Hoge Raad 2 mei 2003,
Eerste Kamer
Nr. C01/240HR AT; ook:
http://www.rechtspraak.nl (LJN-nr. AF3416).
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. The Storms Factory BV,
2. P.W.F.M. Storms,
3. SBS BROADCASTING B.V.,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen,
t e g e n
1. F.M. Niessen,
2. INTER PARTNER ASSISTANCE S.A., gevestigd te Brussel,
België,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerders in cassatie - verder te noemen: Niessen en IPA -
hebben bij exploit van 14 september 2000 eiseressen tot
cassatie sub 1 en 3 - verder te noemen: The Storms Factory en
SBS - in kort geding gedagvaard voor de President van de
Rechtbank te Amsterdam (zaak I, nummer KG 00/2144 R) en
gevorderd The Storms Factory en SBS elk afzonderlijk te
verbieden de opnamen gemaakt op 28 en 31 augustus 2000 in de
bedrijfsruimte van IPA, uit te (doen) zenden, zulks op straffe
van een dwangsom, en voorts The Storms Factory en SBS te
verbieden in verband met de zaak [betrokkene 1] andere
negatieve uitlatingen over Niessen en/of IPA uit te (doen)
zenden, eveneens op straffe van een dwangsom.
The Storms Factory en SBS hebben de vordering bestreden.
De President heeft bij vonnis van 18 september 2000, kort
gezegd, The Storms Factory en SBS verboden de opnamen die op
28 en 31 augustus 2000 in de bedrijfsruimte van IPA zijn
gemaakt uit te (doen) zenden, alsmede negatieve uitlatingen
met de strekking als nader in het vonnis omschreven over
Niessen en/of IPA te doen, op straffe van een dwangsom.
Niessen en IPA hebben bij exploit van 2 oktober 2000 The
Storms Factory en SBS in kort geding (zaak II, nummer KG
002289 R) gedagvaard voor de President van de Rechtbank te
Amsterdam en gevorderd:
1. The Storms Factory te verbieden:
- de bedrijfsruimte van IPA te betreden, al dan niet met het
oogmerk televisieopnamen te maken, tenzij daarvoor
uitdrukkelijk toestemming is verleend door IPA;
- actief contact te zoeken met (medewerkers van) IPA en/of
Niessen, voor zover dat contact betrekking heeft op de
(partijen bekende) zaak van de familie [betrokkene 1];
- medewerkers en/of klanten van IPA en/of Niessen hinderlijk
te volgen en/of opnamen van hen te maken voor zover dit
betrekking heeft op bedoelde zaak van de familie [betrokkene
1], op straffe van een dwangsom;
2. The Storms Factory en SBS elk afzonderlijk te verbieden via
de televisie of andere media, al dan niet in gewijzigde vorm,
het beeldmateriaal dat op 21 september 2000 is opgenomen in
verband met de zaak Thijssen uit te zenden, eveneens op
straffe van een dwangsom;
3. The Storms Factory te veroordelen aan IPA te betalen een
voorschot op de door IPA geleden schade van ƒ 5.000,--.
The Storms Factory en SBS hebben de vorderingen bestreden en
van hun kant in reconventie gevorderd het verbod als gegeven
in het kort gedingvonnis in zaak I gedeeltelijk ter zijde te
stellen. Voorts hebben The Storms Factory
en SBS gevorderd Niessen en IPA te verbieden
het kort gedingvonnis met betrekking tot in de vordering
omschreven uitlatingen ten uitvoer te leggen.
Niessen en IPA hebben de vordering in reconventie bestreden.
De President heeft bij vonnis van 13 oktober 2000 de
vorderingen in conventie toegewezen als vermeld in dat vonnis,
en in reconventie de gevraagde voorzieningen geweigerd.
Bij exploit van 13 oktober 2000 hebben Niessen en IPA The
Storms Factory, SBS en eiser tot cassatie sub 2 - verder te
noemen: Storms – in kort geding gedagvaard (zaak III, nummer
KG 002329 G) voor de President van de Rechtbank te Amsterdam
en naast hetgeen was gevorderd in zaak II onder 1, gevorderd:
1) The Storms Factory en SBS elk afzonderlijk te verbieden de
op 11 oktober 2000 tussen omstreeks 12.45 uur en 13.06 uur
gemaakte opnamen als in het lichaam van de dagvaarding
omschreven (gedeeltelijk) uit te (doen) zenden, zulks op
straffe van een dwangsom;
2) The Storms Factory en SBS elk afzonderlijk te verbieden, in
verband met het (partijen bekende) item [betrokkene 1] in het
programma Breekijzer:
- de handelsnaam van IPA te noemen, of enige verwijzing op te
nemen, herleidbaar tot de handelsnaam van IPA;
- (personeel van) IPA en/of Niessen in beeld te brengen, zulks
ongeacht of door technische ingrepen de herkenning van de in
beeld gebrachte personen wordt bemoeilijkt;
- het bedrijfspand van IPA in beeld te brengen;
een en ander op straffe van een dwangsom.
3) The Storms Factory te veroordelen tot het betalen van een
voorschot op de door Niessen geleden (immateriële) schade,
bestaande in de aantasting van zijn persoon, ad ƒ 5.000,--.
The Storms Factory, SBS en Storms - verder ook te noemen:
[eisers] - hebben de vorderingen bestreden en in reconventie
gevorderd Niessen en IPA te verbieden het vonnis van de
President van de Rechtbank te Amsterdam met kort gedingnummer
KG 00/2144 R (zaak I), voor zover betrekking hebbende op het
verbod bepaalde uitlatingen te doen, ten uitvoer te leggen, op
straffe van een dwangsom.
