| In een gezamenlijke
notitie van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie
Autoriteit (OPTA), de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa)
en het ministerie van Verkeer en Waterstaat (V&W) wordt
toegestaan dat de aanbieders van mobiele
telecommunicatienetwerken in bepaalde gevallen
netwerkonderdelen gezamenlijk mogen aanleggen en gebruiken. In
dit artikel worden de achtergronden geschetst en wordt de
notitie besproken en geanalyseerd. Er blijkt een zekere
spanning tussen de relevante telecommunicatieregulering en het
mededingingsrecht. Zo wordt onder meer geconstateerd dat
bepaalde vormen van samenwerking tussen de mobiele operators
zijn uitgesloten op grond van de Telecommunicatiewet, terwijl
zich mededingingsrechtelijk geen probleem hoeft voor te doen.
Het delen van netwerken of
onderdelen daarvan staat al lang op de agenda van mobiele
operators. In feite is het een discussie-onderwerp sinds er
meerdere aanbieders zijn in de sector. In Europa werden bij de
invoering van de nieuwe digitale standaard GSM naast de
zittende 'PTT' voor de eerste maal andere aanbieders
toegelaten. De meeste Europese landen besloten tot het
verdelen van de beschikbare vergunningen in de periode
1993-1995. Nieuwkomers maakten zich toen al druk om de vraag
of zij, al dan niet tijdelijk, met hun diensten konden
meeliften op het netwerk van de zittende aanbieder. Dit wordt
ook wel nationale roaming genoemd. Ook werd toegang gevraagd
tot de antenne-opstelpunten van deze aanbieder. In Nederland
werd wel een (tijdelijk) recht op roaming toegekend, maar het
delen van infrastructurele voorzieningen kreeg verder weinig
aandacht. Roaming is onder de huidige Telecommunicatiewet (Tw)
beperkt tot partijen met een aanmerkelijke marktmacht.
Bij de tweede golf van
vergunningen voor mobiele communicatie in 1997-1998 voor DCS
1800 (in feite hetzelfde als GSM, maar dan in een andere
frequentieband, daarom ook wel GSM-1800 genoemd), werd er meer
tijd besteed aan de discussie over het delen van
voorzieningen. Een van de redenen was het feit dat voor een
DCS 1800-netwerk veel meer antennes nodig waren dan voor een
klassiek GSM-netwerk. In Nederland resulteerde een en ander
erin dat in de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen (WTV)
een artikel werd opgenomen over het delen van
antenne-opstelpunten. Op grond van dit artikel dienden bij
redelijke verzoeken aanbieders van mobiele netwerken over en
weer medegebruik toe te staan, voorzover technisch mogelijk.
[2] Een vergelijkbare
bepaling is blijven bestaan in de opvolger van de WTV, de
Telecommunicatiewet. [3]
Bij het delen van netwerken als zodanig werd maar beperkt
stilgestaan. Op GSM en DSC-1800 volgde de verdeling van
frequenties voor UMTS. [4]
Voor deze derde generatie mobiele telefonie (die geschikt zou
zijn voor snel datatransport en het tonen van bewegende
beelden, hetgeen een breed scala van nieuwe diensten mogelijk
zou maken) zijn binnen Europa de vergunningen met name in
2000-2001 verdeeld. Ook bij deze derde verdelingsronde bestond
de mogelijkheid om naar aanleiding van de aanvraagprocedure
vragen te stellen aan de verantwoordelijke staatssecretaris.
Deze gelegenheid is door geïnteresseerden aangegrepen om het
delen van netwerken aan de orde te stellen.
Regelgevend kader
In de op grond van de
Telecommunicatiewet (Tw) vastgestelde nadere regelgeving wordt
vergunninghouders verplicht om een bepaalde landelijke dekking
te realiseren. Deze voorwaarde moet, zo blijkt uit een
antwoord van de staatssecretaris, dusdanig worden uitgelegd
dat het gaat om een zelfstandig te realiseren verplichting:
'De vergunninghouder dient de vereiste dekking met eigen
infrastructuur te realiseren'.
[5] Toegekende frequenties dienen door de vergunninghouder
zelf in gebruik te worden genomen, zo wordt verder gesteld op
basis van de Telecommunicatiewet.
