Mediaforum 2000-11/12, nr. 69, Gijzeling journalist;

Mediaforum 2000-11/12, nr. 70, Opheffing gijzeling journalist;

Noot G.A.I. Schuijt

Verschenen in Mediaforum 2000-11/12


 
Mediaforum 2000-11/12, nr. 69, Gijzeling journalist
Hof Amsterdam 28 september 2000

Beschikking in raadkamer op het verzoek van:
Koen Voskuil, geboren op 8 juli 1975, wonende te Amsterdam
thans verblijvende in het huis van bewaring Havenstraat te Amsterdam,

houdende opheffing van de gijzeling zoals bevolen bij beschikking van het gerechtshof te Amsterdam, van 22 september 2000.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift van 22 september 2000, waarbij namens verdacht is verzocht de gijzeling op te heffen.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en de gegijzelde, bijgestaan door diens raadslieden mrs. R.S. Le Poole en J. Pen, advocaten te Amsterdam.

De beoordeling

De gegijzelde heeft verzocht zijn gijzeling op te heffen.
Daartoe hebben de raadslieden het volgende betoogd.

1 De gegijzelde is journalist en heeft, gelet op artikel 10 EVRM, het recht zich te verschonen van het beantwoorden van een hem gesteld vraag indien hij daardoor riskeert het bekend worden van zijn bron. Alleen indien zwaarwichtige belangen zich verzetten tegen het beroep van de journalist op zijn verschoningsrecht kan de journalist zijn beroep op dat recht worden ontzegd, aldus de raadslieden. Van dergelijke zwaarwichtige belangen is volgens de verdediging in casu geen sprake.

2 Het aangewende dwangmiddel gijzeling is disproportioneel en in strijd met het subsidirairiteitsbeginsel, nu door nader onderzoek - op andere wijze dan door gijzeling - de identiteit van de bron van de gegijzelde ook achterhaald kan worden. In dat verband heeft de verdediging gewezen op onderzoek door de rijksrecherche en het horen van de in de strafzaken van V., S., H. en K. opgegeven getuigen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

1 De gegijzelde heeft in raadkamer verklaard te volharden in zijn weigering de identiteit van zijn bron bekend te maken.

2 In beginsel heeft elke journalist, gelet op artikel 10, eerste lid, van het EVRM, het recht zich te verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag indien hij daardoor het bekend worden van zijn bron zou riskeren. Een beroep op dit recht behoeft echter niet te worden gehonoreerd wanneer openbaring van die bron in een democratische samenleving noodzakelijk is met het oog op een of meer van de in het tweede lid van voormelde verdragsbepaling bedoelde, door diegene die de journalist als getuige doet horen, te stellen en zonodig aannemelijk te maken belangen. In dat verband heeft de verdediging opgemerkt dat verdachten V., S., en H. tot langdurige gevangenisstraffen zijn veroordeeld, mede op basis van door leden van het Amsterdamse politiekorps op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Indien de mededeling van de politie-functionaris aan de journalist, zoals door deze laatste onder ede verklaard, juist is raakt dit mogelijk de veroordeling van de verdachten. Tevens raakt dit de integriteit van politie en justitie. Het hof acht deze belangen van zodanig gewicht dat het belang dat de gegijzelde heeft bij zijn beroep op het verschoningsrecht moet wijken.

