|
|
|
|
|
|
Mediaforum
2000-11/12, nr. 69, Gijzeling journalist;
Mediaforum
2000-11/12, nr. 70, Opheffing gijzeling
journalist;
Noot G.A.I. Schuijt
Verschenen in Mediaforum
2000-11/12
|
| |
Mediaforum 2000-11/12,
nr. 69, Gijzeling journalist
|
| Hof Amsterdam 28 september
2000 Beschikking in
raadkamer op het verzoek van:
Koen Voskuil, geboren op 8 juli 1975, wonende te Amsterdam
thans verblijvende in het huis van bewaring Havenstraat te
Amsterdam,
houdende opheffing van de
gijzeling zoals bevolen bij beschikking van het gerechtshof te
Amsterdam, van 22 september 2000.
De feiten en de rechtsgang
Het hof heeft kennis genomen
van het verzoekschrift van 22 september 2000, waarbij namens
verdacht is verzocht de gijzeling op te heffen.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en de gegijzelde,
bijgestaan door diens raadslieden mrs. R.S. Le Poole en J.
Pen, advocaten te Amsterdam.
De beoordeling
De gegijzelde heeft verzocht
zijn gijzeling op te heffen.
Daartoe hebben de raadslieden het volgende betoogd.
1 De gegijzelde is journalist
en heeft, gelet op artikel 10 EVRM, het recht zich te
verschonen van het beantwoorden van een hem gesteld vraag
indien hij daardoor riskeert het bekend worden van zijn bron.
Alleen indien zwaarwichtige belangen zich verzetten tegen het
beroep van de journalist op zijn verschoningsrecht kan de
journalist zijn beroep op dat recht worden ontzegd, aldus de
raadslieden. Van dergelijke zwaarwichtige belangen is volgens
de verdediging in casu geen sprake.
2 Het aangewende dwangmiddel
gijzeling is disproportioneel en in strijd met het
subsidirairiteitsbeginsel, nu door nader onderzoek - op andere
wijze dan door gijzeling - de identiteit van de bron van de
gegijzelde ook achterhaald kan worden. In dat verband heeft de
verdediging gewezen op onderzoek door de rijksrecherche en het
horen van de in de strafzaken van V., S., H. en K. opgegeven
getuigen.
Het hof overweegt
dienaangaande als volgt.
1 De gegijzelde heeft in
raadkamer verklaard te volharden in zijn weigering de
identiteit van zijn bron bekend te maken.
2 In beginsel heeft elke
journalist, gelet op artikel 10, eerste lid, van het EVRM, het
recht zich te verschonen van het beantwoorden van een hem
gestelde vraag indien hij daardoor het bekend worden van zijn
bron zou riskeren. Een beroep op dit recht behoeft echter niet
te worden gehonoreerd wanneer openbaring van die bron in een
democratische samenleving noodzakelijk is met het oog op een
of meer van de in het tweede lid van voormelde
verdragsbepaling bedoelde, door diegene die de journalist als
getuige doet horen, te stellen en zonodig aannemelijk te maken
belangen. In dat verband heeft de verdediging opgemerkt dat
verdachten V., S., en H. tot langdurige gevangenisstraffen
zijn veroordeeld, mede op basis van door leden van het
Amsterdamse politiekorps op ambtseed opgemaakte
processen-verbaal. Indien de mededeling van de
politie-functionaris aan de journalist, zoals door deze
laatste onder ede verklaard, juist is raakt dit mogelijk de
veroordeling van de verdachten. Tevens raakt dit de
integriteit van politie en justitie. Het hof acht deze
belangen van zodanig gewicht dat het belang dat de gegijzelde
heeft bij zijn beroep op het verschoningsrecht moet wijken.
