederland resulteerde een en ander erin dat in de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen (WTV) een artikel werd opgenomen over het delen van antenne-opstelpunten. Op grond van dit artikel dienden bij redelijke verzoeken aanbieders van mobiele netwerken over en weer medegebruik toe te staan, voorzover technisch mogelijk. [2] Een vergelijkbare bepaling is blijven bestaan in de opvolger van de WTV, de Telecommunicatiewet. [3] Bij het delen van netwerken als zodanig werd maar beperkt stilgestaan. Op GSM en DSC-1800 volgde de verdeling van frequenties voor UMTS. [4] Voor deze derde generatie mobiele telefonie (die geschikt zou zijn voor snel datatransport en het tonen van bewegende beelden, hetgeen een breed scala van nieuwe diensten mogelijk zou maken) zijn binnen Europa de vergunningen met name in 2000-2001 verdeeld. Ook bij deze derde verdelingsronde bestond de mogelijkheid om naar aanleiding van de aanvraagprocedure vragen te stellen aan de verantwoordelijke staatssecretaris. Deze gelegenheid is door geïnteresseerden aangegrepen om het delen van netwerken aan de orde te stellen.

Regelgevend kader

In de op grond van de Telecommunicatiewet (Tw) vastgestelde nadere regelgeving wordt vergunninghouders verplicht om een bepaalde landelijke dekking te realiseren. Deze voorwaarde moet, zo blijkt uit een antwoord van de staatssecretaris, dusdanig worden uitgelegd dat het gaat om een zelfstandig te realiseren verplichting: 'De vergunninghouder dient de vereiste dekking met eigen infrastructuur te realiseren'. [5] Toegekende frequenties dienen door de vergunninghouder zelf in gebruik te worden genomen, zo wordt verder gesteld op basis van de Telecommunicatiewet. [6] Beide voorwaarden worden mede gebaseerd op mededingingsrechtelijke argumenten met als achterliggende politieke overweging dat concurrentie tussen netwerken gewenst is. De ruimte tot samenwerking wordt in de antwoorden verder afgebakend: 'de conclusie dat het is toegestaan om alle netwerkonderdelen met andere partijen te delen, met uitzondering van alle frequenties, is niet correct. In de opsomming in het aanvraagdocument van elementen die gedeeld kunnen worden, worden enkel elementen van het radionet opgesomd. Verder wordt collocatie [7] genoemd als mogelijkheid. Hieruit blijkt dat het 'core net' [8] door de vergunninghouder zelf moet worden opgezet. Indien vergunninghouders verder gaan in het delen van hun infrastructuren, zal van geval tot geval moeten worden bekeken in hoeverre nog gesproken kan worden van eigen infrastructuur. Medegebruik van antenne-opstelpunten, basisstations, stroomtoevoer en huurlijnen zullen daarbij in het algemeen geen problemen opleveren. Als switches, software en frequenties gedeeld worden, zal de vergunninghouder moeten aantonen dat er nog sprake is van eigen infrastructuur'. [9] Er is nadrukkelijk vanaf gezien de toegestane samenwerking nader te verduidelijken, maar dit afhankelijk te maken van de start van de dienstverlening. [10]

De marktomstandigheden gewijzigd

In Nederland zijn vervolgens aan de zittende operators KPN, Libertel, Dutchtone, Telfort en Ben vergunningen voor UMTS toegekend op basis van een veiling, waarbij in het totaal een bedrag van € 2,68 miljard werd opgehaald. Al ongeveer ten tijde van de veiling tekende zich een veranderende markttendens af. De (beurs)waarde van telecommunicatie-ondernemingen daalde sterk en het succes van de nieuwe diensten via UMTS werd in twijfel getrokken. De financiële positie van marktpartijen, die forse geldsommen hadden betaald voor het verkrijgen van de vergunningen, kwam aldus onder druk te staan. In veel Europese landen werd daarop de roep om UMTS-netwerken gezamenlijk te mogen aanleggen steeds sterker. Overheden en toezichthouders waren genoodzaakt om met nadere standpunten te komen.