3 Bij gelegenheid van de strafzaken tegen V., S., en H. op 22 september 2000 heeft de gegijzelde verklaard dat zijn bron een politie-functionaris is die aan beide onderzoeken tegen M.K. heeft deelgenomen. De advocaat-generaal heeft tijdens de behandeling van het verzoek van de gegijzelde op 27 september 2000 een op ambtseed opgemaakt procesverbaal overgelegd waarin de bij beide eerdergenoemde onderzoeken tegen K. betrokken politie-functionarissen op ambtseed hebben verklaard geen contact te hebben gehad met de gegijzelde. Voorts heeft de commissaris van politie J. van Riessen van het Amsterdamse politiekorps een verzoek doen uitgaan onder alle leden van het korps, inhoudende dat degene(n) die contact heeft/hebben gehad met de gegijzelde zicht te melden. Ook dit heeft niet geleid tot het bekend worden van identiteit van de bron van gegijzelde. Nu geen andere aanknopingspunten bekend zijn geworden is niet aannemelijk dat onderzoek door de rijksrecherche op redelijke termijn zal leiden tot opheldering van de in de strafzaken aan de orde gestelde oorzaak van de wateroverlast, daargelaten nog dat zo'n onderzoek tot gevolg zal hebben dat de afhandeling van de strafzaken tegen V., S. en H. ernstige vertraging zal oplopen. De suggestie van de verdediging eerst de in de strafzaken van K., V., S. en H. genoemde getuigen te horen alvorens de gegijzelde aan de tand te voelen, wordt verworpen reeds omdat deze getuigen in de strafzaak tegen K., welke stukken gevoegd zijn in de strafzaken van V., S. en H. , over het onderliggende geschilpunt uitvoerig zijn gehoord. Dit alles brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat de aanwending van het dwangmiddel in casu in strijd is met het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit.

4 Voor zover nodig wordt nog opgemerkt dat de door de verdediging tegen het bevel tot gijzeling, zoals gegeven ter zitting van 22 september 2000, aangevoerde bezwaren geen bespreking behoeven nu tegen zo'n bevel, gelet op artikel 294, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, geen rechtsmiddel openstaat.
Het verweer dat het bevel tot gijzeling niet binnen de in artikel 224 van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aan de gegijzelde is betekend, wordt verworpen reeds omdat dit bevel op de openbare terechtzitting, waar de gegijzelde als getuige is gehoord, aan de gegijzelde mondeling is medegedeeld, blijkens het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal in de zaken van V., S. en H.

5 Het contact van de advocaat met de gegijzelde wordt geregeld bij de penitentiaire regelgeving. Het hof treedt niet in de beoordeling van de toepassing van die regels.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het verzoek tot opheffing van de gijzeling moet worden afgewezen.

De beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de gijzeling.

Deze beschikking is gegeven op 28 september 2000, in raadkamer van dit hof door Mr. Boumans, voorzitter, mrs. IJland-van Veen en Wiewel, raadsheren, in tegenwoordigheid van Peeperkorn, als griffier.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.

 


Mediaforum 2000-11/12, nr. 70, Opheffing gijzeling journalist
Hof Amsterdam 9 oktober 2000

Gerechtshof te Amsterdam, zevende meervoudige strafkamer.
Beschikking ter openbare terechtzitting inzake de gijzeling van:
Koen Voskuil, Geboren op 8 juli 1975, wonende te Amsterdam,
thans verblijvende in het huis van bewaring Havenstraat te Amsterdam.

1 De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 22 september 2000 in de strafzaken tegen J.A. van S. en N. H. een bevel tot gijzeling gegeven van Koen V. voor ten hoogste 30 dagen en bepaald dat V. op 9 oktober 2000 aan het hof zal worden voorgeleid.

2 Beoordeling

2.1 Ter openbare terechtzitting van 22 september 2000 heeft V. onder ede als getuige verklaard, voor zover van belang:
‘De inhoud van de tip die ik in mijn artikelen toeschrijf aan een politieman van het Amsterdamse politiekorps en die ging over de wateroverlast was: "Dat hebben we er maar van gemaakt. Soms heb je net even een doorbraak nodig in je onderzoek. " Ik heb dit zo uit de mond van de politieman gehoord. Ik weet dat hij betrokken was bij een eerder onder zoek tegen K.’
Op de vraag: ‘Was deze man, de tipgever, betrokken bij het onderzoek op de Nachtwachtlaan 332 en op de hoogte van dat onderzoek?’ luidde het antwoord van V.: ‘Ja, de tipgever was op de hoogte en tevens betrokken bij dat onderzoek.’

