Annotatie bij College van Beroep voor het Bedrijfsleven 10 maart 2004 (Volker Stevin/ Rijswijk)
In Mediaforum 2004-5, p. 145-149.

N. Sitompoel


 
Voorgeschiedenis en achtergrond
Deze uitspraak is om een aantal redenen van belang. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven stelt allereerst vast in welke hoedanigheid aanspraak kan worden gemaakt op het wettelijke graafrecht. Daarnaast doet het CBb uitspraak over twee vraagstukken die de sector de afgelopen jaren als molenstenen om de nek hingen: de reikwijdte van de gemeentelijke coördinatieplicht en de lege buizenproblematiek.

Voor zover relevant voor deze zaak, dient eenieder op grond van art. 5.1 lid 1 Telecommunicatiewet, behoudens schadevergoeding, de aanleg van kabels ten dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk in en op openbare gronden te gedogen. Voordat met de aanleg kan worden begonnen dient de aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk op grond van art. 5.2 lid 3 Tw het voornemen daartoe bij burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente te melden en dient de aanbieder instemming van b&w te verkrijgen over het tijdstip, de plaats en de werkwijze van de uitvoering van de werkzaamheden.

Volker Stevin Telecom Infra Plantontwikkeling BV (VSTI) staat bij OPTA geregistreerd als aanlegger of aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk. Zij werkt volgens het concept dat zij voorafgaand aan de aanleg van infrastructuur onderzoekt welke behoefte daaraan op een bepaalde locatie bestaat. Pas nadat zij voor het grootste gedeelte (70-80%) van de infrastructuur intentieovereenkomsten heeft gesloten met derden, vraagt zij de gemeente in wiens grond de infrastructuur wordt aangelegd om een instemmingsbesluit. In 2001 heeft VSTI het voornemen tot de aanleg van een aantal HDPE-buizen (beschermingsbuizen waarin glasvezel wordt geblazen) in de gemeente Rijswijk aan burgemeester en wethouders gemeld en b&w om een instemmingsbesluit voor de uit te voeren werkzaamheden verzocht. Het college b&w weigerde de instemming te verlenen, aangezien VSTI volgens hem geen aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk in de zin van de Telecommunicatiewet is, zodat de buizen niet onder het begrip kabels vallen. Het college b&w verleende VSTI om die reden een op de APV gebaseerde vergunning, die de verplichting met zich meebracht precario te betalen voor de aan te leggen buizen in de gemeentegrond. Nadat het college b&w het door VSTI tegen zijn besluit gemaakte bezwaar ongegrond heeft verklaard, heeft VSTI beroep tegen het besluit ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam. Aangezien het CBb de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden in stand heeft gelaten, is een korte bespreking van de uitspraak gerechtvaardigd.

VSTI heeft in beroep aangevoerd dat zij wel degelijk een bij OPTA als zodanig geregistreerde aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk is. Uit de brochure van VSTI volgt dat zij als onafhankelijke initiatiefnemer een technisch hoogwaardig netwerk ontwikkelt, aanlegt, verkoopt en desgewenst ook beheert. [1] De rechtbank leidt echter uit de parlementaire geschiedenis af dat, wil er sprake zijn van een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, deze het daadwerkelijke beheer over het netwerk moet hebben, de zeggenschap over de functies van het netwerk moet hebben en uitoefenen en zijn aanbod moet openstellen voor een ieder die daarvan gebruik wil maken. Aangezien de kernactiviteiten van VSTI zich toespitsen op het technische beheer, kan VSTI volgens de rechtbank niet als een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk worden aangemerkt. De registratie bij OPTA als zodanig doet daaraan niets af, aangezien de registratie slechts een indicatief karakter heeft. De rechtbank meent dat “(g)elet op de tekst en strekking van de Tw (...) aan het begrip 'aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk' niet een te ruime uitleg [moet] worden gegeven”. In dit verband wijst zij op de vergaande inbreuk op het eigendomsrecht waarmee de gedoogplicht gepaard gaat. Nu vaststaat dat VSTI geen aanbieder is in de zin van de Tw laat de rechtbank de vraag of de buizen kunnen worden beschouwd als kabels in de zin van de Tw voor wat zij is en verklaart zij het beroep van VSTI ongegrond. [2]

