|
De
politieke ophef van twee weken geleden over arrestaties
bij demonstraties van de Internationale Socialisten is
alweer overgewaaid. De gewraakte posters die op de
bekende rode pakjes Marlboro sigaretten waren
geïnspireerd en die de tekst droegen: 'Geert Wilders…Extremist…brengt
u en de samenleving ernstige schade toe' bleken toch
geen strafbare belediging. Het Openbaar Ministerie
erkende dat de arrestanten gebruik hadden gemaakt van
hun vrijheid van meningsuiting.
Begin
deze week heeft Philip Morris, de eigenaar van het
Marlboro merk, aangegeven via het merkenrecht verder
gebruik en verkoop van de poster tegen te willen houden.
De Internationale Socialisten zijn daarom per direct met
het verspreiden van de poster gestopt. Gezien de
rechtspraak op dit terrein zou Philip Morris bij een
eventuele rechtszaak wel eens in het gelijk gesteld
kunnen worden. Het merkenrecht en de rechtspraak op dit
punt zijn echter moeilijk te verenigen met de vrijheid
van meningsuiting. Om die reden bepleit ik een inperking
van het merkenrecht ten gunste van de uitingsvrijheid
van mensen, althans wanneer merken gebruikt worden in
een sociale of politieke context.
Het
merkenrecht hanteert strenge handelsnormen ter
bescherming van de reputatie van merken. In het
economisch verkeer mag men alleen voordeel behalen uit,
of schade toebrengen aan de reputatie van andermans merk
als daar een “geldige reden” voor is. Deze regel
wordt in de praktijk zeer streng uitgelegd. Volgens
vaste jurisprudentie mag het merk van een ander slechts
gebruikt worden wanneer daar een “strikte noodzaak”
voor bestaat.
Zolang
deze regel geldt tussen marktpartijen onderling, valt
voor deze strenge norm inderdaad wat te zeggen. Het
vergt ongetwijfeld een enorm kapitaal en
organisatievermogen om merken bekend (lees: aantrekkelijk)
te maken en te houden. Het zou onwenselijk zijn als
marktpartijen telkens weer op elkaars reputatie zouden
meeliften of elkaars reputatie om zeep zouden helpen.
Een strenge norm voor het gebruik van andermans merk
draagt er dus aan bij om een eerlijk concurrentiestrijd
tussen marktpartijen te bevorderen.
Echter,
wanneer dezelfde norm wordt toegepast op
niet-commerciële uitingen, dan dreigt zij inbreuk te
maken op de vrije meningsuiting. En daarin ligt precies
het probleem in het huidige merkenrecht. Het
Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom, waarin
ook het merkenrecht is geregeld, geldt namelijk ook
buiten het economisch verkeer. Als politiek of artistiek
gebruik van merken alleen mag in geval van “strikte
noodzaak”, dan is dat in strijd met de vrije
meningsuiting. Het recht op vrije meningsuiting zoals
vastgelegd in Artikel 10 van het Europese Verdrag voor
de Rechten van de Mens (EVRM) houdt namelijk in dat
sociaal of politiek debat alleen mag worden beperkt voor
zover dat in een democratische samenleving noodzakelijk
is (dat is dus: zo min mogelijk).
Bekende
merken dragen vaak meerdere lagen van betekenis in zich.
Het zijn niet alleen commerciële, maar ook sociale en
politieke symbolen. HEMA of McDonald's zijn commerciële
merken, maar staan daarnaast ook synoniem voor de
Nederlandse consumptiecultuur, respectievelijk de
mondialisering of het Amerikaans Imperialisme. Bij
internationaal opererende bedrijven vervangen merken
steeds vaker personen als gezicht van het bedrijf en als
dragers van de macht. Het Marlboro merk representeert
bijvoorbeeld de macht en invloed van Philip Morris en
van de sigarettenindustrie in het algemeen. Zulke
sociale en politieke betekenissen mogen niet exclusief
toebehoren aan de merkhouder. Immers, volgens de logica
van Artikel 10 EVRM is het gebruik van sociale en
politieke betekenissen bij uitstek beschermd door de
vrije meningsuiting.
Desondanks
plaatsen rechters vaak de bescherming van de
commerciële waarde voorop. Zij verboden bijvoorbeeld
het gebruik van een bewerkt Super de Boer logo op
actieposters van Milieudefensie over te hoge
concentraties pesticiden in voedingswaren. Ook mochten
scholieren, die tegen de slechte kwaliteit van het
onderwijs van hogeschool InHolland protesteerden, de
domeinnaam http://www.injeholland.nl
niet gebruiken. Dergelijke uitspraken creëren een
afschrikkend effect en schaden daarom de bereidheid van
mensen om hun meningsuitingen op een effectieve manier
vorm te geven.
Mijns
inziens moet er juist ruimte zijn voor merkgebruik waar
het gaat om kritiek aan het adres van de merkhouder, bij
parodie of in de kunst. Het merkenrecht met zijn strenge
normen zou zich alleen moeten uitstrekken tot de
bescherming van de commerciële betekenis van merken.
Sociale en politieke betekenissen daarentegen moeten
vrij gebruikt kunnen worden, al moet er wel altijd een
afweging van belangen worden gemaakt als er zeer
ernstige schade dreigt te ontstaan.
Het
huidige merkenrecht schiet te ver door in de bescherming
van commerciële belangen en laat daardoor te weinig
ruimte voor het gebruik van merken in een sociale of
politieke context. Om recht te doen aan de vrijheid van
meningsuiting zou het merkenrecht moeten worden
ingeperkt.
|