3 Bij
gelegenheid van de strafzaken tegen V., S., en H. op 22
september 2000 heeft de gegijzelde verklaard dat zijn bron een
politie-functionaris is die aan beide onderzoeken tegen M.K.
heeft deelgenomen. De advocaat-generaal heeft tijdens de
behandeling van het verzoek van de gegijzelde op 27 september
2000 een op ambtseed opgemaakt procesverbaal overgelegd waarin
de bij beide eerdergenoemde onderzoeken tegen K. betrokken
politie-functionarissen op ambtseed hebben verklaard geen
contact te hebben gehad met de gegijzelde. Voorts heeft de
commissaris van politie J. van Riessen van het Amsterdamse
politiekorps een verzoek doen uitgaan onder alle leden van het
korps, inhoudende dat degene(n) die contact heeft/hebben gehad
met de gegijzelde zicht te melden. Ook dit heeft niet geleid
tot het bekend worden van identiteit van de bron van
gegijzelde. Nu geen andere aanknopingspunten bekend zijn
geworden is niet aannemelijk dat onderzoek door de
rijksrecherche op redelijke termijn zal leiden tot opheldering
van de in de strafzaken aan de orde gestelde oorzaak van de
wateroverlast, daargelaten nog dat zo'n onderzoek tot gevolg
zal hebben dat de afhandeling van de strafzaken tegen V., S.
en H. ernstige vertraging zal oplopen. De suggestie van de
verdediging eerst de in de strafzaken van K., V., S. en H.
genoemde getuigen te horen alvorens de gegijzelde aan de tand
te voelen, wordt verworpen reeds omdat deze getuigen in de
strafzaak tegen K., welke stukken gevoegd zijn in de
strafzaken van V., S. en H. , over het onderliggende
geschilpunt uitvoerig zijn gehoord. Dit alles brengt mee dat
niet kan worden geoordeeld dat de aanwending van het
dwangmiddel in casu in strijd is met het beginsel van
proportionaliteit en subsidiariteit.
4 Voor zover nodig wordt nog
opgemerkt dat de door de verdediging tegen het bevel tot
gijzeling, zoals gegeven ter zitting van 22 september 2000,
aangevoerde bezwaren geen bespreking behoeven nu tegen zo'n
bevel, gelet op artikel 294, derde lid, van het Wetboek van
Strafvordering, geen rechtsmiddel openstaat.
Het verweer dat het bevel tot gijzeling niet binnen de in
artikel 224 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
termijn aan de gegijzelde is betekend, wordt verworpen reeds
omdat dit bevel op de openbare terechtzitting, waar de
gegijzelde als getuige is gehoord, aan de gegijzelde mondeling
is medegedeeld, blijkens het van die terechtzitting opgemaakte
proces-verbaal in de zaken van V., S. en H.
5 Het contact van de advocaat
met de gegijzelde wordt geregeld bij de penitentiaire
regelgeving. Het hof treedt niet in de beoordeling van de
toepassing van die regels.
Het vorenstaande leidt tot de
slotsom dat het verzoek tot opheffing van de gijzeling moet
worden afgewezen.
De beslissing
Het hof:
Wijst af het verzoek tot
opheffing van de gijzeling.
Deze beschikking is gegeven
op 28 september 2000, in raadkamer van dit hof door Mr.
Boumans, voorzitter, mrs. IJland-van Veen en Wiewel,
raadsheren, in tegenwoordigheid van Peeperkorn, als griffier.
De advocaat-generaal bij dit
gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van
verdachte.
|
Mediaforum 2000-11/12,
nr. 70, Opheffing gijzeling journalist
|
| Hof Amsterdam 9 oktober 2000
Gerechtshof te Amsterdam,
zevende meervoudige strafkamer.
Beschikking ter openbare terechtzitting inzake de gijzeling
van:
Koen Voskuil, Geboren op 8 juli 1975, wonende te Amsterdam,
thans verblijvende in het huis van bewaring Havenstraat te
Amsterdam.
1 De feiten en de
rechtsgang
Het hof heeft ter openbare
terechtzitting van 22 september 2000 in de strafzaken tegen
J.A. van S. en N. H. een bevel tot gijzeling gegeven van Koen
V. voor ten hoogste 30 dagen en bepaald dat V. op 9 oktober
2000 aan het hof zal worden voorgeleid.
2 Beoordeling
2.1 Ter openbare
terechtzitting van 22 september 2000 heeft V. onder ede als
getuige verklaard, voor zover van belang:
‘De inhoud van de tip die ik in mijn artikelen toeschrijf aan
een politieman van het Amsterdamse politiekorps en die ging
over de wateroverlast was: "Dat hebben we er maar van gemaakt.
Soms heb je net even een doorbraak nodig in je onderzoek. " Ik
heb dit zo uit de mond van de politieman gehoord. Ik weet dat
hij betrokken was bij een eerder onder zoek tegen K.’