Uitspraak CBb
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven doet de zaak in twee stappen af. De centrale vraag is of VSTI aanspraak kan maken op het wettelijke graafrecht. In dat geval zou de gemeente Rijswijk immers een instemmingsbesluit hebben moeten verlenen in plaats van een vergunning. Om dit te beoordelen toetst het CBb allereerst of VSTI bij OPTA geregistreerd staat als een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk en daarna of het aangelegde werk als een openbaar telecommunicatienetwerk kan worden beschouwd. Op grond van de registratie staat vast dat VSTI een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk is. Het door VSTI aangelegde buizenstelsel vormt volgens het CBb echter geen telecommunicatienetwerk, aangezien er op het moment van aanleg geen kabels in de buizen zijn gebracht. Als VSTI aan de hand van contracten zou hebben aangetoond dat de buizen aansluitend zouden worden gevuld, zou dit echter op zichzelf geen bezwaar zijn geweest. Het door VSTI aangelegde buizenstelsel is bovendien geen openbaar telecommunicatienetwerk, aangezien VSTI tijdens de melding aan b&w niet heeft aangetoond dat het buizenstelsel contractueel bestemd was om gebruikt te worden door aanbieders van openbare telecommunicatiediensten. VSTI onderscheidt zich wat dit betreft van aanleggers die tevens dienstenaanbieders zijn. Als zij een nieuw stuk netwerk (lees: lege buizen) aanleggen ter uitbreiding van hun netwerk staat vast dat het nieuwe netwerk een openbaar telecommunicatienetwerk zal zijn. Ten aanzien van het door VSTI aangelegde buizenstelsel geldt dat de precarioverplichting vervalt op het moment dat het netwerk in gebruik is genomen door het aanbrengen van kabels. Dat de werkwijze van VSTI de met graafwerkzaamheden gepaard gaande overlast beperkt en de schaarse ondergrondse ruimte efficiënt gebruikt doet hieraan in de optiek van het CBb niks af. Het CBb laat de uitspraak van de rechtbank dan ook met verbetering van de gronden in stand.

Historische ontwikkeling graafrecht
Alvorens inhoudelijk in te gaan op de uitspraak van het CBb schets ik kort de ontwikkeling van de reikwijdte van het wettelijke graafrecht, aangezien dat tot een beter begrip van de onderhavige zaak leidt. Tot aan de liberalisering van de telecommunicatiemarkt was KPN op grond van de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 en de Wet op de telecommunicatievoorzieningen 1988 exclusief gerechtigd tot de aanleg en exploitatie van telecommunicatie-infrastructuur. Met de Interimwetgeving werd medio jaren negentig het exclusieve recht van KPN doorbroken en legden nieuwe aanbieders zich toe op de aanleg van infrastructuur. Thans kunnen aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en omroepnetwerken aanspraak maken op graafrechten. Hoewel de kring van graafgerechtigde aanbieders in het afgelopen decennium aanzienlijk is uitgebreid, heeft de wettelijke regeling van de gedoogplicht – afgezien van het opnemen van een gemeentelijke coördinatieplicht ten aanzien van de graafwerkzaamheden – in de afgelopen eeuw nauwelijks inhoudelijke wijziging ondergaan. De problemen die zich in de praktijk als gevolg hiervan voordoen, hebben aanleiding gevormd tot een herziening van de huidige regeling. Het voorontwerp tot wijziging van hoofdstuk 5, het hoofdstuk waarin de gedoogplicht is geregeld, wordt naar verwachting in de zomer aan de Tweede Kamer aangeboden. Op grond van het voorontwerp zal de gedoogplicht in de toekomst niet alleen gelden voor kabels die door aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken worden aangelegd, maar ook voor kabels die door andere partijen worden aangelegd. [3] Hiermee wordt volgens de minister recht gedaan aan de huidige praktijk, waarin steeds vaker gespecialiseerde bedrijven op eigen initiatief, en op eigen risico infrastructuur aanleggen om deze later te verhuren of te verkopen aan aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken. Waar in de concepttekst van de memorie van toelichting wordt gesproken van een aanbieder van een elektronisch communicatienetwerk wordt tevens bedoeld een partij die op eigen initiatief kabels aanlegt, maar zelf geen aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk is. In dit verband wordt in de toekomst ook de aanleg van lege mantelbuizen onder de gedoogplicht gebracht.