Nadat standpunten waren ingenomen door de Britse en Duitse telecommunicatie-toezichthouders [11] , publiceerden Nma, OPTA en het ministerie van V&W in juli 2001 een concept-notitie 'met betrekking tot gezamenlijke aanleg en gebruik van UMTS-netwerken'. Marktpartijen werd gevraagd om op de notitie te reageren. [12] Het duurde vervolgens tot eind september voordat een definitief standpunt verscheen. [13]  

Notitie over gezamenlijke aanleg en gebruik

In de definitieve versie van de notitie wordt door NMa, OPTA en V&W onderkend dat aan samenwerking bij de aanleg en het gebruik van UMTS-netwerkonderdelen diverse voordelen zijn verbonden. Door minder investeringen zullen aanbieders sneller een groot publiek bereiken, de verliesgevende aanloopperiode wordt bekort waardoor sneller dienstenconcurrentie ontstaat, aan afnemers kan sneller een betere dienstverlening met betere dekking en lagere prijzen worden geboden en in de vierde plaats kan het aantal benodige antenne-opstelpunten worden verminderd waardoor de ruimtelijke en milieutechnische bezwaren van masten en antennes kunnen worden beperkt. Samenwerking kan er aan de andere kant toe leiden dat de concurrentie in meer of mindere mate afneemt. Samenwerking mag er evenwel niet toe leiden dat de concurrentie te veel wordt afgezwakt, zo wordt gesteld.

In een volgend deel van de notitie worden de mogelijke vormen van samenwerking beschreven. Een zevental opties wordt onderscheiden: inrichting van antenne-opstelpunten (het plaatsen van meerdere antennes op één opstelpunt)), uniforme lay out van netwerken (het gemeenschappelijk bepalen van de plaatsing van de opstelpunten), gezamenlijk gebruik van basisstations en antennes (basisstations verzorgen de radiodekking in een bepaald gebied), gezamenlijk gebruik van netwerkbesturing (het betreft de apparaten die diverse basisstations aansturen en koppelen aan het core netwerk), gezamenlijk aanleg en beheer van het radionetwerk (het betreft in feite het gehele netwerk met uitzondering van het core netwerk), gezamenlijk gebruik van het core netwerk (dit betreft het centrale systeem van het netwerk, de databases/administratieve systemen), verbinding met andere netwerken, en dergelijke), gezamenlijk gebruik van frequenties (twee operators maken gebruik van elkaars frequenties) en gezamenlijk gebruik van elkaars netwerk (roaming, zoals hiervoor beschreven). Vervolgens wordt voor al deze mogelijke vormen van samenwerking bekeken of er belemmeringen zijn op grond van de Telecommunicatiewet en de Mededingingswet (Mw).

Samenwerking Telecommunicatiewet Mededingingswet
antenne-opstelpunten toegestaan niet beperkend
uniforme lay out netwerk toegestaan niet beperkend, mits
basisstations en antennes toegestaan mits beperkend, ontheffing mogelijk
netwerkbesturing toegestaan mits beperkend, ontheffing mogelijk
aanleg/beheer radionetwerk toegestaan mits beperkend, ontheffing mogelijk
core netwerk niet toegestaan beperkend, ontheffing onwaarschijnlijk
frequenties niet toegestaan niet relevant
roaming toegestaan tot 2007 beperkend, ontheffing mogelijk

