Annotatie bij EHRM 11 januari 2007 (Anheuser-Busch / Portugal)
Verschenen in Intellectuele Eigendom & Reclamerecht (IER), 2007-3, nr. 46, p. 169-177.

W. Sakulin


Na bijna 26 jaar lijkt door een uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM een slotstreep te zijn gezet onder het langlopende geschil tussen de Amerikaanse bierbrouwer Anheuser-Busch en de Tsjechische brouwerij Budejovický Budvar over het recht het merk of de aanduiding "Budweiser" te voeren in Portugal (zie cursief kopje voor de feiten en een beschrijving van de nationale rechtsgangen).

Helaas gaat het vanuit rechtstheoretisch oogpunt bepaald niet om een bevredigende uitspraak. Weliswaar oordeelt de Grote Kamer (anders dan eerder de Kleine Kamer) met 13 stemmen tegen 2 dat het uit 1981 daterend merkdepot van Anheuser-Busch bescherming geniet onder art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (art. 1 EP EVRM). Maar de daaropvolgende beoordeling van de vraag of in casu inbreuk is gemaakt op die bescherming is niet sluitend en is doorspekt met onduidelijke verwijzingen naar andere toetsingskaders, zoals dat van art. 6 EVRM. Uiteindelijk wordt deze vraag negatief beantwoord.

Het mag dan ook niet verwonderen, dat de twee dissenters, de Portugese en de Zwitserse rechter, felle kritiek uiten op de redenering van de meerderheid van de Grote Kamer.

Het eerste, voor IE-juristen positieve punt, is dat de Grote Kamer een merkdepot aanmerkt als bezitting ("possession") in de zin van art. 1 EP EVRM (r.o. 78). Anders dan de Kleine Kamer, die had geoordeeld dat een merkdepot noch kan worden aangemerkt als een bezitting, noch als een "gerechtvaardigde verwachting" op de verkrijging van een bezitting, die onder omstandigheden op een lijn kan worden gesteld met een bezitting.

Op het eerste gezicht lijkt de erkenning van een merkdepot als volwaardige bezitting voordelig voor Anheuser-Busch. Dit voordeel moet echter gerelativeerd worden. Door te oordelen dat een merkdepot, als "set of proprietary rights", een bezitting is, kiest de Grote Kamer een perspectief dat zich richt op het merkdepot als zodanig en niet op het in de toekomst liggende doel ervan, namelijk de verkrijging van het merkrecht.

Anders dan ik eerder heb beweerd (IER 2006, nr. 36), ben ik nu met de dissenters van mening dat het juister ware geweest om een merkdepot aan te merken als een gerechtvaardigde verwachting op de verkrijging van eigendom. Ofschoon een legitieme verwachting een zwakker recht lijkt op te leveren, zou de inhoud van het merkdepot er beter door worden weergegeven. Het merkdepot vertegenwoordigt namelijk een vermogensbestanddeel (een "asset"): het is overdraagbaar en levert een recht van voorrang op ten opzichte van latere rechten. Bovendien is het merkdepot gericht op een doel, namelijk de verkrijging van het merkrecht. Ten slotte is de verkrijging van het merkrecht door middel van het merkdepot enkel aan specifieke voorwaarden gebonden, onder andere dat er geen eerder recht bestaat.

Het tweede punt betreft de beoordeling van de vraag of er een beperking heeft plaatsgevonden van Anheuser-Busch' recht op ongestoord genot van het eigendom op haar merkdepot. Daartoe beoordeelt de Grote Kamer of het arrest van de Portugese Hoge Raad waarbij het Bilaterale Verdrag tussen Portugal en Tsjechoslowakije uit 1986 met terugwerkende kracht werd toegepast op Anheuser-Busch' merkdepot uit 1981 een dergelijke beperking oplevert. De Grote Kamer beantwoordt die vraag ontkennend. Er is volgens de Grote Kamer immers sprake van de normale toepassing van nationale wetten door de nationale rechter in een geschil tussen particulieren (r.o. 83). Anders dan in Maurice t. Frankrijk (EHRM 6 oktober 2005, ter zake van terugwerkende wetgeving ter voorkoming van de uitkering van reeds aan de ouders van gehandicapte kinderen toegekende schadevergoedingen wegens gebrekkige prenatale analyses), Pressos Compania Naviera S.A. t. België (EHRM 20 november 1995, ter zake van terugwerkende wetgeving ter voorkoming van schadevergoeding voor een door Belgische loodsen veroorzaakte scheepsramp in de haven van Antwerpen), of Lecarpentier t. Frankrijk (EHRM 14 februari 2006, ter zake van terugwerkende wetgeving ter verandering van consumentenrecht aangaande leningen) besluit de Grote Kamer dat er in het onderhavige geval geen sprake was van kennelijk terugwerkende kracht. Ten tijde van de vermeende terugwerkende toepassing van het bilaterale verdrag had volgens de Grote Kamer immers alleen Budejovický Budvar een daadwerkelijk recht op de geografische aanduiding "Budweiser", en wel op grond van de overeenkomst van Lissabon uit 1958. Dat dit recht van Budejovický Budvar later nietig werd verklaard, doet volgens de Grote Kamer niet terzake (r.o. 84). De Grote Kamer lijkt hier volledig uit het oog te verliezen dat Anheuser-Busch door haar merkdepot uit 1981 een voorrangsrecht had op het merk 'Budweiser!

