Bescherming van technische voorzieningen
Verschenen in AMI 2001-1, p. 16-27.

K.J. Koelman


Eén van de meest controversiële en ingrijpende onderdelen van de Auteursrechtrichtlijn is de bescherming van technische voorzieningen, zoals die door artikel 6 van de Richtlijn wordt voorgeschreven. Over deze bepaling konden de lidstaten het moeilijk eens worden en is tot op het allerlaatste moment onderhandeld. Dit is niet verwonderlijk. Wie op zich neemt om technische voorzieningen te reguleren wordt namelijk voor een fundamentele keuze gesteld en waar een dergelijke keuze moet worden gemaakt kunnen de gemoederen hoog oplopen. Het resultaat van de onderhandelingen in Brussel is geen toonbeeld van duidelijkheid en is niet bijzonder evenwichtig te noemen. De norm, zoals neergelegd in artikel 6 van het Gemeenschappelijk Standpunt, kan tot gevolg hebben dat de beperkingen van het auteursrecht hun betekenis verliezen in het digitale tijdperk. Voor ¡edere handeling die men met een achter een technische beschermingsmaatregel opgesloten informatieproduct wil verrichten, zal toestemming van de rechthebbende nodig zijn.

Voorgeschiedenis

Formeel is artikel 6 van de Richtlijn een implementatie van artikel 11 van het WIPO Auteursrechtverdrag en van artikel 18 van het WIPO Verdrag inzake Uitvoeringen en Fonogrammen. Aan deze verdragen ging zowel in Europa als in de Verenigde Staten wat wetgevende activiteit vooraf, maar tot daadwerkelijke wetgeving kwam het niet of nauwelijks. In de EG werd in verschillende Groenboeken over technische voorzieningen gesproken. Al in 1989 werd in het 'Groenboek over het auteursrecht en de uitdagingen der technologie' aandacht aan het onderwerp besteed, vooral in verband met angst voor de digitale privé-kopie. Er werd geconcludeerd dat een verplichting zou moeten worden ingevoerd om in DAT-recorders een anti-kopieermechanisme in te bouwen (DAT staat voor Digital Audio Tape). Uit het 'Vervolg op het groenboek' blijkt dat de Commissie voornemens was om een verplichting in te voeren om een kopieerbeveiliging aan te brengen in digitale opnameapparatuur.[1]  Van regelgeving is het echter nooit gekomen. Wel is in 1991 in artikel 7 lid 1 onder c van de Softwarerichtlijn een bepaling opgenomen die verbiedt om in commercieel verband omzeilingsmiddelen te verspreiden die gebruikers in staat stellen om technische beschermingsmaatregelen onwerkzaam te maken die op computerprogramma's zijn aangebracht.[2]  In Nederland is deze bepaling geïmplementeerd in artikel 32a Aw.

In een Groenboek van 1995 kwam het onderwerp opnieuw ter sprake. Nu overwoog de Commissie om een verplichting in te stellen om technische voorzieningen op werken aan te brengen, wanneer die voorzieningen door de industrie zouden zijn ontwikkeld en algemeen geaccepteerd zouden zijn. Het ging hier dus niet om een norm die gericht was tot degene die omzeilt of anderen daartoe in staat stelt, maar om een norm die juist aan rechthebbenden verplichtingen zou opleggen. Verder werd aan belanghebbenden gevraagd of zij van mening waren dat, wanneer er systemen zouden bestaan die privé-kopiëren konden verhinderen, apparatuur verboden zou moeten worden waarin die systemen niet zijn ingebouwd.[3]  Niet verbazingwekkend is dat een 'overweldigende meerderheid' van de respondenten antwoordde dat er een grote behoefte bestond aan wettelijke maatregelen voor de bescherming van technische beschermingsmaatregelen, zo blijkt uit het 'Vervolg op [dit] Groenboek'.[4]  Tevens duikt daarin voor het eerst de verder niet gemotiveerde stelling op dat niet alleen kopieerbeveiliging, maar ook systemen voor toegangscontrole beschermd dienen te worden.

Er waren echter ook tegenkrachten. Zij wezen op de nadelige effecten van de bescherming van technische voorzieningen. Zo laat het Vervolg op het Groenboek zien dat de Commissie er op werd geattendeerd dat een wijdverbreid gebruik van technische voorzieningen de facto tot nieuwe informatiemonopolies kan leiden en tot problemen op het gebied van de privacy. De Europese Commissie sprak echter haar voorkeur uit voor een oplossing van mededingings- en privacyproblemen buiten het auteursrecht. Wél meldde zij dat er op moet worden toegezien dat technische systemen zodanig worden ontworpen dat de informationele privacy wordt geëerbiedigd. Verder gaf de Commissie - kennelijk met enige tegenzin - aan dat 'eventueel' rekening moet worden gehouden met de beperkingen van het auteursrecht.

