|
Na
bijna 26 jaar lijkt door een uitspraak van de Grote
Kamer van het EHRM een slotstreep te zijn gezet onder
het langlopende geschil tussen de Amerikaanse
bierbrouwer Anheuser-Busch en de Tsjechische brouwerij
Budejovický Budvar over het recht het merk of de
aanduiding "Budweiser" te voeren in Portugal
(zie cursief kopje voor de feiten en een beschrijving
van de nationale rechtsgangen).
Helaas
gaat het vanuit rechtstheoretisch oogpunt bepaald niet
om een bevredigende uitspraak. Weliswaar oordeelt de
Grote Kamer (anders dan eerder de Kleine Kamer) met 13
stemmen tegen 2 dat het uit 1981 daterend merkdepot van
Anheuser-Busch bescherming geniet onder art. 1 van het
Eerste Protocol bij het EVRM (art. 1 EP EVRM). Maar de
daaropvolgende beoordeling van de vraag of in casu
inbreuk is gemaakt op die bescherming is niet sluitend
en is doorspekt met onduidelijke verwijzingen naar
andere toetsingskaders, zoals dat van art. 6 EVRM.
Uiteindelijk wordt deze vraag negatief beantwoord.
Het
mag dan ook niet verwonderen, dat de twee dissenters, de
Portugese en de Zwitserse rechter, felle kritiek uiten
op de redenering van de meerderheid van de Grote Kamer.
Het
eerste, voor IE-juristen positieve punt, is dat de Grote
Kamer een merkdepot aanmerkt als bezitting
("possession") in de zin van art. 1 EP EVRM
(r.o. 78). Anders dan de Kleine Kamer, die had
geoordeeld dat een merkdepot noch kan worden aangemerkt
als een bezitting, noch als een "gerechtvaardigde
verwachting" op de verkrijging van een bezitting,
die onder omstandigheden op een lijn kan worden gesteld
met een bezitting.
Op
het eerste gezicht lijkt de erkenning van een merkdepot
als volwaardige bezitting voordelig voor Anheuser-Busch.
Dit voordeel moet echter gerelativeerd worden. Door te
oordelen dat een merkdepot, als "set of proprietary
rights", een bezitting is, kiest de Grote Kamer een
perspectief dat zich richt op het merkdepot als zodanig
en niet op het in de toekomst liggende doel ervan,
namelijk de verkrijging van het merkrecht.
Anders
dan ik eerder heb beweerd (IER
2006, nr. 36), ben ik nu met de dissenters van
mening dat het juister ware geweest om een merkdepot aan
te merken als een gerechtvaardigde verwachting op de
verkrijging van eigendom. Ofschoon een legitieme
verwachting een zwakker recht lijkt op te leveren, zou
de inhoud van het merkdepot er beter door worden
weergegeven. Het merkdepot vertegenwoordigt namelijk een
vermogensbestanddeel (een "asset"): het is
overdraagbaar en levert een recht van voorrang op ten
opzichte van latere rechten. Bovendien is het merkdepot
gericht op een doel, namelijk de verkrijging van het
merkrecht. Ten slotte is de verkrijging van het
merkrecht door middel van het merkdepot enkel aan
specifieke voorwaarden gebonden, onder andere dat er
geen eerder recht bestaat.
Het
tweede punt betreft de beoordeling van de vraag of er
een beperking heeft plaatsgevonden van Anheuser-Busch'
recht op ongestoord genot van het eigendom op haar
merkdepot. Daartoe beoordeelt de Grote Kamer of het
arrest van de Portugese Hoge Raad waarbij het Bilaterale
Verdrag tussen Portugal en Tsjechoslowakije uit 1986 met
terugwerkende kracht werd toegepast op Anheuser-Busch'
merkdepot uit 1981 een dergelijke beperking oplevert. De
Grote Kamer beantwoordt die vraag ontkennend. Er is
volgens de Grote Kamer immers sprake van de normale
toepassing van nationale wetten door de nationale
rechter in een geschil tussen particulieren (r.o. 83).
Anders dan in Maurice t. Frankrijk (EHRM
6 oktober 2005, ter zake van terugwerkende wetgeving
ter voorkoming van de uitkering van reeds aan de ouders
van gehandicapte kinderen toegekende schadevergoedingen
wegens gebrekkige prenatale analyses), Pressos
Compania Naviera S.A. t. België (EHRM
20 november 1995, ter zake van terugwerkende
wetgeving ter voorkoming van schadevergoeding voor een
door Belgische loodsen veroorzaakte scheepsramp in de
haven van Antwerpen), of Lecarpentier t. Frankrijk
(EHRM
14 februari 2006, ter zake van terugwerkende
wetgeving ter verandering van consumentenrecht aangaande
leningen) besluit de Grote Kamer dat er in het
onderhavige geval geen sprake was van kennelijk
terugwerkende kracht. Ten tijde van de vermeende
terugwerkende toepassing van het bilaterale verdrag had
volgens de Grote Kamer immers alleen Budejovický Budvar
een daadwerkelijk recht op de geografische aanduiding
"Budweiser", en wel op grond van de
overeenkomst van Lissabon uit 1958. Dat dit recht van
Budejovický Budvar later nietig werd verklaard, doet
volgens de Grote Kamer niet terzake (r.o. 84). De Grote
Kamer lijkt hier volledig uit het oog te verliezen dat
Anheuser-Busch door haar merkdepot uit 1981 een
voorrangsrecht had op het merk 'Budweiser!
