|
Inleiding
In zijn
uitspraak in de zaak Anheuser-Busch Inc. t. Portugal[1]
van 11 oktober 2005, heeft het EHRM bevestigd dat
intellectuele eigendomsrechten en in dit geval
merkrechten, vallen onder het recht op ongestoord genot
van de eigendom in de zin van Artikel 1 van het Eerste
Protocol bij het EVRM (art.1 EP EVRM). Deze uitspraak
zou in de eeuwigdurende discussie over uitbreiding van
IE rechten door de pleitbezorgers van uitbreiding als
een bevestiging van hun opvatting kunnen worden gezien.
Het is nu immers een onomstotelijk feit dat IE rechten
vallen onder het ´mensenrecht op eigendom´. Maar
anders dan men wellicht zou verwachten, schuilt in
Artikel 1 EP EVRM geen ”mensenrecht op
prestatiebescherming”, maar is het een recht tegen
ongerechtvaardigde ingrepen in reeds erkende
eigendomsrechten. Deze uitspraak zegt dus niets over de
noodzaak tot bescherming van intellectuele prestaties
noch over de vraag wat een gerechtvaardigde
beschermingsomvang voor die rechten zou moeten zijn. Wel
is er mijns inziens hoop dat door de 'verheffing' van IE
rechten tot het niveau van grondrechten een betere
afweging kan worden verkregen tegenover andere
grondrechtelijk beschermde belangen.
Het
eigendomsbegrip van artikel 1 EP EVRM
Het
eigendomsbegrip van art. 1 EP EVRM wordt door het hof
'autonoom' genoemd.[2]
Dit blijkt in zo verre juist, dat het niets met
nationale definities betreffende eigendom te maken
heeft. De drempel voor wat door het EHRM als eigendom
wordt beschouwd, ligt aanzienlijk lager dan wat
nationale wetgeving ervoor aanziet – namelijk rond het
niveau van zaken en vermogensrechten.[3]
Toch is het bestaan van een door art. 1 EP EVRM
beschermde vermogensrechtelijke aanspraak in hoge mate
afhankelijk van het nationale recht. Het moet namelijk
gaan om een 'possession'[4]
of om een 'legitimate expectation' (legitieme
verwachting) tot verwerving daarvan, die in het
nationale recht gegrond en reeds erkend is.[5]
In
de onderhevige zaak was duidelijk gesteld, dat reeds
verkregen IE rechten door art. 1 EP EVRM beschermd zijn.
Maar het ging juist om de vraag of een merkaanvrage tot
eigendom in de zin van Artikel 1 EP EVRM behoort. De
meerderheid heeft deze vraag – mijns inziens –
negatief beantwoord.[6]
De positie van de merkaanvrager lijkt te zwak hiervoor.[7]
Mij
lijkt het belangrijk in te zien, dat art. 1 EP EVRM wel
een waarborg biedt, maar geen grondslag voor
eigendomsrechten en dus ook niet voor IE rechten. Dit
omdat bijna volledig verwezen wordt naar nationaal recht
met betrekking tot het bestaan van een aanspraak. Juist
daarom moet art. 1 EP EVRM mijns inziens geen rol gaan
spelen in de discussie over uitbreiding van IE rechten.
Afwegen
tegen andere (grond)rechten
Blijft de
vraag of art. 1 EP EVRM dan nog wel een zekere
bescherming biedt bij botsing van reeds erkende IE
rechten met andere (grond)rechten. Ik wil hier de
informatievrijheid van art. 10 EVRM als voorbeeld nemen.
Het
EHRM stelde in de zaak Appleby e.a. t. Verenigd
Koninkrijk[8],
dat de uitoefening van een door art. 1 EP EVRM beschermd
recht schending oplevert van art. 10 EVRM, wanneer die
uitoefening resulteert in 'preventing any effectieve
exercise of freedom of expression or [if] it can be said
that the essence of the right has been destroyed.'
Het lijkt er dus op, dat het Hof aan het eigendomsrecht
een tamelijk sterke bescherming tegenover andere
grondrechten toekent. Maar het ging hier wel om de vraag
naar de verplichting voor positief ingrijpen door de
overheid i.v.m. een eventueel uit art. 10 EVRM
voortvloeiend recht op toegang tot een winkelcentrum.
Verkade
stelde onlangs in zijn conclusie bij de Scientology-
zaak dat bescherming van het auteursrecht door art.
1 EP EVRM niet automatisch ertoe leidt, dat een IE recht
is verheven boven een afweging met de
informatievrijheid. Ook dat het auteursrecht slechts 'in
exceptionele of zeer bijzondere omstandigheden zal
moeten wijken voor de informatievrijheid van art. 10
EVRM', is volgens hem een onjuiste rechtsopvatting.[9]
Het Duitse
Bundesgerichtshof heeft onlangs bij een conflict tussen
deze twee botsende grondrechten een uitgebreide afweging
gemaakt op basis van de Duitse constitutionele “Werteordnung”.