Dilemma

Doordat de bescherming van technische voorzieningen bijzonder moeilijk met de beschermingsomvang van het auteursrecht in overeenstemming is te brengen, wordt degene die het op zich neemt om een dergelijke bescherming te bieden voor een dilemma gesteld. De reden hiervoor is dat de (huidige) techniek onmogelijk alle subtiliteiten en nuances van het recht kan uitdrukken. Wanneer een systeem bijvoorbeeld kopiëren verhindert, zal het ¡edere verveelvoudiging blokkeren; dus ook de kopie die door de wet 'niet als inbreuk' wordt beschouwd. Wie zich kan beroepen op een beperking van het auteursrecht, kan daardoor de wettelijk toegestane handeling feitelijk niet uitvoeren. De technische beveiliging belemmert dat. Als men vindt dat de beperkingen van het auteursrecht ook een functie (dienen te) hebben in de digitale omgeving, kan worden besloten om te verbieden dat technische voorzieningen worden aangebracht die auteursrechtelijk niet-relevante handelingen blokkeren.[5]  Maar zo'n verbod zou in de praktijk neerkomen op een totaalverbod om technische voorzieningen aan te brengen. Doordat de toepasselijkheid van een beperking vaak afhangt van de omstandigheden van het geval, zal iedere kopieerbeveiliging immers wel één of andere vorm van informatiegebruik belemmeren die onder een beperking van het auteursrecht valt.

Er is ook een andere manier denkbaar om de bescherming van technische voorzieningen parallel te laten lopen aan de beschermingsomvang van het auteursrecht. Die manier zou zijn om toe te staan dat welke technische beveiligingsmaatregel dan ook wordt aangebracht, maar tegelijkertijd toe te laten dat de beveiliging wordt omzeild, wanneer dat gebeurt om een handeling mogelijk te maken waarvoor geen toestemming is vereist van de rechthebbende.[6]  Maar ook deze benadering kan het dilemma niet oplossen en opnieuw is het de inherente gebrekkigheid van de techniek die daarvan de oorzaak is. Weinigen beschikken over de technische vaardigheden om zelfstandig een technische voorziening te kraken. Over het algemeen is men daarom afhankelijk van door derden ontwikkelde omzeilingsmiddelen die daartoe in staat stellen. Maar evenmin als een technische beschermingsmaatregel, zal een omzeilingsmiddel aan alle nuances van de wet kunnen voldoen. Zo zal een kraakmiddel waarmee een systeem buiten werking valt te stellen om een wettelijk toegestane verveelvoudiging te maken, ook omzeiling mogelijk maken voor inbreukmakende doeleinden.

Wanneer het omzeilingsmiddel niet beschikbaar is, zal auteursrechtelijk niet-relevant gebruik niet kunnen plaatsvinden. Een wettelijke toestemming om te omzeilen is dan van weinig praktische betekenis, en ook de beperkingen van de intellectuele eigendomsrechten hebben in dat geval nauwelijks nog praktische waarde waar het informatie betreft die (alleen) beschikbaar is in een technisch beschermd format. Maar indien kraakmiddelen niet worden verboden wanneer zij óók niet-inbreukmakend informatiegebruik mogelijk maken, zullen maar weinig omzeilingsmiddelen daadwerkelijk door de wet worden getroffen. Er is immers altijd wel een situatie denkbaar waarin een omzeilingsmethode kan worden ingezet voor wettelijk toegestaan gebruik.[7]  Die methode zal dan vrij in omloop zijn en vaak worden toegepast om auteursrechtschendende handelingen mogelijk te maken, zo wordt dikwijls gevreesd.[8] 

Kortom, een wetgever die technische voorzieningen wil reguleren wordt voor het blok gezet: óf hij neemt technische voorzieningen in bescherming, maar tast daarmee het auteursrechtelijk evenwicht aan, óf hij besluit dat de beperkingen van het auteursrecht ook in het digitale tijdperk behoren te gelden en kan dan zelfs verbieden om in bepaalde gevallen technische beschermingsmaatregelen aan te brengen. Maar in het laatste geval worden de mogelijkheden om anderen technisch van gebruik uit te sluiten wellicht al te zeer ondermijnd. Een middenweg lijkt niet mogelijk. In het Gemeenschappelijk Standpunt voor de Richtlijn wordt voor de eerste benadering gekozen.

