De interconnectieovereenkomst en contractsvrijheid
Computerrecht 2000-3, p. 123-133

N. Sitompoel [*]


 
INLEIDING

In het algemeen verbintenissenrecht wordt aan rechtssubjecten een grote mate van vrijheid gegeven om rechtsverhoudingen naar eigen inzicht vorm en inhoud te geven. Het contractenrecht bestaat grotendeels uit regelend recht, dat geldt indien partijen geen regeling hebben getroffen. Partijen kunnen bij het aangaan van een overeenkomst echter afwijken van regelend recht. In enkele gevallen heeft de wetgever dwingendrechtelijke bepalingen vastgesteld waarvan partijen niet kunnen afwijken. Vaak gebeurt dit uit het oogpunt van de ongelijkheid van partijen. Beoogd wordt op deze wijze de economisch zwakkere partij te beschermen. Imperatief voorgeschreven bepalingen komen bijvoorbeeld veelvuldig voor in het arbeidsovereenkomstenrecht. Een stap verder dan dwingend recht is de rechterlijke interventie bij huurprijsvaststelling. Nog ingrijpender is de bevoegdheid van de grondkamer in het pachtrecht om de inhoud van een pachtovereenkomst te toetsen aan de bepalingen van de Pachtwet.[1]  Het meest vergaand is de bevoegdheid van OPTA onder bepaalde omstandigheden de inhoud van een interconnectieovereenkomst vast te stellen. Partijen wordt geen keus gelaten de door OPTA vastgestelde interconnectieovereenkomst al dan niet te accepteren; de overeenkomst is een feit.

De gespannen verhouding tussen het burgerlijk recht en het publiekrecht leidt in de praktijk tot onduidelijkheid en roept vragen op over onder andere de invloed van Open Network Provision en de Interconnectierichtlijn op de interconnectieverplichting, zoals omschreven in de Telecommunicatiewet. Daarnaast kan men zich afvragen in welke mate de algemene beginselen van het contractenrecht vorm krijgen bij interconnectieovereenkomsten en welke plaats leerstukken zoals wanprestatie en overmacht innemen. Een en ander wordt in dit artikel uiteengezet, aan de hand waarvan de rechtsfiguur zal worden bepaald.

INTERCONNECTIE EN DE ESSENTIAL FACILITIES-DOCTRINE

Interconnectie is de fysieke en logische koppeling van telecommunicatienetwerken.[2]  Het voornaamste doel van interconnectie is te bewerkstelligen dat eindgebruikers van verschillende openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten op efficiënte wijze met elkaar kunnen communiceren,[3]  een wezenlijk beginsel van telecommunicatie. Dit wordt aangeduid met de term interoperabiliteit. Gezien het belang van interoperabiliteit rust op alle aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten een interconnectieplicht. Daarnaast wordt met interconnectie beoogd daadwerkelijke mededinging te waarborgen. Deze doelstelling komt tot uitdrukking in de verzwaarde interconnectieplicht die geldt voor aanbieders met een aanmerkelijke macht op de markt. Dit zijn aanbieders die een marktaandeel van meer dan 25% van een specifieke markt bezitten.

Het gaat bij interconnectie dus met name om het mogelijk maken van communicatie tussen gebruikers die op verschillende netwerken zijn aangesloten. Netwerken zijn dus essentieel voor het bereiken van eindgebruikers en het betreden van de markt en kunnen bovendien niet worden vervangen door een redelijk alternatief; netwerken worden daarom aangemerkt als essential facilities. Toegang tot het netwerk van een aanmerkelijk machtige aanbieder kan dan ook in beginsel via het algemene mededingingsrecht worden afgedwongen op grond van de essential facilities-doctrine. Volgens deze doctrine maakt een onderneming die een machtspositie heeft bij het aanbieden van essentiële faciliteiten misbruik van zijn machtspositie wanneer hij andere aanbieders zonder objectieve redenen de toegang tot die faciliteiten ontzegt. De Commissie heeft zich in de afgelopen jaren steeds meer op deze doctrine gebaseerd, maar onder invloed van recente rechtspraak is de ruimte voor toepassing van de essential facilities-doctrine sterk ingeperkt.[4]  Tegen het toepassen van de doctrine wordt vaak ingebracht dat het verplicht moeten toelaten van concurrenten op het eigen netwerk het gevaar in zich bergt dat concurrenten niet worden gestimuleerd zelf te investeren in noodzakelijke voorzieningen.

Een andere consequentie van een ruime toepassing van de doctrine is de inbreuk op de contractsvrijheid, een van de meest wezenlijke aspecten van de handelsvrijheid tussen partijen (waarover hierna). Ondernemingen met een machtspositie zijn niet vrij in de keuze van hun contractspartner. Er wordt van uitgegaan dat een inbreuk op de contractsvrijheid van welke aard dan ook, is te rechtvaardigen wanneer de betreffende onderneming een echte wurggreep op de markt heeft.[5]  Dit is bijvoorbeeld het geval “wanneer reproductie van de voorziening onmogelijk of uiterst moeilijk is wegens fysieke, geografische of wettelijke beperkingen, dan wel hoogst onwenselijk is om redenen van openbare orde”.[6]  Voor een inbreuk op de contractsvrijheid is niet voldoende dat een onderneming door de controle over een voorziening een concurrentieel voordeel verkrijgt.

De handelsvrijheid wordt ook beperkt door het opleggen van ONP-verplichtingen, waarmee beoogd wordt de gedragingen van aanmerkelijk machtige partijen te reguleren. In het navolgende wordt uiteengezet wat in het ONP-kader en de daaruit voortvloeiende verplichtingen uit de Interconnectierichtlijn en de Telecommunicatiewet is bepaald ten aanzien van de verschillende fasen die bij de interconnectieplicht kunnen worden onderscheiden. Het betreft de fase van onderhandeling over en totstandkoming van de overeenkomst, de inhoud van de overeenkomst en de nakoming.

ONP, INTERCONNECTIERICHTLIJN EN TELECOMMUNICATIEWET

Open Network Provision

De regelgeving in het kader van Open Network Provision beoogt de overgang van beperkte naar volledige mededinging te ondersteunen door het harmoniseren van de bepalingen die van toepassing zijn op partijen met een aanmerkelijke macht op de markt. Het ONP-kader dient beschouwd te worden als overgangsrecht, dat zijn betekenis verliest zodra op de markt volledige concurrentie is bereikt. Het doel van de ONP-regels is het creëren van een level playing field, een marktsituatie waarin de concurrentie zich kan ontwikkelen door de reeds bestaande dominante marktpartijen te verplichten tot het verlenen van toegang tot en gebruik van die voorzieningen en diensten ten aanzien waarvan zij over een positie van aanmerkelijke macht op de markt beschikken.[7] 

In de ONP-kaderrichtlijn uit 1990 – die ten grondslag ligt aan de daaropvolgende ONP-richtlijnen – zijn geharmoniseerde beginselen voor open en efficiënte toegang tot en gebruik van openbare telecommunicatienetten en algemeen beschikbare telecommunicatiediensten vastgelegd.[8]  Op grond van art. 3 lid 1 ONP-kaderrichtlijn moeten ONP-voorwaarden waaronder toegang en gebruik worden aangeboden gebaseerd zijn op objectieve criteria, doorzichtig zijn, op passende wijze worden bekendgemaakt, gelijkheid van toegang garanderen en niet discriminerend zijn. Bovendien geldt de eis dat de hiervoor gehanteerde tarieven kostengeoriënteerd moeten zijn.

Art. 1 lid 3 ONP-kaderrichtlijn[9]  bepaalt dat de ONP-voorwaarden onder andere gericht zijn op het verzekeren van toegang tot en interconnectie van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten. De ONP-voorschriften bieden derhalve een passend kader voor de harmonisatie van interconnectievoorwaarden. Over de wijze van totstandkoming en bepaling van deze interconnectievoorwaarden wordt in de ONP-kaderrichtlijn niets vermeld. Daarvoor dient men te rade te gaan bij de hierna te bespreken Interconnectierichtlijn.

