Annotatie bij Voorzieningenrechter Rb. Utrecht 9 juli 2002 (Teleatlas/Planet Media Group)
verschenen in: Computerrecht 2002-5, p. 297-298.

W.A.M. Steenbruggen


1. Heeft een Internet provider een civielrechtelijke medewerkingsplicht in het kader van een onrechtmatige daadsvordering? Dat is de centrale vraag die deze uitspraak aan de orde stelt. Dat een Internet provider een strafrechtelijke medewerkingsplicht heeft, heeft de wetgever uitdrukkelijk bepaald in hoofdstuk 13 van de Telecommunicatiewet (zie daarover E.J. Dommering e.a., Handboek Telecommunicatierecht. Inleiding tot het recht en de techniek van de telecommunicatie, Den Haag: Sdu 1999; en E.C. Mc Gillavry, Meewerken aan strafvordering door banken en Internet Service Providers. Een onderzoek naar wetgeving en praktijk, Deventer: Gouda Quint 2000). Of een Internet provider een zorgvuldigheidsplicht heeft met betrekking tot het meewerken aan een onrechtmatige daadsactie, kwam echter niet eerder ter sprake. De uitspraak is tevens bijzonder om een andere reden. Het is namelijk een van de eerste uitspraken over artikel 8 van de per 1 september 2001 in werking getreden Wet bescherming persoonsgegevens. Een andere recente uitspraak waarin artikel 8 Wbp aan de orde kwam, is de uitspraak van het Hof Amsterdam in de Spam-zaak (Hof Amsterdam 18 juli 2002 (Ab.Fab/XS4All), LJNnr. AE5514, eveneens in dit nummer gepubliceerd m.nt. J.J.C. Kabel).

2. TeleAtlas stelt digitale wegenkaarten samen voor, onder meer, autonavigatiesystemen. Deze digitale kaarten zijn verkrijgbaar op CD-ROM. Op een of andere manier heeft TeleAtlas er lucht van gekregen dat op de veilingsite eBay illegale kopieën van haar CD-ROMS te koop worden aangeboden. TeleAtlas wenst nu in rechte voortzetting van deze op haar auteursrecht inbreukmakende handelingen tegen te gaan. Om een procedure te beginnen tegen de inbreukmaker dient zij echter de identiteit van de onder pseudoniem optredende inbreukmaker te achterhalen. TeleAtlas heeft een e-mailbericht tussen de verkoper en een koper dat een e-mailadres en een bankrekeningnummer bevat, in haar bezit gekregen. Dit e-mailadres is uitgegeven onder het Planet-domein, het gaat derhalve om een Planet-abonnee. Inzet van onderhavige kort gedingprocedure is de verstrekking van de voor de vervolgdagvaarding noodzakelijke NAW-gegevens.

3. TeleAtlas' vordering is gegrond op art. 8 sub f Wet bescherming persoonsgegevens. Dit artikel bepaalt dat verwerking van persoonsgegevens geoorloofd is, indien deze noodzakelijk is voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, doorslaggevend zijn.

4. Artikel 8 Wbp bevat een limitatieve opsomming van gronden voor toelaatbare gegevensverwerking. Aangezien ook NAW-gegevens herleidbaar zijn tot individuele personen, en als zodanig persoonsgegevens in de zin van de Wbp vormen, en verstrekking aan derden een verwerking in de zin van art. 1 sub b Wbp is, dient de verstrekking van de gegevens terug te voeren te zijn tot een van de gronden genoemd in artikel 8 Wbp. Ten opzichte van de gronden genoemd in de onderdelen b tot en met e van artikel 8 vormt onderdeel f een soort restbepaling.

5. Bij verstrekking op grond van art. 8 sub f Wbp rust op de verantwoordelijke de rechtsplicht over te gaan tot een zelfstandige afweging van het belang van de derde en het belang van de betrokkene, d.w.z. degene op wie de gegevens betrekking hebben. De verantwoordelijke dient zich hierbij de volgende vragen te stellen volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1997/1998, 25 892, nr. 3, p. 86):

a) Is er werkelijk een belang dat verwerking van persoonsgegevens rechtvaardigt?

b) Wordt met de verwerking een inbreuk gemaakt op belangen of fundamentele rechten van degene wiens gegevens worden verwerkt en zo ja, dient dan – afhankelijk van de ernst van de inbreuk - gegevensverwerking niet achterwege te blijven?

c) Kan het doel dat met de verwerking wordt nagestreefd ook langs andere weg – zonder verwerking – worden bereikt?

d) Is de verwerking in de mate die is beoogd evenredig aan het nagestreefde doel?

6. Blijkt na beantwoording van de bovenstaande vragen dat verwerking van persoonsgegevens op basis van art. 8 sub f Wbp toelaatbaar is, dan mag de verantwoordelijke de gegevens aan derden verstrekken. De taak van de rechter bij de beoordeling van een gegevensverstrekking op grond van artikel 8 sub f Wbp is te controleren of de verantwoordelijke een correcte belangenafweging heeft verricht. In de systematiek van de Wbp ontstaat deze taak eerst na een gegevensverstrekking. Dat volgt ook uit doel en strekking van de Wet bescherming persoonsgegevens. De Wet bescherming persoonsgegevens beoogt namelijk ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het individu een algemeen toetsingskader te bieden ten behoeve van een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens in concrete situaties. Artikel 8 Wbp bepaalt derhalve ook slechts wanneer een gegevensverwerking toelaatbaar is. Wanneer de verantwoordelijke vervolgens de gegevens verder verwerkt, kan de rechter de verwerking aan artikel 8 Wbp toetsen.