Gemeenschappelijk Standpunt

Dat het geen sinecure is om een norm op te stellen ter bescherming van technische voorzieningen, kan blijken uit het feit dat artikel 6 van de Richtlijn in iedere opvolgende versie ingrijpend is veranderd - de bepaling heeft de neiging om steeds langer te worden.[9]  De Europese Commissie had grote moeite met het formuleren van een norm die de verhouding weergeeft tussen de beperkingen van het auteursrecht en de bescherming van technische voorzieningen.[10]  Uit uitgelekte ontwerpteksten van het Gemeenschappelijk Standpunt (zogenaamde non-papers) blijkt dat de lidstaten het er - terecht - al snel over eens waren dat de benadering van de Commissie niet voldeed. Daarom werd besloten om een apart vierde lid in te voegen waarin dit moeilijke probleem zou worden behandeld. Voordat daarop wordt ingegaan, zal hieronder eerst worden gepoogd om de structuur van de bepaling weer te geven. Het is echter niet gemakkelijk om een duidelijk overzicht te geven van een op vele punten onbegrijpelijke norm. Zelfs het ministerie van Justitie, dat nota bene zelf in Brussel aan de onderhandelingstafel zat, weet niet wat het met de Richtlijn aanmoet, zo kan blijken uit de lijst van zesenzeventig vragen die is rondgestuurd aan belanghebbenden waarin wordt gevraagd hoe de bepalingen van de Richtlijn moeten worden geïnterpreteerd en geïmplementeerd.[11]  Vroeger ging het precies omgekeerd en keek men naar de wetgever als men wilde weten wat de betekenis van een regel was.

Het eerste lid van artikel 6 van het Gemeenschappelijk Standpunt verplicht de lidstaten om 'passende rechtsbescherming' te bieden tegen omzeiling van technische voorzieningen. Het tweede lid verplicht om een 'doelmatige rechtsbescherming' in te voeren tegen de verspreiding van kraakmiddelen, maar daarmee zal wel hetzelfde worden bedoeld als met de 'passende' bescherming van het eerste lid.[12]  Deze formule duidt aan dat het de lidstaten vrij staat om te bepalen welke bescherming 'passend' is. Zo kunnen zij voor civiel- en/of strafrechtelijke bescherming kiezen. Nederland koos er bijvoorbeeld voor om de vergelijkbare verplichting van de Softwarerichtlijn in een strafbepaling te implementeren, terwijl Duitsland die als een burgerlijkrechtelijke norm in de auteurswet opnam.[13]  In artikel 8 lid 2 van de Auteursrechtrichtlijn wordt echter aangegeven dat de lidstaten er in ieder geval voor moeten zorgen dat de rechthebbende een vordering kan instellen tot inbeslagneming van omzeilingsmiddelen.

In het eerste lid van artikel 6 wordt verwijtbare omzeiling van beschermde technische voorzieningen absoluut verboden. Het tweede lid verbiedt iedere handeling die kan worden uitgevoerd met omzeilingsmiddelen. Eigenlijk alleen privé-bezit behoeft niet door de lidstaten te worden aangepakt, maar het mag wel, zo blijkt uit overweging 49. Verder valt ook het aanbieden van omzeilingsdiensten onder de bepaling. Er worden drie alternatieve criteria opgesomd waarnaar dergelijke middelen en diensten moeten worden beoordeeld. Indien een apparaat onder één van die criteria valt, is het verboden. De bedoeling van de criteria is om elektronica die behalve voor omzeiling ook voor heel andere doeleinden kan worden gebruikt, te onderscheiden van apparaten die alléén voor omzeiling zijn bedoeld. Zo zouden PC's waarvan de rekenkracht kan worden gebruikt om een technische beschermingsmaatregel uit te schakelen, maar bijvoorbeeld ook om teksten te verwerken, zijn vrijgesteld. Productie en distributie van apparatuur of software die speciaal is bedoeld om omzeiling mogelijk te maken is echter volledig verboden. Het maakt niet uit dat zo'n kraakmiddel ook kan worden ingezet om een systeem buiten werking te stellen wanneer dat gebeurt om een auteursrechtelijk niet-relevante handeling te verrichten. Met andere woorden, in het dilemma van de onverenigbaarheid van de bescherming van technische voorzieningen met het huidige bereik van het auteursrecht, wordt ongegeneerd voor het eerste gekozen.