[6] Beide voorwaarden
worden mede gebaseerd op mededingingsrechtelijke argumenten
met als achterliggende politieke overweging dat concurrentie
tussen netwerken gewenst is. De ruimte tot samenwerking wordt
in de antwoorden verder afgebakend: 'de conclusie dat het is
toegestaan om alle netwerkonderdelen met andere partijen te
delen, met uitzondering van alle frequenties, is niet correct.
In de opsomming in het aanvraagdocument van elementen die
gedeeld kunnen worden, worden enkel elementen van het radionet
opgesomd. Verder wordt collocatie
[7] genoemd als
mogelijkheid. Hieruit blijkt dat het 'core net'
[8] door de
vergunninghouder zelf moet worden opgezet. Indien
vergunninghouders verder gaan in het delen van hun
infrastructuren, zal van geval tot geval moeten worden bekeken
in hoeverre nog gesproken kan worden van eigen infrastructuur.
Medegebruik van antenne-opstelpunten, basisstations,
stroomtoevoer en huurlijnen zullen daarbij in het algemeen
geen problemen opleveren. Als switches, software en
frequenties gedeeld worden, zal de vergunninghouder moeten
aantonen dat er nog sprake is van eigen infrastructuur'.
[9] Er is nadrukkelijk
vanaf gezien de toegestane samenwerking nader te
verduidelijken, maar dit afhankelijk te maken van de start van
de dienstverlening. [10]
De marktomstandigheden
gewijzigd
In Nederland zijn vervolgens
aan de zittende operators KPN, Libertel, Dutchtone, Telfort en
Ben vergunningen voor UMTS toegekend op basis van een veiling,
waarbij in het totaal een bedrag van € 2,68 miljard werd
opgehaald. Al ongeveer ten tijde van de veiling tekende zich
een veranderende markttendens af. De (beurs)waarde van
telecommunicatie-ondernemingen daalde sterk en het succes van
de nieuwe diensten via UMTS werd in twijfel getrokken. De
financiële positie van marktpartijen, die forse geldsommen
hadden betaald voor het verkrijgen van de vergunningen, kwam
aldus onder druk te staan. In veel Europese landen werd daarop
de roep om UMTS-netwerken gezamenlijk te mogen aanleggen
steeds sterker. Overheden en toezichthouders waren genoodzaakt
om met nadere standpunten te komen.
Nadat standpunten waren
ingenomen door de Britse en Duitse
telecommunicatie-toezichthouders
[11] , publiceerden Nma,
OPTA en het ministerie van V&W in juli 2001 een
concept-notitie 'met betrekking tot gezamenlijke aanleg en
gebruik van UMTS-netwerken'. Marktpartijen werd
gevraagd om op de notitie te reageren.
[12] Het duurde
vervolgens tot eind september voordat een definitief standpunt
verscheen. [13]
Notitie over gezamenlijke
aanleg en gebruik
In de definitieve versie van
de notitie wordt door NMa, OPTA en V&W onderkend dat aan
samenwerking bij de aanleg en het gebruik van
UMTS-netwerkonderdelen diverse voordelen zijn verbonden. Door
minder investeringen zullen aanbieders sneller een groot
publiek bereiken, de verliesgevende aanloopperiode wordt
bekort waardoor sneller dienstenconcurrentie ontstaat, aan
afnemers kan sneller een betere dienstverlening met betere
dekking en lagere prijzen worden geboden en in de vierde
plaats kan het aantal benodige antenne-opstelpunten worden
verminderd waardoor de ruimtelijke en milieutechnische
bezwaren van masten en antennes kunnen worden beperkt.
Samenwerking kan er aan de andere kant toe leiden dat de
concurrentie in meer of mindere mate afneemt. Samenwerking mag
er evenwel niet toe leiden dat de concurrentie te veel wordt
afgezwakt, zo wordt gesteld.