Niessen en IPA hebben de vordering in reconventie bestreden.
Bij vonnis van 16 oktober 2000 heeft de President in conventie
[eisers] allen afzonderlijk verboden de op 11 oktober 2000
tussen omstreeks 12.45 uur en 13.06 uur gemaakte opnamen als
in het lichaam van de dagvaarding omschreven (gedeeltelijk)
uit te (doen) zenden, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ
250.000,-- per overtreding van dit verbod en het meer of
anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de President
de gevraagde voorzieningen geweigerd.
Tegen het eerste vonnis (zaak I) van de President van 18
september 2000 hebben alleen The Storms Factory en
Scandinavian Broadcasting Systems SBS6 B.V. - hierna: SBS6 -
hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam
(rolnummer Hof 1163/00 KG). Van het tweede vonnis (zaak II)
van de President van 13 oktober 2000 hebben The Storms Factory
en SBS hoger beroep ingesteld (rolnummer Hof
1247/00 SKG). Van het derde vonnis (zaak III) van de President
van 16 oktober 2000 hebben The Storms Factory , SBS en Storms
hoger beroep ingesteld (rolnummer Hof 1246/00 SKG).
Het Hof heeft deze zaken bij tussenarresten van 22 februari
2001 gevoegd.
Bij arrest van 12 juli 2001 heeft het Hof in zaak I SBS6
niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger
beroep en, voor zover in hoger beroep aan de orde, het vonnis
van 18 september 2000 bekrachtigd. In zaak II heeft het Hof
het vonnis van 13 oktober 2000, zowel in conventie als in
reconventie, bekrachtigd. Voorts heeft het Hof in zaak III het
vonnis van de Rechtbank van 16 oktober 2000, zowel in
conventie als in reconventie, bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof hebben The Storms Factory , SBS
en Storms beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding
is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Niessen en IPA hebben geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot
niet-ontvankelijkverklaring van Storms in zijn beroep van het
bestreden arrest voor zover dit in de zaken met de rolnummers
1163/00 KG (zaak I) en 1247/00 SKG (zaak II) werd gewezen, en
tot niet-ontvankelijkverklaring van SBS in haar beroep van het
bestreden arrest voor zover dit in de zaak met rolnummer
1163/00 KG (zaak I) werd gewezen, en tot verwerping van de
beroepen van eisers tot cassatie voor het overige.
3. Beoordelin g van de ontvankelijkheid van het beroep
In de hiervoor onder 1 met I en II aangeduide zaken
(rolnummers Hof 1163/00 KG en 1247/00 SKG) was Storms geen
partij in hoger beroep. Hij is derhalve niet-ontvankelijk in
zijn cassatieberoep tegen het arrest, voor zover dat in deze
beide zaken is gewezen. SBS was in de hiervoor onder 1 met I
aangeduide zaak (rolnummer Hof 1163/00 KG) geen partij in
hoger beroep, zodat zij in haar cassatieberoep tegen het
arrest, voor zover dat in deze zaak is gewezen, niet kan
worden ontvangen.
4. Beoordeling van de middelen
4.1 In cassatie kan worden uitgegaan van hetgeen is vermeld in
de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2.
4.2 Bij de beoordeling van de tegen het arrest van het Hof
gerichte klachten moet het volgende worden vooropgesteld. De
werkwijze van Storms, zoals deze is beschreven in de conclusie
van de Advocaat-Generaal onder 1.2, onderdelen i, k, o en q,
komt naar de vaststellingen van het Hof hierop neer dat Storms
voor het maken van televisie-opnamen voor zijn programma
Breekijzer meermalen onaangekondigd en met lopende camera op
intimiderende wijze Niessen heeft benaderd, hem heeft
geconfronteerd met niet-geverifieerde verwijten, zonder hem op
behoorlijke wijze gelegenheid te geven zijn visie op de zaak
te geven, en zich in uiterst negatieve zin en op denigrerende
wijze over hem en IPA heeft uitgelaten, in welke werkwijze
Storms heeft volhard ook al was hij zich bewust of behoorde
hij zich bewust te zijn van de onjuistheid van de gemaakte
verwijten. De hier gevolgde werkwijze is niet gericht op het
signaleren van misstanden of het voorlichten of waarschuwen
van consumenten, maar beoogt enkel de aantrekkelijkheid voor
het grote publiek van het programma Breekijzer te verhogen.
Dit een en ander is in cassatie niet bestreden.
4.3.1 Het Hof heeft op grond van de in rov. 6.13 van zijn
arrest samengevatte feiten en omstandigheden geoordeeld dat
[eiser 1] jegens IPA en Niessen onrechtmatig zou handelen door
de gewraakte opnamen te doen uitzenden. Ook dit oordeel is in
cassatie niet bestreden.
Middel I, dat zich richt tegen hetgeen het Hof heeft overwogen
in rov. 6.4, 6.14, 7.13 en 8.9, bestrijdt dan ook uitsluitend
het door de President gegeven en in hoger beroep tevergeefs
bestreden verbod de opnamen te doen uitzenden.
