Reclame- en Consumentenrecht
J.J.C. Kabel, Annotatie bij EHRM 11 december 2008 (TV Vest As en Rogaland Pensjonistparti/Noorwegen), Mediaforum, 2009-3, nr. 6, p. 113-114.

14.04.2009


J.J.C. Kabel, Annotatie bij Vrz. Rb. Haarlem 25 juli 2008 (Tele2/UPC), Intellectuele Eigendom & Reclamerecht (IER), 2009-1, nr. 6, p. 12-18.

14.04.2009


N. Helberger & J.V.J. van Hoboken, Looking Ahead—Future Issues when Reflecting on the Place of the iConsumer in Consumer Law and Copyright Law, Journal of Consumer Policy 2008-31, p. 489-96.

30.03.2009


J.J.C. Kabel, Audiovisual Media Services and the Unfair Commercial Practices Directive’, IRIS plus (Supplement to IRIS - Legal Observations of the European Audiovisual Observatory), 2008-8, p. 2-8.

19.09.2008


J.J.C. Kabel, Van test naar waardering? Vergelijkend warenonderzoek in het internettijdperk, in: N.A.N.M. van Eijk & P.B. Hugenholtz (red.) Dommering-bundel: Opstellen over informatierecht aangeboden aan prof. mr. E.J. Dommering, Amsterdam: Otto Cramwinckel Uitgever 2008, p. 169-188.

15.05.2008


J.J.C. Kabel, Eerlijke handel: de beoordeling van misleidende reclame en andere oneerlijke handelspraktijken, Vakblad voor de MKB-Adviseur, 2008-5, p. 6-11.

Het codificeren en harmoniseren van oneerlijk mededingingsrecht gaat niet van een leien dakje, vooral omdat de belangen van de betrokken partijen niet op één lijn zijn te krijgen. Uiteindelijk heeft de Europese Commissie besloten om vooralsnog slecht een deel van het hier bedoelde rechtsgebied te harmoniseren, te weten de bescherming van de consument tegen oneerlijke handelspraktijken. Dat is gebeurd in Richtlijn 2005/29, die vervolgens is geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving die naar alle waarschijnlijkheid een dezer dagen in werking treedt. Die wetgeving gaat een hoop problemen opleveren, lijkt nu al vast te staan.

15.05.2008


J.J.C. Kabel, Annotatie bij Hof van Justitie 8 november 2007 (Ludwigs-Apotheke München Internationale Apotheke / Juers Pharma Import-Export GmbH), Intellectuele Eigendom & Reclamerecht (IER), 2008-1, p. 22-28.

Het gaat om een uitzondering op de regel dat levering van ongeregistreerde geneesmidden is verboden. In uitzonderlijke gevallen mag dat toch, en op die gevallen is Richtlijn 2001/83 buiten toepassing verklaard. Voor deze uitzonderlijke gevallen mag volgens de Duitse wetgeving geen reclame worden gemaakt. Dit nationale reclameverbod kan niet worden getoetst aan de Richtlijn. Toetsing aan primair EG-recht leidt tot het oordeel dat het desbetreffende reclameverbod in dit geval disproportioneel wordt toegepast, omdat het informatie verbiedt die niet als reclame valt te beschouwen (de handelsnaam, het verpakkingsformaat, de prijs, de dosering en de landen waar de geneesmiddelen wel zijn geregistreerd).

15.05.2008


L. Steijger, Wetgevingspraktijken onder de loep genomen: een analyse van de implementatie van de Richtlijn Oneerlijke handelspraktijken in Nederland, 2007, 21 p.
Definitieve versie van dit artikel is te vinden in Nederlands Tijdschrift voor Europees Recht (NTER), 2007-7/8, p. 124-137.

Het liggende wetsvoorstel strekkende tot implementatie van de Richtlijn Oneerlijke handelspraktijken blijft overwegend trouw aan de letter en de geest van de richtlijn. Dit is verstandig, want de richtlijn voorziet in volledige harmonisatie. Niettemin is wenselijk dat de wetgever zich nadrukkelijker uitspreekt ten aanzien van het nieuwe begrippenkader. Ook zou de wetgever er goed aan doen de gekunstelde scheiding die het voorstel aanbrengt tussen business-to-consumer en business-to-business verhoudingen, te heroverwegen.

10.10.2007


J.J.C. Kabel, Reclamerecht en Oneerlijke Mededinging - Ontwikkelingen in 2006, Intellectuele Eigendom & Reclamerecht (IER), 2007-4, p. 203-209.