In een volgend deel van de
notitie worden de mogelijke vormen van samenwerking
beschreven. Een zevental opties wordt onderscheiden:
inrichting van antenne-opstelpunten (het plaatsen van meerdere
antennes op één opstelpunt)), uniforme lay out van netwerken
(het gemeenschappelijk bepalen van de plaatsing van de
opstelpunten), gezamenlijk gebruik van basisstations en
antennes (basisstations verzorgen de radiodekking in een
bepaald gebied), gezamenlijk gebruik van netwerkbesturing (het
betreft de apparaten die diverse basisstations aansturen en
koppelen aan het core netwerk), gezamenlijk aanleg en beheer
van het radionetwerk (het betreft in feite het gehele netwerk
met uitzondering van het core netwerk), gezamenlijk gebruik
van het core netwerk (dit betreft het centrale systeem van het
netwerk, de databases/administratieve systemen), verbinding
met andere netwerken, en dergelijke), gezamenlijk gebruik van
frequenties (twee operators maken gebruik van elkaars
frequenties) en gezamenlijk gebruik van elkaars netwerk
(roaming, zoals hiervoor beschreven). Vervolgens wordt voor al
deze mogelijke vormen van samenwerking bekeken of er
belemmeringen zijn op grond van de Telecommunicatiewet en de
Mededingingswet (Mw).
|
Samenwerking |
Telecommunicatiewet |
Mededingingswet |
|
antenne-opstelpunten |
toegestaan |
niet
beperkend |
| uniforme lay
out netwerk |
toegestaan |
niet
beperkend, mits |
|
basisstations en antennes |
toegestaan
mits |
beperkend,
ontheffing mogelijk |
|
netwerkbesturing |
toegestaan
mits |
beperkend,
ontheffing mogelijk |
|
aanleg/beheer radionetwerk |
toegestaan
mits |
beperkend,
ontheffing mogelijk |
| core netwerk |
niet toegestaan |
beperkend, ontheffing
onwaarschijnlijk |
| frequenties |
niet toegestaan |
niet relevant
|
| roaming |
toegestaan tot 2007 |
beperkend, ontheffing
mogelijk |
Uit de analyse gebaseerd op
de Telecommunicatiewet komt naar voren dat gezamenlijk gebruik
van het core netwerk en het gezamenlijk gebruik van
frequenties niet kan worden toegestaan. Bij gezamenlijk
gebruik van het core netwerk is er geen sprake meer van eigen
infrastructuur en frequenties mogen uitsluitend door de
vergunninghouder worden gebruikt. Roaming is toegestaan
voorzover aan de voorgeschreven dekkingsverplichting wordt
voldaan en is daarmee van beperkte betekenis. De
dekkingsverplichting impliceert namelijk dat uiterlijk in 2007
het grootste deel van het land bereik moet zijn.
[14] Op het prohibitieve
karakter van deze verplichting wordt in de analyse
teruggekomen. De passages over de relevantie van de
Mededingingswet starten met een algemene inleiding waarin
wordt aangenomen dat de samenwerking tussen operators over het
algemeen horizontaal van karakter zal zijn. Ofschoon
samenwerking op het gebied van de aanleg en het gebruik van
UMTS-netwerken in beginsel niet gericht lijkt te zijn op het
beperken van de mededinging, leidt volgens de notitie
samenwerking tussen concurrerende mobiele operators al snel
tot mededingingsbeperkende effecten op zowel de markt van
netwerken als op de markt van diensten. Of dat ook
daadwerkelijk het geval zal zijn hangt af van diverse
factoren, zoals het marktaandeel, de marktpositie en de
marktstructuur. In voorkomende gevallen zal sprake zijn van
een situatie onder artikel 6 Mw en ontheffing aangevraagd
moeten worden ex artikel 17 Mw. Vervolgens wordt in dit
onderdeel van de notitie aangegeven welke vormen van
samenwerking waarschijnlijk onder artikel 6 Mw vallen. Op het
delen van frequenties wordt als zodanig niet nader ingegaan
omdat dit reeds onder de Telecommunicatiewet is verboden. Het
inrichten van antenne-opstelpunten wordt niet als
mededingingsbeperkend gezien. Ten aanzien van de uniforme
lay-out van netwerken is geen sprake van
mededingingsbeperkende afspraken zolang de betrokken partijen
vrijheid van handelen behouden. Gezamenlijk gebruik van
basisstations en antennes valt in ieder geval onder artikel 6
Mw. Ontheffing kan echter worden verleend bij een functionele
scheiding tussen de betreffende onderdelen van de
vergunninghouders. Het gezamenlijk gebruik van
netwerkbesturing komt alleen in aanmerking voor ontheffing
wanneer de betrokken aanbieders niet wezenlijk worden beperkt
in de wijze waarop de netwerkbesturing plaats heeft en er
voldoende concurrentie overblijft. Iedere operator moet
zelfstandig de kwaliteit van zijn netwerk blijven bepalen. Ten
aanzien van de gezamenlijke aanleg en het beheer van het
radionetwerk wordt een duidelijke slag om de arm gehouden.