Analyse
Het CBb gaat er terecht van uit dat slechts degene die als aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk bij OPTA geregistreerd staat, aanspraak kan maken op het graafrecht. Registratie is volgens het CBb een noodzakelijke voorwaarde voor het uitoefenen van het graafrecht. Op grond van de registratie bij OPTA staat vast dat VSTI aanlegger of aanbieder is van een openbaar telecommunicatienetwerk. Het CBb stelt echter vast dat de buizen die door VSTI zijn aangelegd (nog) niet een openbaar telecommunicatienetwerk vormen. Allereerst zou er geen sprake zijn van een telecommunicatienetwerk, aangezien er op het moment van aanleg geen kabels in de buizen zijn aangebracht. Dit zou geen probleem zijn geweest als VSTI aan de hand van contracten zou hebben aangetoond dat er aansluitend kabels in de buizen zouden worden aangebracht. Nu VSTI de gemeente niet in de gelegenheid heeft gesteld om dit vast te stellen, is geen sprake van een telecommunicatienetwerk. In dit verband rijst de vraag wat onder 'aansluitend' moet worden verstaan. Impliceert dit dat de glasvezelkabels in de buizen moeten worden geblazen als de grond nog open ligt? OPTA hanteert als redelijke termijn van leegstand een periode van twee jaar [4] en de minister van Economische Zaken gaat in het concept-wetsvoorstel hoofdstuk 5 zelfs uit van een periode van vier jaar. [5] Het is opmerkelijk dat het CBb daar zonder enige motivatie aan voorbijgaat.

Daarnaast stond vooraf niet vast dat het een openbaar telecommunicatienetwerk betrof. Onder verwijzing naar de door de rechtbank aangehaalde parlementaire geschiedenis wijst het CBb er op dat een telecommunicatienetwerk openbaar is als het door de beheerder wordt aangeboden in de vorm van een openbare telecommunicatiedienst (een voor het publiek beschikbare telecommunicatiedienst) die gebruik maakt van dat telecommunicatienetwerk. Ook dit had VSTI moeten aantonen. Nu VSTI in haar aanvraag om een instemmingsbesluit niet op basis van contracten inzichtelijk heeft gemaakt dat het netwerk bestemd was om gebruikt te worden door aanbieders van openbare telecommunicatiediensten – men zou zich kunnen afvragen waartoe een netwerk anders is bestemd – heeft de gemeente Rijswijk volgens het CBb terecht geweigerd een instemmingsbesluit af te geven. VSTI wordt in feite tweemaal afgerekend op de summiere aanvraag.

Vervolgens legt het CBb, hoewel de wet op dit punt juist een duidelijk onderscheid hanteert, een directe relatie tussen het aanleggen van een netwerk en het aanbieden van een dienst door onderscheid te maken tussen enerzijds een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk die tevens een aanbieder is van een openbare telecommunicatiedienst en anderzijds een aanbieder die infrastructuur aanlegt. Indien de eerstgenoemde aanbieder een nieuw stuk netwerk aanlegt, staat volgens het CBb op voorhand vast dat het een openbaar telecommunicatienetwerk zal zijn. Het voorgaande komt er op neer dat het CBb VSTI met de ene hand in theorie graafrecht verleent (op basis van de registratie) en met de andere hand VSTI het graafrecht weer afneemt (via de begrippen openbaar telecommunicatienetwerk en openbare telecommunicatiedienst). Wat heeft VSTI aan de hoedanigheid van aanbieder als zij vervolgens moet aantonen dat er diensten over het netwerk worden aangeboden? Het begrip 'aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk' wordt hiermee in feite een zinloos begrip. Aanleggers of aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken, die niet tevens dienstenaanbieders zijn, moeten immers ondanks een registratie aantonen a) dat er aansluitend na de aanleg van infrastructuur kabels in de buizen worden gelegd en b) dat daarover openbare telecommunicatiediensten worden aangeboden. Als zij dit niet kunnen aantonen, is er geen sprake van een (openbaar) telecommunicatienetwerk in de zin van de Tw en kan geen aanspraak worden gemaakt op het wettelijke graafrecht. Van een aanbieder als VSTI wordt in dit geval meer gevergd. Dit is een cruciale fout. De gedachte achter de Tw is de liberalisering van de markt. Het gaat er om dat aanbieders zonder belemmeringen de markt kunnen betreden en in staat worden gesteld onder de in de wet gestelde voorwaarden infrastructuur aan te leggen en diensten aan te bieden.