Technische voorzieningen

De eerste twee leden van artikel 6 geven aan welke handelingen moeten worden aangepakt. Het derde lid definieert ten aanzien van welke technische voorzieningen die handelingen verricht dienen te worden om door de lidstaten te worden verboden:

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "technische voorzieningen" verstaan technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van auteursrechten, wettelijk vastgelegde naburige rechten of het sui generis recht bedoeld in hoofdstuk III van Richtlijn 96/9/EG.

Iedere voorziening valt onder de bepaling die een handeling blokkeert waarvoor geen toestemming is van de rechthebbende. Dat toestemming nodig is van een rechthebbende kan impliceren dat systemen alleen bescherming verdienen in gevallen waarin zij handelingen verhinderen die een rechthebbende kan verbieden op grond van zijn auteurs-, naburig- of sui generis databankenrecht. Maar dit blijkt niet expliciet uit de woorden van de Richtlijn. In eerdere versies van de Richtlijn was dat nog wel het geval; daar ging het om systemen die dienen 'om inbreuken te voorkomen'.[14]  Het huidige ontwerp kan echter worden gelezen als inhoudende dat voorzieningen onder de bepaling vallen die iedere niet door een rechthebbende geautoriseerde handeling verhinderen, of die handeling nu op basis van één van de rechten kan worden verboden of niet. De Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk Standpunt bevestigt deze interpretatie.[15]  Met name indien een civielrechtelijke actie tot zijn beschikking staat, breidt de juridische invloedssfeer van de rechthebbende die technische voorzieningen aanbrengt zich uit; hij kan ook optreden tegen degene die een handeling verricht die auteursrechtelijk niet-relevant is, wanneer die handeling mogelijk werd door omzeiling. Zoals hierna zal blijken verandert het nieuwe vierde lid daar niets aan.

In één opzicht wordt de inhoud van het begrip 'technische voorzieningen' hier echter wel beperkt. Alleen technische beschermingsmaatregelen die zijn aangebracht op door een intellectueel eigendomsrecht beschermd materiaal voldoen aan de definitie. Wanneer voorzieningen handelingen blokkeren ten aanzien van informatie die niet het object is van een auteurs-, naburig- of sui generis recht, vallen zij erbuiten. In zo'n geval is de voorziening niet beschermd en mag die dus worden omzeild. In theorie zal de bescherming van technische voorzieningen daarom niet in staat stellen om gebruik van informatie te controleren die niet is beschermd door een intellectueel eigendomsrecht. Maar de praktijk kan anders uitvallen. Zoals hierboven is uiteengezet, zal toegestane omzeiling niet kunnen plaatsvinden wanneer er geen omzeilingsmiddelen verkrijgbaar zijn om de voorziening uit te schakelen. Aangenomen dat dezelfde systemen worden gebruikt om handelingen te blokkeren zowel ten aanzien van niet door een intellectueel eigendomsrecht beschermd materiaal, als ten aanzien van wel beschermde informatie, zullen kraakmiddelen verboden zijn waarmee de toegestane omzeiling kan worden verricht en zullen zij daarom niet beschikbaar zijn. Wie een technisch beschermingssysteem aanbrengt, zal daarom onder het regime van de Richtlijn de facto over de mogelijkheid beschikken om anderen (technisch) van gebruik uit te sluiten. Zelfs als hij de iure niet beschikt over een exclusieve bevoegdheid en ook tegen omzeiling op grond van de wet niets kan doen.

Bijzonder opmerkelijk is dat overweging 50 van dezelfde Richtlijn stelt dat het niet de bedoeling is dat er geen kraakmiddelen meer voorhanden zullen zijn, waarmee door de Softwarerichtlijn toegestaan gebruik van computerpogramma's mogelijk wordt gemaakt - zoals reverse engineering en decompilatie. Kennelijk wordt het onwenselijk geacht dat de beperkingen van het software-auteursrecht feitelijk buitenspel worden gezet. Zijn die beperkingen belangrijker dan die welke gelden ten aanzien van andere werktypen? Dezelfde overweging geeft aan dat de bescherming van technische voorzieningen in de Auteursrechtrichtlijn niet de bescherming beïnvloedt van voorzieningen die op software zijn aangebracht. De bepaling in de Softwarerichtlijn aangaande deze bescherming moet dus worden gezien als een lex specialis ten opzichte van de hier besprokene.