Het object van het conflict was een parodie van het merk
“Milka” doormiddel van een lila briefkaart met een
parodiërende tekst. Het lijkt hier op dat in geval van
twijfel de Duitse ”Kunstfreiheit”, boven het
eigendomsrecht zegeviert.[10]
Slotsom
Voor de
IE-rechthebbende lijkt art. 1 EP EVRM weinig aan
bescherming toe te voegen. Vanuit grondrechtelijk
perspectief echter biedt dit recht een handvat voor
rechters om tot een gewogen afweging te komen bij
botsing van IE-rechten met andere grondrechten. Mijns
inziens wordt namelijk pas met het inzicht van de
grondrechtelijke status van IE-rechten een (externe)
reflectie mogelijk over de beschermingsomvang van deze
rechten. De noodzaak voor reflectie blijkt uit zaken
zoals InjeHolland[11]
of Milieudefensie v. Super de Boer[12],
waar het geschil mijns inziens te zeer door de IE-lens
was bekeken. 'Schade' was als het beslissende criterium
voor constatering van merkinbreuk gebruikt zonder
hierbij de door art. 10 EVRM beschermde belangen
volwaardig mee te wegen.
Noten
[1]
EHRM
11 oktober 2005, IER 2006/2, 20, m.nt. ChG.
Het hof heeft beslist dat merkrechten wel beschermd zijn
door art. 1 EP EVRM, maar dat de aanvrager van
merkinschrijving geen aanspraak kan maken op deze
bescherming. Het hof heeft de klacht tegen de uitspraak
van het Portugese Supreme Court daarom afgewezen.
Daarin was besloten de uit 1981 daterende, maar nooit
definitief geworden aanvrage van het merk 'Budweiser'
voor bier van het Amerikaanse Anheuser-Busch te
annuleren, omdat een Tsjechische brouwerij uit het
plaatsje Budvar (Duits 'Budweis') de geografische
aanduiding 'Budweiser' was toegekend door een bilaterale
overeenkomst uit 1986. Het feit dat de merkaanvrage van
Anheuser-Busch juist door een later definitief recht om
zeep was geholpen, mag menig commentator oneerlijk
voorkomen. Toch ging de zaak voor het EHRM niet om de
vraag welke van de beide partijen in 1981 of in 1986 het
sterkere recht had, maar om de vraag of een merkaanvrage
een 'legitimate expectation' (legitieme verwachting) op
verkrijging van eigendom in de zin van art. 1 EP EVRM
is.
[2]
Voor het eerst genoemd in EHRM
23 februari 1995, ECHR, Series A, vol. 306-B
(Gasus Dosier- und Fördertechnik Gmbh/Nederland);
zie ook J. van de Lanotte & Y. Haeck, Handboek
EVRM, deel 2, Antwerpen: Intersentia 2005, p. 318.
[3]
Vgl. T. Brakhuysen, M.L. van Emmerik, H.D. Ploeger, 'De
eigendomsbescherming van artikel 1 van het Eerste
Protocol bij het EVRM en het Nederlandse burgerlijk
recht', in: Preadviezen 2005 (Preadviezen voor de
Vereniging voor Burgerlijk Recht), p. 120.
[4]
EHRM
23 februari 1995, ECHR, Series A, vol. 306-B
(Gasus Dosier- und Fördertechnik Gmbh/Nederland).
[5]
Toekomstige inkomsten vallen er alleen onder, als zij
reeds verdiend zijn. Zie EHRM
20 november 1995, NJ 1996, 593, p. 3286-3287
(Pressos Compania Naviera/België) (een reeds
ontstaan vorderingsrecht uit onrechtmatige daad); EHRM
9 december 1994, NJ 1996, 592 (Stran Greek
Refineries/Griekenland) (een vorderingsrecht uit een
arbitraal vonnis); EHRM
26 juni 1986, ECHR, Series A, vol. 101 (Van
Marle e.a./Nederland) (goodwill); maar ECRM 3
oktober 1984, zaak 10438/83, D&R 41, 170 (Batelaan
en Huiges/Nederland) (niet goodwill van een
artsenpraktijk).
[6]
De minderheid volgde een resultaatgerichte lijn van
argumentatie. In paragraaf 5 van haar 'dissenting
opinion' slaat zij helaas de hoofdvraag naar het
eigendomskarakter over en neemt gewoon aan dat hier om
inbreuk gaat. Beslissend voor de opvatting van de
minderheid lijkt te zijn dat voor Anheuser-Busch een
groot monetair belang aan het lot van de
merkinschrijving gekoppeld is en dat zij daarom de
bescherming van art. 1 EP EVRM verdient.
[7]
Anheuser-Busch heeft begin maart 2005 tegen de uitspraak
hoger beroep bij de grote raadskamer van het EHRM
ingesteld.
[8]
EHRM
6 mei 2003, AB 2004, 37, nr. 319.
[9]
Concl. A-G Verkade bij HR 16 december 2005, LJN AT2056,
r.o. 6.17 en 6.21.
[10]
BGH 3 februari 2005, zaak I ZR 159/02, GRUR 2005,
583.
[11]
Rb. 's-Gravenhage, 21 juni 2005, rolnr. KG 05/447.
[12]
Rb. Amsterdam, 6 januari 2005, rolnr. KG 04/2632, LJN
AR8854.
|