Vervolgens beoordeelt de Grote Kamer of er sprake is van een schending van Portugals positieve verplichting tot het beschikbaar stellen van een behoorlijke nationale procedure ter waarborging van de rechten voortvloeiend uit art. 1 EP EVRM.

De Grote Kamer koppelt deze vraag aan het toetsingskader van art. 6 EVRM, zonder expliciet naar die bepaling te verwijzen. Dit levert echter een wel erg restrictieve toetsing op. Het EHRM heeft onder art. 6 EVRM namelijk slechts beperkte rechtsmacht om de toepassing van nationale weten in nationale procedures te beoordelen. Alleen in gevallen van willekeurige of kennelijk onredelijke beslissingen kan tot inbreuk worden geconcludeerd.

Het mag dan ook niet verbazen, dat de Grote Kamer tot de conclusie komt, dat Anheuser-Busch toegang had tot een behoorlijke rechtsgang en dat de uitspraak van de Portugese Hoge Raad niet willekeurig of kennelijk onredelijk was. Daarom is er volgens de Grote Kamer van een inbreuk op art. 1 EP EVRM geen sprake.

Bij deze redenering kunnen twee kanttekeningen worden geplaatst. Het eerste, en meest belangrijke punt, betreft de vraag naar terugwerking. Hoe kon de Grote Kamer na haar uitvoerige behandeling van de feiten concluderen dat er geen sprake was van terugwerkende kracht. Hoe komt de Grote Kamer er bij dat Anheuser-Busch in 1987 geen voorrangrecht genoot maar Budejovický Budvar wel een geldige geografische aanduiding? En waarom is de nietigverklaring van het eerdere recht onbelangrijk? Het lijkt er bijna op, dat de Grote Kamer ervan is uitgegaan, dat het gebrek van Budejovický Budvar's eerdere recht door het latere recht uit het Bilaterale Verdrag werd hersteld en dat er dus een bepaalde vorm van continuďteit heeft bestaan tussen de twee rechten van Budejovický Budvar op de geografische aanduiding "Budweiser". Het gaat hier echter om twee van elkaar onafhankelijke rechten. Vermoedelijk is deze beoordeling het resultaat van de kijk door de "jampotglazen" bril van art. 6 EVRM. Vreemd is alleen dat de aanleiding om tot de toetsingsmethode van art. 6 EVRM over te gaan het ontbreken van terugwerkende kracht was en vervolgens de gekozen methode de oorzaak lijkt te zijn om terugwerking niet te erkennen. Hier wreekt zich wellicht het feit dat, zoals gezegd, een merkdepot als volwaardige bezitting en niet slechts als gerechtvaardigde verwachting is aangemerkt. In dit laatste geval was het duidelijk geweest dat het achteraf invoeren van een aanvullende voorwaarde een inperking betekent.

Het tweede punt betreft de toepassing van het toetsingskader van art. 6 EVRM. Er bestaat namelijk wel degelijk samenhang tussen art. 6 EVRM en de positieve procedurele verplichtingen krachtens art. 1 EP EVRM. In Sovtransvato Holding t. Ukraine (EHRM 25 juli 2002) was er bijvoorbeeld inbreuk op art. 1 EP EVRM geconstateerd omdat er eerder al inbreuk op art. 6 EVRM was vastgesteld. Maar vanuit principieel oogpunt hoort de toetsing of een nationale procedure arbitrair of duidelijk onredelijk was natuurlijk zuiver plaats te vinden in het kader van art. 6 EVRM en niet in dat van art. 1 EP EVRM.

Afsluitend ben ik, met de dissenters, van oordeel dat het hier wel degelijk gaat om de kennelijk terugwerkende toepassing van wetgeving. Met het merkdepot uit 1981 kwam Anheuser-Busch het voorrangsrecht toe om zich te verzetten tegen latere rechten op gebruik van de naam "Budweiser". Het vermeende eerdere recht van Budejovický Budvar uit 1958 op de geografische aanduiding bleek nietig te zijn. Het latere recht voortvloeiend uit het Bilaterale Verdrag van 1986 (in werking getreden in 1987) zou daarom moeten wijken voor Anheuser-Busch voorrangsrecht. Door het latere Bilaterale Verdrag van toepassing te verklaren op het geschil tussen Anheuser-Busch en Budejovický Budvar heeft de Portugese Hoge Raad een aanvullende voorwaarde aan het merkdepot gesteld. Zodoende heeft het inderdaad met terugwerkende kracht het voorrangsrecht van Anheuser-Busch teniet gedaan.

Daarnaast is de inperking van Anheuser-Busch" rechten voortvloeiend uit art. 1 EP EVRM vermoedelijk ook ongeoorloofd omdat er geen compensatie heeft plaatsgevonden en zij dus onevenredig is jegens Anheuser-Busch.

 

Geplaatst 14.02.2008