Interconnectierichtlijn

In de Interconnectierichtlijn[10]  is een regelgevingskader vastgesteld teneinde in de Gemeenschap de interconnectie van telecommunicatienetwerken en de interoperabiliteit van telecommunicatiediensten te waarborgen. De richtlijn betreft – zoals reeds aangegeven in de ONP-kaderrichtlijn – de harmonisatie van de voorwaarden voor open en efficiënte interconnectie van en toegang tot openbare telecommunicatienetwerken en algemeen beschikbare telecommunicatiediensten.

Onderhandelings- en totstandkomingsfase

Art. 3 lid 1 ICR bepaalt dat de Lidstaten alle beperkingen opheffen waardoor aanbieders van openbare netwerken en diensten worden belemmerd om onderling interconnectieovereenkomsten aan te gaan. Krachtens art. 3 lid 2 ICR dragen de Lidstaten zorg voor de interconnectie van het vaste openbare telefoonnetwerk en de openbare mobiele telefoonnetwerken, voor zover dit nodig is om de interoperabiliteit van de vaste openbare telefoondienst, de openbare mobiele telefoondiensten en de huurlijnendienst te garanderen.

De Interconnectierichtlijn bevat in art. 4 lid 1 voor een aantal organisaties het recht en de plicht met elkaar over interconnectie te onderhandelen. Het betreft met name de aanbieders van vaste en/of mobiele openbare geschakelde telecommunicatienetwerken en/of algemeen beschikbare telecommunicatiediensten die daarbij de middelen van toegang beheersen tot een of meer netwerkaansluitpunten en de aanbieders van huurlijnen.[11]  Deze algemene onderhandelingsplicht, die het uitgangspunt van de richtlijn vormt – en moet worden onderscheiden van de hierna te bespreken verzwaarde verplichting die geldt voor aanbieders met een aanmerkelijke macht op de markt – geldt dus ongeacht de marktposities van de betreffende aanbieders en beoogt de interoperabiliteit van telecommunicatiediensten te waarborgen. De nationale regelgevende instantie (NRI) kan per geval, gemotiveerd, besluiten deze onderhandelingsplicht tijdelijk te beperken wanneer er voor de gevraagde interconnectie andere, technisch en commercieel haalbare mogelijkheden bestaan en wanneer de gevraagde interconnectie niet geschikt is gezien de beschikbare middelen.

De Raad meent dat de NRI onderhandelingen over interconnectieovereenkomsten kan vergemakkelijken door voorafgaand bepaalde algemene voorwaarden – bijvoorbeeld over de geschillenbeslechtingsprocedure en de publicatie van of de toegang tot interconnectieovereenkomsten[12]  – vast te stellen en openbaar te maken of door onderwerpen aan te wijzen die in de interconnectieovereenkomsten geregeld moeten worden.[13]  Voorbeelden zijn de beschrijving van de te verstrekken interconnectiediensten, de locaties van de interconnectiepunten, de definitie en de beperking van aansprakelijkheid en het recht op schadevergoeding, de geschillenbeslechtingsprocedure tussen de partijen alvorens een beroep wordt gedaan op de NRI, de looptijd en heronderhandeling van de overeenkomsten en de vertrouwelijkheid van de niet-openbare delen van de overeenkomsten.[14] 

Op grond van art. 9 lid 3 ICR mag de NRI te allen tijde op eigen initiatief dan wel op verzoek van een partij termijnen stellen waarbinnen de onderhandelingen moeten zijn afgerond. Wanneer binnen de gestelde termijn geen overeenkomst wordt bereikt, neemt de NRI stappen om een overeenkomst tot stand te brengen volgens de voor het publiek beschikbare procedures die zijzelf heeft vastgesteld.

Inhoud van de overeenkomst

Naast de algemene verplichting bevat de Interconnectierichtlijn specifieke ONP-verplichtingen voor de bovengenoemde aanbieders die beschikken over een aanmerkelijke macht op de markt. Deze verplichtingen hebben met name betrekking hebben op de inhoud van overeenkomst. De ratio achter de zwaardere verplichting is het bevorderen van een level playing field. Zo dienen deze aanbieders op grond van art. 6 ICR met name de beginselen van niet-discriminatie (sub a) en transparantie (sub b en c) bij het verstrekken van interconnectie in acht te nemen.

De prijsvorming voor interconnectie wordt gezien als een sleutelfactor voor de structuur en de intensiteit van de concurrentie. In dat verband moeten aanmerkelijk machtige aanbieders ingevolge art. 7 lid 2 ICR kunnen aantonen dat hun interconnectietarieven op grond van objectieve criteria vastgesteld worden, transparant, kostengeoriënteerd, en wat betreft de aangeboden netwerk- en dienstenelementen, voldoende gesplitst zijn. Het is met name dit kader van kostentoerekening waarin zeer duidelijk het verschil is gelegen met de algemene interconnectieplicht.

De Raad overweegt dat de NRI in staat moet zijn organisaties te verplichten interconnectie met hun faciliteiten te verschaffen, wanneer kan worden aangetoond dat dit in het belang van de gebruikers is.[15]  Ingevolge art. 9 lid 1 ICR dient de NRI dan ook in het belang van alle gebruikers adequate interconnectie[16]  te bevorderen en te garanderen. De NRI moet met name rekening houden met de noodzaak bevredigende eind-tot-eindcommunicatie voor gebruikers te verzekeren en de noodzaak de totstandkoming van een door concurrentie gekenmerkte markt te bevorderen.

Art. 9 lid 3 ICR bepaalt dat de NRI te allen tijde bevoegd is op eigen initiatief op te treden en dat zij zulks dient te doen indien een partij daarom verzoekt, teneinde aan te geven welke onderwerpen in een interconnectieovereenkomst dienen te worden opgenomen of specifieke voorwaarden vast te stellen waaraan door een of meer partijen bij een dergelijke overeenkomst moet worden voldaan. In uitzonderlijke gevallen mag de NRI eisen dat in reeds gesloten interconnectieovereenkomsten wijzigingen worden aangebracht, voor zover dit gerechtvaardigd is om interoperabiliteit van diensten voor gebruikers of daadwerkelijke mededinging te waarborgen. Op grond van lid 4 kan de NRI een totstandgekomen interconnectieovereenkomst in haar geheel toetsen.

Nakoming

De Interconnectierichtlijn bevat geen bepalingen die specifiek betrekking hebben op de nakoming van interconnectieovereenkomsten. Het niet nakomen van hetgeen is overeengekomen zal in alle gevallen leiden tot een geschil. Volgens de Raad zal een benadeelde partij, in geval van een geschil over interconnectie, een beroep moeten kunnen doen op de NRI om het geschil te beslechten.[17]  Art. 9 lid 5 ICR bepaalt dat de NRI, op verzoek van een der partijen, de nodige stappen neemt om interconnectiegeschillen binnen zes maanden na indiening van het verzoek te beslechten. Daarbij moet een billijk evenwicht gevonden worden tussen de legitieme belangen van beide partijen, waarvan de Interconnectierichtlijn een breed scala bevat. Zo dient de NRI onder meer rekening te houden met de belangen van de gebruikers, de relatieve marktposities van de partijen en de bevordering van de mededinging. Het besluit van de NRI dient uitvoerig gemotiveerd en openbaar gemaakt te worden.