4.3.2 Het middel beroept zich daartoe in de eerste plaats in
onderdeel 1 op art. 7 lid 2, tweede zin, Gr.w., welke norm
zich, aldus het onderdeel, ertegen verzet dat de rechter (in
kort geding) uitzendverboden uitvaardigt als in dit geval is
geschied. Het onderdeel, dat klaarblijkelijk strekt ten betoge
dat het ontbreken in het tweede lid van de wel in het eerste
en derde lid van art. 7 voorkomende zinsnede "behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet" meebrengt dat de daarmee
beoogde beperking van de vrijheid van meningsuiting niet geldt
voor radio- en televisie-uitzendingen, berust op een onjuiste
rechtsopvatting. Blijkens de eerste zin van art. 7 lid 2 kan
de wet regels stellen voor radio en televisie, welke regels
blijkens de tweede zin evenwel niet zo ver kunnen gaan dat
daarbij voorafgaand toezicht van overheidswege op de inhoud
van een uitzending zou kunnen worden ingesteld. Er bestaat
mede in het licht van art. 3:296 BW echter geen grond aan te
nemen dat het in art. 7 Gr.w. neergelegde verbod van censuur -
het voorafgaand overheidstoezicht op een voorgenomen uiting -
in de weg zou staan aan de bevoegdheid van de rechter met het
oog op een effectieve rechtsbescherming een uiting die jegens
een ander onrechtmatig is, te verbieden.
4.3.3 Onderdeel
2 berust op de opvatting dat uitzendverboden als in dit geval
uitgevaardigd in strijd zijn met het EVRM, nu art. 15 EVRM
afwijking van onder meer art. 10 EVRM alleen toelaat in geval
van oorlog of enige andere algemene noodtoestand, van welk een
en ander geen sprake is. Het onderdeel faalt, omdat het eraan
voorbijziet dat ook in art. 10 lid 2 EVRM is voorzien dat het
recht op vrijheid van meningsuiting aan voorwaarden en
beperkingen kan zijn onderworpen.
4.3.4 Onderdeel 3 klaagt dat, zo het uitgangspunt van het Hof
al juist zou zijn dat uitzendverboden als in dit geval gegeven
door art. 7 Gr.w. en art. 10 EVRM zijn toegelaten indien deze
in een democratische samenleving noodzakelijk zijn, het Hof
deze regel onjuist heeft toegepast.
Voor zover het onderdeel betrekking heeft op art. 7 Gr.w.,
faalt het aangezien deze bepaling voor een beperking van het
recht op vrijheid van meningsuiting niet de eis stelt dat deze
in een democratische samenleving noodzakelijk is.
Voor de beoordeling van het onderdeel in verband met art. 10
EVRM moet, nu hier sprake is van een beperking van het recht
op vrijheid van meningsuiting, in de eerste plaats worden
onderzocht of voldaan is aan het vereiste dat deze beperking
voorzien is bij de wet. Deze vraag moet bevestigend worden
beantwoord, nu de verboden hun grondslag vinden in art. 6:162
BW in verbinding met art. 3:296 BW. Hieraan doet niet af dat
de onrechtmatigheid van de gewraakte gedragingen hierin
bestaat dat Storms heeft gehandeld in strijd met hetgeen
volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer
betaamt, aangezien immers zodanig handelen door art. 6:162 als
onrechtmatig wordt aangemerkt. Volgens de rechtspraak van het
EHRM is voldoende dat het recht waarop de beperking berust
voor de burger voldoende kenbaar is en dat de desbetreffende
norm zodanig precies is geformuleerd dat de burger zijn gedrag
erop kan afstemmen (vgl. onder meer EHRM 20 november 1989,
CEDH, Serie A, vol. 165, NJ 1991, 738 en EHRM 11 januari 2000,
nr. 31457/96, NJ 2001, 74). Aan die eis is bij de toepassing
van art. 6:162, gezien de rechtspraak over die bepaling,
voldaan. Dit een en anders is niet anders indien het gaat om
een verbod in kort geding. Bovendien kan in gevallen als het
onderhavige van een effectieve rechtsbescherming veelal
slechts sprake zijn indien de voorgenomen onrechtmatige
gedraging in kort geding wordt verboden.
Vereist is voorts dat de beperking een van de in art. 10 lid 2
EVRM genoemde belangen dient. Aan dit vereiste is voldaan,
daar het Hof bij zijn oordeel het in art. 10 lid 2 genoemde
belang van de "bescherming van de goede naam of de rechten van
anderen" in aanmerking heeft genomen.
Ten slotte dient de vraag onder ogen te worden gezien of de
beperking in een democratische samenleving noodzakelijk is ter
bescherming van dit belang en of die beperking evenredig is
aan het te beschermen belang.
Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat het door het Hof in
aanmerking genomen "belang van Niessen en IPA bij bescherming
van een ongestoorde bedrijfsvoering en de persoonlijke
levenssfeer en het belang gevrijwaard te blijven van
aantasting van hun goede naam" nimmer of uitsluitend in, door
het onderdeel niet nader aangeduide, bijzondere omstandigheden
een dringende maatschappelijke noodzaak kan opleveren om een
uitzendverbod te rechtvaardigen, berust het op een
rechtsopvatting die, gelet op art. 10 lid 2 EVRM, niet als
juist kan worden aanvaard.