Op de vraag: ‘Was deze man, de tipgever, betrokken bij het
onderzoek op de Nachtwachtlaan 332 en op de hoogte van dat
onderzoek?’ luidde het antwoord van V.: ‘Ja, de tipgever was
op de hoogte en tevens betrokken bij dat onderzoek.’
2.2 Aan de dossiers in de
strafzaken tegen Van S. en H. zijn nadien tien ambtsedige
processen-verbaal toegevoegd.
Deze verbalen houden het volgende in.
Het door J.A. Olierook, hoofdinspecteur van politie werkzaam
in de politieregio Amsterdam -Amstelland, als chef van het
kernteam Amsterdam Amstelland Gooi- en Vechtstreek, opgemaakte
proces-verbaal houdt in dat hij aan inspecteur R. Burggraaf
opdracht heeft gegeven een onderzoek in te stellen naar de
personen die onderzoek hebben verricht dan wel betrokken waren
bij:
1. het onderzoek tegen K. betrekking hebbend op de wapen- en
verdovende middelen vondst in perceel Nachtwachtlaan 332 te
Amsterdam en
2. bij een eerdere zaak tegen K. voornoemd, een wapen en
verdovende middelen vondst in 1994 door team 3 van de Dienst
Centrale Recherche, in de Newtonstraat te Amsterdam. Het
proces-verbaal dat Burggraaf voornoemd heeft opgemaakt naar
aanleiding van het in verband met die opdracht ingestelde
onderzoek houdt in, dat bij de twee bedoelde onderzoeken al
dan niet zijdelings betrokken zijn geweest:
S. Snieder, brigadier van politie,
H. Bieze, brigadier van politie,
W. Japing, brigadier van politie,
T. Spel, hoofdagent van politie,
A. Budding, hoofdagent van politie,
H. van der Pluijm, brigadier van politie,
J. Kist, brigadier van politie,
N. Wagid Hosain, administratief medewerker.
Deze opsporingsambtenaren hebben ieder afzonderlijk in een op
ambtseed opgemaakt proces-verbaal verklaard dat zij over deze
onderzoeken en/of over enig ander feit nimmer contact gehad
hebben met een man genaamd Koen V. of enige andere journalist.
De administratief medewerker die bij beide onderzoeken
betrokken is geweest, heeft verklaard, welke verklaring is
neergelegd in een door R. Burggraaf voornoemd, opgemaakt
proces-verbaal:
‘Ik heb op geen enkele wijze contact gehad met een journalist
genaamd V. of welke journalist ook.’
2.3 Heden heeft V. verklaard
bij zijn verklaring zoals afgelegd ter openbare terechtzitting
van 22 september 2000 te blijven, ook nadat hem de lijst van
verbalisanten zoals opgenomen in het door Burggraaf opgemaakte
proces-verbaal is voorgehouden. De in die lijst genoemde
verbalisanten voldoen aan de door V. genoemde kenmerken.
Voorts heeft hij verklaard dat de naam van zijn bron niet
voorkomt in het genoemde proces-verbaal van Burggraaf.
2.4 Ter terechtzitting zijn
heden voorts gehoord:
N. Moinat, G. van Hoeven en J.A. Olierook. Voor zover deze ter
zake hebben verklaard bevestigen ze dat dit de verbalisanten
zijn die bij beide onderzoeken tegen K. betrokken zijn
geweest.
2.5 Uit het vorenoverwogene
kan niets anders worden afgeleid dan dat de verklaring van V.,
inhoudende dat hij de ten processe bedoelde informatie van een
politiefunctionaris heeft gekregen die bij beide onderzoeken
tegen K. betrokken was, geheel op zichzelf staat en op geen
enkele wijze door verklaringen van anderen en/of de inhoud van
schriftelijke stukken wordt ondersteund of bevestigd. In
tegendeel: de verklaring van V. wordt door verklaringen van 10
verbalisanten op ambtseed dan wel onder ede afgelegd en een
administratief medewerker van het bedoelde politiekorps
tegengesproken.
2.6 Dit brengt het hof thans
tot het oordeel dat aan de verklaring van V., voor zover
inhoudende dat hij de informatie over de oorzaak van de
wateroverlast van een bij de opsporingsonderzoeken tegen K.
betrokken politieman heeft ontvangen, zoals afgelegd op
openbare terechtzittingen van 22 september j.l. en heden
steeds onder verband van de op 22 september afgelegde belofte,
geen geloof kan worden gehecht.