Mededingingsbeperkende effecten zullen al snel aanwezig zijn
en afhankelijk van de aard van de samenwerking is het mogelijk
dat er zich een concentratieve joint venture voordoet, die als
zodanig moet worden aangemeld. Het gezamenlijk gebruik van
core netwerken komt in principe niet in aanmerking voor een
ontheffing, waarbij wordt gewezen op het feit dat een
dergelijke samenwerking in beginsel inzicht in belangrijke
concurrentiële data (zoals abonneebestanden en het
gebruikersgegevens) oplevert. Ten aanzien van de laatst
besproken vorm van samenwerking, roaming, wordt het voordeel
onderkend (snelle beschikbaarheid van diensten) maar ook een
potentieel mededingingsbeperkend effect gesignaleerd.
Betrokken partijen dienen zoveel mogelijk hun zelfstandigheid
en eigen profiel richting de klanten te behouden wanneer zij
roamingafspraken maken.
Twee samenwerkingen
aangekondigd
Naar aanleiding van de
notitie zijn inmiddels twee samenwerkingsverbanden bekend
gemaakt. KPN Mobiel en Telfort hebben een samenwerking
aangekondigd, waaraan oorspronkelijk ook Libertel zou
deelnemen (werktitel 'Dutch Open'). KPN en Telfort hebben
aangegeven dat zij nog steeds openstaan voor de toetreding van
derden. Uit de beperkt beschikbare informatie lijkt te moeten
worden opgemaakt dat de samenwerking KPN/Telfort zich met name
op tijdelijke roaming richt: KPN en Telfort bouwen ieder hun
eigen netwerk, maar beginnen deels in verschillende delen van
het land, waarbij zij dan de ander tot het al gerealiseerde
deel van het eigen netwerk toelaten (tot in 2007 conform de
vergunningverplichting ieder over een eigen zelfstandig
netwerk moet beschikken).
[15] Recent hebben ook Ben en Dutchtone aangekondigd dat
zij een samenwerking wensen aan te gaan.
[16] Bij deze
samenwerking (die 'Magpie' als werktitel heeft) gaat het om
het gezamenlijk aanleggen en beheren van het radionetwerk. Ben
en Dutchtone hebben de samenwerking bij de NMa aangemeld.
Beide samenwerkingsprojecten verkeren nog op het niveau van
een intentieverklaring.
Analyse
Uit de notitie blijkt dat
gepoogd is om de toegelaten vormen van samenwerking zoveel
mogelijk parallel te interpreteren op grond van de
Telecommunicatiewet en de Mededingingswet. Daarbij is voor de
opstellers van de notitie duidelijk dat de Telecommunicatiewet
een ex ante stelsel in het leven heeft geroepen dat vormen van
samenwerking bij voorbaat inperkt: er moet uiteindelijk sprake
zijn van ten opzichte van elkaar zelfstandig opererende
netwerken. Dit leidt ertoe dat vormen van samenwerking die
mededingingsrechtelijk niet per definitie op bezwaren hoeven
te stuiten, via het sectorspecifieke recht beperkt zijn. Het
gaat dan om het delen van frequenties, het delen van het core
netwerk en roaming. Het delen van frequenties is wegens strijd
met de Telecommunicatiewet uitgesloten, de beide andere
alternatieven worden niet in overeenstemming geacht met het
vereiste van een eigen infrastructuur (waarbij – zoals
hiervoor aangegeven - enige nuancering past ten aanzien van
roaming, maar het gaat dan om tijdelijk toegestane
roaming-vormen en om roaming op slechts beperkte delen van het
netwerk). De notitie wekt tenminste de indruk dat het
infrastructuurpolitieke argument van meerdere afzonderlijke
netwerken inpasbaar is in het mededingingsrecht. De gekozen
mededingingsrechtelijke interpretatie is wellicht daarom over
het algemeen meer behoudend dan die van toezichthouders in het
buitenland, waar mededingingsrechtelijke argumenten de
boventoon voeren.
