| Voorlichting is uit;
communicatie is in. Dat geldt niet alleen voor het
bedrijfsleven, dat geldt ook voor de overheid. Ook de overheid
moet een pro-actief beleid voeren in de communicatie met de
burgers, zowel rechtstreeks als via de media. Het kabinet
heeft dit standpunt bepaald in reactie op het rapport 'In
dienst van de democratie' van de commissie Toekomst
Overheidscommunicatie. [1]
De commissie onder voorzitterschap van oud-Tweede-Kamerlid
Jacq Wallage adviseerde het accent van het beleid te verleggen
van voorlichting naar communicatie. Maak alle beschikbare
informatie snel via het internet – wereldwijd! – voor de
burgers bereikbaar, biedt een beleidsagenda of
activiteitenindex aan met een voor ieder raadpleegbaar
register van de bijbehorende informatie en voer een pro-actief
communicatiebeleid, ook voor niet aanvaard beleid. Het kabinet
wil deze adviezen, zij het met enige nuances, overnemen. Als
dat ook door het parlement wordt gedragen, dan zal dat een
niet-onbelangrijke omslag voor onze openbaarheid van
overheidsinformatie bewerkstelligen. Van het
informatiestelsel, zoals in 1970 voorgesteld door de commissie
onder voorzitterschap van ('Open' Barend) Biesheuvel en
neergelegd in de WOB in 1978 gaan we onherroepelijk toe naar
een stelsel waarin openbaarheid van documenten het
uitgangspunt is. In combinatie met een grondwettelijke basis
in het hoofdstuk 'Grondrechten' betekent dat een kleine
juridische aardverschuiving, die positief moet worden begroet.
Het rapport van de Commissie-Wallage schiet echter zijn doel
voorbij waar het een pro-actieve communicatie aanmoedigt, ook
met betrekking tot niet aanvaard beleid. Hoewel het kabinet
het iets voorzichter formuleert, gaat het kabinet hierin mee
met de commissie. Daar zijn ernstige bedenkingen tegen aan te
voeren. Wereldwijd betekent niet dat er geen grenzen zijn aan
de overheidsvoorlichting.
De commissie-Wallage maakt
weinig woorden vuil aan de juridische implicaties. Het rapport
is vooral een beleidsadvies. Eénmaal wordt er gesproken over
een 'recht op communicatie', maar in een voetnoot wordt er
haastig aan toegevoegd, dat dat bedoeld is als
politiek-bestuurlijk uitgangspunt, niet als formeel in de wet
te verankeren recht! En voorts zijn er uiteraard enkele
verwijzingen naar de Grondwet en de Wet Openbaarheid van
Bestuur, maar daar blijft het bij. Een juridische bezinning op
de grondslagen en grenzen van de overheidsvoorlichting
ontbreekt. [2] Het rapport
is niet verstoken van communicatiejargon, soms vaag, soms met
voor de hand liggende vanzelfsprekendheden ('de burger
bestaat niet'!), maar dat komt omdat het voor een deel ook een
(overigens knappe en leesbare) samenvatting is van
onderliggende deelrapporten, die in een dik pak bijlagen zijn
opgenomen en waarin van nog véél meer jargon te genieten valt.
Opvallend daarin is – in dit verband - een kort maar
glashelder stuk van nog geen drie A-4-tjes van vier – jawel –
juristen over de actieve openbaarheid, de
informatieverstrekking uit eigen beweging, onder de WOB.
[3]
Overheidsvoorlichting en
openbaarheid van overheidsinformatie zijn in Nederland bij
herhaling onderwerp geweest van studie in commissoriaal
verband. [4] De
Commissie-Van Heuven Goedhart zette in 1946 de uitgangspunten
voor voorlichting door de overheid neer in een periode dat men
in ons land en elders om begrijpelijke redenen uiterst
gevoelig was voor overheidspropaganda. Voorlichting moest zich
volgens die commissie dan ook beperken tot een verduidelijking
van het beleid. Propaganda – gedragsbeïnvloedende voorlichting
– mocht uitsluitend voor beleid in kwesties waarover in onze
politiek, religieus en cultureel pluriforme samenleving
redelijkerwijze geen controverse bestond. Ook wanneer
'waarlijk nationale belangen begrepen en gediend moesten
worden' kon propaganda soms een taak zijn van de overheid.