2.7 Nu aan de verklaring van
V. in de strafzaken tegen Van S. en H. geen betekenis toekomt,
dient de gijzeling van V. ook geen enkel belang meer. Deze
moet derhalve met onmiddellijke ingang worden opgeheven.
Beslissing
Het hof:
Heft met onmiddellijke ingang de gijzeling van Koen Voskuil
op.
Aldus gedaan en uitgesproken
op 9 oktober 2000 ter openbare terechtzitting van het
gerechtshof te Amsterdam, zevende meervoudige strafkamer,
waarin zitting hadden mr. Boumans, vice-president, mrs IJland
- van Veen en Wiewel, raadsheren en in aanwezigheid van
Peeperkorn als griffier.
|
| Noot
Gerard
Schuijt
|
| 1. Het Hof Amsterdam
verraste op 22 september met het bevel een journalist te
gijzelen omdat deze, als getuige in de strafzaak tegen de van
wapenbezit verdachte Mink K. opgeroepen, weigerde de bron te
noemen van een bericht dat hij had gepubliceerd. De
verdediging hechtte waarde aan zijn getuigenis, omdat als het
verhaal van de journalist juist zou zijn, het bewijs tegen de
verdachte wellicht onrechtmatig verkregen zou zijn. Een
politieman zou hebben verklaard dat lekkage slechts een
voorwendsel was om een bezoek aan de woning van de verdachte
te brengen, waarna inderdaad wapens gevonden werden. Daarmee
werd gesuggereerd dat een of meer van de op ambtseed opgemaakt
processen-verbaal van politie-agenten meinedig zouden zijn.
2. Tegen een bevel tot gijzeling
staat géén rechtsmiddel open. De rechter is echter bevoegd het
bevel tot gijzeling op te heffen, ook op verzoek van de
getuige. Op een dergelijk verzoek beschikte het hof op 28
september negatief: zie de
eerste hierboven afgedrukte beschikking. Op 9 oktober
heeft het hof uit eigen beweging de gijzeling opgeheven; zie
de tweede
hierboven afgedrukte beschikking.
3. Sinds de zaak-Goodwin
(EHRM 27 maart 1996, NJ 1996, 577 m.nt. E.J. Dommering;
Mediaforum 1996-5 op. 73-74 m. nt. W.F. Korthals Altes)
en het arrest-Van den Biggelaar (HR 10 mei 1996, NJ
1996, 578 m. nt. E.J. Dommering; Mediaforum 1996-6, p.
89-92) geldt voor het verschoningsrecht van journalisten de
regel ‘ja, tenzij’. Het ‘tenzij’ is door het EHRM aldus
geformuleerd: het een journalist dwingen om zijn bron te
noemen is een beperking van de uitingsvrijheid, die niet
verenigbaar is met artikel 10 EVRM, ‘unless it is justified by
an overriding requirement in the public interest’ (r.o. 39).
Met dit uitgangspunt in gedachten dient men, aldus het Hof,
een dergelijke maatregel te toetsen aan de noodzakelijkheid in
een democratische samenleving en aan de doelcriteria van lid 2
van artikel 10. Er dient derhalve een dringende
maatschappelijke noodzaak te zijn en het belang wat er mee
beoogd wordt dient in lid 2 te zijn vermeld.
4. Op het uitdrukkelijk
verzoek van de journalist om uit gijzeling te worden ontslagen
beschikte het hof negatief. Het Hof noemt als motivering voor
de gijzeling en voor de negatieve beschikking twee belangen.
Het ene belang is dat van Mink K. en diens medeverdachten niet
ten onrechte veroordeeld te worden. Hier worden als het te
dienen belang dus ‘de rechten van anderen’ aangevoerd. Het
andere belang, dat het hof aanvoert is ‘de integriteit van
politie en justitie’. Artikel 10 lid 2 spreekt slechts van
‘het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te
waarborgen’. Men kan zich afvragen of wat het hof aanvoert
daaronder te brengen is, ja of het gezag en de onpartijdigheid
van de rechterlijke macht überhaupt wel ter discussie staan.