7. Dit betekent dat wanneer een verantwoordelijke gevraagd wordt gegevens te verstrekken en hij dat verzoek vervolgens afwijst, de rechter geen taak heeft op grond van de Wbp. De voorzieningenrechter lijkt echter aan te nemen dat wanneer voldaan wordt aan de criteria van artikel 8 sub f Wbp een rechtsplicht voor de verantwoordelijke ontstaat de gevraagde gegevens te verstrekken. Deze conclusie lijkt mij onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. Een plicht tot verstrekking dient mijns inziens op een andere grondslag te worden gebaseerd.

8. De voorzieningenrechter te Utrecht komt tot de conclusie dat Planet Media de verzochte NAW-gegevens niet hoefde te verstrekken, nu niet aan de voorwaarden van artikel 8 sub f Wbp is voldaan. Onvoldoende was namelijk gebleken dat TeleAtlas de gegevens op een andere minder ingrijpende wijze heeft geprobeerd te verkrijgen. Daarbij verwijst hij naar de door Planet Media aangegeven mogelijkheden. Zo had TeleAtlas de gegevens bij eBay kunnen verkrijgen, bij de bank, de strafrechtelijke weg kunnen inslaan of een onderzoeksbureau kunnen inschakelen. Ook hier gaat de voorzieningenrechter mijns inziens de fout in. Of het doel van de verzochte verwerking op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt, dient te worden beoordeeld vanuit het perspectief van de betrokkene, dat wil zeggen de natuurlijke persoon op wie de gegevens betrekking hebben. Vanuit dit perspectief is niet zonder meer duidelijk dat de door Planet Media aangegeven voorbeelden minder ingrijpend zijn. Dat de door Planet Media aangeduide methoden de gegevens te achterhalen voor Planet Media minder ingrijpend zijn, is duidelijk, maar dat gegeven is in het kader van de toets aan artikel 8 sub f Wbp niet relevant.

9. De voorzieningenrechter wijst de vordering van TeleAtlas mijns inziens terecht, maar op onjuiste gronden, af. Hierdoor wordt de vraag naar een medewerkingsplicht van de provider bij acties op grond van onrechtmatige daad niet bevredigend beantwoord. Deze vraag speelt namelijk ook bij het leerstuk van de aansprakelijkheid van de Internet provider, met name in het geval dat een hosting Service Provider onrechtmatige informatie afkomstig van een anonieme bron op zijn server heeft staan. De provider kan onrechtmatig handelen wanneer hij weet dat de informatie op zijn server onrechtmatig is en vervolgens niet prompt de informatie verwijdert of ontoegankelijk maakt (Rb. Den Haag 9 juni 1999, Computerrecht 1999-4, p. 200-205 (Scientology/XS4All) m.nt. P.B. Hugenholtz; vgl. ook art. 14 van de Richtlijn 2000/31/EG van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt, PbEG 2000 L 178/1 (E-commerce-richtlijn)). Degene jegens wie de informatie onrechtmatig is, zal vaak ook de anonieme bron willen aanpakken. Ook dan heeft hij de NAW-gegevens van de bron nodig, waarover in veel gevallen de provider beschikt. Het is opmerkelijk dat de rechter wanneer hem blijkt dat de provider onrechtmatig handelt volgens de Scientology-criteria, vaak zonder meer een vordering NAW-gegevens te verstrekken toewijst, terwijl het ook dan gaat om een verstrekking van persoonsgegevens door een verantwoordelijke die aan artikel 8 Wbp getoetst zou moeten worden (zie bijvoorbeeld bovengenoemde Scientology-zaak; alsmedeVoorzieningenrechter Amsterdam 25 april 2002 (Deutsche Bahn/XS4All), LJNnr. AE1935).

10. Een zelfstandige toets ten aanzien van opheffing van anonimiteit is des te wenselijker, nu grondrechtelijke vrijheden van de bron in het geding zijn. De anonymus heeft niet alleen een privacybelang dat zijn identiteit niet wordt vrijgegeven, maar ook kan de communicatievrijheid bedreigd worden door opheffing van de anonimiteit. Zie ook L.F. Asscher, 'Niemand als consument. Naar een evenwichtig grondrecht op anonimiteit', in: e-Consument. Consumentenbescherming in de Nieuwe Economie, Den Haag: Elsevier Juridisch 2000, p. 7-20, die zelfs pleit voor een grondwettelijke erkenning van een recht op anonimiteit. Een opname van een recht op anonimiteit in de Grondwet lijkt mij op dit moment een brug te ver, maar dat neemt niet weg dat in het kader van een onrechtmatige daadsprocedure er mijns inziens wel degelijk een zelfstandige toets voor anonimiteit zou moeten zijn. De rechter zou derhalve artikel 8 sub f Wbp (analoog) moeten toepassen. De volgende vragen dienen dan door de rechter in ogenschouw te worden genomen:

a) Is er werkelijk een belang dat verstrekking van NAW-gegevens rechtvaardigt?

b) Wordt met de verstrekking een inbreuk gemaakt op belangen of fundamentele rechten van degene wiens gegevens worden verwerkt en zo ja, dient dan – afhankelijk van de ernst van de inbreuk - opheffing van anonimiteit niet achterwege te blijven?

c) Kan het doel dat met de verstrekking wordt nagestreefd ook langs andere minder ingrijpende weg – zonder opheffing van anonimiteit – worden bereikt?

d) Is de verstrekking in de mate die is beoogd evenredig aan het nagestreefde doel?

Benadrukt zij echter nogmaals dat de meewerkingsplicht van de provider zijn grondslag ook dan niet in artikel 8 sub f Wbp vindt, maar in het zelfstandige onrechtmatige handelen van de provider door niet te voldoen aan de Scientology-criteria.

WAMS


Geplaatst 01.11.2002