2.2 Aan de dossiers in de strafzaken tegen Van S. en H. zijn nadien tien ambtsedige processen-verbaal toegevoegd.
Deze verbalen houden het volgende in.
Het door J.A. Olierook, hoofdinspecteur van politie werkzaam in de politieregio Amsterdam -Amstelland, als chef van het kernteam Amsterdam Amstelland Gooi- en Vechtstreek, opgemaakte proces-verbaal houdt in dat hij aan inspecteur R. Burggraaf opdracht heeft gegeven een onderzoek in te stellen naar de personen die onderzoek hebben verricht dan wel betrokken waren bij:
1. het onderzoek tegen K. betrekking hebbend op de wapen- en verdovende middelen vondst in perceel Nachtwachtlaan 332 te Amsterdam en
2. bij een eerdere zaak tegen K. voornoemd, een wapen en verdovende middelen vondst in 1994 door team 3 van de Dienst Centrale Recherche, in de Newtonstraat te Amsterdam. Het proces-verbaal dat Burggraaf voornoemd heeft opgemaakt naar aanleiding van het in verband met die opdracht ingestelde onderzoek houdt in, dat bij de twee bedoelde onderzoeken al dan niet zijdelings betrokken zijn geweest:
S. Snieder, brigadier van politie,
H. Bieze, brigadier van politie,
W. Japing, brigadier van politie,
T. Spel, hoofdagent van politie,
A. Budding, hoofdagent van politie,
H. van der Pluijm, brigadier van politie,
J. Kist, brigadier van politie,
N. Wagid Hosain, administratief medewerker.
Deze opsporingsambtenaren hebben ieder afzonderlijk in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal verklaard dat zij over deze onderzoeken en/of over enig ander feit nimmer contact gehad hebben met een man genaamd Koen V. of enige andere journalist. De administratief medewerker die bij beide onderzoeken betrokken is geweest, heeft verklaard, welke verklaring is neergelegd in een door R. Burggraaf voornoemd, opgemaakt proces-verbaal:
‘Ik heb op geen enkele wijze contact gehad met een journalist genaamd V. of welke journalist ook.’

2.3 Heden heeft V. verklaard bij zijn verklaring zoals afgelegd ter openbare terechtzitting van 22 september 2000 te blijven, ook nadat hem de lijst van verbalisanten zoals opgenomen in het door Burggraaf opgemaakte proces-verbaal is voorgehouden. De in die lijst genoemde verbalisanten voldoen aan de door V. genoemde kenmerken. Voorts heeft hij verklaard dat de naam van zijn bron niet voorkomt in het genoemde proces-verbaal van Burggraaf.

2.4 Ter terechtzitting zijn heden voorts gehoord:
N. Moinat, G. van Hoeven en J.A. Olierook. Voor zover deze ter zake hebben verklaard bevestigen ze dat dit de verbalisanten zijn die bij beide onderzoeken tegen K. betrokken zijn geweest.

2.5 Uit het vorenoverwogene kan niets anders worden afgeleid dan dat de verklaring van V., inhoudende dat hij de ten processe bedoelde informatie van een politiefunctionaris heeft gekregen die bij beide onderzoeken tegen K. betrokken was, geheel op zichzelf staat en op geen enkele wijze door verklaringen van anderen en/of de inhoud van schriftelijke stukken wordt ondersteund of bevestigd. In tegendeel: de verklaring van V. wordt door verklaringen van 10 verbalisanten op ambtseed dan wel onder ede afgelegd en een administratief medewerker van het bedoelde politiekorps tegengesproken.

2.6 Dit brengt het hof thans tot het oordeel dat aan de verklaring van V., voor zover inhoudende dat hij de informatie over de oorzaak van de wateroverlast van een bij de opsporingsonderzoeken tegen K. betrokken politieman heeft ontvangen, zoals afgelegd op openbare terechtzittingen van 22 september j.l. en heden steeds onder verband van de op 22 september afgelegde belofte, geen geloof kan worden gehecht.

2.7 Nu aan de verklaring van V. in de strafzaken tegen Van S. en H. geen betekenis toekomt, dient de gijzeling van V. ook geen enkel belang meer. Deze moet derhalve met onmiddellijke ingang worden opgeheven.