Verder mocht men daarmee niet gaan. De informatievoorziening
van de overheid geschiedde aan journalisten en deze zorgden er
op hun beurt voor dat deze informatie via de media bij hun
lezers en luisteraars bekend werd. Rechtstreekse communicatie
met burgers was een zeldzaamheid.
De Commissie-Biesheuvel heette officieel Commissie
Heroriëntatie Overheidsvoorlichting. Zij kwam in een rapport
'Openbaarheid Openheid' in 1970 met het voorstel een recht op
openbaarheid voor iedere burger te creëren. Dat werd de Wet
Openbaarheid van Bestuur met een tweeledige opzet: iedere
burger heeft onder bepaalde voorwaarden recht op informatie
van de overheid over een door hem te noemen
beleidsaangelegenheid (niet 'document', want het werd een
informatiestelsel, géén documentenstelsel) én de overheid moet
ook ongevraagd ('uit eigen beweging', art. 8 WOB) informatie
verstrekken. [5] Dus niet
alleen persvoorlichting maar ook publieksvoorlichting; niet
alleen het doen uitgaan van persberichten maar ook de
productie van voorlichtingsbrochures voor het publiek.
Terughoudend was de commissie – in het voetspoor van de
Commissie-Van Heuven Goedhart – als het ging om
gedragsbeïnvloedende voorlichting. Dat was alleen toegestaan
bij alom aanvaard beleid (veilig verkeer-campagnes
bijvoorbeeld). De publieksvoorlichting kreeg ook een taak met
betrekking tot de inspraak van de burgers in beleidsvoornemens
(zoals bij bestemmingsplannen) en de 'brede maatschappelijke
discussies' (zoals over het gebruik van kernenergie).
Het rapport van de Commissie Heroverweging Voorlichting
Rijksoverheid, onder voorzitterschap van rijksvoorlichter Van
der Voet in 1984 verruimde de voorlichting tot
beleidsinstrument, bijvoorbeeld om een nieuwe regeling bekend
te maken of om op lange termijn de mentaliteit van mensen te
veranderen. Ook hier gold: alleen bij aanvaard beleid en bij
in de samenleving niet te controversiële onderwerpen. Zo staat
dat ook uitdrukkelijk in de memorie van toelichting bij
artikel 8 van de WOB. [6]
Ondertussen kwam bij de wijziging van 1983 artikel 110 in de
Grondwet te staan: 'De overheid betracht bij de uitvoering
van haar taak openbaarheid volgens regels bij wet te stellen'.
Dit voorschrift kwam in het hoofdstuk 'Wetgeving en bestuur'.
De informatieverschaffing werd gezien als een kwestie van goed
(want open) beleid, maar geen plicht. Van enig verband met de
in artikel 7 Grondwet gegarandeerde vrijheid van meningsuiting
wilde men niet weten, hoezeer men ook kan betogen dat de
vrijheid om met elkaar te discussiëren ernstig belemmerd, zo
niet onmogelijk, wordt als men niet beschikt over relevante
informatie van de zijde van de overheid. Tegen een
informatieplicht – anders dan bij wet te regelen – had de
grondwetgever ernstig bezwaar. Zelfs een instructienorm in het
grondrechtenhoofdstuk ging te ver. Vandaar de plaatsing in
hoofdstuk 5. [7] Thans
begroet de commissie-Wallage juichend het door het kabinet
inmiddels overgenomen voorstel van de Commissie 'Grondrechten
in het digitale tijdperk' om aan de grondrechtencatalogus een
subjectief recht op toegang tot bij de overheid berustende
informatie toe te voegen en om een specifieke zorgverplichting
voor de overheid in het leven te roepen ten aanzien van de
toegankelijkheid van bij de overheid berustende informatie.
[8]
Na deze korte schets begrijpt men dat de commissie-Wallage min
of meer revolutionair bezig is geweest. Goed, de verankering
in de Grondwet komt van de commissie-Franken en het 'zet alles
op het internet' is in deze tijd ook geen trouvaille, maar
nieuw is in elk geval wel dat de commissie niet 'openheid en
openbaarheid' als leitmotiv heeft genomen, maar 'communicatie'
tussen overheid en burgers.