Uit het voorgaande kan geconcludeerd worden dat interconnectieovereenkomsten tot stand moeten worden gebracht. Het is in dit verband van belang scherp onderscheid te maken tussen enerzijds de algemene plicht om interconnectieovereenkomsten tot stand te brengen en anderzijds de verplichting interconnectieovereenkomsten aan te gaan op grond van ONP. De algemene interconnectieplicht die voor vrijwel alle aanbieders geldt, beoogt interoperabiliteit te waarborgen. De ONP-verplichting tot interconnectie, zoals geldt voor aanbieders met een aanmerkelijke macht op de markt, ziet op het bereiken en waarborgen van een level playing field. De ONP-voorwaarden van non-discriminatie, transparantie en in het bijzonder het systeem van kostentoerekening zijn onverkort van toepassing op de betreffende aanbieders.

De Interconnectierichtlijn lijkt ruimte te geven voor commerciële onderhandelingen tussen de betrokken partijen, maar deze wordt doorkruist door de duidelijk omschreven en vergaande bevoegdheden van de NRI in de fase van onderhandeling en totstandkoming van interconnectieovereenkomsten. Zo is met name de mogelijkheid op elk gewenst moment op eigen initiatief op te treden een forse bevoegdheid van de NRI, die een behoorlijke inbreuk op de contractsvrijheid tot gevolg heeft. Door middel van het ONP-kader wordt beoogd privaatrechtelijke contracten te reguleren op het gebied van de totstandkoming, de inhoud en de uitvoering van interconnectieovereenkomsten.

Telecommunicatiewet

Nederland was het ten tijde van de voorbereiding van de richtlijn niet eens met de Commissie over de overheidsbemoeienis ten aanzien van de onderhandelingsplicht.[18]  Nederland was voorstander van vrije onderhandelingen tussen marktpartijen en meende dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan van interconnectieovereenkomsten in principe aan de marktpartijen moet worden overgelaten, met uitzondering van gevallen waarin sprake is van een bijzonder publiek belang of bijzondere marktomstandigheden. In het navolgende wordt aan de hand van de eerder onderscheiden fasen onder andere nagegaan of en zo ja in hoeverre dit standpunt tot uitdrukking is gekomen in de Telecommunicatiewet.

Onderhandelings- en totstandkomingsfase

Om interoperabiliteit te waarborgen heeft de wetgever ervoor gekozen om op grond van art. 6.1 lid 1 Tw alle aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten die daarbij de toegang tot netwerkaansluitpunten van eindgebruikers controleren,[19]  jegens elkaar te verplichten tot het aangaan van interconnectieovereenkomsten.[20]  De interconnectieplicht is derhalve – net als in de Interconnectierichtlijn – niet beperkt tot partijen met een aanmerkelijke macht op de markt.

Lid 6 van art. 6.1 Tw schrijft voor dat de betreffende aanbieders ter uitvoering van de verplichting onderling met elkaar in onderhandeling dienen te treden om te komen tot overeenkomsten op basis waarvan interconnectie tot stand komt. De interconnectieplicht kan derhalve worden opgevat als een verplichting om in onderhandeling te treden over de voorwaarden en tarieven voor interconnectie. Uit de parlementaire behandeling van de wet volgt dat het gaat om een inspanningsverplichting om tot een interconnectieovereenkomst te komen.[21]  Partijen moeten zich voldoende hebben ingespannen om overeenstemming te bereiken, hetgeen OPTA vervolgens beoordeelt.[22]  Gelijkwaardige marktpartijen kunnen vrij onderhandelen over de vorm van interconnectie, het aantal en de locaties van de interconnectiepunten, de tarieven en de toegang tot de eindgebruikers. Partijen met een aanmerkelijk macht hebben geen onderhandelingsvrijheid; zij zijn gebonden aan de ONP-verplichtingen die tot uitdrukking komen in art. 6.4 e.v. Tw. De wettelijke onderhandelingsplicht is dus concreet en gerelateerd aan aanmerkelijk machtige partijen, maar geldt ook voor gewone en nieuwe marktpartijen.

Indien geen overeenkomst tot stand komt kan het College van OPTA krachtens art. 6.1 lid 6 Tw een termijn stellen waarbinnen alsnog een overeenkomst moet zijn vastgesteld. Bij het uitblijven van een overeenkomst na het verstrijken van deze termijn zijn de betrokken aanbieders in gebreke. In dat geval kan het College ingevolge art. 6.3 lid 1 en lid 3 Tw op aanvraag van een der partijen binnen zes maanden regels vaststellen die tussen partijen zullen gelden; het College stelt slechts de onderdelen van de overeenkomst vast waarover partijen geen overeenstemming konden bereiken. Zo bepaalt OPTA derhalve op welke wijze en onder welke voorwaarden interconnectie zal moeten plaatsvinden. Ook kan het College op grond van hoofdstuk 15 Tw bestuurlijke maatregelen toepassen. Het is tevens mogelijk dat het College een aanbieder onder verbeurte van een dwangsom gelast de vereiste interconnectie alsnog tot stand te brengen.[23] 

Art. 6.1 lid 3 Tw biedt de mogelijkheid een ontheffing van de interconnectieplicht te verkrijgen als er andere, technisch en commercieel haalbare mogelijkheden bestaan of als de interconnectie redelijkerwijs niet kan worden verlangd omdat er niet genoeg beschikbare middelen zijn. Dit biedt een specifieke mogelijkheid om, na een door OPTA verleende ontheffing, vrij te onderhandelen, ook wanneer een van de partijen een aanmerkelijk machtige partij is. Zolang in de praktijk geen gebruik is gemaakt van deze ontheffingsmogelijkheid kan deze als illusoir worden beschouwd. In het algemeen gaat een wettelijke plicht of een wettelijk verbod immers samen met een ontheffingsmogelijkheid waarvan in de praktijk vervolgens veelvuldig gebruik wordt gemaakt. Als voorbeeld dient art. 81 EG-Verdrag. In lid 1 is het kartelverbod omschreven; lid 3 voorziet in een aantal ontheffingsvoorwaarden.

Art. 6.2 lid 1 Tw bepaalt dat een afschrift van (wijzigingen in) interconnectieovereenkomsten aan het College ter beschikking moet worden gesteld. Deze verplichting dient ertoe te controleren of partijen daadwerkelijk tot een interconnectieovereenkomst komen en waarborgt tevens dat op gemakkelijke wijze kan worden nagegaan of de aangemelde overeenkomst mededingingsbeperkende bepalingen bevat.[24]  In tegenstelling tot de Interconnectierichtlijn – die de verplichting slechts oplegt aan aanmerkelijk machtige aanbieders – geldt deze verplichting voor alle aanbieders, omdat het volgens de Minister van groot belang is dat het College, ook bij interconnectieovereenkomsten waarbij geen aanmerkelijk machtige partij is betrokken, kan controleren of voldaan is aan de bij of krachtens de wet aan interconnectie gestelde eisen.

De plicht tot het deponeren van een afschrift is verdedigbaar als het gaat om een overeenkomst tussen een dominante en een gewone marktpartij. De kans dat in dit geval geen overeenkomst tot stand komt is vanzelfsprekend groter dan wanneer het twee gelijkwaardige marktpartijen betreft, die zich beide bewust zijn van de noodzaak overeenstemming te bereiken. Het is derhalve niet noodzakelijk om gelijkwaardige marktpartijen te verplichten tot het deponeren van de totstandgekomen overeenkomst met als voornaamste doel de mogelijkheid om de partijen te controleren.