Beslissing

Het hof:
Heft met onmiddellijke ingang de gijzeling van Koen Voskuil op.

Aldus gedaan en uitgesproken op 9 oktober 2000 ter openbare terechtzitting van het gerechtshof te Amsterdam, zevende meervoudige strafkamer, waarin zitting hadden mr. Boumans, vice-president, mrs IJland - van Veen en Wiewel, raadsheren en in aanwezigheid van Peeperkorn als griffier.

 


Noot

Gerard Schuijt


1. Het Hof Amsterdam verraste op 22 september met het bevel een journalist te gijzelen omdat deze, als getuige in de strafzaak tegen de van wapenbezit verdachte Mink K. opgeroepen, weigerde de bron te noemen van een bericht dat hij had gepubliceerd. De verdediging hechtte waarde aan zijn getuigenis, omdat als het verhaal van de journalist juist zou zijn, het bewijs tegen de verdachte wellicht onrechtmatig verkregen zou zijn. Een politieman zou hebben verklaard dat lekkage slechts een voorwendsel was om een bezoek aan de woning van de verdachte te brengen, waarna inderdaad wapens gevonden werden. Daarmee werd gesuggereerd dat een of meer van de op ambtseed opgemaakt processen-verbaal van politie-agenten meinedig zouden zijn.

2. Tegen een bevel tot gijzeling staat géén rechtsmiddel open. De rechter is echter bevoegd het bevel tot gijzeling op te heffen, ook op verzoek van de getuige. Op een dergelijk verzoek beschikte het hof op 28 september negatief: zie de eerste hierboven afgedrukte beschikking. Op 9 oktober heeft het hof uit eigen beweging de gijzeling opgeheven; zie de tweede hierboven afgedrukte beschikking.

3. Sinds de zaak-Goodwin (EHRM 27 maart 1996, NJ 1996, 577 m.nt. E.J. Dommering; Mediaforum 1996-5 op. 73-74 m. nt. W.F. Korthals Altes) en het arrest-Van den Biggelaar (HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578 m. nt. E.J. Dommering; Mediaforum 1996-6, p. 89-92) geldt voor het verschoningsrecht van journalisten de regel ‘ja, tenzij’. Het ‘tenzij’ is door het EHRM aldus geformuleerd: het een journalist dwingen om zijn bron te noemen is een beperking van de uitingsvrijheid, die niet verenigbaar is met artikel 10 EVRM, ‘unless it is justified by an overriding requirement in the public interest’ (r.o. 39). Met dit uitgangspunt in gedachten dient men, aldus het Hof, een dergelijke maatregel te toetsen aan de noodzakelijkheid in een democratische samenleving en aan de doelcriteria van lid 2 van artikel 10. Er dient derhalve een dringende maatschappelijke noodzaak te zijn en het belang wat er mee beoogd wordt dient in lid 2 te zijn vermeld.

4. Op het uitdrukkelijk verzoek van de journalist om uit gijzeling te worden ontslagen beschikte het hof negatief. Het Hof noemt als motivering voor de gijzeling en voor de negatieve beschikking twee belangen. Het ene belang is dat van Mink K. en diens medeverdachten niet ten onrechte veroordeeld te worden. Hier worden als het te dienen belang dus ‘de rechten van anderen’ aangevoerd. Het andere belang, dat het hof aanvoert is ‘de integriteit van politie en justitie’. Artikel 10 lid 2 spreekt slechts van ‘het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen’. Men kan zich afvragen of wat het hof aanvoert daaronder te brengen is, ja of het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht überhaupt wel ter discussie staan.

5. Voorop blijft echter staan de vraag of de maatregel van de gijzeling om de journalist te dwingen zijn bron te noemen dringend noodzakelijk is in een democratische samenleving en dus dient te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het Hof gaat daarop in in par. 3 van de beschikking. Gijzeling van een journalist mag men gerust een paardenmiddel noemen met een hoog gehalte aan ‘potentially chilling effect’ (r.o. 39 van ‘Goodwin’) op de vrije nieuwsgaring. Dus er moet wel wat bij komen kijken, wil een dergelijke maatregel proportioneel zijn. Ik vraag mij af of het hof, anders dan het aan het eind van die paragraaf doet voorkomen, wel echt op deze vraag ingaat.