Voor zover het onderdeel, subsidiair, aanvoert dat geen
dringende maatschappelijke noodzaak bestaat in een situatie
waarin het gaat om een programma als Breekijzer, is het
eveneens tevergeefs voorgesteld. Het oordeel van het Hof in
rov. 6.14 van zijn arrest komt hierop neer dat de wijze waarop
aan de door The Storms Factory
geformuleerde doelstelling van dit programma
"hulp bieden aan individuen die bekneld zijn geraakt in een
raderwerk van instellingen" uitvoering is gegeven (vgl.
hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen) zo zeer afwijkt van de
normen van een zorgvuldige en maatschappelijk aanvaardbare
journalistiek dat niet behoeft te worden betwijfeld of de
gevorderde beperking - de gegeven uitzendverboden - evenredig
is aan het te beschermen belang. Dit oordeel geeft niet blijk
van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 3 faalt derhalve.
4.3.4 Onderdeel 5, dat klaagt dat het gegeven verbod niet
proportioneel is omdat het als een "eeuwig" verbod is bedoeld,
miskent vooreerst dat het onrechtmatige karakter van de
voorgenomen uitzendingen daaraan niet door enkel tijdsverloop
komt te ontvallen, en ziet voorts eraan voorbij dat het
gegeven verbod, zoals elke in kort geding gegeven voorziening,
in die zin een voorlopig karakter heeft dat het in een
bodemprocedure opnieuw ten toets kan komen.
4.3.5 Onderdeel 6 mist feitelijke grondslag voor zover het
ervan uitgaat dat het Hof van [The Storms Factory
en Storms zou hebben gevergd aan te tonen dat
met de gewraakte uitzending een publiek belang is gediend of
daarbij is betrokken. Het Hof heeft op grond van de voldoende
vaststaande aard en inhoud van de uitzendingen geoordeeld dat
daarbij geen publiek belang is betrokken. Ook in het licht van
de door The Storms Factory geformuleerde doelstelling van het
programma is dit oordeel, gelet op de wijze waarop aan die
doelstelling gestalte is gegeven, niet onbegrijpelijk noch
ontoereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het onderdeel.
4.3.6 Onderdeel 7, dat betrekking heeft op het in het derde
kort geding in de zaak met rolnummer 1246/00 gegeven verbod,
berust kennelijk op de opvatting dat het Hof in rov. 8.9 van
zijn arrest bij de beoordeling van de vraag of een dringende
maatschappelijke noodzaak bestaat, enkel het belang van
Niessen om niet op de in rov. 8.5 van het arrest van het Hof
omschreven wijze te worden afgebeeld, in aanmerking heeft
genomen. Het onderdeel kan in zoverre bij gebrek aan
feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat het Hof
zijn in rov. 8.9 vervatte oordeel heeft gegeven "met
inachtneming van het voorgaande", waarmee het Hof onder meer
het oog heeft op zijn rov. 8.6 en 8.7, die telkens verwijzen
naar rov. 6. Het Hof heeft derhalve zijn oordeel in rov. 8.9
mede doen steunen op de in zijn rov. 6.6 - 6.16 neergelegde
uitvoerige motivering die in cassatie niet dan wel tevergeefs
wordt bestreden.
Voor zover het onderdeel zich richt tegen het oordeel van het
Hof dat een publiek belang bij uitzending ontbreekt, bouwt het
voort op onderdeel 6 en moet het het lot daarvan delen.
4.3.7 Uit het hiervoor overwogene volgt dat de overige in
middel I aangevoerde klachten eveneens falen.
4.4 Middel II heeft betrekking op het volgende.
In rov. 6.14 heeft het Hof in verband met de vraag of een
uitzendverbod door een dringende maatschappelijke noodzaak
wordt gerechtvaardigd, geoordeeld dat op grond van het ter
terechtzitting getoonde ruwe beeldmateriaal van de opnamen op
28 en 31 augustus 2000 met voldoende mate van nauwkeurigheid
vaststaat wat de inhoud van het desbetreffende
programma-onderdeel is.
Het Hof heeft in rov. 7.11 met betrekking tot de opnamen van
21 september 2000 geoordeeld dat met voldoende nauwkeurigheid
vaststaat wat de inhoud van die opnamen is, aangezien deze
beelden een vastlegging bevatten van het hierboven - waarmee
het Hof kennelijk doelt op hetgeen het heeft overwogen in rov.
7.5 en 7.7 - aangeduide tumult. Onderdeel 2 klaagt dat het Hof
niet tot dit oordeel had kunnen komen zonder dat de opnamen
ter terechtzitting zijn getoond. Het onderdeel faalt, omdat
het miskent dat ook op andere wijze dan op grond van eigen
waarneming voldoende duidelijk kan komen vast te staan wat de
opnamen inhouden. Het oordeel van het Hof, dat berust op een
aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden
waardering, is niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 3 verwijt het Hof met betrekking tot de opnamen van
11 oktober 2000 niet te hebben getoetst of voldaan is aan het
vereiste dat de inhoud van die opnamen voldoende nauwkeurig
vaststaat. Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijk
grondslag niet tot cassatie leiden. Kennelijk heeft het Hof op
overeenkomstige gronden als ten aanzien van de opnamen op 21
september 2000 geoordeeld dat de inhoud van de opnamen
voldoende nauwkeurig vaststaat.
4.5.1 Middel III, dat zich richt tegen rov. 6.15 van 's Hofs
arrest, heeft betrekking op het verbod bepaalde negatieve
uitlatingen over Niessen en IPA te doen. Ten aanzien van deze
uitlatingen moet worden vooropgesteld dat in cassatie niet is
bestreden dat het doen van deze uitlatingen onrechtmatig is
jegens [Niessen en IPA, en dat het derhalve ook hier
uitsluitend gaat om de vraag of een verbod die uitlatingen te
doen voor toewijzing vatbaar was.