Onder het motto 'de burger bestaat niet', onderscheidt
de commissie de burger als kiezers, als co-producenten van
beleid, als klanten en als onderdanen. De overheid zou gebruik
moeten maken van de technologische mogelijkheden rechtstreeks
met de burgers te communiceren en dat in een vorm, die is
afgestemd op de onderscheiden posities waarin de burger kan
verkeren. Dat begrijpen we. We begrijpen ook nog dat de
overheid moet antwoorden als haar per e-mail of via Postbus 51
door een burger iets gevraagd wordt ('communicatie' weet u
wel). Maar in zijn aanbiedingsbrief schrijft de voorzitter,
dat communicatie over beleid onvoldoende is geworden,
communicatie is steeds meer een onderdeel van beleid
geworden: 'In de termen van de commissie: communicatie is
steeds minder alleen de vertaling achteraf van eenmaal gekozen
beleid, maar dient in het hart van het beleidsproces plaats te
vinden.' Het kabinet volgt: 'In het bedrijfsleven wordt
'corporate communicatie' als onmisbare randvoorwaarde
beschouwd voor succesvol opereren. Voor het rijk geldt dat een
samenhangende presentatie en passende beeldvorming in termen
van bestuurlijk gezag en publiek vertrouwen, kunnen worden
gezien als randvoorwaarden voor transparantie, interactiviteit
en voor meer en beter bereik'.
Dit is zowel voor de commissie als voor het kabinet de opmaat
om later het 'pro-actieve communicatiebeleid met betrekking
tot niet aanvaard beleid te kunnen aanmoedigen en wel volgens
de commissie in 'de slag om het publieke vertrouwen'.
Die 'slag om het publieke vertrouwen', waarover de
commissie bij herhaling spreekt, zint me niet. Moeten wij,
burgers, de overheid vertrouwen? Ik dacht juist niet! Onze
controlerende democratie is immers gebaseerd op georganiseerd
wantrouwen: checks and balances. Gelukkig lijkt het kabinet
hier enigszins afstand te nemen van de commissie-Wallage. Het
kabinet beschouwt zich niet als gewikkeld in een permanente
slag om het publieke vertrouwen: 'De regering regeert en
legt verantwoording af aan het parlement, dat controleert'
. Niettemin acht het kabinet het wenselijk de grenzen voor
voorlichting over niet-aanvaard beleid opnieuw te bepalen.
Hier is iets nieuws aan de hand, als we ons nog even de grote
terughoudendheid op dit punt van de commissies Van Heuven
Goedhart, Biesheuvel en Van der Voet in herinnering brengen.
De commissie-Wallage schrijft onverbloemd: 'Waar de
burgers, via nieuwsvoorziening én betaalde informatie door de
critici van het beleid ruimhartig van contra-informatie worden
voorzien, is het niet meer dan redelijk dat ook de regering in
dit stadium van de beleidsontwikkeling alle informatiekanalen
kan gebruiken'. Ik begin hier heel erg achterdochtig te
worden. Dat een minister zijn voorgenomen beleid niet alleen
tegenover het parlement, maar ook in en tegenover de media
verdedigt, is niet meer dan normaal, maar als ook zijn
voorlichtingsdiensten gaan meedoen met een
communicatie-offensief, dan ga ik als eenvoudig burger die
voorlichting niet meer vertrouwen. De commissie stelt terecht
allerlei juiste en strikte voorwaarden aan dat pro-actief
beleid met betrekking tot niet aanvaard beleid en het kabinet
volgt de commissie daarin, maar ik geloof er geen snars van
dat dat in de praktijk wat wordt. Ik ben bang dat de
overheidsvoorlichting, als de voorlichtingsprincipia van Van
Heuven Goedhart, Biesheuvel en Van der Voet 'offensiever',
uitgelegd gaan worden, zoals de commissie-Wallage wenselijk
acht, zo niet propagandistisch, dan in elk geval
gelijkhebberig en ruziënd van toon, kortom verpolitiekt,
wordt.
Hier is de commissie met het door haar gekozen thema 'niet
voorlichting, maar communicatie' in haar eigen zwaard gevallen
en het kabinet dreigt hetzelfde te doen, als het op dit punt
niet duidelijker afstand neemt van de commissie. Communicatie
veronderstelt twee gelijkwaardige partijen. De overheid is
echter geen gelijkwaardige partner van de burger. De overheid
beschikt over informatie ('kennis = macht'), die de burger
ondanks alle passieve en actieve openbaarheidsverplichtingen
bijna altijd eerst nog moet zien los te peuteren vóór hij wat
dat betreft op gelijke voet met de overheid kan communiceren.
De andere kant van de medaille is, dat een politiek
verantwoordelijk persoon zijn 'beleid mag verkopen', maar als
zijn voorlichtingsdienst dat gaat doen, het, alle strikte
voorwaarden ten spijt, heel gauw propaganda wordt. En
prograganda is geen communicatie, maar volksverlakkerij, zoals
we allemaal weten. Ook hier is de overheid niet gelijkwaardig
aan de burger, want de overheid beschikt over een ruim budget.