Uit de analyse gebaseerd op de Telecommunicatiewet komt naar voren dat gezamenlijk gebruik van het core netwerk en het gezamenlijk gebruik van frequenties niet kan worden toegestaan. Bij gezamenlijk gebruik van het core netwerk is er geen sprake meer van eigen infrastructuur en frequenties mogen uitsluitend door de vergunninghouder worden gebruikt. Roaming is toegestaan voorzover aan de voorgeschreven dekkingsverplichting wordt voldaan en is daarmee van beperkte betekenis. De dekkingsverplichting impliceert namelijk dat uiterlijk in 2007 het grootste deel van het land bereik moet zijn. [14] Op het prohibitieve karakter van deze verplichting wordt in de analyse teruggekomen. De passages over de relevantie van de Mededingingswet starten met een algemene inleiding waarin wordt aangenomen dat de samenwerking tussen operators over het algemeen horizontaal van karakter zal zijn. Ofschoon samenwerking op het gebied van de aanleg en het gebruik van UMTS-netwerken in beginsel niet gericht lijkt te zijn op het beperken van de mededinging, leidt volgens de notitie samenwerking tussen concurrerende mobiele operators al snel tot mededingingsbeperkende effecten op zowel de markt van netwerken als op de markt van diensten. Of dat ook daadwerkelijk het geval zal zijn hangt af van diverse factoren, zoals het marktaandeel, de marktpositie en de marktstructuur. In voorkomende gevallen zal sprake zijn van een situatie onder artikel 6 Mw en ontheffing aangevraagd moeten worden ex artikel 17 Mw. Vervolgens wordt in dit onderdeel van de notitie aangegeven welke vormen van samenwerking waarschijnlijk onder artikel 6 Mw vallen. Op het delen van frequenties wordt als zodanig niet nader ingegaan omdat dit reeds onder de Telecommunicatiewet is verboden. Het inrichten van antenne-opstelpunten wordt niet als mededingingsbeperkend gezien. Ten aanzien van de uniforme lay-out van netwerken is geen sprake van mededingingsbeperkende afspraken zolang de betrokken partijen vrijheid van handelen behouden. Gezamenlijk gebruik van basisstations en antennes valt in ieder geval onder artikel 6 Mw. Ontheffing kan echter worden verleend bij een functionele scheiding tussen de betreffende onderdelen van de vergunninghouders. Het gezamenlijk gebruik van netwerkbesturing komt alleen in aanmerking voor ontheffing wanneer de betrokken aanbieders niet wezenlijk worden beperkt in de wijze waarop de netwerkbesturing plaats heeft en er voldoende concurrentie overblijft. Iedere operator moet zelfstandig de kwaliteit van zijn netwerk blijven bepalen. Ten aanzien van de gezamenlijke aanleg en het beheer van het radionetwerk wordt een duidelijke slag om de arm gehouden. Mededingingsbeperkende effecten zullen al snel aanwezig zijn en afhankelijk van de aard van de samenwerking is het mogelijk dat er zich een concentratieve joint venture voordoet, die als zodanig moet worden aangemeld. Het gezamenlijk gebruik van core netwerken komt in principe niet in aanmerking voor een ontheffing, waarbij wordt gewezen op het feit dat een dergelijke samenwerking in beginsel inzicht in belangrijke concurrentiële data (zoals abonneebestanden en het gebruikersgegevens) oplevert. Ten aanzien van de laatst besproken vorm van samenwerking, roaming, wordt het voordeel onderkend (snelle beschikbaarheid van diensten) maar ook een potentieel mededingingsbeperkend effect gesignaleerd. Betrokken partijen dienen zoveel mogelijk hun zelfstandigheid en eigen profiel richting de klanten te behouden wanneer zij roamingafspraken maken.

Twee samenwerkingen aangekondigd

Naar aanleiding van de notitie zijn inmiddels twee samenwerkingsverbanden bekend gemaakt. KPN Mobiel en Telfort hebben een samenwerking aangekondigd, waaraan oorspronkelijk ook Libertel zou deelnemen (werktitel 'Dutch Open'). KPN en Telfort hebben aangegeven dat zij nog steeds openstaan voor de toetreding van derden. Uit de beperkt beschikbare informatie lijkt te moeten worden opgemaakt dat de samenwerking KPN/Telfort zich met name op tijdelijke roaming richt: KPN en Telfort bouwen ieder hun eigen netwerk, maar beginnen deels in verschillende delen van het land, waarbij zij dan de ander tot het al gerealiseerde deel van het eigen netwerk toelaten (tot in 2007 conform de vergunningverplichting ieder over een eigen zelfstandig netwerk moet beschikken). [15] Recent hebben ook Ben en Dutchtone aangekondigd dat zij een samenwerking wensen aan te gaan. [16] Bij deze samenwerking (die 'Magpie' als werktitel heeft) gaat het om het gezamenlijk aanleggen en beheren van het radionetwerk. Ben en Dutchtone hebben de samenwerking bij de NMa aangemeld. Beide samenwerkingsprojecten verkeren nog op het niveau van een intentieverklaring.