Publiekrechtelijke handhaving van consumentenbelangen, juridische reactie op digitalisering van audiovisuele media, commercialisering van audiovisuele media, co-regulering, paternalisme: dat zijn zo ongeveer de trefwoorden waarmee de wetgevende arbeid op ons terrein, zowel Europees als nationaal kunnen worden geschetst. Wil men een algemene noemer voor de ontwikkelingen, dan denk ik dat het accent vooral ligt op een actief wetgevingsbeleid met betrekking tot de inhoud van commerciële informatie, terwijl de regulering van de infrastructuur steeds meer aan de markt wordt overgelaten.  Regulering van de inhoud dient ter bescherming van specifieke economische en niet-economische (gezondheid) consumentenbelangen. Liberalisering van de infrastructuur heeft betrekking op de opheffing of versoepeling van zogenaamde 'time, place and manner' beperkingen op de verspreiding van commerciële informatie.

12.09.2007


J.J.C. Kabel, Rechter en publieksopvattingen: Feit, fictie of ervaring? Over de beoordeling door de rechter van commerciële communicatie’, Rede in verkorte vorm uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van Hoogleraar in het Informatierecht, in het bijzonder Commerciële Informatie aan de Universiteit van Amsterdam op 17 juni 2005, Amsterdam: Otto Cramwinckel Uitgever (2005).

20.06.2006


J.J.C. Kabel, Annotatie bij Hof Amsterdam 30 september 2004 (T-Mobile / ID&T Mobile), IER, 2005-1, p. 41-43.

06.04.2005


J.J.C. Kabel, Annotatie bij Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 21 juli 2004 (Nationalevacaturebank.nl / CVBank), IER, 2004-6, p. 419-420.

12.11.2004


J.J.C. Kabel, Annotatie bij Rb. Amsterdam 7 juli 2004 (Leaseverlies / Dexia), IER, 2004-5, p. 357-370.

12.11.2004


J.J.C. Kabel, Annotatie bij Rechtbank Arnhem 27 januari 2003 (Stichting de Nationale Sporttotalisator/Ladbrokes Ltd.), verschenen in IER 2003-3, p. 184-188.

04.08.2003


J.J.C. Kabel, Reclamerecht Online. Problemen in theorie en praktijk, bewerkte versie van twee artikelen die eerder zijn verschenen in IER 2001-6 en 2002-3.

De E-commerce richtlijn lijkt maar een klein stukje van het reclamerecht online te regelen. In werkelijkheid gaat het om een veel groter gebied, wordt het online-recht inzake oneerlijke mededinging zeer tersluiks meegenomen en heeft de nog jonge richtlijn nu al verwoestende consequenties gehad voor enkele bijzondere reclameregels. In deze tekst wordt bezien wat reclame op het internet en op enkele andere online-media nu zo nieuw en attractief maakt, wat de praktische problemen zijn die zich thans al op basis van het bestaande recht voordoen in de (binnen- en buitenlandse) rechtspraak, c.q. in theorie worden gesteld in de (binnen- en buitenlandse) literatuur en onderzocht in hoeverre de nieuwe richtlijn geschikt is om die problemen aan te pakken.

16.08.2002


J.J.C. Kabel, annotatie bij EHRM 28 juni 2001, Application no. 24699/94 (Vgt Verein gegen Tierfabriken v. Switzerland), Mediaforum 2002-1.

21.03.2002


J.J.C. Kabel, annotatie bij HvJEG 25 oktober 2001, zaak C-112/99 (Toshiba Europe GmbH / Katun Germany GmbH), IER 2001-1, p. 44-51.

Refererende reclame: vermelding van artikelnummers van originele reserveonderdelen en verbruiksartikelen door verkoper van niet-originele reserveonderdelen en verbruiksartikelen. Prejudiciële beslissing over de uitleg van de artikelen 2 punt 2 bis, en 3 bis, lid 1, sub c en g, van richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB L 250, blz. 17), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 (PB L 290, blz. 18). Vermelding te beschouwen als vergelijkende reclame. Objectieve verwijzende vergelijking kan toch ontoelaatbaar zijn indien doelgroep reputatie producten concurrent toeschrijft aan (vervangende) producten adverteerder. Verschil met BMW/Deenik? Gunstiger positie voor de wederverkoper dan voor de verwijzer naar vervangingsproducten. Toepassing van richtlijn 97/95/EG dodelijker voor vergelijkende reclame dan het merkenrecht? Het schiet niet op met de liberalisering van vergelijkende reclame in Europa.

21.03.2002


J.J.C. Kabel, ‘Reclamerecht ONLINE - Problemen in theorie en praktijk (I)’, IER 2001-6, p. 257-266.

De E-commerce richtlijn lijkt maar een klein stukje van het reclamerecht online te regelen. In werkelijkheid gaat het om een veel groter gebied, wordt het online-recht inzake oneerlijke mededinging zeer tersluiks meegenomen en heeft de nog jonge richtlijn nu al verwoestende consequenties gehad voor enkele bijzondere reclameregels. Nu het internet als medium dichter tegen printmedia aanligt dan tegen omroep en de internetgebruiker als een redelijk oplettende consument mag worden gezien, dienen al te beschermende maatregelen kritisch tegen het licht te worden gehouden. Opruimen van wettelijke regels leidt anderzijds weer tot meer werk voor de rechter en tot rechtsonzekerheid.