6. Het hof gaat wél in op de eis van subsidiariteit: is op andere manier (dan de journalist dwingen zijn bron te noemen) te achterhalen of het juist is wat de journalist heeft geschreven? Het lijkt er op dat het hof geen alternatief ziet voor het achterhalen van de bron, maar de vraag lijkt mij eerder of er een alternatief is voor het vinden van de waarheid met betrekking tot de getuigenissen en processen-verbaal. Uiteraard was er een alternatief: het opnieuw en nu door het hof zelf horen van de desbetreffende getuigen. Lastig, zeker waar, en met vertragend effect op de behandeling van de onderhavig strafzaak, ook dat is waar, maar onmogelijk? De vraag of voldaan is aan de eis van subsidiariteit krijgt nog een extra dimensie doordat het hof twee weken later de gijzeling zou opheffen onder de mededeling dat het tot de conclusie is gekomen dat aan het verhaal van de journalist geen geloof kan worden gehecht, omdat zeven politie-agenten inmiddels in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal hadden verklaard niet met de journalist gesproken te hebben. Nog afgezien van de daarmee ontstane kwestie dat het hof in deze samenstelling tegenover de verdachte daarmee niet meer onbevooroordeeld was, kan men zich afvragen of het hof niet ook zónder gijzeling tot deze conclusie had kunnen komen. Voorts kan men zich afvragen of het hof zich er zo gemakkelijk van af kon maken. In civiele procedures, als een journalist zich ter staving van zijn bewering beroept op een geheim te houden bron, pleegt de rechter dat zwijgrecht te respecteren, maar anderzijds de journalist te veroordelen wegens onrechtmatige daad als hij er niet in slaagt zijn - voor eiser schadelijke - bewering op andere wijze hard of op zijn minst aannemelijk te maken. De waarheid kan dan in het midden blijven. (bijv. Pres. Rb. Arnhem 14 februari 1997, KG 1997, 96; zie voorts Schuijt (Onrechtmatige Daad VII), aant. 39). In het strafrecht daarentegen hoort de rechter zélf op zoek te gaan naar de waarheid in het belang enerzijds van de verdachte niet ten onrechte te worden veroordeeld en anderzijds in het belang van de samenleving dat tegen de misdaad wordt opgetreden. In dat kader moet worden toegegeven dat de journalist met zijn publicatie, waarop de verdediging zich beroept, inderdaad een probleem op het bord van de rechter heeft gelegd. Het is evenwel de (waakhond)functie van de vrije pers - zie nogmaals de Goodwin-zaak, r.o. 39 - dat te doen en het is de functie van de onafhankelijke rechter die problemen op te lossen. Was dat niet eerder lastig dan onmogelijk?

7. Zoals gezegd staat er tegen het bevel tot gijzeling geen rechtsmiddel open en nu de journalist uit gijzeling is ontslagen heeft hij geen belang meer bij andere acties - verzoek tot opheffing, kort geding tegen de staat - om de gijzeling te doen opheffen en kan hij tegen negatieve beslissingen daarop ook niet in cassatie. Op zichzelf is dat al hoogst merkwaardig voor een zo zware ingreep in de vrije nieuwsgaring als een besluit een journalist te gijzelen. Voskuil is in Nederland uitgeprocedeerd en kan nu alleen nog een klacht indienen bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