Doeltreffend

Er is nog een wijze waarop de omvang van de bescherming van technische voorzieningen wordt beperkt. In de eerste twee leden van artikel 6 wordt gesteld dat alleen omzeiling van 'doeltreffende' voorzieningen dient te worden aangepakt en dat enkel omzeilingsmiddelen van de markt moeten worden geweerd die in staat stellen om 'doeltreffende' beveiligingssystemen buiten werking te stellen. De tweede zin van het derde lid handelt over 'doeltreffendheid':

Technische voorzieningen worden geacht "doeltreffend" te zijn indien het gebruik van een beschermd werk of ander beschermd materiaal wordt gecontroleerd door de rechthebbenden door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocédé zoals encryptie, versluiering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt.

Hier wordt iets over het vereiste van doeltreffendheid gezegd. Maar wat? De toelichting bij het eerste voorstel voor de Richtlijn meldt dat deze eis inhoudt dat wie bescherming wenst voor een door hem aangebrachte technische voorziening, zal moeten bewijzen dat zijn systeem 'ook werkt'.[16]  Dit in aanmerking genomen, kan de aangehaalde zin betekenen dat de bewijslast is omgekeerd waar het de genoemde voorzieningen betreft. Als het om dergelijke systemen gaat, worden die 'doeltreffend geacht' en zal degene die van omzeiling wordt beschuldigd of die omzeilingsmiddelen heeft verspreid, moeten aantonen dat het toegepaste systeem niet 'doeltreffend' is om aan een veroordeling te ontkomen. Iets dergelijks is wel vaker het geval wanneer in de wet aan bepaalde voorwaarden 'geacht wordt' te zijn voldaan. Maar door de laatste woorden van de zin lijkt deze interpretatie hier niet op zijn plaats; wie een technische toegangs- of kopieercontrole aanbrengt, behoeft niet te bewijzen dat het systeem doeltreffend is, als dat systeem 'de beoogde bescherming bereikt' (of: doeltreffend is), wat kennelijk weer wel moet worden bewezen. Met andere woorden: wie heeft aangetoond dat de door hem gebruikte voorzieningen 'doeltreffend' zijn, hoeft niet te bewijzen dat die voorzieningen 'doeltreffend' zijn. Dit zou een betekenisloze regel zijn.

Moet deze zin dan worden opgevat als een uitwerking van de definitie van de eerste zin van het derde lid? De kern van de norm zou dan zijn dat voorzieningen doeltreffend zijn die de beschermingsdoelstelling bereiken. Ook dit lijkt een betekenisloze toevoeging. Wijselijk heeft de Australische wetgever, die in eerste instantie de Europese tekst had overgenomen, besloten om deze zin te schrappen en het helemaal aan de rechter over te laten om te beoordelen wanneer een systeem doeltreffend is en daarom bescherming verdient.[17]  Een benadering die in Europa wellicht navolging verdient.

Toegangscontrole

De aangehaalde zin roept nog meer vragen op. Het feit dat toegangscontrole expliciet 'doeltreffende geacht' wordt, kan impliceren dat systemen die de toegang tot een werk controleren beschermd moeten worden. Het is echter onduidelijk of de Richtlijn dit inderdaad beoogt. De Raad zegt in zijn Motivering bij het Gemeenschappelijk Standpunt dat een referentie naar toegangscontrole is geschrapt, omdat 'vraagstukken aangaande de toegang tot werken of andere zaken buiten het bereik van het auteursrecht vallen'.[18]  Kennelijk wilde men vermijden de suggestie te wekken dat artikel 6 ook toegangcontrolerende voorzieningen betreft. Die doelstelling is echter niet bereikt. In eerdere versies van de Richtlijn kwamen in deze bepaling twee verwijzingen naar toegangscontrole voor. Eén is geschrapt, de andere is kennelijk over het hoofd gezien.[19]  Nog altijd kan het derde lid van de bepaling daarom betekenen dat toegangcontrolerende voorzieningen beschermd moeten worden. Dit zou overigens rijmen met de interpretatie van de eerste zin van het derde lid die inhoudt dat het niet uitmaakt of de voorziening een auteursrechtelijk relevante handeling blokkeert of niet. Omzeiling is verboden om ¡edere handeling te verrichten waarvoor geen toestemming is van de rechthebbende - het verkrijgen van toegang kan daaronder worden begrepen.