Redelijkheid en billijkheid (in de precontractuele fase)

Uit de Nota naar aanleiding van het verslag volgt dat partijen zich in de precontractuele fase jegens elkaar volgens de regels van redelijkheid en billijkheid moeten gedragen.[25]  Dit betekent dat zij hun gedrag mede moeten laten afhangen van de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij.[26]  Indien partijen dermate ver zijn in de onderhandelingen, dat het afbreken daarvan in strijd is met de redelijkheid en billijkheid – omdat partijen er over en weer van uit mochten gaan dat een overeenkomst tot stand zou komen – kan de partij die de onderhandelingen heeft afgebroken, veroordeeld worden tot schadevergoeding en de gederfde winst.[27]  Voor het aannemen van causaal verband tussen het afbreken van de onderhandelingen en de schade is voldoende dat aannemelijk is dat partijen bij voortzetting van de onderhandelingen tot een overeenkomst zouden zijn gekomen.[28]  Een partij die de onderhandelingen afbreekt kan daarnaast onder omstandigheden krachtens art. 3:296 BW worden veroordeeld tot voortzetting van de onderhandelingen. Te denken valt aan een bevel tot voortzetting van de onderhandelingen of een verbod de onderhandelingen af te breken.

Ook OPTA dient aan de hand van de redelijkheid en billijkheid te beoordelen waartoe partijen – bijvoorbeeld gezien de gevorderde mate van de onderhandelingen – verplicht kunnen worden gesteld. Opvallend is dat deze bevoegdheid verder reikt dan die van de burgerlijke rechter. De burgerlijke rechter is niet geheel vrij de redelijkheid en billijkheid toe te passen;[29]  hij dient daarbij terughoudendheid te betrachten. Dit volgt uit art. 6:248 lid 2 BW, waarin wordt bepaald dat een tussen partijen overeengekomen regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De burgerlijke rechter heeft slechts discretionaire bevoegdheid voor zover het de waardering van het feitencomplex betreft.

Hoe OPTA de redelijkheid en billijkheid moet toepassen – ook bij het beslechten van geschillen – is onduidelijk. Hiervoor bestaat geen heldere procedure. OPTA moet derhalve, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, bepalen wat ten aanzien van het aan haar voorgelegde geschil redelijk is en wat niet. Dit biedt weliswaar een grote mate van flexibiliteit, maar geeft om die reden ook weinig houvast. OPTA zal in het ene geval misschien de redelijkheid en billijkheid toepassen met de ONP-principes in het achterhoofd, en in een ander geval bij haar beslissing wellicht tegen het mededingingsrecht aanleunen. Dit is echter niet mogelijk wanneer geen sprake is van een machtspositie. Een gevolg van het toepassen van de redelijkheid is dat bovendien rekening moet worden gehouden met de voorzienbaarheid. Wanneer het een geschil betreft waarbij een aanmerkelijk machtige partij betrokken is, geldt het wettelijk vastgelegde toetsingskader. OPTA mag in een dergelijk geval op grond van art. 6.3 lid 2 Tw slechts toezien op naleving van de wet en toetst daarbij aan de ONP-bepalingen, die een redelijk helder en zwaar toetsingskader bieden. De vraag doet zich voor hoe ver dit toetsingskader reikt.

Het toepassen van de redelijkheid en billijkheid door OPTA vormt dus een probleem. Het enige dat OPTA enigszins houvast lijkt te bieden is de gedachte dat partijen bij het aangaan van een overeenkomst zelf hebben bepaald wat zij redelijk achtten en wat niet. De tot stand gebrachte overeenkomst verschaft derhalve reeds een helder inzicht in hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst als redelijk hebben beschouwd. Men dient zich echter wel te beseffen dat redelijkheid een dynamisch begrip is; wat op een bepaald moment redelijk is of schijnt, is dat misschien niet (meer) op enig ander moment.

Inhoud van de overeenkomst

OPTA is niet gebonden aan hetgeen partijen overeenkomen; art. 6.2 lid 2 Tw bepaalt dat het College een overeenkomst mag toetsen aan het bij of krachtens wet bepaalde. Dit kan al dan niet op verzoek van een bij de overeenkomst betrokken partij plaatsvinden.[30]  Indien het College strijdigheid constateert, heeft het de bevoegdheid wijziging van de overeenkomst te verlangen. Zolang partijen de overeenkomst niet wijzigen conform de aanwijzingen van het College, voldoen de partijen niet aan de plicht van art. 6.1 Tw. Er moet duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen het eerder beschreven toezicht op de totstandkoming van de overeenkomst (art. 6.2 lid 1 Tw) en de toezicht op de inhoud van de overeenkomst (art. 6.2 lid 2 Tw). Het gaat om verschillende bevoegdheden van het College.

De doelstelling daadwerkelijke mededinging te waarborgen is vertaald in de extra verplichtingen die in het kader van interconnectie gelden voor aanbieders met een aanmerkelijke macht op de markt. Art. 6.4 e.v. Tw zijn uitsluitend van toepassing op de aanbieders van vaste telefonie – en onder voorwaarden ook voor aanbieders van mobiele telefonie en huurlijnen – met een dergelijke machtspositie. Ex art. 6.4 Tw worden de aanmerkelijk machtige aanbieders als zodanig door OPTA aangewezen. In art. 6.5 Tw zijn de ONP-beginselen vastgelegd waaraan deze aanbieders moeten voldoen. Art. 6.6 Tw regelt de verplichting voor dergelijke aanbieders om de interconnectietarieven op transparante wijze te bepalen, op kosten te oriënteren en uit te splitsen, een en ander overeenkomstig art. 7 lid 2 en lid 4 ICR. Op grond van art. 6.7 Tw zijn de aanbieders verplicht een referentie-interconnectieaanbieding bekend te maken die een omschrijving omvat van hetgeen wordt aangeboden, opgesplitst naar componenten, tarieven en andere voorwaarden. Hierdoor kunnen overige marktpartijen zich een beeld vormen van de beschikbare interconnectiediensten. Het toezicht op de referentie-interconnectieaanbieding is repressief; in geval van strijd met de wet moet de referentie-interconnectieaanbieding worden aangepast.

Nakoming

Krachtens art. 6.3 lid 2 en lid 3 Tw worden geschillen over de vraag of de tussen partijen in verband met interconnectie bestaande verbintenissen of de wijze waarop deze worden nagekomen, strijdig zijn met het bepaalde bij of krachtens de wet, op aanvraag binnen zes maanden door het College beslecht. Deze geschillen kunnen ook de verbintenissen betreffen die zijn ontstaan uit de door OPTA opgelegde regels.[31]  Als het College strijdigheid met de wet constateert kan hij regels vaststellen die tussen partijen zullen gelden en die vanaf dat moment in de plaats van de door partijen overeengekomen verbintenissen treden. Bovendien zullen de met de wet strijdige bepalingen op grond van art. 3:40 BW nietig zijn. Het betreft hier geen zelfstandige bevoegdheid van OPTA; OPTA stelt dergelijke regels slechts op aanvraag vast. Het gedeelte van art. 9 lid 3 ICR waarin de NRI de bevoegdheid wordt verschaft op elk gewenst moment in te grijpen, is dus niet overgenomen door de Nederlandse wetgever. De bevoegdheid van OPTA is hier zo beperkt mogelijk gehouden. In het oorspronkelijke voorstel[32]  van de Telecommunicatiewet had OPTA niet de mogelijkheid om in een geschil regels vast te stellen. OPTA had slechts de bevoegdheid een boete op te leggen of op aanvraag regels vast te stellen wanneer er geen overeenkomst tot stand kwam.

Een meer uitvoerige bespreking van aspecten die verband houden met de nakoming van interconnectieovereenkomsten volgt hierna.

Mededingingsrecht

Op een aantal punten is een parallel te trekken met het mededingingsrecht. In de Mededingingswet wordt onder overeenkomst verstaan: een overeenkomst in de zin van art. 81 lid 1 EG-Verdrag. Er is op grond van het Europees mededingingsrecht sprake van een overeenkomst indien consensus tussen partijen bestaat, in welke vorm dan ook, omtrent hun (toekomstig) marktgedrag.[33]  Op grond van art. 6 lid 1 Mw zijn overeenkomsten die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst verboden. Deze mededingingsbeperkende overeenkomsten zijn ingevolge lid 2 van rechtswege nietig. Hoewel zonder deze expliciete nietigheidsbepaling dergelijke overeenkomsten op grond van art. 3:40 BW nietig zullen zijn, heeft de wetgever ervoor gekozen de civielrechtelijke gevolgen expliciet te regelen om iedere mogelijkheid van verwarring te voorkomen.[34]  Het is aan art. 3:41 BW, dat de partiële nietigheid regelt, overgelaten in hoeverre een eventueel niet onder het verbod vallend deel van de overeenkomst in stand kan blijven.

