Géén "recht op prestatiebescherming" wél mogelijkheid voor betere afweging
Verschenen in Intellectuele Eigendom & Reclamerecht (IER), 2006-3, nr. 36, p. 119-120.

W. Sakulin


Inleiding
In zijn uitspraak in de zaak Anheuser-Busch Inc. t. Portugal[1] van 11 oktober 2005, heeft het EHRM bevestigd dat intellectuele eigendomsrechten en in dit geval merkrechten, vallen onder het recht op ongestoord genot van de eigendom in de zin van Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (art.1 EP EVRM). Deze uitspraak zou in de eeuwigdurende discussie over uitbreiding van IE rechten door de pleitbezorgers van uitbreiding als een bevestiging van hun opvatting kunnen worden gezien. Het is nu immers een onomstotelijk feit dat IE rechten vallen onder het ´mensenrecht op eigendom´. Maar anders dan men wellicht zou verwachten, schuilt in Artikel 1 EP EVRM geen ”mensenrecht op prestatiebescherming”, maar is het een recht tegen ongerechtvaardigde ingrepen in reeds erkende eigendomsrechten. Deze uitspraak zegt dus niets over de noodzaak tot bescherming van intellectuele prestaties noch over de vraag wat een gerechtvaardigde beschermingsomvang voor die rechten zou moeten zijn. Wel is er mijns inziens hoop dat door de 'verheffing' van IE rechten tot het niveau van grondrechten een betere afweging kan worden verkregen tegenover andere grondrechtelijk beschermde belangen.

Het eigendomsbegrip van artikel 1 EP EVRM
Het eigendomsbegrip van art. 1 EP EVRM wordt door het hof 'autonoom' genoemd.[2] Dit blijkt in zo verre juist, dat het niets met nationale definities betreffende eigendom te maken heeft. De drempel voor wat door het EHRM als eigendom wordt beschouwd, ligt aanzienlijk lager dan wat nationale wetgeving ervoor aanziet – namelijk rond het niveau van zaken en vermogensrechten.[3] Toch is het bestaan van een door art. 1 EP EVRM beschermde vermogensrechtelijke aanspraak in hoge mate afhankelijk van het nationale recht. Het moet namelijk gaan om een 'possession'[4] of om een 'legitimate expectation' (legitieme verwachting) tot verwerving daarvan, die in het nationale recht gegrond en reeds erkend is.[5]

In de onderhevige zaak was duidelijk gesteld, dat reeds verkregen IE rechten door art. 1 EP EVRM beschermd zijn. Maar het ging juist om de vraag of een merkaanvrage tot eigendom in de zin van Artikel 1 EP EVRM behoort. De meerderheid heeft deze vraag – mijns inziens – negatief beantwoord.[6] De positie van de merkaanvrager lijkt te zwak hiervoor.[7]

Mij lijkt het belangrijk in te zien, dat art. 1 EP EVRM wel een waarborg biedt, maar geen grondslag voor eigendomsrechten en dus ook niet voor IE rechten. Dit omdat bijna volledig verwezen wordt naar nationaal recht met betrekking tot het bestaan van een aanspraak. Juist daarom moet art. 1 EP EVRM mijns inziens geen rol gaan spelen in de discussie over uitbreiding van IE rechten.

Afwegen tegen andere (grond)rechten
Blijft de vraag of art. 1 EP EVRM dan nog wel een zekere bescherming biedt bij botsing van reeds erkende IE rechten met andere (grond)rechten. Ik wil hier de informatievrijheid van art. 10 EVRM als voorbeeld nemen.

Het EHRM stelde in de zaak Appleby e.a. t. Verenigd Koninkrijk[8], dat de uitoefening van een door art. 1 EP EVRM beschermd recht schending oplevert van art. 10 EVRM, wanneer die uitoefening resulteert in 'preventing any effectieve exercise of freedom of expression or [if] it can be said that the essence of the right has been destroyed.' Het lijkt er dus op, dat het Hof aan het eigendomsrecht een tamelijk sterke bescherming tegenover andere grondrechten toekent. Maar het ging hier wel om de vraag naar de verplichting voor positief ingrijpen door de overheid i.v.m. een eventueel uit art. 10 EVRM voortvloeiend recht op toegang tot een winkelcentrum.

