| 1. Heeft een Internet
provider een civielrechtelijke medewerkingsplicht in het kader
van een onrechtmatige daadsvordering? Dat is de centrale vraag
die deze uitspraak aan de orde stelt. Dat een Internet
provider een strafrechtelijke medewerkingsplicht heeft, heeft
de wetgever uitdrukkelijk bepaald in hoofdstuk 13 van de
Telecommunicatiewet (zie daarover
E.J. Dommering
e.a.,
Handboek Telecommunicatierecht. Inleiding tot het recht en de
techniek van de telecommunicatie, Den Haag: Sdu 1999;
en E.C. Mc Gillavry, Meewerken aan strafvordering door
banken en Internet Service Providers. Een onderzoek naar
wetgeving en praktijk, Deventer: Gouda Quint 2000). Of een
Internet provider een zorgvuldigheidsplicht heeft met
betrekking tot het meewerken aan een onrechtmatige daadsactie,
kwam echter niet eerder ter sprake. De uitspraak is tevens
bijzonder om een andere reden. Het is namelijk een van de
eerste uitspraken over artikel 8 van de per 1 september 2001
in werking getreden Wet bescherming persoonsgegevens. Een
andere recente uitspraak waarin artikel 8 Wbp aan de orde
kwam, is de uitspraak van het Hof Amsterdam in de Spam-zaak
(Hof Amsterdam 18 juli 2002 (Ab.Fab/XS4All), LJNnr.
AE5514, eveneens in dit nummer gepubliceerd
m.nt. J.J.C. Kabel).
2. TeleAtlas stelt digitale
wegenkaarten samen voor, onder meer, autonavigatiesystemen.
Deze digitale kaarten zijn verkrijgbaar op CD-ROM. Op een of
andere manier heeft TeleAtlas er lucht van gekregen dat op de
veilingsite eBay illegale kopieën van haar CD-ROMS te koop
worden aangeboden. TeleAtlas wenst nu in rechte voortzetting
van deze op haar auteursrecht inbreukmakende handelingen tegen
te gaan. Om een procedure te beginnen tegen de inbreukmaker
dient zij echter de identiteit van de onder pseudoniem
optredende inbreukmaker te achterhalen. TeleAtlas heeft een
e-mailbericht tussen de verkoper en een koper dat een
e-mailadres en een bankrekeningnummer bevat, in haar bezit
gekregen. Dit e-mailadres is uitgegeven onder het
Planet-domein, het gaat derhalve om een Planet-abonnee. Inzet
van onderhavige kort gedingprocedure is de verstrekking van de
voor de vervolgdagvaarding noodzakelijke NAW-gegevens.
3. TeleAtlas' vordering is
gegrond op art. 8 sub f Wet bescherming persoonsgegevens. Dit
artikel bepaalt dat verwerking van persoonsgegevens geoorloofd
is, indien deze noodzakelijk is voor de behartiging van een
gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke of van een
derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang
of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in
het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, doorslaggevend zijn.
4. Artikel 8 Wbp bevat een
limitatieve opsomming van gronden voor toelaatbare
gegevensverwerking. Aangezien ook NAW-gegevens herleidbaar
zijn tot individuele personen, en als zodanig persoonsgegevens
in de zin van de Wbp vormen, en verstrekking aan derden een
verwerking in de zin van art. 1 sub b Wbp is, dient de
verstrekking van de gegevens terug te voeren te zijn tot een
van de gronden genoemd in artikel 8 Wbp. Ten opzichte van de
gronden genoemd in de onderdelen b tot en met e van artikel 8
vormt onderdeel f een soort restbepaling.