Als men het woord 'propaganda' te zwaar vindt, dan zeg ik dat
voorlichting en 'communicatie' niet mogen verzanden in
deelname aan het politieke debat. Dat wordt het wel als ik de
commissie goed begrijp. Lees maar: 'In een turbulente
mediaomgeving waar reputaties – ook van beleidsvoornemens –
sneller zijn beschadigd dan gemaakt, moet de overheid
voldoende ruimte hebben inhoud en context van het voorgenomen
beleid bij de burger te brengen, opdat deze juist ook richting
de volksvertegenwoordiging voorkeuren kan uitspreken,
gebaseerd op hoor- en wederhoor van voor- en tegenstanders'.
Dit is maar voor één uitleg vatbaar: de burgers moeten
gemobiliseerd worden met als doel de volksvertegenwoordiging
mee te krijgen met bepaalde voorstellen.
Voor de goede orde: de burger moet inderdaad op de overheid
kunnen vertrouwen als het gaat om informatieverstrekking. De
informatie moet betrouwbaar zijn, sec en zonder
waarde-oordelen en ongeacht het politieke belang van de
zittende bewindsman of -vrouw. Als wij die informatie gekregen
hebben en bestudeerd, dan zullen wij wel bepalen of wij
de overheid vertrouwen of blijven wantrouwen. Al zijn de
burgers in sommige opzichten inderdaad 'klanten' van de
overheid en al moet de overheid dan inderdaad
'klantvriendelijk' optreden, de overheid is geen onderneming
die het publiek gunstig moet stemmen ten aanzien van haar
producten of diensten en zeker niet als het gaat om
beleidsvoornemens die een bepaalde bewindsman er door wil
krijgen.
Nu weet ik uiteraard ook wel, dat een dergelijk pro-actief
communicatiebeleid met betrekking tot niet aanvaard beleid,
gevoerd wordt onder politieke verantwoordelijkheid van de
desbetreffende minister en dat hij als zijn 'voorlichting' al
te propagandistisch wordt door de Tweede Kamer ter
verantwoording kan worden geroepen, maar deze politieke
controle wordt veelal uitgeoefend binnen de bestaande
politieke machtsverhoudingen. De wens een coalitie in stand te
houden belemmert vaak het gebruik van het uitsterste middel,
het heenzenden. Maar zelfs als een minister om zijn
'communicatiebeleid' tot aftreden gedwongen wordt, dan is het
kwaad al geschied en kan de gehele voorlichtingsdienst mét de
minister vertrekken, want die is qua betrouwbaarheid
afgeschreven.
Ik zou de commissie onrecht doen als ik niet nog eens
benadruk, dat de commissie zélf ook strikte voorwaarden stelt
aan een pro-actief beleid: de informatie dient feitelijk van
aard en zakelijk (dat wil zeggen: niet wervend) van
toonzetting te zijn. Ook dient de communicatie herkenbaar te
zijn als afkomstig van de overheid. De inhoud van het beleid
dient centraal te staan, niet de persoon van de politicus en
verder zijn eisen van proportionaliteit van belang en moet
worden aangegeven in welke fase van het beleidsproces men zich
bevindt. Ook deze randvoorwaarden worden door het kabinet
overgenomen en opgenomen in nieuwe beleidsuitgangspunten. Ik
kan echter niet geloven, dat daar in de praktijk iets van
terecht komt. Papier is geduldig en, zoals gezegd, de
politieke controle kan gebrekkig zijn en een rechterlijke
toetsing aan zoiets als algemene beginselen van behoorlijke
overheidsvoorlichting, kan slechts marginaal zijn, omdat het
vooral gaat om beleid. De commissie liet wel een kans liggen
hier verder op in te gaan, hoewel dr. Jurgen van der Heijden
in het digitale debat dat de commissie via het internet heeft
geëntameerd, hiertoe een voorzet gaf door de introductie van
deze beginselen voor te stellen.
[9] Overigens had ook
Wopereis in zijn dissertatie daar al aandacht aan besteed.
[10] Had de commissie
hierover óók maar advies gevraagd aan die vier juristen! De
principia voor de voorlichting van de rijksoverheid, zoals in
1985 geformuleerd door de interdepartementale
Voorlichtingsraad zouden m.i. overigens nog zeer goed als
uitgangspunt voor dergelijke 'algemene beginselen van
behoorlijke overheidsvoorlichting' kunnen fungeren.