Het aangrijpingspunt van het verbod is het beperken van de mededinging. Een interconnectieovereenkomst waardoor de mededinging op de Nederlandse telecommunicatiemarkt beperkt wordt, is derhalve krachtens de Mededingingswet verboden en nietig. Te denken valt aan overeenkomsten die dienen als middel om de prijzen te coördineren, overeenkomsten waarmee wordt beoogd de markt te verdelen, overeenkomsten die ertoe dienen andere marktpartijen uitsluiten en overeenkomsten die aanleiding geven tot het uitwisselen van commercieel gevoelige informatie.[35] 

Mededingingsbeperkende overeenkomsten zijn dus in principe verboden, de NMa kan in dergelijke overeenkomsten ingrijpen. Art. 17 Mw geeft onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid een ontheffing van het verbod aan te vragen. De NMa toetst in dat geval onder andere of de overeenkomst bijdraagt tot verbetering van de productie of bevordering van economische vooruitgang en of een billijk aandeel van de voordelen ten goede komt aan de gebruikers. Deze toetsing komt overeen met de toetsing van overeenkomsten door OPTA op strijdigheid met de wet.

Naast de bevoegdheid tot ingrijpen in overeenkomsten, kent het mededingingsrecht ook een onderhandelingsplicht voor partijen. In het mededingingsrecht wordt de onderhandelingsplicht afgeleid uit het bestaan van een machtspositie.[36]  De monopolist moet onderhandelen omdat er geen alternatief is; het verschil met de algemene interconnectieplicht is dat deze niet verbonden is aan het bezitten van een machtspositie. In de programmagegevenszaak[37]  – waarin de NMa vaststelde dat de NOS en de Holland Media Groep hun monopolie op programmagegevens misbruiken – heeft de NMa NOS en HMG verplicht hun licentiebeleid zodanig te wijzigen dat er geen misbruik meer plaatsvindt. Daarnaast dienen zij met derden in onderhandeling te treden om programmagegevens onder redelijke, objectief gerechtvaardigde en non-discriminatoire voorwaarden en tarieven te verstrekken. De Nederlandse mededingingswetgeving bevat – anders dan een aantal andere Europese landen[38]  – echter geen uitdrukkelijke bepaling op grond waarvan een ongerechtvaardigde weigering een overeenkomst te sluiten, misbruik van een machtspositie kan inhouden.

INVLOED CONTRACTENRECHT OP DE INTERCONNECTIEOVEREENKOMST

Vooropgesteld dient te worden dat het begrip interconnectieovereenkomst overeenkomt met het civielrechtelijke begrip zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek. Titel 6.1 BW, die de verbintenissen in het algemeen betreft, is van toepassing op alle verbintenissen, ongeacht de bron van het ontstaan en derhalve ook op interconnectieovereenkomsten. In het bijzonder zijn van belang de bepalingen omtrent redelijkheid en billijkheid, het (niet) nakomen van verbintenissen en schadevergoeding. Op grond van art. 6:213 lid 1 BW – dat betrekking heeft op de obligatoire overeenkomst: de meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere een verbintenis aangaan – is een interconnectieovereenkomst aan te merken als een verbintenisscheppende overeenkomst; beide partijen verbinden zich tot het onderling koppelen van hun netwerken teneinde de afwikkeling van verkeer mogelijk te maken.[39] 

Beginselen verbintenissenrecht

De meest elementaire beginselen die aan het contractenrecht ten grondslag liggen zijn de beginselen van het consensualisme, de contractsvrijheid en de verbindende kracht der overeenkomsten.[40]  Consensualisme houdt in dat de enkele wilsovereenstemming voldoende is voor het totstandkomen van een overeenkomst. Contractsvrijheid houdt in dat het partijen in het algemeen vrij staat overeenkomsten aan te gaan. Zo kunnen partijen al dan niet een overeenkomst aangaan, een overeenkomst aangaan met wie zij dat wensen, de inhoud, de werking en de voorwaarden van een overeenkomst naar eigen inzicht bepalen, deze al dan niet aan een vorm binden en aan de bepalingen van een gekozen wetgeving onderwerpen. Dit beginsel betreft de inhoud van een overeenkomst. De verbindende kracht der overeenkomsten ten slotte houdt in dat partijen hetgeen zij bij de overeenkomst op zich hebben genomen moeten nakomen. Dit beginsel betreft het gevolg van een overeenkomst.[41]  In het navolgende wordt de eerder beschreven regeling van de interconnectieovereenkomst getoetst aan de beginselen van het contractenrecht.

Consensualisme

De Telecommunicatiewet stelt geen vormvereiste voor de totstandkoming van een interconnectieovereenkomst. De overeenkomst komt derhalve op grond van art. 6:217 lid 1 BW tot stand vanaf het moment van wilsovereenstemming, die wordt bereikt door het aanbod van de ene partij en de aanvaarding daarvan door de andere partij.

Contractsvrijheid

Zoals uit het voorgaande volgt, is de contractsvrijheid bij het totstandkomen van een interconnectieovereenkomst geenszins gewaarborgd. Zo geldt allereerst een plicht tot onderhandelen. De Minister heeft aangegeven dat er voor gekozen is de aanbieders alle ruimte te geven om te onderhandelen over de precieze wijze waarop zij zullen interconnecteren.[42]  Op grond hiervan zou men mogen verwachten dat het partijen vrij staat de inhoud van de overeenkomst te bepalen. Dit is echter niet het geval. Het staat de aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten in het geheel niet vrij om al dan niet een overeenkomst aan te gaan en ook niet om te bepalen met wie zij een overeenkomst aangaan. Iedere aanbieder moet met andere gelijksoortige aanbieders in onderhandeling treden om te komen tot interconnectieovereenkomsten. Een partij met een aanmerkelijke macht heeft zelfs geen enkele mate van onderhandelingsvrijheid, op hem rust een positieve verplichting om toegang tot zijn netwerk te verlenen. Het feit dat OPTA bepaalt of partijen zich voldoende hebben ingespannen om tot een overeenkomst te komen is ook aan te merken als een inbreuk op de contractsvrijheid. Dit zijn stuk voor stuk inbreuken op de contractsvrijheid van partijen die een zorgvuldige afweging van conflicterende belangen vergen.

OPTA kan daarnaast regels vaststellen die tussen partijen zullen gelden als partijen er niet uitkomen. Bovendien mag OPTA de inhoud van een door partijen tot stand gebrachte overeenkomst aan de wet toetsen en aan de hand daarvan de overeenkomst wijzigen. Dergelijke inbreuken op de contractsvrijheid dient OPTA zorgvuldig te motiveren.

De verbindende kracht

De kwestie van de verbindende kracht deed zich met name voor toen KPN aangaf toegezegde levering van interconnectiecapaciteit niet te kunnen nakomen. EnerTel vorderde nakoming van de interconnectieovereenkomst in kort geding. De President weigerde de gevraagde voorziening op grond van het oordeel dat de inhoud en de strekking van de interconnectieovereenkomst tussen KPN en EnerTel niet onomstotelijk vaststonden.[43]  Ten tijde van het geschil had OPTA de schaarste van interconnectieverbindingen in onderzoek. De President oordeelde in dit verband dat het in het kader van het civiele kort geding te ver zou voeren om zonder enig onderzoek ervan uit te gaan dat KPN ten onrechte een beroep op overmacht had gedaan. Deze beslissing is opvallend aangezien de vordering van EnerTel als een pure contractuele nakoming kan worden beschouwd. Een interconnectieovereenkomst is immers een overeenkomst in de zin van het algemene verbintenissenrecht; wanneer een van de partijen haar deel van de verbintenis niet nakomt kan bij de burgerlijke rechter een beroep worden gedaan op wanprestatie van de wederpartij ex art. 6:74 e.v. BW.