Bij zowel roaming als het
delen van het core netwerk zit er overigens nog een addertje
onder het gras: de verplichtingen op grond van de
telecommunicatiewet gaan pas in per 1 januari 2007. Tot die
tijd zijn er uit hoofde van de telecommunicatieregulering
eigenlijk geen beperkingen aan beide vormen van samenwerking.
Het is dan ook niet uitgesloten dat op grond van het
mededingingsrecht het delen van (onderdelen van) het core
netwerk en roaming tot 1/1/2007 wordt toegestaan. Zoals
hiervoor aangegeven wordt in de notitie gewezen op het feit
dat bij het delen van het core netwerk concurrentiële
informatie zou rondgaan en daarom de kans op ontheffing klein
is. De vraag is of men hier niet wat kort door de bocht gaat.
Het probleem zou immers ook kunnen worden opgelost door een
onafhankelijke derde partij dit deel van de samenwerking te
laten beheren of door het aanbrengen van 'chinese walls',
zoals ook elders in de telecommunicatiesector gebruikelijk is.
Wordt ook na 2007 het core netwerk gedeeld of gebruik gemaakt
van te ruime roaming-afspraken, dan kan uiteindelijk
intrekking van de vergunning volgen op grond van artikel 3.7
Tw. Dit artikel biedt onder meer de mogelijkheid tot
intrekking wanneer gehandeld is in strijd met de
vergunningsvoorwaarden of wanneer 'de instandhouding van de
vergunning de daadwerkelijke mededinging op de relevante
markten in aanzienlijke mate zou beperken'. Maar hetzelfde
artikel geeft de minister eveneens de mogelijkheid om de
vergunning aan te passen in plaats van in te trekken.
Marktpartijen zouden dus kunnen overwegen om toch een
verregaande samenwerking aan te gaan op het gebied van het
core netwerk en roaming. Na verkregen ontheffing op grond van
de Mededingingswet kunnen zij de samenwerking tot tenminste 1
januari 2007 voortzetten. Op dat moment ontstaat dan de
interessante situatie dat weliswaar in strijd met de
vergunningsvoorwaarden wordt gehandeld, maar niet in strijd
met het mededingingsrecht. Aangezien er ontheffing is verleend
op grond van de Mededingingswet lijkt het niet zo eenvoudig om
nog te kunnen betogen dat 'de instandhouding van de vergunning
de daadwerkelijke mededinging op de relevante markten in
aanzienlijke mate zou beperken'. Deze intrekkingsgrond wordt
derhalve moeilijk toepasbaar. Of er in strijd wordt gehandeld
met de vergunningsvoorwaarden wanneer er wordt samengewerkt op
het gebied van het core network en roaming staat evenmin bij
voorbaat vast. Het standpunt dat een eigen netwerk moet worden
aangelegd wordt voornamelijk ontleend aan het aanvraagdocument
voor de vergunning en aan antwoorden die zijn gegeven op
vragen van geïnteresseerden naar aanleiding van dit
aanvraagdocument. De juridische status van het
aanvraagdocument en de vragen/antwoorden is tenminste
onduidelijk. Men zou verwachten dat zoiets wezenlijks als het
aanleggen van het netwerk duidelijk in harde regulering
ingebed is. Dit blijkt niet het geval. In de notitie wordt met
grote stelligheid betoogd dat uit de vergunningsvoorwaarden
zou voortvloeien dat partijen een eigen netwerk moeten
aanleggen. Close reading levert een dergelijke eenduidige
conclusie niet op. In de vergunningsvoorwaarden staat dat 'de
vergunninghouder realiseert met zijn IMT-2000 net uiterlijk op
1 januari 2007 ten minste dekking…'. Deze voorwaarde kan
minstens zo zeer worden begrepen als een verplichting om de
dekking te realiseren via het netwerk waarvan gebruik wordt
gemaakt (een logisch netwerk). Hetgeen niet noodzakelijkerwijs
een door de vergunninghouder zelf aangelegd netwerk (een
fysiek netwerk) behoeft te zijn.