[11]
Mijn wantrouwen tegen dit voorstel van de commissie wordt
versterkt door een aantal passages in het rapport over de
media, waarachter een groot stuk frustratie van
voorlichtingsambtenaren schuil gaat. In De Journalist
zegt commissie-voorzitter Wallage: 'Er is in de commissie een
flinke clash geweest tussen journalisten en voorlichters. De
voorlichters waren aanvankelijk héél negatief over de
journalistiek'. [12] De
ruzie is bijgelegd met de conclusie dat beide beroepsgroepen
zich moeten toeleggen op hun eigen professionaliteit. Mooi,
maar het rapport ademt nog op verscheidene plaatsen die
ontevredenheid van voorlichters over de inhoud van de media.
Er worden 'vanuit het belang dat de burger heeft bij
betrouwbare berichtgeving wel vragen opgeroepen' en
'Een actief correctiebeleid (is) een belangrijk onderdeel van
een pro-actief mediabeleid. In het geval er feitelijk onjuiste
berichtgeving verschijnt, is het zaak deze direct te
corrigeren, om zo te voorkomen dat deze een eigen leven gaan
leiden'.
Men beluistert hier de voorlichter, die klaagt dat een
journalist zijn persbericht niet goed heeft bewerkt. Nu zijn
voorlichters per definitie ontevreden over hoe er over hun
stukken en die van hun beleidsmakers geschreven en omgeroepen
wordt. Soms is dat terecht, want er gaan in de journalistiek
een heleboel dingen mis. Maar men dient niet te vergeten dat
de journalistiek een geheel andere functie heeft. Als een
journalist een beleidsnota van een minister – of het met veel
ijver en nauwgezetheid door een ambtenaar gemaakte persbericht
er over – integraal in de krant zou zetten, zou geen hond dat
lezen. De journalist zou dan niet communicatief bezig zijn. De
journalist moet zijn bericht dus zo presenteren dat de lezer
snel te weten komt wat voor hem van belang kan zijn, zonder
mitsen en maren en details. Dan valt er wel wat over de rand
en soms wordt er wel eens iets verdraaid. Niettemin heeft de
journalist zijn signaalfunctie vervuld en dat is belangrijker.
Trouwens, als de journalist wél een correct bericht heeft
gemaakt, is nog geenszins bekend wat daarvan bij al die
lezers, kijkers of luisteraars blijft hangen. Op zijn
gunstigst veel halve waarheden, zoals de ervaring leert.
Dat is echter allemaal niet erg. Het gaat erom dat de burger
door de media op het spoor is gezet en meestal geschiedt dat
redelijk betrouwbaar. Soms verschaffen de media
achtergrondinformatie over het hoe en waarom en soms uiten zij
kritiek of vormen zij een platform voor kritiek van anderen.
Als de burger bepaalde informatie echt correct en volledig
nodig heeft kan hij natuurlijk nimmer op een kranten- of
omroepbericht afgaan. Dan moet hij de beschikking kunnen
krijgen over het onderliggende document. Dan komt hij bij de
overheid terecht, die hem dat stuk moet verschaffen, al dan
niet vergezeld van het correcte en volledige, maar dus saaie
en taaie, persbericht. Kortom, dat correctief
overheidsoptreden 'om te voorkomen dat het een eigen leven
gaat leiden' is helemaal niet nodig, als de echte
belanghebbenden, gesignaleerd door het kranten- of
omroepbericht snel over het volledige onderliggende stuk van
de overheid kunnen beschikken. Niet méér en niet minder wordt
van een actieve overheidsvoorlichting verwacht.
Hoezeer het rapport dus ook spreekt van de eigen
professionaliteit van enerzijds journalisten en anderzijds
voorlichters, de laatsten hebben in het rapport flink hun gram
gehaald en een in hun midden lang gekoesterde wens in
vervulling zien gaan: met eigen middelen en eigen moderne
media rechtstreeks de burgers bereiken, zonder tussenkomst van
die lastige en onbetrouwbare media. Er is uiteraard niets op
tegen dat de moderne communicatiemedia ingezet worden in de
communicatie tussen overheid en burger. Maar correcte en
volledige informatie is nu eenmaal saai en taai en dus minder
toegankelijk. Dus loopt men het gevaar dat het doel de burgers
te bereiken wordt gemist. Als daardoor bij voorlichters de
neiging zou ontstaan op hun beurt de boodschap te gaan
verpakken en in te kleden, dan zouden we even ver van huis
zijn. Dan heb ik nog altijd liever, dat een boodschap door een
onafhankelijke journalist voor mij wordt vertaald dan door een
ambtenaar. Tegen deze achtergrond moeten wij achterdochtig
zijn als het kabinet schrijft dat de overheid er niet is met
alle overheidsinformatie passief beschikbaar te maken, maar
dat zij die ook actief beschikbaar en toegankelijk moet maken
door deze te structureren, te bewegwijzeren en in zijn context
te plaatsen.