Het zou een opmerkelijke ontwikkeling zijn, wanneer voorzieningen die de toegang tot een werk afschermen daadwerkelijk moeten worden beschermd. Tot nog toe kon een rechthebbende niet optreden tegen degene die zich toegang tot een 'werk' verwierf. Het lezen van een roofkopie, het luisteren naar een illegaal gekopieerde CD en het kijken naar een onrechtmatig openbaargemaakt televisieprogramma leverden nooit inbreuk op.[20]  De intellectuele eigendomsrechten richten zich momenteel vooral op handelingen in verband met de commerciële exploitatie van beschermde werken en niet op de 'consumptie' ervan. Indien een rechthebbende straks kan optreden tegen degene die zonder zijn toestemming omzeilt om toegang tot een werk te verkrijgen, zou een exclusief recht-achtig 'recht op toegang tot technologisch beschermde werken' worden gecreëerd. Ook als er wetstechnisch geen sprake zou zijn van een exclusief recht, zou degene kunnen worden aangepakt die zonder toestemming door omzeiling toegang verkrijgt.[21]  De eindgebruiker komt zo binnen het juridische bereik van de rechthebbende. Alleen al voor het lezen van een werk zou op grond van de wet toestemming zijn vereist, althans voor het openen van het slot waarmee het lezen onmogelijk wordt gemaakt. Maar het praktische resultaat is hetzelfde.

Indien de Richtlijn inderdaad vereist dat toegangcontrolerende voorzieningen worden beschermd, staat de Europese regelgever daarin niet alleen. De Amerikaanse wetgever besloot om toegangcontrolerende voorzieningen expliciet in bescherming te nemen. Daartoe werd een aparte bepaling ingevoegd, waarin duidelijk wordt gezegd dat dergelijke systemen niet mogen worden omzeild zonder toestemming van de rechthebbende.[22]  Ook in de recent geamendeerde Australische auteurswet wordt zonder dralen duidelijk gemaakt dat voorzieningen die de toegang tot een werk afschermen onder de wet vallen.[23]  De Europese Richtlijn is veel minder uitgesproken, maar zoals gezegd kan ook uit de Richtlijn eventueel worden afgeleid dat omzeiling van toegangcontrolerende voorzieningen moet worden aangepakt. Een belangrijk verschil met de Amerikaanse wet is dat het voor de Amerikaanse wetgever, nu zonder omhaal verboden werd om zonder toestemming toegang te verkrijgen tot een technisch beschermd werk, duidelijk was dat dit verbod wel moest worden beperkt, zoals ook de meer traditionele auteursrechten niet absoluut kunnen gelden.[24]  Onder de Europese Richtlijn zal omzeiling van een toegangcontrolerend systeem - als dat tenminste onder de Richtlijn valt - daarentegen volledig zijn verboden.

Hoewel er (behalve wellicht in Europa) internationaal consensus over lijkt te bestaan dat toegangcontrolerende voorzieningen bescherming behoeven, ontbreekt daarvoor bij iedere van de genoemde wetten en regelingen een verantwoording. Gezien het ingrijpende karakter van deze bescherming is dat tamelijk merkwaardig. Wellicht wordt zij geïntroduceerd om nieuwe exploitatievormen waartoe nieuwe technieken in staat stellen een juridisch steuntje in de rug te geven. De nadruk in de informatiemarkt zal verschuiven van pay-per-copy naar pay-per-use, zo is de verwachting.[25]  Het is dan bijvoorbeeld niet meer nodig om voor vijfendertig gulden een CD aan te schaffen, die vervolgens oneindig vaak kan worden gedraaid. In plaats daarvan verwerft de consument voor een paar (fracties van een) cent het recht om een nummer door middel van streaming-technieken thuis eenmalig af te spelen, om een film te bekijken, om een tekst op het beeldscherm te laten verschijnen of om een computerprogramma één keer te gebruiken. Voor iedere keer dat het werk wordt 'geconsumeerd' betaalt de eindgebruiker apart een vergoeding. Er komt geen duurzame kopie meer aan te pas. De informatieproducten worden opgevraagd bij enorme online bereikbare databanken en gaan in lucht op als de speler wordt uitgezet of het nummer is afgelopen. Dit is min of meer vergelijkbaar met wat nu gebeurt bij radio en televisie, maar een verschil is dat het niet meer nodig zal zijn om een video-opname te maken wanneer men bang is om een aflevering van de favoriete soapserie te missen; het werk kan immers op ieder gewenst moment worden opgevraagd. Ook die kopie wordt dus overbodig. De boekenkast en het CD-rek kunnen het raam uit, en wellicht zelfs de harde schijf. Informatieproducten worden niet meer gekocht, maar geleasd.[26] 