Het CBb heeft in dat verband ook niet expliciet gekeken naar doel en strekking van de wet. Art. 5.2 Tw ziet op de coördinatieplicht van gemeenten ten aanzien van werkzaamheden in verband met de aanleg van kabels. Uit lid 3 sub b volgt dat de instemming van b&w slechts tijdstip, plaats en werkwijze van uitvoering van de werkzaamheden kan betreffen. De coördinatieplicht ziet niet op het toetsen van de status van de aanbieder of op het beoordelen van de vraag of na aanleg door dezelfde (of een andere) aanbieder diensten over het netwerk worden aangeboden. Op grond van lid 5 kunnen b&w slechts in afwijking van de melding in het instemmingsbesluit het tijdstip van aanvang of voltooiing en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden vaststellen. Ook de onderhavige situatie zou het CBb moeten plaatsen in het licht van de bepalingen: hoofdstuk 5 Tw beoogt aanbieders een recht te geven kabels aan te leggen en de wettelijke coördinatieplicht beoogt de werkzaamheden die daarmee verband houden in goede banen te leiden. In dit verband past het niet om gemeenten andere aspecten te laten toetsen. [6]

Opvallend is dat het CBb geheel voorbijgaat aan de positieve effecten van de werkwijze van VSTI. Door de aanleg van lege buizen, waarin glasvezel wordt geblazen, wordt de overlast beperkt, aangezien de grond slechts een keer open gebroken hoeft te worden, en wordt efficiënt gebruik van de schaarse ondergrondse ruimte bevorderd. In het concept-wetsvoorstel noemt de minister het beperken van overlast voor gedoogplichtigen als een van de belangen die de gemeente als hoeder van het publieke belang met behulp van de coördinatieplicht dient te waarborgen. Het beperken van overlast wordt zelfs in verband gebracht met de aanleg van lege buizen. [7]

Ook gaat het CBb nauwelijk in op het argument van VSTI dat de gemeente een instemmingsbesluit heeft geweigerd om vervolgens precario te kunnen heffen. Dit wordt afgedaan met het standpunt dat vanaf het moment dat het door VSTI aangelegde buizennetwerk in gebruik is genomen door het aanbrengen van kabels geen precario meer is verschuldigd. De vraag rijst of dit, gezien het door het CBb gehanteerde onderscheid tussen aanbieders, dus niet geldt voor aanbieders van netwerken, die tevens aanbieders van diensten zijn. In de optiek van het CBb vallen lege buizen, die door deze aanbieders worden aangelegd zonder meer onder de gedoogplicht. Het CBb verbindt daaraan immers geen termijn waarbinnen deze buizen in gebruik moeten zijn genomen, hetgeen zou betekenen dat voor deze buizen geen precariovergoeding verschuldigd is. [8] Het spreekt voor zich dat ook deze consequentie niet in overeenstemming is met doel en strekking van de wet.

In aanmerking genomen dat volgens de gemeente Amsterdam een instemmingsbesluit van b&w niet kan worden geweigerd, [9] rijst de vraag waar het de gemeente Rijswijk allemaal om te doen is. Zowel de rechtbank als het CBb geven aan dat het (proces)belang van VSTI verband houdt met het al dan niet verschuldigd zijn van precariobelasting. Ligt hierin de verklaring voor de starre houding van de gemeente Rijswijk? Uit het verslag van de door OPTA gehouden openbare hoorzitting over de gedoogplicht blijkt dat de gemeente Rijswijk volgens de Groep Graafrechten [10] het voornemen om precario te zullen heffen tot een evangelie zou hebben verheven. [11] Om meerdere redenen is dit niet geoorloofd. Allereerst heeft de Hoge Raad reeds in 1937 bepaald dat de bevoegdheid tot het heffen van precariobelasting door het wettelijk gedoogregime komt te vervallen. [12] Daarnaast heeft de minister tijdens de parlementaire behandeling van de Tw benadrukt dat het gemeentelijke belang om precario te kunnen heffen, dient te wijken voor het algemene belang van de ontwikkeling van de telecommunicatiemarkt. [13] Bovendien zijn gemeenten die daadwerkelijk inkomsten derfden door het vervallen van de mogelijkheid precariobelasting te heffen op het in en op openbare grond hebben van kabels ten dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk sinds de Tw volledig gecompenseerd door het Rijk door middel van een uitkering uit het provincie- of gemeentefonds. [14] De praktijk om op deze wijze precario-inkomsten zeker te stellen, is dan ook zonder meer laakbaar te noemen.