4.5.2 Onderdeel 1 betoogt dat het Hof ten onrechte niet heeft
getoetst of een verbod van die uitlatingen in een
democratische samenleving noodzakelijk is. Het onderdeel is
tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft rov. 11 van het vonnis
van de President onderschreven, welke overweging het Hof
kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus heeft opgevat dat de
President het verbod van het doen van negatieve uitlatingen
heeft toegewezen op dezelfde of overeenkomstige gronden als
ten aanzien van de eerder tussen partijen uitgesproken
uitzendverboden waren gehanteerd en dat hij aldus ook het
verbod van het doen van deze uitlatingen heeft getoetst aan
art. 10 EVRM.
4.5.3 Onderdeel 2 herhaalt de door middel I ten aanzien van de
uitzendverboden naar voren gebrachte klachten dat 's Hofs
oordeel dat een verbod in een democratische samenleving
noodzakelijk is, onjuist althans onbegrijpelijk is, en dat een
dringende maatschappelijke noodzaak ontbreekt nu het enkel
gaat om de particuliere belangen van Niessen en IPA en/of het
gevorderde verbod enkel berust op ongeschreven
zorgvuldigheidsnormen, gehanteerd door de rechter in kort
geding, en/of het verbod niet aan een kort tijdsverloop is
gebonden. Deze klachten falen op grond van hetgeen hiervoor in
4.3.2 - 4.3.4 is overwogen.
4.6.1 Middel IV heeft betrekking op het door Niessen en IPA
gevorderde verbod de op 11 oktober 2000 gemaakte opnamen uit
te zenden. Aan deze vordering hadden zij ten grondslag gelegd
dat deze opnamen zonder toestemming van Niessen zijn
vervaardigd en dat hij zich op grond van art. 21 Auteurswet
1912 (hierna: Aw.) tegen openbaarmaking daarvan kan verzetten.
De President heeft het gevorderde verbod toegewezen en het Hof
heeft de daartegen gerichte grieven ongegrond bevonden.
4.6.2 Onderdeel 1 stelt zich op het standpunt dat aan art. 21
Aw. geen grondslag kan worden ontleend om zich te verzetten
tegen openbaarmaking van film- of televisie-opnamen waarin
iemand te zien en/of te horen is. Dit standpunt kan niet als
juist worden aanvaard. Noch de tekst noch de strekking van
art. 21 Aw. geeft grond voor de opvatting dat de technische
wijze van vervaardiging van een portret beslissend is voor het
antwoord op de vraag of de geportretteerde zich op de voet van
art. 21 Aw. tegen openbaarmaking kan verzetten. Ook de
geschiedenis van de totstandkoming van deze wet biedt evenmin
als haar systeem enig aanknopingspunt voor deze opvatting.
Subsidiair voert het onderdeel aan dat het verbod zich niet
kan uitstrekken tot de van die opnamen deel uitmakende
geluidsopnamen. Ook in zoverre faalt het onderdeel. Het verbod
zoals in eerste aanleg gevorderd en toegewezen had betrekking
op opnamen van beeld en geluid, die waren bedoeld om in die
vorm, derhalve inclusief geluid, te worden uitgezonden.
Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof in de grieven
niet de klacht gelezen dat het door de President gegeven
verbod te ruim was, in die zin dat het geen betrekking kon
hebben op het van de opnamen deel uitmakende geluid. Het stond
het Hof derhalve niet vrij het verbod te beperken tot de
beeldopnamen.
4.6.3 Onderdeel 2 verwijt het Hof niet te zijn ingegaan op de
stelling van The Storms Factory
en Storms dat openbaarmaking van de opnamen
niet op grond van art. 21 Aw. kan worden verboden, indien het
gelaat van de betrokkene wordt "afgeblokt" of in het beeld
volledig onherkenbaar wordt gemaakt. Het onderdeel is gegrond,
maar het kan niet tot cassatie leiden, omdat voormelde
algemene stelling niet als juist kan worden aanvaard. Zij
miskent immers dat het geheel of gedeeltelijk onherkenbaar
maken van het gelaat van een afgebeelde persoon niet eraan in
de weg behoeft te staan dat sprake is van een portret in de
zin van art. 21 Aw., nu ook uit hetgeen de afbeelding
overigens toont, de identiteit van die persoon kan blijken, en
dat derhalve openbaarmaking van een dergelijke afbeelding op
de voet van deze bepaling kan worden verboden (vgl. HR 30
oktober 1987, nr. 13269, NJ 1988, 277). Hierbij verdient nog
opmerking dat door het afblokken of anderszins onherkenbaar
maken van het gelaat het onrechtmatige karakter van de
uitzending in het kader van het onderhavige programma niet
wordt weggenomen, maar eerder wordt geaccentueerd, aangezien
bij het grote publiek immers allicht de indruk zal ontstaan
dat een aldus afgebeelde persoon als verdachte, zo niet als
schuldige moet worden aangemerkt.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
[Beroep niet ontvankelijk; kostenveroordeling]
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als
voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, O. de
Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar
uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 2 mei 2003.
Noot Gerard Schuijt
1. Bijna 35 jaar na de beroemde
bijdrage van H. Drion aan de Beekhuisbundel 'Het rechterlijk
verbod en de vrijheid van meningsuiting' (Zwolle: Tjeenk
Willink 1969, p. 91-108) heeft de Hoge Raad weer eens de
gelegenheid gekregen zich over een publicatieverbod, in casu
uitzendverbod uit te spreken. Drion schreef: 'Nemen we de
vrijheid van drukpers van art. 7 Grondwet en de vrijheid van
meningsuiting van artikel 10 EVRM serieus, dan zal de rechter
bij het formuleren van verboden, waardoor die vrijheden voor
bepaalde (te weten de veroordeelde) personen aan banden worden
gelegd, met de grootste voorzichtigheid te werk moeten gaan.