5. Bij verstrekking op grond
van art. 8 sub f Wbp rust op de verantwoordelijke de
rechtsplicht over te gaan tot een zelfstandige afweging van
het belang van de derde en het belang van de betrokkene,
d.w.z. degene op wie de gegevens betrekking hebben. De
verantwoordelijke dient zich hierbij de volgende vragen te
stellen volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II
1997/1998, 25 892, nr. 3, p. 86):
a) Is er werkelijk een
belang dat verwerking van persoonsgegevens rechtvaardigt?
b) Wordt met de verwerking
een inbreuk gemaakt op belangen of fundamentele rechten van
degene wiens gegevens worden verwerkt en zo ja, dient dan –
afhankelijk van de ernst van de inbreuk - gegevensverwerking
niet achterwege te blijven?
c) Kan het doel dat met de
verwerking wordt nagestreefd ook langs andere weg – zonder
verwerking – worden bereikt?
d) Is de verwerking in de
mate die is beoogd evenredig aan het nagestreefde doel?
6. Blijkt na beantwoording
van de bovenstaande vragen dat verwerking van persoonsgegevens
op basis van art. 8 sub f Wbp toelaatbaar is, dan mag de
verantwoordelijke de gegevens aan derden verstrekken. De taak
van de rechter bij de beoordeling van een gegevensverstrekking
op grond van artikel 8 sub f Wbp is te controleren of de
verantwoordelijke een correcte belangenafweging heeft
verricht. In de systematiek van de Wbp ontstaat deze taak
eerst na een gegevensverstrekking. Dat volgt ook uit doel en
strekking van de Wet bescherming persoonsgegevens. De Wet
bescherming persoonsgegevens beoogt namelijk ter bescherming
van de persoonlijke levenssfeer van het individu een algemeen
toetsingskader te bieden ten behoeve van een zorgvuldige
omgang met persoonsgegevens in concrete situaties. Artikel 8
Wbp bepaalt derhalve ook slechts wanneer een
gegevensverwerking toelaatbaar is. Wanneer de
verantwoordelijke vervolgens de gegevens verder verwerkt, kan
de rechter de verwerking aan artikel 8 Wbp toetsen.
7. Dit betekent dat wanneer
een verantwoordelijke gevraagd wordt gegevens te verstrekken
en hij dat verzoek vervolgens afwijst, de rechter geen taak
heeft op grond van de Wbp. De voorzieningenrechter lijkt
echter aan te nemen dat wanneer voldaan wordt aan de criteria
van artikel 8 sub f Wbp een rechtsplicht voor de
verantwoordelijke ontstaat de gevraagde gegevens te
verstrekken. Deze conclusie lijkt mij onjuist, althans
onvoldoende gemotiveerd. Een plicht tot verstrekking dient
mijns inziens op een andere grondslag te worden gebaseerd.
8. De voorzieningenrechter te
Utrecht komt tot de conclusie dat Planet Media de verzochte
NAW-gegevens niet hoefde te verstrekken, nu niet aan de
voorwaarden van artikel 8 sub f Wbp is voldaan. Onvoldoende
was namelijk gebleken dat TeleAtlas de gegevens op een andere
minder ingrijpende wijze heeft geprobeerd te verkrijgen.
Daarbij verwijst hij naar de door Planet Media aangegeven
mogelijkheden. Zo had TeleAtlas de gegevens bij eBay kunnen
verkrijgen, bij de bank, de strafrechtelijke weg kunnen
inslaan of een onderzoeksbureau kunnen inschakelen. Ook hier
gaat de voorzieningenrechter mijns inziens de fout in. Of het
doel van de verzochte verwerking op een minder ingrijpende
wijze kan worden bereikt, dient te worden beoordeeld vanuit
het perspectief van de betrokkene, dat wil zeggen de
natuurlijke persoon op wie de gegevens betrekking hebben.
Vanuit dit perspectief is niet zonder meer duidelijk dat de
door Planet Media aangegeven voorbeelden minder ingrijpend
zijn. Dat de door Planet Media aangeduide methoden de gegevens
te achterhalen voor Planet Media minder ingrijpend zijn, is
duidelijk, maar dat gegeven is in het kader van de toets aan
artikel 8 sub f Wbp niet relevant.