[17] In welke gevallen is
mededingingsrechtelijk verdedigbaar dat vormen van
samenwerking worden toegestaan die op grond van de notitie
niet mogelijk lijken te zijn? Gedacht kan worden aan een
innige samenwerking tussen kleinere operators bij de aanleg en
exploitatie van het netwerk op grond van het argument dat dit
bijdraagt tot de daadwerkelijke mededinging op de relevante
markten. Want gaat het bij mobiele telefonie wel om een
relevante markt voor infrastructuur of ligt het accent meer op
de markt van telecommunicatiediensten? Ik volsta hier met twee
observaties. In de eerste plaats is het op dit moment zo dat
er kwaliteitsverschillen zijn tussen de netwerken van de vijf
mobiele operators. KPN en Libertel hebben een netwerk met een
hoge kwalitatieve dekking. Telfort, Dutchtone en Ben – als
relatieve nieuwkomers – kunnen (nog) niet een overeenkomstige
kwaliteit bieden. De kwaliteit van het netwerk levert tussen
KPN en Libertel nauwelijks enig relevant voordeel op naar
eindgebruikers. Een vergelijkbare redenering is te hanteren
ten aanzien van Telfort, Dutchtone en Ben. Er is aldus vanuit
infrastructuuroogpunt nog slechts sprake zijn van twee vormen
van relevant aanbod. [18]
De vraag is zowieso aan de orde of het mogelijk is om te
spreken van een concurrerende markt wanneer er maximaal vijf
aanbieders zijn. Het is vreemd dat dit toch voor de
handliggend vraagstuk niet in de notitie aan de orde komt
omdat het toch in belangrijke mate de basis vormt voor de
ingenomen standpunten. Een tweede observatie ligt voor de
hand. Concurrentie in de mobiele sector speelt zich vooral af
op het niveau van de diensten, waarvoor het onderliggende
netwerk weliswaar een belangrijke randvoorwaarde is, maar op
zich niet doorslaggevend is.
[19] Een goede illustratie hiervan is het fenomeen van de
'Mobile Virtual Network Operator' (MVNO). Het betreft derde
partijen die onder eigen naam mobiele diensten aanbieden door
gebruik te maken van een bestaande netwerk. Deze MVNO's
concurreren uitsluitend op het niveau van diensten. Andere
voorbeelden zijn nationale en internationale roaming waarbij
operators meeliften over het netwerk van andere operators.
Door te veel accent te leggen op zelfstandige netwerken worden
operators gedwongen om inefficiënt te investeren en worden
nieuwkomers, voor wie het aanleggen van een eigen fysiek
netwerk hoge kosten met zich meebrengt terwijl daar niet
inkomsten uit bestaande bedrijfsactiviteiten tegenoverstaan,
op een achterstand geplaatst. De notitie is een eerste stap
naar meer duidelijkheid, maar gaat toch in belangrijke mate
voorbij aan de meest centrale vraag: wat is een competitieve
markt voor mobiele communicatie en hoe wordt deze bereikt. Er
ligt een sterk accent op het politieke argument van
zelfstandig naast elkaar opererende fysieke netwerken. Hierbij
is een eerste aanzet gegeven om enige nuancering in de
discussie te brengen. Het moet niet worden uitgesloten dat
voortschrijdend inzicht in de werkelijke verhoudingen binnen
de telecommunicatiesector tot aanpassing van de in de notitie
neergelegde gezichtspunten zal (moeten) leiden.
|
[1]
Dr. N.A.N.M. van Eijk is verbonden aan het Instituut voor
Informatierecht (IViR), Universiteit van Amsterdam.
[2]
Artikel 13oa WTV.
[3]
Artikel 3.11 Tw.
[4]
Officieel is UMTS één van de standaarden uit een familie van
systemen die de naam IMT-2000 draagt.