Anders dan een veroordeling terzake van in het verleden gedane
uitlatingen, is een verbod erop gericht de vrijheid van
meningsuiting voor de toekomst in concreto te beperken'.
2. Aanleiding
voor Drions beschouwing was o.m.
het arrest van de Hoge Raad van 18 februari
1966, NJ 1966, 208. Een lid van de Nederlandse
Klokkenspel Vereniging had via de krant felle kritiek geuit op
het bestuur, dat niet objectief en integer te werk zou gaan in
adviezen bij wie men het beste terecht kon voor restauratie
van oude klokken en het aanbrengen van nieuwe. Door het Hof
was hem op verbeurte van een dwangsom verboden om zich, anders
dan binnen verenigingsverband, zodanig over de NKV of haar
bestuursleden uit te laten, 'dat bij derden twijfel kan worden
gewekt aan derzelver integriteit en objectiviteit.' Het
hiertegen ingestelde cassatieberoep werd door de Hoge Raad
verworpen. Wel legde de Hoge Raad de stelregel vast dat,
wanneer een verbod in wat algemene termen is geformuleerd, de
draagwijdte ervan beperkt moet worden geacht tot handelingen
waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld, dat zij onder de
door de rechter verboden inbreuk kunnen vallen.
3. Daarover is
Drion niet tevreden want, zo vraagt hij zich af, hoe zit het
dan als gedaagde de integriteit en objectiviteit van de
bestuursleden opnieuw in twijfel wil trekken onder aanvoering
van nieuwe feiten en omstandigheden? En ook wijst Drion op de
remmende werking op de vrijheid van meningsuiting van de
dwangsom die als een zwaard van Damocles boven de veroordeelde
hangt en op diens ongunstige bewijspositie in dat geval. Wij
zouden dat
tegenwoordig een chilling effect noemen. Maar ook los van
nieuwe feiten en omstandigheden legt een dergelijke vage
veroordeling een rem op de uitingsvrijheid. De Hoge Raad lijkt
niet meer te zeggen dan 'Het is toch vanzelfsprekend dat U de
wet niet mag overtreden en U weet wanneer dat het geval is'.
Dat is nu juist het probleem! Men kan niet altijd goed
inschatten wat de rechter onrechtmatig zal vinden.
4. In 1990 liet
de Hoge Raad een kans voorbij gaan om een rechterlijk verbod
aan strengere voorwaarden te binden. Geklaagd werd over een
verbod om zich in de toekomst zowel mondeling als schriftelijk
onjuist en/of beledigend en/of grievend uit te laten over en
jegens X. De Hoge Raad vond dat verbod gerechtvaardigd omdat
reeds in twee procedures uitlatingen van gedaagden over X
onrechtmatig waren geoordeeld en omdat 'uit de aard der zaak
de mogelijke toekomstige uitlatingen niet verder concreet
kunnen worden aangeduid' (HR 2 februari 1990, NJ 1991,
291).
5. In lagere
rechtspraak treft men echter uitspraken aan die wél als
uitgangspunt hanteren dat een verbod niet ruim geformuleerd
mag zijn. Een verbod zich 'op
soortgelijke wijze uit te laten' werd te ruim
bevonden door Hof Amsterdam (16 december 1976, NJ 1977,
86). Een verbod een bepaalde beschuldiging te herhalen werd
beperkt tot 'zonder daartoe nieuwe en deugdelijke met
bewijsstukken gestaafde feiten aan te voeren (Hof Amsterdam 4
december 1997, Mediaforum 1998-3, nr. 11). Zie verder
nog Pres. Rb. Rotterdam 17 januari 1997, KG 1997, 124
en Hof Amsterdam 16 oktober 1997, Mediaforum 1998-1,
nr. 2. Zie ook mijn 'Het censuurverbod in de Nederlandse
grondwet en de rechtspraak',
http://www.ivir.nl.
6. In het
voorgaande ging steeds om een verbod een bepaalde (of
soortgelijke) uitlatingen te herhalen. Hoe zit het met een
verbod van nog niet gepubliceerd materiaal of een nog niet
uitgezonden radio- of televisieprogramma?Ook hier lijkt het
erop dat de strijdigheid met de wet moet vaststaan, dus dat
men de inhoud moet kennen van de voorgenomen publicatie.
Althans zo, formuleerde de Pres. Rb. Den Haag het toen men
inzage in een te publiceren boek vroeg om te zien of er
onrechtmatige uitlatingen over eisers in stonden. 'De
strekking van de vordering is geen andere dan om gedaagden in
een situatie te brengen dat zij voorafgaand verlof nodig
hebben en is daarmee in strijd met het uitgangspunt van de
grondwetgever'(Pres. Rb. Den Haag 17 december 1993,
Mediaforum 1994-2, p. B23-B24). Van recenter datum is het
arrest van Hof Den Bosch, dat een publicatieverbod van de Rb.
Maastricht vernietigde. Die had op vordering van de
burgemeester van Beek verboden dat De Limburger een artikel
publiceerde indien de burgemeester vóóraf geen inzage werd
gegeven en hij niet 24 uur de gelegenheid had gekregen om
daarop commentaar te geven'. De rechter moet immers, aldus het
Hof, om een juiste belangenafweging te kunnen maken,
nauwkeurig nagaan wat hij precies verbiedt (18 februari 1999,
NJ 2000, 369; ook Mediaforum 1999-3, nr. 17).