Zover is het echter nog niet. Men voorspelt dat zich een tussenfase zal voordoen voordat het bovenbeschreven stadium bereikt zal zijn. In die fase worden nog wel kopieën verspreid. Maar die gaan niet meer lang mee. Muziekbestanden zullen zichzelf bijvoorbeeld van de harde schijf wissen, nadat ze een vastgesteld aantal malen zijn afgespeeld of nadat een bepaalde periode is verlopen. Een bestand dat drie keer kan worden gedraaid, zal goedkoper zijn dan één dat tien maal kan worden geladen.[27]  In dit stadium zal op deze wijze per gebruik worden betaald. Een andere voorbeeld is de DVD waarvan de onderkant lichtgevoelig is, zodat de laag die de informatie bevat desintegreert wanneer die een bepaald aantal malen is beschenen door de laser die de bytes leest.[28]  Software wordt al langere tijd op een vergelijkbare wijze geëxploiteerd. Overal op het internet worden shareware-programma's aangeboden die bijvoorbeeld een maand lang gratis kunnen worden uitgeprobeerd en daarna weigeren te werken. Inmiddels zijn er wat rechtszaken geweest waarin het ging om de vraag of een softwareproducent zogenaamde 'date-bombs' in zijn waar mag aanbrengen die gebruik van een programma blokkeren wanneer de licentie is verlopen.[29]

Het nieuwe 'recht van toegangscontrole' lijkt te worden geïntroduceerd om dergelijke nieuwe exploitatiewijzen van een juridisch ruggengraat te voorzien. Met name in de overgangsfase is dit recht van belang. Technische toegangscontrole 'aan de deur', zoals die tot een online toegankelijke databank waartoe alleen toegang kan worden verkregen na het invoeren van een wachtwoord, wordt op verschillende manieren al door het huidige recht beschermd. Inbreken in een website waartoe de toegang is afgeschermd valt onder artikel 128a Sr, en artikel 326c Sr stelt het strafbaar om zich door een technische ingreep of met een onrechtmatig verkregen wachtwoord toegang te verwerven tot online aangeboden diensten om daarvan gratis te genieten. Uit een recente uitspraak van de President van de Rechtbank te Haarlem blijkt dat de laatste bepaling in beginsel kan dienen als basis voor een actie uit onrechtmatige daad. De dienstaanbieder behoeft daardoor niet af te wachten of de Officier van Justitie actie onderneemt, maar kan zelf achter de omzeiler aan.[30]  Op Europees niveau is er de 'Richtlijn voorwaardelijke toegang' die de lidstaten verplicht om omzeilingsmiddelen aan te pakken die onbetaalde toegang tot online aangeboden diensten mogelijk maken.[31] 

De andere vorm van toegang - die tot de inhoud van een verworven kopie of van een 'gedownload' bestand - viel echter nog buiten de boot. Zou men nu ook deze vorm van toegang, dat wil zeggen: iedere consultatie van (de inhoud van) een reeds in het bezit zijnde kopie, wettelijk onder de controle van de rechthebbende willen laten vallen? Indien dit het geval is, kan men zich afvragen hoe een dergelijke norm kan worden gehandhaafd. Hoe zou een rechthebbende moeten achterhalen of en hoe vaak thuis een CD-rom wordt gedraaid, of een bestand wordt geopend? In een toekomst waarin iedereen constant online is, kan dergelijk gebruik wellicht elektronisch en automatisch worden gecontroleerd, maar het behoeft geen betoog dat zoiets in conflict kan komen met het recht op privacy.[32] 

Beperkingen

Zoals hierboven is aangegeven, is het bijzonder moeilijk om de bescherming van technische voorzieningen te laten samenlopen met het bereik van het auteursrecht. In het Gemeenschappelijk Standpunt is aan dit probleem voor het eerst een apart vierde lid gewijd. De uitgelekte non-papers laten zien dat het aanvankelijk de bedoeling was om daar met zoveel woorden te zeggen dat omzeilen is toegestaan, wanneer dat nodig is om een handeling te verrichten die onder een beperking van het auteursrecht valt, behalve waar het de uitzondering ten behoeve van de thuiskopie betreft.[33]  Sommige landen, waaronder Nederland, zagen in dat omzeiling toestaan weinig zin heeft, als de daartoe benodigde omzeilingsmiddelen niet beschikbaar zijn. Zij drongen er op aan om ook de productie en verspreiding van dergelijke middelen uit te zonderen, wanneer die middelen auteursrechtelijk niet-relevant gebruik mogelijk maken. Met name Duitsland en Italië waren echter tegen zo'n toevoeging. Frankrijk stelde toen voor om een regel in te voegen die aan de rechthebbende een verplichting oplegt om in gevallen waarin iemand zich op een beperking kan beroepen, en daarom mag omzeilen, de middelen te leveren die het betreffende gebruik mogelijk maken.[34] 