In juli 1999 heeft OPTA uitspraak gedaan in het capaciteitsgeschil.[44]  Het College overwoog dat KPN een leverplicht heeft tegenover EnerTel maar dat KPN hierbij rekening moet houden met de belangen van andere marktpartijen door de beschikbare capaciteit op non-discriminatoire wijze te verdelen. Indien het voor KPN niet mogelijk is haar leverplicht na te komen, dient zij door middel van alternatieve leveringen EnerTel in staat te stellen de bestelde capaciteit af te nemen. KPN dient de gevraagde capaciteit bovendien te leveren op de locaties waar EnerTel capaciteit heeft gevraagd en in overeenstemming met de in de interconnectieovereenkomst afgesproken kwaliteitseisen. EnerTel is niet verplicht capaciteit op andere door KPN aangeboden plaatsen af te nemen. Ten slotte dient KPN EnerTel op een transparante wijze de volwaardigheid van de capaciteit aan te bieden. Het College droeg partijen op de door hen gesloten interconnectieovereenkomst overeenkomstig het oordeel van het College aan te passen.

Uit het besluit volgt dat EnerTel van KPN mag verwachten dat interconnectie op het gevraagde niveau in het net wordt geleverd tegen een bepaalde kwaliteit.[45]  Dit roept civielrechtelijke vragen op over met name wanprestatie, overmacht en schadevergoeding.

Wanneer de overeenkomst niet wordt nagekomen op punten die de interconnectie in gevaar brengen, is er sprake van wanprestatie, waarbij geldt dat de partij die niet nakomt, in strijd handelt met de redelijkheid die zij in acht moet nemen bij het voldoen aan een wettelijke plicht. Het staat vast dat in het bovengenoemde geschil sprake is van wanprestatie in de zin van art. 6:74 lid 1 BW door KPN; de tekortkoming – het niet in staat zijn de toegezegde capaciteit te leveren – kan KPN immers worden toegerekend. Volgens KPN is het feit dat zij niet kan nakomen echter met name het gevolg van de algemene schaarste, zodat KPN alleen kan nakomen door capaciteit bij andere telecommunicatieaanbieders weg te halen en zo gedwongen is in strijd met het discriminatieverbod te handelen. Dit kan worden opgevat als een beroep op overmacht. KPN beschouwt de algemene schaarste als een factor die buiten haar macht ligt; het niet nakomen is niet aan haar schuld te wijten, zodat KPN in dit verband geen verwijt kan worden gemaakt. Bepaalde oorzaken van het niet nakomen kunnen KPN echter worden toegerekend, hoewel die niet aan haar schuld zijn te wijten; wil een beroep op overmacht slagen dan mag het niet nakomen ex art. 6:75 BW ook niet krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van KPN komen. Met name dit laatste is in deze zaak van belang. De omstandigheden die KPN heeft aangevoerd als oorzaak van de schaarste – zoals een onverwachte sterke groei van onder andere de vraag naar transmissiecapaciteit, het aantal nieuwe operators en het internetinbelverkeer – had KPN kunnen voorzien en daarmee behoren te voorzien. Deze omstandigheden komen daarmee voor risico van KPN. Voor KPN staat dus geen beroep op overmacht open.

Bovendien is er geen sprake van overmacht indien door een later ingetreden verandering van omstandigheden het aanvankelijk bestaande evenwicht tussen de wederzijdse prestaties wordt verbroken. In dat geval wordt de prestatie zelf immers niet belemmerd.[46]  Het gaat hier om de kwestie in hoeverre partijen bij een wederkerige overeenkomst op grond van de redelijkheid en billijkheid nog verplicht zijn de overeengekomen prestaties te vervullen, als het evenwicht tussen die prestaties als gevolg van onvoorziene omstandigheden is verstoord. Indien de nakoming vanwege onvoorziene omstandigheden praktisch te bezwaarlijk wordt geacht, heeft een partij op grond van art. 6:258 BW de bevoegdheid wijziging of ontbinding van de overeenkomst te vorderen.

Het betreft geen blijvende onmogelijkheid om te leveren; indien het nog mogelijk is om na te komen is voor schadeplichtigheid verzuim vereist. Aan dit vereiste is voldaan; EnerTel heeft KPN op 1 oktober 1998 in verzuim gesteld. Op grond van het voorgaande kan worden verdedigd dat, gezien het feit dat nakoming nog mogelijk is, de tekortkoming aan KPN wordt toegerekend en zij op grond van art. 6:74 lid 1 BW verplicht is tot schadevergoeding. De verplichting tot schadevergoeding wordt afhankelijk gesteld van de aard van de tekortkoming. Bovendien is KPN krachtens art. 3:296 BW gehouden tot nakoming, ex art. 6:85 en 87 BW verplicht tot vergoeding van zowel vertragingsschade als vervangingsschade en indien EnerTel overgaat tot ontbinding van de overeenkomst, op basis van art. 6:265 lid 2 jo. 277 BW verplicht tot schadevergoeding als gevolg van ontbinding van de overeenkomst.

Uit het voorgaande volgt dat het door KPN tot medio 1999 gevoerde schaarstebeleid geen beletsel mag vormen om na te komen. Mocht KPN werkelijk belemmerd zijn haar verplichting na te komen, dan zou zij altijd nog haar eigen capaciteit beschikbaar kunnen stellen.[47]  Slechts wanneer het technisch onmogelijk is om aan haar contractuele verplichtingen te voldoen, zou een beroep van KPN op overmacht kunnen slagen. Er moet dus per geval worden nagegaan of sprake is van een leveringsweigering van technische of commerciële aard.

Opvallend is dat OPTA in deze zaak geen onderscheid maakt tussen civielrechtelijke vragen en vragen over de toepassing van de Telecommunicatiewet. Daarnaast is opvallend dat OPTA wel de niet-nakoming door KPN beoordeelt, terwijl zij de kwestie van schadevergoeding onbesproken laat.

In verband met schadevergoeding moet nog worden gewezen op de mogelijkheid voor partijen om de aansprakelijkheid voor schuld (wegens wanprestatie) bij contract te beperken. De modelovereenkomst van KPN bevat in art. 18.1 een dergelijke exoneratieclausule, die slechts de productaansprakelijkheid regelt. De verplichting tot schadevergoeding uit hoofde van andere vormen van wanprestatie wordt uitgesloten. Hoewel het een inhoudelijk tweezijdige clausule betreft, zal het met name KPN zijn die zich op de clausule beroept. De vraag doet zich voor of KPN zich in het geval dat zij tot schadevergoeding wordt veroordeeld op deze contractuele uitsluiting kan beroepen. KPN heeft veelal een groter belang bij het niet nakomen van de overeenkomst en dus bij het uitsluiten van de verplichting tot schadevergoeding. De contractuele uitsluiting kan dan ook worden gezien als misbruik door KPN van haar machtspositie. Als KPN in strijd met publiekrechtelijke verplichtingen handelt, is er geen beroep op de exoneratieclausule mogelijk. KPN kan niet met een beroep op de exoneratieclausule inbreuk maken op de ONP-beginselen, die zij krachtens Europees en nationaal recht in acht moet nemen.