5. Voorop blijft echter staan
de vraag of de maatregel van de gijzeling om de journalist te
dwingen zijn bron te noemen dringend noodzakelijk is in een
democratische samenleving en dus dient te voldoen aan de
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het Hof
gaat daarop in in par. 3 van de
beschikking. Gijzeling van een journalist mag men gerust een
paardenmiddel noemen met een hoog gehalte aan ‘potentially
chilling effect’ (r.o. 39 van ‘Goodwin’) op de vrije
nieuwsgaring. Dus er moet wel wat bij komen kijken, wil een
dergelijke maatregel proportioneel zijn. Ik vraag mij af of
het hof, anders dan het aan het eind van die paragraaf doet
voorkomen, wel echt op deze vraag ingaat.
6. Het hof gaat wél in op de
eis van subsidiariteit: is op andere manier (dan de journalist
dwingen zijn bron te noemen) te achterhalen of het juist is
wat de journalist heeft geschreven? Het lijkt er op dat het
hof geen alternatief ziet voor het achterhalen van de bron,
maar de vraag lijkt mij eerder of er een alternatief is voor
het vinden van de waarheid met betrekking tot de getuigenissen
en processen-verbaal. Uiteraard was er een alternatief: het
opnieuw en nu door het hof zelf horen van de desbetreffende
getuigen. Lastig, zeker waar, en met vertragend effect op de
behandeling van de onderhavig strafzaak, ook dat is waar, maar
onmogelijk? De vraag of voldaan is aan de eis van
subsidiariteit krijgt nog een extra dimensie doordat het hof
twee weken later de gijzeling zou opheffen onder de mededeling
dat het tot de conclusie is gekomen dat aan het verhaal van de
journalist geen geloof kan worden gehecht, omdat zeven
politie-agenten inmiddels in een op ambtseed opgemaakt
proces-verbaal hadden verklaard niet met de journalist
gesproken te hebben. Nog afgezien van de daarmee ontstane
kwestie dat het hof in deze samenstelling tegenover de
verdachte daarmee niet meer onbevooroordeeld was, kan men zich
afvragen of het hof niet ook zónder gijzeling tot deze
conclusie had kunnen komen. Voorts kan men zich afvragen of
het hof zich er zo gemakkelijk van af kon maken. In civiele
procedures, als een journalist zich ter staving van zijn
bewering beroept op een geheim te houden bron, pleegt de
rechter dat zwijgrecht te respecteren, maar anderzijds de
journalist te veroordelen wegens onrechtmatige daad als hij er
niet in slaagt zijn - voor eiser schadelijke - bewering op
andere wijze hard of op zijn minst aannemelijk te maken. De
waarheid kan dan in het midden blijven. (bijv. Pres. Rb.
Arnhem 14 februari 1997, KG 1997, 96; zie voorts Schuijt (Onrechtmatige
Daad VII), aant. 39). In het strafrecht daarentegen hoort
de rechter zélf op zoek te gaan naar de waarheid in het belang
enerzijds van de verdachte niet ten onrechte te worden
veroordeeld en anderzijds in het belang van de samenleving dat
tegen de misdaad wordt opgetreden. In dat kader moet worden
toegegeven dat de journalist met zijn publicatie, waarop de
verdediging zich beroept, inderdaad een probleem op het bord
van de rechter heeft gelegd. Het is evenwel de
(waakhond)functie van de vrije pers - zie nogmaals de
Goodwin-zaak, r.o. 39 - dat te doen en het is de functie van
de onafhankelijke rechter die problemen op te lossen. Was dat
niet eerder lastig dan onmogelijk?