[5]
DGTP/V/00/00031, p. 3. Deze en latere vergelijkbare
verwijzingen refereren aan documenten waarin het ministerie
van Verkeer en Waterstaat (Directoraat Generaal voor Post en
Telecommunicatie, DGTP) antwoordt op vragen gesteld door
aanvragers van het zogenaamde 'aanvraagdocument'. Alleen deze
aanvragers mochten vragen stellen en de antwoorden zijn
uitsluitend kenbaar gemaakt aan de aanvragers. In de hier
besproken notitie van OPTA, NMa en V&W wordt ook verwezen naar
deze vragen/antwoorden, die niet zijn gepubliceerd.
Geïnteresseerden zouden kunnen overwegen ze alsnog op te
vragen bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Een
exemplaar bevindt zich in ieder geval in het
Documentatiecentrum van het Instituut voor Informatierecht
(IViR, http://www.ivir.nl).
[6]
Artikel 3.3 Tw.
[7]
Van collocatie is bijvoorbeeld sprake wanneer apparatuur van
twee aanbieders in eenzelfde ruimte wordt opgesteld.
[8]
Het core netwerk omvat het centrale systeem van het netwerk,
de databases, administratieve systemen en dergelijke).
[9]
DGTP/V/00/0007; p.5; DGTP/V/00/00029, p. 4.; zie ook:
DGTP/V/00/00036, p. 3.
[10]
DGTP/V00/00035, p. 6.
[11]
Regulierungsbehörde für Telekommunikation und Post (Regtp),
'Tesenpapier Infrastruktur-Sharing', dd. 5 juni 2001 (http://www.regtp.de);
Office of Telecommunications (OFTEL), '3G Mobile
Infrastructure Sharing in the UK', 1 mei 2001 (http://www.oftel.gov.uk);
Zie ook : Autorité de Régulation des télécommunications (ART),
'Position de l'Autorité de régulation des télécommunications
sur le partage d'infrastructures dans les réseaux mobiles de
troisième générations', dd. 10 december 2001. Zie voorts:
Europese Commissie, 'De invoering van mobiele communicatie van
de derde generatie (3G) in de Europese Unie: stand van zaken',
COM(2001) 141 dd. 20 maart 2001.
[12]
Met name de aanbieders van mobiele telefonie hebben van deze
gelegenheid gebruik gemaakt. De reacties zijn als zodanig niet
openbaar gemaakt.
[13]
NMa, OPTA, V&W, 'Gezamenlijke aanleg en gebruik van
UMTS-netwerkonderdelen', dd. 26 september 2001, Stcrt. 2001,
189, p. 23.
[14]
Namelijk tenminste dekking binnen de bebouwde kom van alle
gemeenten met meer dan 25.000 inwoners, op alle
hoofdverbindingswegen (auto-, spoor- en waterwegen) tussen
deze gemeenten, langs de doorgaande autosnelwegen naar
Duitsland en België en op of rond de luchthavens Amsterdam
Schiphol Airport, Maastricht Aachen Airport en Rotterdam
Airport. Daarbij moet gedurende tenminste 95% van de gevallen
worden voldaan aan een nader gedefinieerd serviceniveau.
[15]
Zie het persbericht 'KPN en Telfort hebben de intentie te gaan
samenwerken in de bouw van UMTS-netwerken' dd. 8 november 2001
(http://www.telfort.nl).
[16]
Zie het persbericht 'Ben en Dutchtone ontwikkelen samen
UMTS-netwerk' dd. 21 december 2001 (http://www.dutchtone.nl).
[17]
Zie ook: C.C. Meijer, R.J. Kolthek en E.H.K.J Koek, 'Facility
sharing UMTS verboden?', in: Actualiteiten
Mededingingsrecht, 2001/4, p 78-81.
[18]
Ik ga hier voorbij aan het gegeven dat bijvoorbeeld de
aanbieders van apparatuur voor mobiele netwerken het
bezwaarlijk vinden wanneer het aantal vragende partijen
afneemt. In de besproken notitie speelt dit aspect geen rol en
wordt daarom ook niet nader besproken.
[19]
Zie in dit verband de studie van
SEO,
'Toegang
tot mobiele netwerken', Amsterdam, 12 september 2001
(achtergrondstudie bij de OPTA-consultatie over vormen van
bijzondere toegang tot mobiele netwerken en redelijkheid van
verzoeken hiertoe. Voorts:
OFTEL,
'Effective
competition review: mobile', London, 26 september 2001.
|