Interventie van OPTA

Hoe de verbindende kracht zich verhoudt tot het ingrijpen van OPTA in een overeenkomst is een andere kwestie. De bevoegdheid van OPTA zich een oordeel te vormen over en op basis daarvan in te grijpen in de rechtmatigheid van een interconnectieovereenkomst kwam aan de orde in het reciprociteitsgeschil tussen KPN en EnerTel van 22 september 1999.[48]  Het College stelt in drie gevallen bevoegd te zijn over de rechtmatigheid van een (te sluiten) interconnectieovereenkomst te oordelen:

  • OPTA is ambtshalve bevoegd de bij haar gedeponeerde overeenkomsten te toetsen op strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet (art. 6.2 lid 2 Tw);
  • OPTA kan op aanvraag de regels vaststellen die tussen partijen zullen gelden, als partijen geen overeenkomst tot stand (kunnen) brengen (art. 6.3 lid 1 Tw);
  • OPTA is bevoegd op aanvraag geschillen te beslechten over bestaande overeenkomsten, wanneer een partij meent dat (een bepaling van) de overeenkomst, dan wel de nakoming daarvan, in strijd is met de wet en deze partij het College verzoekt het geschil te beslechten. Indien het College een dergelijke strijdigheid constateert, is hij bevoegd de regels vast te stellen die tussen de partijen zullen gelden (art. 6.3 lid 2 Tw).

OPTA meent dat de rechtvaardiging van interventie in bestaande overeenkomsten gelegen is in het in overeenstemming brengen van de overeenkomst met het bij of krachtens de wet bepaalde. Dit is te verdedigen als de ingreep de aanmerkelijk machtige partij raakt, maar is vreemd als een dergelijke ingreep zijn weerslag heeft op de gewone partij. OPTA kan dus niet inbreken in een overeenkomst op grond van de redelijkheid. De redelijkheid ziet slechts op contractuele normen, niet op publiekrechtelijke normen. Daarnaast is de mate van de bevoegdheid in een reeds bestaande overeenkomst in te grijpen afhankelijk van de situatie waarin partijen verkeren. Het is onduidelijk wat hieronder moet worden verstaan. Het College veroorlooft zich hier een grote ruimte om in bestaande overeenkomsten in te grijpen, hetgeen ten koste gaat van de rechtszekerheid.

Interventie van OPTA lijkt gerechtvaardigd te worden op grond van de Interconnectierichtlijn en op grond van de doelstellingen die met interconnectie worden nagestreefd. Indien geen interconnectie plaatsvindt is er geen interoperabiliteit, zodat eindgebruikers niet naar believen met elkaar kunnen communiceren. Met het oog op deze doelstelling zijn alle aanbieders verplicht met elkaar interconnectieovereenkomsten aan te gaan. In deze gevallen zullen zich niet snel problemen voordoen bij het onderhandelen over de voorwaarden en het bepalen van de inhoud van de overeenkomst – het gaat immers om twee gelijkwaardige partijen – zodat OPTA met mate zou moeten ingrijpen in de vrijheid van partijen.

De doelstelling een level playing field te waarborgen ligt met name besloten in de verzwaarde verplichtingen die gelden voor partijen met een aanmerkelijke macht op de markt. In deze gevallen zullen zich eerder problemen voordoen. De aanmerkelijk machtige aanbieder heeft immers vrijwel geen belang bij interconnectie met netwerken van andere concurrerende aanbieders, aangezien de meeste eindgebruikers op het eigen net zijn aangesloten en hij volstrekt geen voordeel heeft bij het verschaffen van toegang tot ‘zijn’ eindgebruikers. Daarnaast bestaat er een groot verschil in de onderhandelingsposities van partijen. Vanwege de ongelijke onderhandelingspositie van nieuwe marktpartijen ten opzichte van de aanmerkelijk machtige telecommunicatieaanbieder zal de laatste veelal geneigd zijn misbruik te maken van zijn positie. In dit geval is interventie derhalve geoorloofd.

Overheidsinterventie hangt daarnaast af van de beleidsdoelstellingen. In de Interconnectierichtlijn is in art. 9 lid 1, naast de zojuist genoemde belangen, een aantal beleidsdoelstellingen opgesomd. Dergelijke doelstellingen ontbreken in de Telecommunicatiewet. De Telecommunicatiewet bevat slechts de in de considerans genoemde algemene doelstellingen van het waarborgen van een samenhangende infrastructuur en het bevorderen van de daadwerkelijke mededinging. De meer specifieke doelstellingen op het gebied van interconnectie kunnen worden afgeleid uit de beslissingen en beleidsdocumenten van OPTA.[49]  Daaruit valt echter lang niet altijd duidelijk af te leiden wat de beleidsdoelstellingen zijn. Een beleidsdoelstelling kan bijvoorbeeld zijn dat er aanvullende voorwaarden gelden om voor interconnectie in aanmerking te komen. In Nederland worden dergelijke additionele voorwaarden niet gehanteerd. In het Verenigd Koninkrijk gelden wel aanvullende voorwaarden.[50]  Het is in geval van overheidsinterventie van groot belang duidelijk onderscheid te maken tussen de vraag welk gedeelte van de interventie puur de overeenkomst betreft en welk gedeelte als sturingsinstrument kan worden gezien. Dit zal in de praktijk moeilijk te onderscheiden zijn.

Bevoegde instantie

Een andere kwestie die zich in verband met nakoming voordoet is de onduidelijkheid ten aanzien van de in geval van wanprestatie bevoegde instantie. Het staat niet vast of en in hoeverre de in de Telecommunicatiewet uiteengezette rechtsgang de weg naar de burgerlijke rechter uitsluit. In een aantal gevallen waarin zich wanprestatie voordoet, is er sprake van samenloop van de bevoegdheid van OPTA en die van de burgerlijke rechter. Het betreft de gevallen waarin sprake is van strijd met de wet. In het bovengenoemde reciprociteitsgeschil heeft OPTA aangegeven wanneer de gang naar de civiele rechter open staat: indien er sprake is van (mogelijk) handelen in strijd met een bepaling in een overeenkomst waarvan niet-nakoming geen strijd met de Telecommunicatiewet oplevert.

Als een ONP-plichtige partij zijn verplichtingen uit hoofde van ONP niet nakomt – en dus niet voldoet aan een wettelijke plicht – is OPTA dus bevoegd de wanprestatie te beoordelen. Als partijen het leveren van 10 interconnectiepoorten zijn overeengekomen en er worden vervolgens slechts 8 poorten geleverd, is OPTA gehouden de redelijkheid in haar oordeel te betrekken. In geval van ‘pure’ wanprestatie – in de zin van toerekenbaar niet nakomen – is de burgerlijke rechter bevoegd. De Minister heeft aangegeven dat de niet-tijdige betaling van de rekening door een partij geen situatie oplevert die in strijd is met de wet, zodat in een dergelijk geval de altijd openstaande gang naar de burgerlijke rechter de aangewezen weg is.[51]  Dat een partij zich met betrekking tot een puur civiele kwestie tot de civiele rechter moet wenden spreekt voor zich; de rechtsverhouding tussen aanbieders die een interconnectieovereenkomst aangaan is immers privaatrechtelijk van aard. Het is bovendien niet wenselijk dat OPTA over civielrechtelijke kwesties beslist met toepassing van het Burgerlijk Wetboek. Voor wat betreft al hetgeen verband houdt met de civielrechtelijke aspecten van nakoming dient de burgerlijke rechter te oordelen over het niet nakomen van een overeenkomst. De kans bestaat dat OPTA geschillen beoordeelt vanuit de na te streven beleidsdoelstellingen. Bovendien mist OPTA de expertise om een geschil te beoordelen als een pure contractuele nakoming. Ook in het pachtrecht – dat opvallende overeenkomsten vertoont met de interconnectieregeling – worden geschillen die betrekking hebben op pachtovereenkomsten beoordeeld door de pachtkamer, waarvan de voorzitter een kantonrechter is. De civiele rechter is derhalve de aangewezen instantie om civielrechtelijke vraagstukken toe te passen.