7. Zoals gezegd staat er
tegen het bevel tot gijzeling geen rechtsmiddel open en nu de
journalist uit gijzeling is ontslagen heeft hij geen belang
meer bij andere acties - verzoek tot opheffing, kort geding
tegen de staat - om de gijzeling te doen opheffen en kan hij
tegen negatieve beslissingen daarop ook niet in cassatie. Op
zichzelf is dat al hoogst merkwaardig voor een zo zware
ingreep in de vrije nieuwsgaring als een besluit een
journalist te gijzelen. Voskuil is in Nederland
uitgeprocedeerd en kan nu alleen nog een klacht indienen bij
het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
8. Nog twee opmerkingen naar
aanleiding van de publiciteit die de zaak-Voskuil heeft
opgeroepen. In berichten en commentaren en in radio- en
televisiedebatten over en naar aanleiding van de zaak trof mij
vaak bij een aantal deelnemers aan het debat een koppeling van
het toekennen van een verschoningsrecht aan een oordeel over
de journalistieke kwaliteit van auteur en publicatie. Voskuil
werd ‘slechts’ een leerling-journalist genoemd, hij werkte bij
een onbelangrijk gratis verspreid blad, zijn verhaal klopte
niet en was onvoldoende door andere bronnen ondersteund, hij
zou zich hebben laten gebruiken door de verdediging van Mink
K. enzovoorts. Ik heb daar geen oordeel over en Voskuil kan
zich niet verweren, maar al die bezwaren tegen Voskuil doen
niet ter zake. Het EHRM heeft voor zijn ja-tenzij-regel
nergens enige beperking aangelegd bij de kwaliteit van de
betrokken journalist of de kwaliteit van zijn publicatie. De
bronbescherming als zodanig is het maatschappelijk belang. Wil
men daarop een uitzondering maken dan moet er een nog zwaarder
wegend maatschappelijk belang te zijn. Anders gezegd:
erkenning van het verschoningsrecht van een journalist hoeft
niet in te houden dat men geloof hecht aan zijn verhaal. Het
hof had zeer wel het verschoningsrecht van Voskuil kunnen
erkennen maar na zorgvuldig onderzoek tot de conclusie kunnen
komen dat zijn verhaal niet deugde.
9. Het is begrijpelijk dat de
beslissing van het hof de journalist Voskuil te gijzelen de
vraag opriep of de rechtspraak voldoende bescherming biedt aan
journalisten. Deze vraag werd uiteraard door de
belangenvereniging NVJ opgeworpen. De NVJ heeft daarbij het
Comité van Ministers van de Raad van Europa aan haar zijde.
Het Comité heeft de lidstaten begin dit jaar aanbevolen het
journalistieke bronnengeheim in de nationale wetgeving te
verankeren, omdat het Goodwin-arrest in de uitwerking nogal
vragen overliet en - zo mag men er nu aan toevoegen - de
gijzeling van Voskuil door Hof Amsterdam niet kon
voorkomen.(Zie hierover D. Voorhoof, ‘Raad van Europa wil
betere bescherming van journalistiek bronnengeheim’,
Mediaforum 2000-5, p. 158-160). Toch weet ik niet zo zeker
of het verstandig is de bronbescherming wettelijk te willen
regelen. Het zal dan toch neerkomen op een uitwerking van wat
een ‘overriding requirement in the public interest’ is. Aan
elke geformuleerde uitzondering zal het bezwaar kleven, dat
het in een concreet geval een aantasting van het beginsel kan
zijn en ook dán zal er een rechter of rechterlijke instantie
zijn die beginsel en uitzondering moet toepassen. Kortom, een
wettelijke regeling kan een beslissing als genomen door Hof
Amsterdam in de zaak-Voskuil niet voorkomen. Waar een
wettelijke regeling wel toe kan leiden is dat zij in de
uitvoerigheid van de regeling der uitzonderingen heel ver
afdwaalt van het beginsel. Een voorbeeld daarvan treft men aan
in het voorstel van het Tweede Kamerlid Dittrich, dat in
voorkomende gevallen een commissie de kwaliteit van de bron
van de journalist gaat beoordelen en aan de hand daarvan
beslist of de journalist wel of niet recht op bescherming van
zijn bron gegund zal worden. (Volkskrant 25 september
2000, p. 7). Dittrich voert ineens een geheel ander criterium
in dan door het EVRM in ‘Goodwin’ wordt gehanteerd. Zomin als
het gaat om de kwaliteit van de journalist of de kwaliteit van
zijn verhaal, net zo min gaat het om de kwaliteit van de bron
- nog afgezien van de vraag of de journalist zich niet ook
tegenover zo’n commissie op zijn brongeheim zal beroepen.
10. Zie over het
verschoningsrecht de dissertatie van W.F. Korthals Altes,
Naar een journalistiek privilege, Amsterdam: Cramwinckel
1989 en de door hem vermelde literatuur (en geschiedenis in
Nederland). Zie ook de Memorie van Toelichting bij het
initiatief-wetsvoorstel Jurgens voor een ‘Wet op het
journalistiek privilege’, Kamerstukken II 1992/93, 23
133, nr. 1 e.v. Zeer aanbevolen is ook de conclusie van A-G.
Koopmans bij HR 10 mei 1996, NJ 1996, 578). |
|
|
Geplaatst
30.10.2000
|
|
|
|