De aankondiging van de gemeente Rijswijk om precario te heffen vanaf het jaar 2001 roept nog een laatste vraag op. Vanaf welk moment mogen gemeenten precario heffen over de in het geding zijnde lege buizen? Op grond van art. 228 Gemeentewet is de gemeente slechts gerechtigd precariobelasting te heffen ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven de gemeentegrond. De gemeente Rijswijk brengt precario in rekening vanaf het moment dat VSTI de schop in de grond steekt, berekend over de volledige 600 kilometer kabel die zij van plan is aan te leggen. Tussen dat moment en het moment waarop het netwerk daadwerkelijk in gebruik wordt genomen, zit een behoorlijke tijdspanne. Het CBb geeft aan dat de precarioplicht eindigt op het moment dat er kabels in de buizen worden aangebracht, maar verzuimt aan te geven wanneer de precarioverplichting ingaat. Strikt genomen zou VSTI slechts precario verschuldigd zijn over de totale lengte van buizen op het moment dat deze daadwerkelijk zijn aangelegd.

Dit is de eerste uitspraak van het CBb over de graafrechtenproblematiek. Vanzelfsprekend is het CBb bij de beoordeling van de onderhavige zaak uitgegaan van het huidige wettelijke kader, dat wat helderheid betreft op zijn zachtst gezegd te wensen overlaat. Dat neemt niet weg dat het CBb de problematiek sterk casuïstisch heeft benaderd door alleen op de aanvraag te gaan zitten. Helaas heeft het CBb geen rekening gehouden met de doelstelling van de betrokken bepalingen en de op handen zijnde inhoudelijke herziening van hoofdstuk 5 Tw.

 


[1] VSTI Planontwikkeling, Brochure over vooraanleg telecommunicatie-infrastructuur, 11 november 2001, p. 6.
[2] Rb. Rotterdam 16 januari 2003 (VSTI/College B&W Rijswijk), TELEC 01/2428-GERR.
[3] Concept-memorie van toelichting bij wetsvoorstel tot Wijziging van de Telecommunicatiewet en een enkele andere wet in verband met nieuw nationaal beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken (versie 13 november 2003), p. 13.
[4] OPTA, Veel gestelde vragen met betrekking tot het gedogen van kabels, versie november 2003, onder art. 5.2 lid 5 Tw.
[5] Concept-wetsvoorstel tot Wijziging van de Telecommunicatiewet en een enkele andere wet in verband met nieuw nationaal beleid ten aanzien van de aanleg van kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken (versie 13 november 2003), art. 5.1 lid 7 Tw.
[6] In dit verband kan echter worden gewezen op een uitspraak van de Vzr. Rechtbank Haarlem, waarin voor de invulling van de taak van gemeenten juist wel de doelstellingen-doctrine wordt gevolgd. Rb. Haarlem 7 november 2003 (Lijbrandt Telecom Nederland BV/Gemeente Haarlem), zaaknr. 95817/KG ZA 03-519.
[7] Concept-memorie van toelichting, p. 14.
[8] Overigens zou dit slechts gelden tot aan de inwerkingtreding van het herziene hoofdstuk 5 Tw. In de toekomst wordt uitgegaan van een redelijke termijn van leegstand van vier jaar.
[9] Gemeente Amsterdam, Vaststelling Verordening inzake werkzaamheden in verband met de instandhouding, aanleg en opruiming van telecommunicatiekabels, alsmede wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening en de Verordening op de stadsdelen, Gemeenteblad 18, 12 januari 2000.
[10] De belangenvereniging voor graafgerechtigde aanbieders, die voortkomt uit het ACT, de Associatie van Competitieve Telecomoperators.
[11] OPTA, Verslag hoorzitting Gedogen, 26 maart 2003, p. 24.
[12] HR 20 oktober 1937, NJ 1937, 1147.
[13] Kamerstukken II 1997/98, 25 533, nr. 5, p. 70.
[14] Besluit integratie-uitkering afschaffing precariobelasting op omroepkabels en andere telecommunicatiekabels, Stb. 1999, 193.


Geplaatst 15.06.2004