Vervolgens
beoordeelt de Grote Kamer of er sprake is van een
schending van Portugals positieve verplichting tot het
beschikbaar stellen van een behoorlijke nationale
procedure ter waarborging van de rechten voortvloeiend
uit art. 1 EP EVRM.
De
Grote Kamer koppelt deze vraag aan het toetsingskader
van art. 6 EVRM, zonder expliciet naar die bepaling te
verwijzen. Dit levert echter een wel erg restrictieve
toetsing op. Het EHRM heeft onder art. 6 EVRM namelijk
slechts beperkte rechtsmacht om de toepassing van
nationale weten in nationale procedures te beoordelen.
Alleen in gevallen van willekeurige of kennelijk
onredelijke beslissingen kan tot inbreuk worden
geconcludeerd.
Het
mag dan ook niet verbazen, dat de Grote Kamer tot de
conclusie komt, dat Anheuser-Busch toegang had tot een
behoorlijke rechtsgang en dat de uitspraak van de
Portugese Hoge Raad niet willekeurig of kennelijk
onredelijk was. Daarom is er volgens de Grote Kamer van
een inbreuk op art. 1 EP EVRM geen sprake.
Bij
deze redenering kunnen twee kanttekeningen worden
geplaatst. Het
eerste, en meest belangrijke punt, betreft de vraag naar
terugwerking. Hoe kon de Grote Kamer na haar uitvoerige
behandeling van de feiten concluderen dat er geen sprake
was van terugwerkende kracht. Hoe komt de Grote Kamer er
bij dat Anheuser-Busch in 1987 geen voorrangrecht genoot
maar Budejovický Budvar wel een geldige geografische
aanduiding? En waarom is de nietigverklaring van het
eerdere recht onbelangrijk? Het lijkt er bijna op, dat
de Grote Kamer ervan is uitgegaan, dat het gebrek van
Budejovický Budvar's eerdere recht door het latere
recht uit het Bilaterale Verdrag werd hersteld en dat er
dus een bepaalde vorm van continuďteit heeft bestaan
tussen de twee rechten van Budejovický Budvar op de
geografische aanduiding "Budweiser". Het gaat
hier echter om twee van elkaar onafhankelijke rechten.
Vermoedelijk is deze beoordeling het resultaat van de
kijk door de "jampotglazen" bril van art. 6
EVRM. Vreemd is alleen dat de aanleiding om tot de
toetsingsmethode van art. 6 EVRM over te gaan het
ontbreken van terugwerkende kracht was en vervolgens de
gekozen methode de oorzaak lijkt te zijn om terugwerking
niet te erkennen. Hier wreekt zich wellicht het feit
dat, zoals gezegd, een merkdepot als volwaardige
bezitting en niet slechts als gerechtvaardigde
verwachting is aangemerkt. In dit laatste geval was het
duidelijk geweest dat het achteraf invoeren van een
aanvullende voorwaarde een inperking betekent.
Het
tweede punt betreft de toepassing van het toetsingskader
van art. 6 EVRM. Er bestaat namelijk wel degelijk
samenhang tussen art. 6 EVRM en de positieve procedurele
verplichtingen krachtens art. 1 EP EVRM. In Sovtransvato
Holding t. Ukraine (EHRM
25 juli 2002) was er bijvoorbeeld inbreuk op art. 1
EP EVRM geconstateerd omdat er eerder al inbreuk op art.
6 EVRM was vastgesteld. Maar vanuit principieel oogpunt
hoort de toetsing of een nationale procedure arbitrair
of duidelijk onredelijk was natuurlijk zuiver plaats te
vinden in het kader van art. 6 EVRM en niet in dat van
art. 1 EP EVRM.
Afsluitend
ben ik, met de dissenters, van oordeel dat het hier wel
degelijk gaat om de kennelijk terugwerkende toepassing
van wetgeving. Met het merkdepot uit 1981 kwam
Anheuser-Busch het voorrangsrecht toe om zich te
verzetten tegen latere rechten op gebruik van de naam
"Budweiser". Het vermeende eerdere recht van
Budejovický Budvar uit 1958 op de geografische
aanduiding bleek nietig te zijn. Het latere recht
voortvloeiend uit het Bilaterale Verdrag van 1986 (in
werking getreden in 1987) zou daarom moeten wijken voor
Anheuser-Busch voorrangsrecht. Door het latere
Bilaterale Verdrag van toepassing te verklaren op het
geschil tussen Anheuser-Busch en Budejovický Budvar
heeft de Portugese Hoge Raad een aanvullende voorwaarde
aan het merkdepot gesteld. Zodoende heeft het inderdaad
met terugwerkende kracht het voorrangsrecht van
Anheuser-Busch teniet gedaan.
Daarnaast
is de inperking van Anheuser-Busch" rechten
voortvloeiend uit art. 1 EP EVRM vermoedelijk ook
ongeoorloofd omdat er geen compensatie heeft
plaatsgevonden en zij dus onevenredig is jegens
Anheuser-Busch. |