9. De voorzieningenrechter
wijst de vordering van TeleAtlas mijns inziens terecht, maar
op onjuiste gronden, af. Hierdoor wordt de vraag naar een
medewerkingsplicht van de provider bij acties op grond van
onrechtmatige daad niet bevredigend beantwoord. Deze vraag
speelt namelijk ook bij het leerstuk van de aansprakelijkheid
van de Internet provider, met name in het geval dat een
hosting Service Provider onrechtmatige informatie afkomstig
van een anonieme bron op zijn server heeft staan. De provider
kan onrechtmatig handelen wanneer hij weet dat de informatie
op zijn server onrechtmatig is en vervolgens niet prompt de
informatie verwijdert of ontoegankelijk maakt (Rb. Den Haag 9
juni 1999, Computerrecht 1999-4, p. 200-205 (Scientology/XS4All)
m.nt. P.B. Hugenholtz; vgl. ook art. 14 van de
Richtlijn 2000/31/EG van 8 juni 2000 betreffende bepaalde
juridische aspecten van de diensten van de
informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in
de interne markt, PbEG 2000 L 178/1
(E-commerce-richtlijn)). Degene jegens wie de informatie
onrechtmatig is, zal vaak ook de anonieme bron willen
aanpakken. Ook dan heeft hij de NAW-gegevens van de bron
nodig, waarover in veel gevallen de provider beschikt. Het is
opmerkelijk dat de rechter wanneer hem blijkt dat de provider
onrechtmatig handelt volgens de Scientology-criteria, vaak
zonder meer een vordering NAW-gegevens te verstrekken
toewijst, terwijl het ook dan gaat om een verstrekking van
persoonsgegevens door een verantwoordelijke die aan artikel 8
Wbp getoetst zou moeten worden (zie bijvoorbeeld bovengenoemde
Scientology-zaak; alsmedeVoorzieningenrechter Amsterdam 25
april 2002 (Deutsche Bahn/XS4All), LJNnr. AE1935).
10. Een zelfstandige toets
ten aanzien van opheffing van anonimiteit is des te
wenselijker, nu grondrechtelijke vrijheden van de bron in het
geding zijn. De anonymus heeft niet alleen een privacybelang
dat zijn identiteit niet wordt vrijgegeven, maar ook kan de
communicatievrijheid bedreigd worden door opheffing van de
anonimiteit. Zie ook
L.F. Asscher, 'Niemand
als consument. Naar een evenwichtig grondrecht op anonimiteit',
in: e-Consument. Consumentenbescherming in de Nieuwe
Economie, Den Haag: Elsevier Juridisch 2000, p. 7-20, die
zelfs pleit voor een grondwettelijke erkenning van een recht
op anonimiteit. Een opname van een recht op anonimiteit in de
Grondwet lijkt mij op dit moment een brug te ver, maar dat
neemt niet weg dat in het kader van een onrechtmatige
daadsprocedure er mijns inziens wel degelijk een zelfstandige
toets voor anonimiteit zou moeten zijn. De rechter zou
derhalve artikel 8 sub f Wbp (analoog) moeten toepassen. De
volgende vragen dienen dan door de rechter in ogenschouw te
worden genomen:
a) Is er werkelijk een
belang dat verstrekking van NAW-gegevens rechtvaardigt?
b) Wordt met de
verstrekking een inbreuk gemaakt op belangen of fundamentele
rechten van degene wiens gegevens worden verwerkt en zo ja,
dient dan – afhankelijk van de ernst van de inbreuk -
opheffing van anonimiteit niet achterwege te blijven?
c) Kan het doel dat met de
verstrekking wordt nagestreefd ook langs andere minder
ingrijpende weg – zonder opheffing van anonimiteit – worden
bereikt?
d) Is de verstrekking in de
mate die is beoogd evenredig aan het nagestreefde doel?
Benadrukt zij echter nogmaals
dat de meewerkingsplicht van de provider zijn grondslag ook
dan niet in artikel 8 sub f Wbp vindt, maar in het
zelfstandige onrechtmatige handelen van de provider door niet
te voldoen aan de Scientology-criteria.
WAMS
|