27.01.2002


E.R. Vollebregt, ‘Vergelijkende reclame in vrije beroepen: de octrooigemachtigden slaan terug’, NTER 2001-7/8, p. 187 (T-144/99 EPI).

27.01.2002


E.R. Vollebregt, ‘Het accent verschuift naar markttoegang’, NTER 2001-6, p. 145 (C-405/98 Gourmet International Products).

27.01.2002


J.J.C. Kabel, ‘Reclamerecht en oneerlijke mededinging’, IER 2001-2, p. 50-55.

Kabel verzorgt jaarlijks de kroniek 'Reclamerecht en oneerlijke mededinging' voor het tijdschrift Intellectuele eigendom en reclamerecht. De hier opgenomen bijdrage over het jaar 2000 is gewijd aan de e-commerce richtlijn, de voorstellen tot grondwetswijziging (artikel 7lid 4 Grondwet wordt geschrapt), reclame voor kinderen, de rechtspraak van het HvJEG en de Nederlandse rechtspraak op het terrein van internet en reclame, medische claims en oneerlijke mededingingsrubrieken als prestatiebescherming, aanhakende, afbrekende en vergelijkende reclame alsmede het profiteren van wanprestatie.

01.09.2001


J.J.C. Kabel, ‘Commercial communications’, in: Study on Consumer Law and the Information Society, Amsterdam: PriceWaterHouseCoopers (2000), p. 22-38.

Deze studie is geschreven in opdracht van de Europese Commissie en gecoördineerd door Price Waterhouse Coopers in samenwerking met de Katholieke Universiteit Tilburg en de Universiteit Utrecht en afgerond op 17 augustus 2000. Onderzocht wordt welke regels er op Europees niveau gelden ten aanzien van commerciële communicatie, welke van die regels achtereenvolgens geheel overeind kunnen blijven in de informatiemaatschappij, waar vanuit een oogpunt van consumentenbescherming verhelderingen zijn vereist, welke regels duidelijk niet deugen en waar zich hiaten vertonen.

01.09.2001


E.R. Vollebregt, ‘Algemene voorwaarden overeenkomsten PVV/IKB Varkens 1991, Zaaknummer 304’, Markt & Mededinging 2000-1, p. 32-34.

27.01.2002


J.J.C. Kabel, ‘Het gevaar van te zwaar’, Annotatie bij Pres. Rb. Utrecht 15 februari 2000, IER 2000-3, p. 172-177.

Hoe dienen reclameverboden te worden gehanteerd als het gaat om reclame op Internet? Gelden dezelfde regels als die in de offline wereld of maakt het verschil dat op Internet de consument zelf op zoek gaat naar informatie? De President zoekt het in het aantal klikken: hoe meer klikken, hoe minder (verboden) reclame, maar is dat wel een goed criterium?

12.08.2001


Study on the use of conditional access systems for reasons other than the protection of remuneration, to examine the legal and the economic implications within the Internal Market and the need of introducing specific legal protection, Report presented to the European Commission by N. Helberger & N.A.N.M. van Eijk.

The study offers an analysis of the use of conditional access systems for other reasons than the protection of remuneration interests. The report also examines the need to provide for additional legal protection by means of a Community initiative, such as a possible extension of the Conditional Access Directive. The report will give a legal and economic analysis of the most important non-remuneration reasons to use conditional access (CA), examine whether services based on conditional access for these reasons are endangered by piracy activities, to what extent existing legislation in the Member States provides for sufficient protection, and what the possible impact of the use of conditional access is on the Internal Market. Furthermore, the study analysis the specific legislation outside the European Union, notably in Australia, Canada, Japan and the US, as well as the relevant international rules at the level of the EC, WIPO and the Council of Europe.

06.08.2001


J.J.C. Kabel, 'De tabaksreclame-richtlijn: het einde van een tijdperk'.