SLOTOVERWEGINGEN

Het staat vast dat aanbieders interconnectieovereenkomsten tot stand moeten brengen. Voor gewone aanbieders geldt in dit verband een algemene interconnectieplicht, terwijl voor aanbieders met een aanmerkelijke macht een zwaardere verplichting geldt. De verplichtingen ten aanzien van interconnectie kunnen worden onderscheiden naar de aard van de verplichting, de tarieven en de rol van OPTA. Een gewone marktpartij moet interconnectieovereenkomsten tot stand brengen teneinde interoperabiliteit te waarborgen. Hij heeft daarbij een redelijke onderhandelingsvrijheid; de enige beperking is dat hij zich overeenkomstig de algemene regels van redelijkheid en billijkheid moet gedragen. Gewone marktpartijen stellen de interconnectietarieven vast op basis van commerciële onderhandelingen. Voor OPTA is een grote rol weggelegd in geschillen tussen gelijkwaardige partijen; OPTA dient in deze gevallen de redelijkheid en billijkheid toe te passen. Essentieel is welke inhoud en functie OPTA daaraan zal geven. Een aanmerkelijk machtige partij moet in het kader van het waarborgen van de mededinging aanbieders toegang tot zijn netwerk verschaffen en daarbij voldoen aan de wettelijk neergelegde strikte ONP-verplichtingen. Hij moet kostengeoriënteerde interconnectietarieven hanteren. Wanneer bij een geschil een aanmerkelijk machtige partij is betrokken gaat OPTA na of er sprake is van strijd met de wet.

Hoewel de Nederlandse wetgever de zeer ruime bevoegdheid van de NRI om te allen tijde op eigen initiatief in te grijpen zoals omschreven in de Interconnectierichtlijn niet geheel heeft overgenomen, volgt uit het voorgaande dat ook door de Telecommunicatiewet de interconnectieovereenkomsten tussen aanbieders op het gebied van de totstandkoming, de inhoud en de uitvoering daarvan vergaand worden gereguleerd. Dit houdt doorgaans een inbreuk op de contractsvrijheid van partijen in. Interventie van OPTA in een interconnectieovereenkomst vergt een zorgvuldige afweging van conflicterende belangen, enerzijds het belang van het waarborgen van interoperabiliteit en mededinging en anderzijds het belang van de contractsvrijheid. Om de contractsvrijheid te waarborgen dienen de onderhandelingen tussen gelijkwaardige aanbieders vrij te worden gelaten. Tussenkomst van OPTA bij overeenkomsten tussen gelijkwaardige aanbieders zou tot een absoluut minimum beperkt moeten worden; deze aanbieders zien het belang in van het bereiken van overeenstemming en zullen zelf bepalen wat zij wel en niet redelijk achten. Een inbreuk op de contractsvrijheid valt slechts te rechtvaardigen wanneer de interoperabiliteit of de mededinging in gevaar komt. Dit houdt in dat de contractsvrijheid van aanmerkelijk machtige aanbieders niet in alle gevallen gewaarborgd kan worden. Zodra een dergelijke aanbieder niet in overeenstemming met de ONP-bepalingen handelt, levert dat strijd met de wet op, hetgeen een inbreuk op zijn contractsvrijheid rechtvaardigt. De mate van interventie van OPTA zou hierbij echter wel evenredig moeten zijn aan de mate van concurrentie op de betreffende markt; hoe meer die markt aan concurrentie is onderworpen, des te minder behoefte er zal bestaan aan interventie van OPTA. Aangezien door middel van interventie ook beleidsdoelstellingen kunnen worden nagestreefd, dient een inbreuk op de contractsvrijheid in alle gevallen zorgvuldig gemotiveerd te worden.

Een goed onderhandelingsproces is essentieel voor het tot stand brengen van een interconnectieovereenkomst die weinig tot geen aanleiding geeft tot een geschil. Ook OPTA is van mening dat bedrijven betere onderlinge afspraken moeten maken over het afhandelen van elkaars telefoonverkeer om te garanderen dat het telefoonverkeer tussen hun abonnees niet wordt belemmerd. OPTA heeft aangegeven dat zij in dit verband overweegt maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de betreffende bedrijven daadwerkelijk sluitende afspraken maken.[52]  De vraag is of OPTA daadwerkelijk maatregelen zal nemen. De ervaring leert dat OPTA in het verleden vaker maatregelen heeft aangekondigd die zijn uitgebleven.

 

[*]  Mr. Nirmala Sitompoel is werkzaam als projectonderzoeker bij het Instituut voor Informatierecht (IViR). Terug naar tekst

[1]  Vooralsnog heeft de grondkamer krachtens art. 6 Pachtwet de bevoegdheid de overeenkomst te wijzigen indien zij strijdigheid met de wet constateert. Partijen hebben vervolgens de keus de aldus gewijzigde overeenkomst te accepteren of af te zien van het aangaan van een pachtovereenkomst. De Commissie Pachtbeleid heeft eind januari 2000 het advies uitgebracht de Pachtwet af te schaffen en te vervangen door een meer liberale paragraaf in het Burgerlijk Wetboek. Terug naar tekst

[2]  De definitie van interconnectie in art. 2 lid 1 sub a Richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabi­liteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP), PbEG 1997 L 199/32 luidt als volgt: “het fysiek en logisch verbinden van telecommunicatienetwerken die door dezelfde of een andere organisatie worden gebruikt om het de gebruikers van een organisatie mogelijk te maken te communiceren met die van dezelfde of van een andere organisatie of toegang te hebben tot diensten die door een andere organisatie worden verstrekt.” Terug naar tekst

[3]  Kamerstukken II 1996/97, 25 533, nr. 3, p. 95. Terug naar tekst

[4]  Het Hof heeft in het Bronner-arrest (HvJ EG 26 november 1998, zaak C-7/97, Jur. 1998, p. I-7791) – waarin het ging om de vraag onder welke omstandigheden ondernemingen met een machtspositie op grond van art. 82 EG-Verdrag (en daarmee corresponderende nationale mededingingsbepalingen) verplicht zijn andere ondernemingen toegang te verlenen tot hun essentiële faciliteiten – strenge eisen gesteld aan de toepassing van de essential facilities-doctrine. Zie voor een uitvoerige uiteenzetting L. Hancher & H.H.P. Lugard, ‘De essential facilities doctrine. Het Bronner arrest en vragen van mededingingsbeleid’, SEW 1999/9, p. 323-334. Terug naar tekst

[5]  Overweging 65 Conclusie A-G Jacobs bij het Bronner-arrest, 28 mei 1998. Terug naar tekst

[6]  Overweging 65 Conclusie A-G Jacobs bij het Bronner-arrest, 28 mei 1998. Terug naar tekst

[7]  Kamerstukken II 1996/97, 25 533, nr. 3, p. 11. Terug naar tekst

[8]  Richtlijn 90/387/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP), PbEG 1990 L 192/1, gewijzigd bij Richtlijn 97/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 tot wijziging van de Richtlijnen 90/387/EEG en 92/44/EEG van de Raad met het oog op de aanpassing aan een door concurrentie gekenmerkte context in de telecommunicatie, PbEG 1997 L 295/23. Terug naar tekst

[9]  Zoals gewijzigd door art. 1 lid 1 sub b Richtlijn 97/51/EG. Terug naar tekst

[10]  Richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP), PbEG 1997 L 199/32. Terug naar tekst

[11]  Opgemerkt dient te worden dat een aanbieder van telecommunicatiediensten die niet de middelen van toegang beheerst tot netwerkaansluitpunten naar de letter van de richtlijn dus geen recht op interconnectie heeft. Terug naar tekst

[12]