Analyse

Uit de notitie blijkt dat gepoogd is om de toegelaten vormen van samenwerking zoveel mogelijk parallel te interpreteren op grond van de Telecommunicatiewet en de Mededingingswet. Daarbij is voor de opstellers van de notitie duidelijk dat de Telecommunicatiewet een ex ante stelsel in het leven heeft geroepen dat vormen van samenwerking bij voorbaat inperkt: er moet uiteindelijk sprake zijn van ten opzichte van elkaar zelfstandig opererende netwerken. Dit leidt ertoe dat vormen van samenwerking die mededingingsrechtelijk niet per definitie op bezwaren hoeven te stuiten, via het sectorspecifieke recht beperkt zijn. Het gaat dan om het delen van frequenties, het delen van het core netwerk en roaming. Het delen van frequenties is wegens strijd met de Telecommunicatiewet uitgesloten, de beide andere alternatieven worden niet in overeenstemming geacht met het vereiste van een eigen infrastructuur (waarbij – zoals hiervoor aangegeven - enige nuancering past ten aanzien van roaming, maar het gaat dan om tijdelijk toegestane roaming-vormen en om roaming op slechts beperkte delen van het netwerk). De notitie wekt tenminste de indruk dat het infrastructuurpolitieke argument van meerdere afzonderlijke netwerken inpasbaar is in het mededingingsrecht. De gekozen mededingingsrechtelijke interpretatie is wellicht daarom over het algemeen meer behoudend dan die van toezichthouders in het buitenland, waar mededingingsrechtelijke argumenten de boventoon voeren.