Verkade stelde onlangs in zijn conclusie bij de Scientology- zaak dat bescherming van het auteursrecht door art. 1 EP EVRM niet automatisch ertoe leidt, dat een IE recht is verheven boven een afweging met de informatievrijheid. Ook dat het auteursrecht slechts 'in exceptionele of zeer bijzondere omstandigheden zal moeten wijken voor de informatievrijheid van art. 10 EVRM', is volgens hem een onjuiste rechtsopvatting.[9]

Het Duitse Bundesgerichtshof heeft onlangs bij een conflict tussen deze twee botsende grondrechten een uitgebreide afweging gemaakt op basis van de Duitse constitutionele “Werteordnung”. Het object van het conflict was een parodie van het merk “Milka” doormiddel van een lila briefkaart met een parodiërende tekst. Het lijkt hier op dat in geval van twijfel de Duitse ”Kunstfreiheit”, boven het eigendomsrecht zegeviert.[10]

Slotsom
Voor de IE-rechthebbende lijkt art. 1 EP EVRM weinig aan bescherming toe te voegen. Vanuit grondrechtelijk perspectief echter biedt dit recht een handvat voor rechters om tot een gewogen afweging te komen bij botsing van IE-rechten met andere grondrechten. Mijns inziens wordt namelijk pas met het inzicht van de grondrechtelijke status van IE-rechten een (externe) reflectie mogelijk over de beschermingsomvang van deze rechten. De noodzaak voor reflectie blijkt uit zaken zoals InjeHolland[11] of Milieudefensie v. Super de Boer[12], waar het geschil mijns inziens te zeer door de IE-lens was bekeken. 'Schade' was als het beslissende criterium voor constatering van merkinbreuk gebruikt zonder hierbij de door art. 10 EVRM beschermde belangen volwaardig mee te wegen.


Noten

[1] EHRM 11 oktober 2005, IER 2006/2, 20, m.nt. ChG. Het hof heeft beslist dat merkrechten wel beschermd zijn door art. 1 EP EVRM, maar dat de aanvrager van merkinschrijving geen aanspraak kan maken op deze bescherming. Het hof heeft de klacht tegen de uitspraak van het Portugese Supreme Court daarom afgewezen. Daarin was besloten de uit 1981 daterende, maar nooit definitief geworden aanvrage van het merk 'Budweiser' voor bier van het Amerikaanse Anheuser-Busch te annuleren, omdat een Tsjechische brouwerij uit het plaatsje Budvar (Duits 'Budweis') de geografische aanduiding 'Budweiser' was toegekend door een bilaterale overeenkomst uit 1986. Het feit dat de merkaanvrage van Anheuser-Busch juist door een later definitief recht om zeep was geholpen, mag menig commentator oneerlijk voorkomen. Toch ging de zaak voor het EHRM niet om de vraag welke van de beide partijen in 1981 of in 1986 het sterkere recht had, maar om de vraag of een merkaanvrage een 'legitimate expectation' (legitieme verwachting) op verkrijging van eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM is.

[2] Voor het eerst genoemd in EHRM 23 februari 1995, ECHR, Series A, vol. 306-B (Gasus Dosier- und Fördertechnik Gmbh/Nederland); zie ook J. van de Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM, deel 2, Antwerpen: Intersentia 2005, p. 318.

[3] Vgl. T. Brakhuysen, M.L. van Emmerik, H.D. Ploeger, 'De eigendomsbescherming van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het Nederlandse burgerlijk recht', in: Preadviezen 2005 (Preadviezen voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht), p. 120.

[4] EHRM 23 februari 1995, ECHR, Series A, vol. 306-B (Gasus Dosier- und Fördertechnik Gmbh/Nederland).

[5] Toekomstige inkomsten vallen er alleen onder, als zij reeds verdiend zijn. Zie EHRM 20 november 1995, NJ 1996, 593, p. 3286-3287 (Pressos Compania Naviera/België) (een reeds ontstaan vorderingsrecht uit onrechtmatige daad); EHRM 9 december 1994, NJ 1996, 592 (Stran Greek Refineries/Griekenland) (een vorderingsrecht uit een arbitraal vonnis); EHRM 26 juni 1986, ECHR, Series A, vol. 101 (Van Marle e.a./Nederland) (goodwill); maar ECRM 3 oktober 1984, zaak 10438/83, D&R 41, 170 (Batelaan en Huiges/Nederland) (niet goodwill van een artsenpraktijk).

[6] De minderheid volgde een resultaatgerichte lijn van argumentatie. In paragraaf 5 van haar 'dissenting opinion' slaat zij helaas de hoofdvraag naar het eigendomskarakter over en neemt gewoon aan dat hier om inbreuk gaat. Beslissend voor de opvatting van de minderheid lijkt te zijn dat voor Anheuser-Busch een groot monetair belang aan het lot van de merkinschrijving gekoppeld is en dat zij daarom de bescherming van art. 1 EP EVRM verdient.

[7] Anheuser-Busch heeft begin maart 2005 tegen de uitspraak hoger beroep bij de grote raadskamer van het EHRM ingesteld.

[8] EHRM 6 mei 2003, AB 2004, 37, nr. 319.

[9] Concl. A-G Verkade bij HR 16 december 2005, LJN AT2056, r.o. 6.17 en 6.21.

[10] BGH 3 februari 2005, zaak I ZR 159/02, GRUR 2005, 583.

[11] Rb. 's-Gravenhage, 21 juni 2005, rolnr. KG 05/447.

[12] Rb. Amsterdam, 6 januari 2005, rolnr. KG 04/2632, LJN AR8854.

 

 

Geplaatst 19.07.2007