Laat ik na deze wantrouwige
kritiek nog eens benadrukken, dat de commissie een aantal
verstandige voorstellen doet. De verstandige voorstellen zijn
de reeds genoemde beschikbaarheid van zoveel mogelijk
informatie via het internet en de activiteitenindex in
samenhang met een informatieregister. Het kabinet neemt deze
voorstellen in grote lijnen over, al wil het met de
beschikbaarheid via het internet wat minder hard lopen.
Verstandig zijn ook de opmerkingen van de commissie over het
afstemmen van de communicatie op het bepaald type burger dat
men op het oog heeft, het betrekken van de burgers bij de
beleidsontwikkeling (discussie niet alleen via de traditionele
media maar ook via discussiegroepen op het internet!) en het
gebruik maken van de nieuwe communicatietechnologie. Hoewel de
commissie – en in haar voetspoor het kabinet – ook wijze
dingen zegt over de voorwaarden waaronder over niet aanvaard
beleid met de burgers mag worden gecommuniceerd, meen ik dat
hier grote gevaren liggen. Ik ben ik er niet gerust op dat een
pro-actief communicatiebeleid van de overheid zich aan die
voorwaarden zal houden, mede omdat het moeilijk anders dan
politiek te toetsen is. Ik vrees eerder dat het
voorlichtingsbeleid dan op zijn best verzandt in politiek
gekrakeel en op zijn slechts in ordinaire propaganda. Een
geluk daarbij is, dat als het voorstel wordt overgenomen om de
WOB in een documentenstelsel te wijzigen, wij de informatie
wel snel kunnen controleren. Dat zal dan hard nodig zijn.
Gerard Schuijt is
hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam en bijzonder
hoogleraar mediarecht aan de Universiteit Leiden. Van
1970-1980 was hij secretaris, resp. algemeen secretaris van de
Nederlandse Vereniging van Journalisten. Voordien was hij vier
jaar journalist en één jaar voorlichter.
[1]
http://www.toekomst-com.nl; Kamerstukken II
2001/02, 26 387, nr. 12; in dit stuk reageert het kabinet
tevens op het rapport van de commissie-Docters van Leeuwen '
ICT en Overheid'. Daarop wordt in deze bijdrage niet ingegaan.
[2] Vergelijk bijvoorbeeld
de dissertatie van Wopereis van 1996: L.W.M.Wopereis, De
grondslagen en grenzen van overheidsvoorlichting, (diss.
UvA), Den Haag: Sdu 1996. Uit het rapport blijkt niet dat de
commissie deze studie heeft geraadpleegd.
[3] Bijlage 13 handelt
i.h.b. over de vraag wanneer aan de actieve openbaarheid
gestalte kan worden gegeven zonder dat daarbij de
beleidsintimiteit in het stadium van de beleidsvoorbereiding
geschonden wordt. Het werd geschreven door mr. G. Wuisman, mr.
drs. H. Flier, mr. P. Stolk en mr. L. van Poelgeest.
[4] Zie daarover bijlage 8
van het rapport en Wopereis 1996 (zie noot 2),
hoofdstuk 3, p. 49-96.
[5] Wet van 9 november
1978, Stb. 1978, 581, gewijzigd bij Wet van 31 oktober
1991, Stb. 1991, 703.
[6] Kamerstukken II
1986/87, 19 859, nr. 3, p. 30.
[7] Zie hierover
J.M. de Meij e.a.,
Uitingsvrijheid.
De vrije informatiestroom in grondwettelijk perspectief,
Amsterdam: Cramwinckel 2000, p. 129-132.
[8] Kamerstukken II
2000/01, 27 460, nr. 1.
[9] Bijlage 16, p. 14-15.
[10] Zie
noot 2.
[11] Bijlage 6.
[12] De Journalist
7 september 2001, p. 6-7.
|