8. Nog twee opmerkingen naar aanleiding van de publiciteit die de zaak-Voskuil heeft opgeroepen. In berichten en commentaren en in radio- en televisiedebatten over en naar aanleiding van de zaak trof mij vaak bij een aantal deelnemers aan het debat een koppeling van het toekennen van een verschoningsrecht aan een oordeel over de journalistieke kwaliteit van auteur en publicatie. Voskuil werd ‘slechts’ een leerling-journalist genoemd, hij werkte bij een onbelangrijk gratis verspreid blad, zijn verhaal klopte niet en was onvoldoende door andere bronnen ondersteund, hij zou zich hebben laten gebruiken door de verdediging van Mink K. enzovoorts. Ik heb daar geen oordeel over en Voskuil kan zich niet verweren, maar al die bezwaren tegen Voskuil doen niet ter zake. Het EHRM heeft voor zijn ja-tenzij-regel nergens enige beperking aangelegd bij de kwaliteit van de betrokken journalist of de kwaliteit van zijn publicatie. De bronbescherming als zodanig is het maatschappelijk belang. Wil men daarop een uitzondering maken dan moet er een nog zwaarder wegend maatschappelijk belang te zijn. Anders gezegd: erkenning van het verschoningsrecht van een journalist hoeft niet in te houden dat men geloof hecht aan zijn verhaal. Het hof had zeer wel het verschoningsrecht van Voskuil kunnen erkennen maar na zorgvuldig onderzoek tot de conclusie kunnen komen dat zijn verhaal niet deugde.

9. Het is begrijpelijk dat de beslissing van het hof de journalist Voskuil te gijzelen de vraag opriep of de rechtspraak voldoende bescherming biedt aan journalisten. Deze vraag werd uiteraard door de belangenvereniging NVJ opgeworpen. De NVJ heeft daarbij het Comité van Ministers van de Raad van Europa aan haar zijde. Het Comité heeft de lidstaten begin dit jaar aanbevolen het journalistieke bronnengeheim in de nationale wetgeving te verankeren, omdat het Goodwin-arrest in de uitwerking nogal vragen overliet en - zo mag men er nu aan toevoegen - de gijzeling van Voskuil door Hof Amsterdam niet kon voorkomen.(Zie hierover D. Voorhoof, ‘Raad van Europa wil betere bescherming van journalistiek bronnengeheim’, Mediaforum 2000-5, p. 158-160). Toch weet ik niet zo zeker of het verstandig is de bronbescherming wettelijk te willen regelen. Het zal dan toch neerkomen op een uitwerking van wat een ‘overriding requirement in the public interest’ is. Aan elke geformuleerde uitzondering zal het bezwaar kleven, dat het in een concreet geval een aantasting van het beginsel kan zijn en ook dán zal er een rechter of rechterlijke instantie zijn die beginsel en uitzondering moet toepassen. Kortom, een wettelijke regeling kan een beslissing als genomen door Hof Amsterdam in de zaak-Voskuil niet voorkomen. Waar een wettelijke regeling wel toe kan leiden is dat zij in de uitvoerigheid van de regeling der uitzonderingen heel ver afdwaalt van het beginsel. Een voorbeeld daarvan treft men aan in het voorstel van het Tweede Kamerlid Dittrich, dat in voorkomende gevallen een commissie de kwaliteit van de bron van de journalist gaat beoordelen en aan de hand daarvan beslist of de journalist wel of niet recht op bescherming van zijn bron gegund zal worden. (Volkskrant 25 september 2000, p. 7). Dittrich voert ineens een geheel ander criterium in dan door het EVRM in ‘Goodwin’ wordt gehanteerd. Zomin als het gaat om de kwaliteit van de journalist of de kwaliteit van zijn verhaal, net zo min gaat het om de kwaliteit van de bron - nog afgezien van de vraag of de journalist zich niet ook tegenover zo’n commissie op zijn brongeheim zal beroepen.

10. Zie over het verschoningsrecht de dissertatie van W.F. Korthals Altes, Naar een journalistiek privilege, Amsterdam: Cramwinckel 1989 en de door hem vermelde literatuur (en geschiedenis in Nederland). Zie ook de Memorie van Toelichting bij het initiatief-wetsvoorstel Jurgens voor een ‘Wet op het journalistiek privilege’, Kamerstukken II 1992/93, 23 133, nr. 1 e.v. Zeer aanbevolen is ook de conclusie van A-G. Koopmans bij HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578).

 

Geplaatst 30.10.2000