Zie voorts Hof Amsterdam 13 september 1984, NJ 1985, 409.
7. Bij een
televisie-uitzending is het gemakkelijker om vooraf naar de
rechter te stappen omdat de benadeelde partij vaak weet dat er
opnamen zijn gemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval als de
overvaljournalistiek wordt gehanteerd op de wijze zoals Pieter
Storms van het programma Breekijzer gewoon is te doen en één
van zijn voorgenomen uitzendingen leidde tot bovenvermeld
arrest van de Hoge Raad. De feiten kan men er op nalezen bij
Hof Amsterdam 14 juni 2001, Mediaforum 2001-10, nr. 38
of in de conclusie van de A-G Keus, bij
http://www.rechtspraak.nl AF3416. Zij komen er
op neer dat Storms weer eens een iemand met draaiende camera
had overvallen, tumult had veroorzaakt, de desbetreffende
persoon beschuldigd had van feiten die hij niet kon hard
maken, hem geen gelegenheid had gegeven te reageren en
dergelijke. Dat het in casu onrechtmatig zou zijn de daarbij
gemaakte opnamen uit te zenden, daarover waren partijen het
eens. De meeste opnamen had Storms de rechter laten zien. Het
gaat in cassatie vooral nog om de vraag of de voorgenomen
uitzending door een rechterlijk verbod getroffen mocht worden
(r.o. 4.2 en 4.3.1).
8. Storms komt
met een constitutioneel bezwaar tegen zo'n rechterlijk verbod
nu het om een omroepuitzending gaat. In artikel 7 lid 2
Grondwet staat dat er geen voorafgaand toezicht is op de
inhoud van een radio- of televisieuitzending, maar in dat
tweede lid ontbreken de woorden 'behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens de wet'. Volgens de toelichting
op het cassatiemiddel (zie de conclusie van de A-G) vormen die
woorden in het 1e lid het plechtanker dat Drion in
deze clausule zag voor een rechterlijk verbod en die clausule
ontbreekt in lid 2. Ergo artikel 7
lid 2 Grondwet vormt een absoluut beletsel
voor een rechterlijk uitzendverbod. De Hoge Raad wijst echter
op de eerste zin van artikel 7 lid 2: 'De wet stelt regels….'
Deze regels mogen weliswaar niet zover gaan dat daarbij
voorafgaand toezicht van overheidswege op de inhoud van een
uitzending zou kunnen worden ingesteld, maar er bestaat geen
reden om aan te nemen dat het grondwettelijke censuurverbod in
de weg zou staan aan de bevoegdheid van de rechter om met het
oog op een effectieve rechtsbescherming een uiting die jegens
een ander onrechtmatig is te verbieden. De Hoge Raad wijst nog
expliciet op art. 3:296 BW op grond waarvan de rechter iemand
kan veroordelen tot het doen of nalaten van iets waartoe hij
wettelijk of contractueel verplicht is. De Hoge Raad maakt
hier dus onderscheid tussen voorafgaand overheidstoezicht
op een voorgenomen uiting (hetgeen onder het censuurverbod
valt) en een
rechterlijk verbod van een onrechtmatige uiting (hetgeen de
grondwet niet onmogelijk maakt) en zegt dat dat voor alle in
artikel 7 Grondwet genoemde censuurverboden geldt. Let ook op
de nadruk die de Hoge Raad legt op het belang van een
effectieve rechtsbescherming dat de rechter heeft te dienen.
Het probleem bij schadelijke publicaties is dat het kwaad
meestal reeds is geschied. Wil men dat voorkomen dan heeft de
rechter daar het instrumentarium voor in 6:162 en 3:296 BW, zo
lijkt de Hoge Raad te zeggen, want dat valt onder het
'behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet' c.q.
'de wet stelt regels' in artikel 7 van de Grondwet.
9. Storms klaagt
ook over schending van artikel 10 EVRM. De Hoge Raad gaat in
r.o. 4.3.4 de stappen van lid 2 na: voorzien bij wet in art.
6:162 en 3:296 BW onder verwijzing naar rechtspraak van het
EHRM met betrekking tot de voldoende kenbaarheid en voldoende
precisie waaraan ongeschreven rechtsnormen, zoals de
zorgvuldigheidsnorm moeten voldoen en waaraan artikel 6:162
voldoet. De beperking dient het belang van de bescherming van
de goede naam of de rechten van anderen en de beperking is in
een democratische samenleving noodzakelijk ter bescherming van
dit belang. Het oordeel van het Hof over een en ander acht de
Hoge Raad juist en niet onbegrijpelijk. De bevoegdheid van de
rechter een voorgenomen uitzending te verbieden is dus wél een
beperking van de uitingsvrijheid die moet worden getoetst aan
de criteria van artikel 10 lid 2 EVRM, in het bijzonder het
noodzakelijkheidscriterium.
10. Het tweede
cassatiemiddel kiest – terecht volgens de A-G – als
uitgangspunt dat de rechter het uitzenden van onrechtmatige
opnamen slechts dan mag verbieden, als vaststaat dat het
verbod door een dringende sociale noodzaak in een
democratische samenleving wordt gerechtvaardigd. Om dat te
kunnen beoordelen moet de inhoud van de opnamen met een
voldoende mate van nauwkeurigheid vaststaan, hetgeen volgens
de A-G een feitelijke vraag is.