Bij zowel roaming als het delen van het core netwerk zit er overigens nog een addertje onder het gras: de verplichtingen op grond van de telecommunicatiewet gaan pas in per 1 januari 2007. Tot die tijd zijn er uit hoofde van de telecommunicatieregulering eigenlijk geen beperkingen aan beide vormen van samenwerking. Het is dan ook niet uitgesloten dat op grond van het mededingingsrecht het delen van (onderdelen van) het core netwerk en roaming tot 1/1/2007 wordt toegestaan. Zoals hiervoor aangegeven wordt in de notitie gewezen op het feit dat bij het delen van het core netwerk concurrentiële informatie zou rondgaan en daarom de kans op ontheffing klein is. De vraag is of men hier niet wat kort door de bocht gaat. Het probleem zou immers ook kunnen worden opgelost door een onafhankelijke derde partij dit deel van de samenwerking te laten beheren of door het aanbrengen van 'chinese walls', zoals ook elders in de telecommunicatiesector gebruikelijk is. Wordt ook na 2007 het core netwerk gedeeld of gebruik gemaakt van te ruime roaming-afspraken, dan kan uiteindelijk intrekking van de vergunning volgen op grond van artikel 3.7 Tw. Dit artikel biedt onder meer de mogelijkheid tot intrekking wanneer gehandeld is in strijd met de vergunningsvoorwaarden of wanneer 'de instandhouding van de vergunning de daadwerkelijke mededinging op de relevante markten in aanzienlijke mate zou beperken'. Maar hetzelfde artikel geeft de minister eveneens de mogelijkheid om de vergunning aan te passen in plaats van in te trekken. Marktpartijen zouden dus kunnen overwegen om toch een verregaande samenwerking aan te gaan op het gebied van het core netwerk en roaming. Na verkregen ontheffing op grond van de Mededingingswet kunnen zij de samenwerking tot tenminste 1 januari 2007 voortzetten. Op dat moment ontstaat dan de interessante situatie dat weliswaar in strijd met de vergunningsvoorwaarden wordt gehandeld, maar niet in strijd met het mededingingsrecht. Aangezien er ontheffing is verleend op grond van de Mededingingswet lijkt het niet zo eenvoudig om nog te kunnen betogen dat 'de instandhouding van de vergunning de daadwerkelijke mededinging op de relevante markten in aanzienlijke mate zou beperken'. Deze intrekkingsgrond wordt derhalve moeilijk toepasbaar. Of er in strijd wordt gehandeld met de vergunningsvoorwaarden wanneer er wordt samengewerkt op het gebied van het core network en roaming staat evenmin bij voorbaat vast. Het standpunt dat een eigen netwerk moet worden aangelegd wordt voornamelijk ontleend aan het aanvraagdocument voor de vergunning en aan antwoorden die zijn gegeven op vragen van geïnteresseerden naar aanleiding van dit aanvraagdocument. De juridische status van het aanvraagdocument en de vragen/antwoorden is tenminste onduidelijk. Men zou verwachten dat zoiets wezenlijks als het aanleggen van het netwerk duidelijk in harde regulering ingebed is. Dit blijkt niet het geval. In de notitie wordt met grote stelligheid betoogd dat uit de vergunningsvoorwaarden zou voortvloeien dat partijen een eigen netwerk moeten aanleggen. Close reading levert een dergelijke eenduidige conclusie niet op. In de vergunningsvoorwaarden staat dat 'de vergunninghouder realiseert met zijn IMT-2000 net uiterlijk op 1 januari 2007 ten minste dekking…'. Deze voorwaarde kan minstens zo zeer worden begrepen als een verplichting om de dekking te realiseren via het netwerk waarvan gebruik wordt gemaakt (een logisch netwerk). Hetgeen niet noodzakelijkerwijs een door de vergunninghouder zelf aangelegd netwerk (een fysiek netwerk) behoeft te zijn. [17] In welke gevallen is mededingingsrechtelijk verdedigbaar dat vormen van samenwerking worden toegestaan die op grond van de notitie niet mogelijk lijken te zijn? Gedacht kan worden aan een innige samenwerking tussen kleinere operators bij de aanleg en exploitatie van het netwerk op grond van het argument dat dit bijdraagt tot de daadwerkelijke mededinging op de relevante markten. Want gaat het bij mobiele telefonie wel om een relevante markt voor infrastructuur of ligt het accent meer op de markt van telecommunicatiediensten? Ik volsta hier met twee observaties. In de eerste plaats is het op dit moment zo dat er kwaliteitsverschillen zijn tussen de netwerken van de vijf mobiele operators. KPN en Libertel hebben een netwerk met een hoge kwalitatieve dekking. Telfort, Dutchtone en Ben – als relatieve nieuwkomers – kunnen (nog) niet een overeenkomstige kwaliteit bieden. De kwaliteit van het netwerk levert tussen KPN en Libertel nauwelijks enig relevant voordeel op naar eindgebruikers. Een vergelijkbare redenering is te hanteren ten aanzien van Telfort, Dutchtone en Ben. Er is aldus vanuit infrastructuuroogpunt nog slechts sprake zijn van twee vormen van relevant aanbod. [18] De vraag is zowieso aan de orde of het mogelijk is om te spreken van een concurrerende markt wanneer er maximaal vijf aanbieders zijn. Het is vreemd dat dit toch voor de handliggend vraagstuk niet in de notitie aan de orde komt omdat het toch in belangrijke mate de basis vormt voor de ingenomen standpunten. Een tweede observatie ligt voor de hand. Concurrentie in de mobiele sector speelt zich vooral af op het niveau van de diensten, waarvoor het onderliggende netwerk weliswaar een belangrijke randvoorwaarde is, maar op zich niet doorslaggevend is. [19] Een goede illustratie hiervan is het fenomeen van de 'Mobile Virtual Network Operator' (MVNO). Het betreft derde partijen die onder eigen naam mobiele diensten aanbieden door gebruik te maken van een bestaande netwerk. Deze MVNO's concurreren uitsluitend op het niveau van diensten. Andere voorbeelden zijn nationale en internationale roaming waarbij operators meeliften over het netwerk van andere operators. Door te veel accent te leggen op zelfstandige netwerken worden operators gedwongen om inefficiënt te investeren en worden nieuwkomers, voor wie het aanleggen van een eigen fysiek netwerk hoge kosten met zich meebrengt terwijl daar niet inkomsten uit bestaande bedrijfsactiviteiten tegenoverstaan, op een achterstand geplaatst. De notitie is een eerste stap naar meer duidelijkheid, maar gaat toch in belangrijke mate voorbij aan de meest centrale vraag: wat is een competitieve markt voor mobiele communicatie en hoe wordt deze bereikt. Er ligt een sterk accent op het politieke argument van zelfstandig naast elkaar opererende fysieke netwerken. Hierbij is een eerste aanzet gegeven om enige nuancering in de discussie te brengen. Het moet niet worden uitgesloten dat voortschrijdend inzicht in de werkelijke verhoudingen binnen de telecommunicatiesector tot aanpassing van de in de notitie neergelegde gezichtspunten zal (moeten) leiden.  

 

 

[1] Dr. N.A.N.M. van Eijk is verbonden aan het Instituut voor Informatierecht (IViR), Universiteit van Amsterdam.

[2] Artikel 13oa WTV.

[3] Artikel 3.11 Tw.

[4] Officieel is UMTS één van de standaarden uit een familie van systemen die de naam IMT-2000 draagt.