Op 6 juli van dit jaar is een Richtlijn inzake reclame en sponsoring voor tabaksproducten aanvaard. Die richtlijn verbiedt eenvoudigweg iedere vorm van reclame en sponsoring voor tabaksproducten. De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juli 2001 aan de richtlijn te voldoen. Er geldt daarna één jaar respijt voor de geschreven pers en twee jaar voor sponsoring. Sponsoring van op mondiaal niveau georganiseerde evenementen moet langzaam worden afgebouwd tot uiterlijk 1 oktober 2006. Bioscoopreclame, internet, direct mail en posters zijn dus het eerst aan de beurt, evenals elke onderscheidende merknaam op merchandisingsproducten. Daarna wordt de openbare publiciteit voor tabaksproducten bevroren. Dat roken de gezondheid schaadt kan niet meer worden meegedeeld in tabaksreclame. Publiciteit over tabaksproducten zal anders moeten worden gevoerd. De pers zal reclame-inkomsten verliezen. Door tabaksproducenten gesponsorde evenementen zullen naar landen buiten de Unie verdwijnen. Ondanks fundamentele bezwaren tegen de grondslag van de richtlijn, zal een beroep bij het HvJEG waarschijnlijk niet slagen. Daarmee dienen wij in Nederland over te stappen op een Frans systeem. Het tabaksmerk zal als onderscheidend teken voor tabaksproducten niet meer in de openbare publiciteit voorkomen. Mits het verbod juist wordt toegepast, is er geen sprake van strijd met het merkenrecht. Het laat zich niet aanzien dat het Europese verbod bij toetsing aan de vrijheid van meningsuiting zal sneuvelen zoals dat in de Canadese rechtspraak is gebeurd. Handhaving zal niet langer grotendeels op zelfregulering gebaseerd kunnen zijn. Het huidige handhavingskader in de Tabakswet moet niet worden toegepast. In plaats daarvan kan handhaving beter aan het civiele recht worden overgelaten. Bij televisie zitten nog enkele gaten op het vlak van buitenlandse (ook parallelle) sponsoring van programma's en evenementen. Persreclame zal het moeten hebben van 'global advertising' in publicaties die geheel in derde landen worden verzorgd. Reclame in de winkel of ruimer, op een verkooppunt, is toegelaten. De status van internetwebsites is nog onduidelijk.

06.02.1999


J.J.C. Kabel, 'Oneerlijke mededinging en de vrijheid van wetenschappelijke informatievoorziening', EHRM 25 augustus 1998 (Hertel v. Zwitserland).

Ingevolge het EHRM in zijn uitspraak Hertel v. Zwitserland mag een met het nodige voorbehoud geformuleerd, wetenschappelijk onderzoeksverslag door de nationale rechter als onrechtmatige oneerlijke mededinging worden bestempeld, indien het de omzet van daarin onderzochte produkten daadwerkelijk nadelig beïnvloedt. Dat is een concurrentie-norm die wordt toegepast buiten het domein van de mededinging. De Zwitserse wetgeving maakt zulks mogelijk, omdat zij oneerlijke medinging ruim definieert. Het Hof heeft het ten onrechte niet gewaagd om de te ruime omvang van de Zwitserse regel zelf aan de orde te stellen. Daardoor blijft de vrijheid van de nationale wetgever en rechter om allerlei gedragingen die buiten het domein van concurrentie vallen, als oneerlijke mededinging te kwalificeren en de bijhorende normen toe te passen, helaas intact.

06.02.1999


E.J. Dommering, Advertising and Sponsorship Law - Problems of Regulating Partly Liberalised Markets’, in: Europäisches Medienrecht - Fernsehen und seine gemeinschaftsrechtliche Regelung, Band 18 Schriftenreihe des Instituts für Europäisches Medienrecht, Saarbrücken Verlaggruppe Jehle Rehm: München/Berlin 1998, p. 49-60.

Het artikel analyseert de jurisprudentie van het HvJEG over de uitleg van de TV richtlijn, waar het gaat om de regels voor grensoverschrijdende reclame en sponsoring.

03.08.1998


E.J. Dommering, 'The Dutch Audiovisual Landscape: An Interesting European Case', in: Santiago Munoz Machado (ed.), Derecho Europeo del Audiovisual, Tomo I, 521-534, Madrid: 1997.

This article analyses the development of the Dutch broadcasting system in respect of European law.

06.04.1998


Marcel Dellebeke, ‘Actualiteiten tv-reclame en sponsoring’, IER 1995-5, p. 153-161.

11.03.1998


J.J.C. Kabel, ‘Transborder Advertising and Unfair competition: Country of Origin v. Country of Destination? Clarification of the Resolution of the International League of Competition Law’, in: Eenvormig en vergelijkend privaatrecht 1994, Molengrafica, Koninklijke Vermande BV, Lelystad 1994, p. 285-301.

Met de nieuwe e-commerce richtlijn is de vraag hoe het zit met het beginsel van het land van herkomst voor de beoordeling van grensoverschrijdende reclame en oneerlijke mededingingshandelingen weer actueel. De nieuwe richtlijn past unverfroren het land van herkomst principe toe. Maar is dat wel een goed principe op het terrein van de oneerlijke medededinging? Indertijd heeft de Ligue International du Droit de la Concurrence hier een congres aan gewijd. Een eerdere versie van dit artikel diende mede als basis voor de discussies. In de hier voorliggende publicatie wordt geprobeerd een genuanceerd standpunt in te nemen.

01.09.2001


Bijgewerkt 14.04.2009