Volgens de Hoge Raad heeft het Hof geoordeeld
dat op grond van het ter terechtzitting getoonde ruwe
materiaal van de opnamen met voldoende mate van nauwkeurigheid
vaststaat wat de inhoud van het desbetreffende
programma-onderdeel is. Maar Storms klaagt erover dat het Hof
dat ook oordeelde van bepaalde niet ter zitting getoonde
beelden. Dit middel miskent volgens de Hoge Raad dat ook op
andere wijze dan op grond van eigen waarneming voldoende
duidelijk kan komen
vast te staan wat de opnamen inhouden. Hieruit mag men
afleiden dat de Hoge Raad ook uitgaat van de eis dat de inhoud
met voldoende mate van nauwkeurigheid bekend moet zijn om te
kunnen oordelen over de onrechtmatigheid ervan en om te kunnen
oordelen over de noodzaak in een democratische samenleving van
een uitzendverbod. De rechter hoeft de voorgenomen uitzending
echter niet per se te hebben gezien. Niet bestreden
mededelingen ter zitting kunnen bijvoorbeeld ook leiden tot de
vaststelling dat de inhoud in voldoende mate vaststaat. Zie
bijvoorbeeld het vonnis Pres. Rb. Amsterdam waarin Storms werd
verboden de opnamen uit te zenden van een jongeman bij de door
Storms geregisseerde maar door de jongeman niet gewilde
confrontatie met zijn natuurlijke moeder. (Pres. Rb. Amsterdam
28 november 1996, KG 1996, 381).
11. Men hoeft de
gemaakte beelden of de voorgenomen uitzending niet aan de
rechter te tonen. Zou dat het geval zijn dan zou men, om met
Pres. Rb. Den Haag zoals hierboven vermeld te spreken
gedaagden 'in een situatie te brengen dat zij voorafgaand
verlof nodig hebben' en dat zou in strijd met het uitgangspunt
van de grondwetgever. Door de beelden niet aan de rechter te
tonen kan men het hem dus wel moeilijk, zij het niet
onmogelijk, maken de inhoud van de voorgenomen uitzending met
voldoende mate van nauwkeurigheid vast te stellen.
12. Het arrest
bevat nog twee interessante overwegingen over het
portretrecht. Niet alleen spreekt de Hoge Raad – nadat
daarover in lagere rechtspraak al eerder voorbeelden van te
vinden zijn -voor het eerst uit dat televisie-opnamen ook een
portret kunnen zijn. Noch de tekst noch de strekking van art.
21 Auteurswet geeft grond voor de opvatting dat de technische
wijze van vervaardiging van een portret beslissend is (r.o.
4.6.2). Belangrijker is echter de uitleg die de Hoge Raad in
r.o. 4.6.3. geeft aan zijn eigen Naturiste-arrest.
In ons boekje Portretrecht voor iedereen
(Amsterdam: Mets & Schilt 2003) werpen Dirk Visser en ik nog
de vraag op of van
een portret gesproken kan worden als niets van het gelaat
zichtbaar is. De opvatting dat uitsluitend de afgebeelde
gelaatstrekken tot herkenning moeten leiden en dat daarbij
niet ook een typerende lichaamshouding een rol mag spelen,
vindt geen steun in het recht volgens dat Naturiste-arrest.
Zouden de woordjes 'daarbij' en 'ook' er op kunnen duiden dat
in elk geval nog iets van het gelaat zichtbaar moet zijn, zo
vragen wij ons af. Storms verwijt nu het Hof niet te zijn
ingegaan op zijn stelling dat de uitzending niet kon worden
verboden indien het gelaat van de betrokkene wordt 'afgeblokt'
of in het beeld volledig onherkenbaar wordt gemaakt. Daarover
zegt de Hoge Raad dat het geheel (curs. GS) of
gedeeltelijk onherkenbaar maken van het gelaat van een
afgebeelde persoon niet eraan in de weg behoeft te staan dat
sprake is van een portret in de zin van art. 21 Aw, nu ook uit
hetgeen de afbeelding overigens toont, de identiteit van die
persoon kan blijken. Dus ook de bekende foto's van het
achterhoofd van Pim Fortuyn, van Johan Cruijff op de rug
gezien met rugnummer 14, van Ruud Gullit met zijn rastahaar
zijn portretten in de zin van art. 21 Aw. omdat deze personen
herkend worden of kunnen worden.
13. Interessant
is nog het obiter dictum van de Hoge Raad dat door afbalken of
anderszins onherkenbaar maken van het gelaat het onrechtmatige
karakter van een uitzending niet wordt
weggenomen, maar eerder wordt geaccentueerd,
aangezien bij het grote publiek immers allicht de indruk zal
ontstaan dat een aldus afgebeelde persoon als verdachte, zo
niet schuldige moet worden aangemerkt. Balkjes criminalisen!
14. Samenvattend
kan men uit dit arrest concluderen dat de rechter bevoegd is
tot een publicatie c.q. uitzendverbod, mits dat (dringend)
noodzakelijk is in een democratische samenleving met het oog
op een effectieve rechtsbescherming. Deze noodzakelijkheid kan
pas worden beoordeeld als de inhoud van de voorgenomen
publicatie c.q. uitzending in voldoende mate vaststaat. Die
vaststelling hoeft evenwel niet per se uit eigen waarneming te
geschieden.
15. Het arrest
zal Drion genoegen doen. |