[5] DGTP/V/00/00031, p. 3. Deze en latere vergelijkbare verwijzingen refereren aan documenten waarin het ministerie van Verkeer en Waterstaat (Directoraat Generaal voor Post en Telecommunicatie, DGTP) antwoordt op vragen gesteld door aanvragers van het zogenaamde 'aanvraagdocument'. Alleen deze aanvragers mochten vragen stellen en de antwoorden zijn uitsluitend kenbaar gemaakt aan de aanvragers. In de hier besproken notitie van OPTA, NMa en V&W wordt ook verwezen naar deze vragen/antwoorden, die niet zijn gepubliceerd. Geïnteresseerden zouden kunnen overwegen ze alsnog op te vragen bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Een exemplaar bevindt zich in ieder geval in het Documentatiecentrum van het Instituut voor Informatierecht (IViR, http://www.ivir.nl).

[6] Artikel 3.3 Tw.

[7] Van collocatie is bijvoorbeeld sprake wanneer apparatuur van twee aanbieders in eenzelfde ruimte wordt opgesteld.

[8] Het core netwerk omvat het centrale systeem van het netwerk, de databases, administratieve systemen en dergelijke).

[9] DGTP/V/00/0007; p.5; DGTP/V/00/00029, p. 4.; zie ook: DGTP/V/00/00036, p. 3.

[10] DGTP/V00/00035, p. 6.

[11] Regulierungsbehörde für Telekommunikation und Post (Regtp), 'Tesenpapier Infrastruktur-Sharing', dd. 5 juni 2001 (http://www.regtp.de); Office of Telecommunications (OFTEL), '3G Mobile Infrastructure Sharing in the UK', 1 mei 2001 (http://www.oftel.gov.uk); Zie ook : Autorité de Régulation des télécommunications (ART), 'Position de l'Autorité de régulation des télécommunications sur le partage d'infrastructures dans les réseaux mobiles de troisième générations', dd. 10 december 2001. Zie voorts: Europese Commissie, 'De invoering van mobiele communicatie van de derde generatie (3G) in de Europese Unie: stand van zaken', COM(2001) 141 dd. 20 maart 2001.

[12] Met name de aanbieders van mobiele telefonie hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De reacties zijn als zodanig niet openbaar gemaakt.

[13] NMa, OPTA, V&W, 'Gezamenlijke aanleg en gebruik van UMTS-netwerkonderdelen', dd. 26 september 2001, Stcrt. 2001, 189, p. 23.

[14] Namelijk tenminste dekking binnen de bebouwde kom van alle gemeenten met meer dan 25.000 inwoners, op alle hoofdverbindingswegen (auto-, spoor- en waterwegen) tussen deze gemeenten, langs de doorgaande autosnelwegen naar Duitsland en België en op of rond de luchthavens Amsterdam Schiphol Airport, Maastricht Aachen Airport en Rotterdam Airport. Daarbij moet gedurende tenminste 95% van de gevallen worden voldaan aan een nader gedefinieerd serviceniveau.

[15] Zie het persbericht 'KPN en Telfort hebben de intentie te gaan samenwerken in de bouw van UMTS-netwerken' dd. 8 november 2001 (http://www.telfort.nl).

[16] Zie het persbericht 'Ben en Dutchtone ontwikkelen samen UMTS-netwerk' dd. 21 december 2001 (http://www.dutchtone.nl).

[17] Zie ook: C.C. Meijer, R.J. Kolthek en E.H.K.J Koek, 'Facility sharing UMTS verboden?', in: Actualiteiten Mededingingsrecht, 2001/4, p 78-81.

[18] Ik ga hier voorbij aan het gegeven dat bijvoorbeeld de aanbieders van apparatuur voor mobiele netwerken het bezwaarlijk vinden wanneer het aantal vragende partijen afneemt. In de besproken notitie speelt dit aspect geen rol en wordt daarom ook niet nader besproken.

[19] Zie in dit verband de studie van SEO, 'Toegang tot mobiele netwerken', Amsterdam, 12 september 2001 (achtergrondstudie bij de OPTA-consultatie over vormen van bijzondere toegang tot mobiele netwerken en redelijkheid van verzoeken hiertoe. Voorts: OFTEL, 'Effective competition review: mobile', London, 26 september 2001.


Geplaatst 07.05.2002