In het Gemeenschappelijk Standpunt, zoals dat uiteindelijk is aangenomen, kreeg de laatste benadering de overhand. De toestemming om in bepaalde gevallen te omzeilen is in het huidige vierde lid niet terug te vinden. De eerste, ouderwets lange zin daarvan luidt:

Niettegenstaande de in lid 1 bedoelde rechtsbescherming nemen de lidstaten, bij gebreke van door de rechthebbenden vrijwillig genomen maatregelen, waaronder overeenkomsten tussen de rechthebbenden en andere betrokken partijen, passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de rechthebbenden aan de begunstigde van een nationaalrechtelijke beperking of restrictie overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder a), c), d), en e), en lid 3, onder a), b), en e), de nodige middelen verschaffen om van die beperking of restrictie gebruik te kunnen maken, ingeval die begunstigde op rechtmatige wijze toegang heeft tot het beschermde werk of materiaal.

Onder bepaalde omstandigheden dienen de lidstaten op grond van dit vierde lid 'passende maatregelen' te nemen om er voor te zorgen dat een rechthebbende de 'nodige middelen' verschaft aan de 'begunstigde' van een klein aantal van de beperkingen die worden genoemd in artikel 5 van de Richtlijn, zodat die begunstigde ook daadwerkelijk tot het wettelijk toegestane gebruik kan overgaan.[35]  Deze bepaling verandert niets aan het omzeilingsverbod. Het blijft dus totaal verboden om een voorziening te kraken, óók als dat gebeurt om een systeem uit te schakelen in een geval waarin het een handeling blokkeert die door de wet 'niet als inbreuk' wordt beschouwd. Ook de distributie van apparaten die specifiek zijn bedoeld om omzeiling mogelijk te maken, is nog altijd totaal verboden. Indien een technische voorziening verhindert om een handeling te verrichten die wel onder een beperking valt, maar niet onder één van de hier genoemde beperkingen, zal het auteurrechtelijk niet-relevante gebruik dus in geen geval kunnen plaatsvinden.

De keuze van de uitzonderingen van artikel 5 ten behoeve waarvan eventueel de 'nodige middelen' moeten worden verschaft, lijkt tamelijk arbitrair. Het gaat om beperkingen die verveelvoudigingen uitzonderen die worden gemaakt door bibliotheken, scholen, musea, archieven, omroeporganisaties, ziekenhuizen en gevangenissen. Ook wordt de fotokopie genoemd. Verder betreft het beperkingen die naast verveelvoudigen ook openbaar maken toestaan als dat gebeurt in het onderwijs, ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, voor gebruik door blinden en om een adequate nieuwsvoorziening en soepel verlopende administratieve, parlementaire en gerechtelijke procedures zeker te stellen. Als er al een gemene deler kan worden gevonden, is het dat het - behalve voor wat betreft de toegestane fotokopie die in de digitale omgeving van geen betekenis is - steeds gaat om beperkingen ten behoeve van instanties en beroepsgroepen en niet om uitzonderingen die zijn geschreven voor kleine luiden.

De lidstaten behoeven de 'passende maatregelen' slechts te nemen wanneer de rechthebbende niet zelf al de nodige middelen verschaft of daarover overeenkomsten heeft gesloten met 'betrokken partijen'. Met de, vaak goed georganiseerde entiteiten en organisaties waarvoor de genoemde beperkingen zijn geschreven, is het relatief gemakkelijk om overeenkomsten te sluiten, waardoor het minder waarschijnlijk is dat de lidstaten een verplichting zullen moeten instellen om de 'nodige middelen' te verschaffen. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor de selectie van beperkingen. Een cynischer geest zal echter opmerken dat de lijst laat zien wie krachtig genoeg voor zijn belangen heeft gelobbyd en welke instanties over het algemeen worden gefinancierd door de overheden die in Brussel aan de vergadertafel zaten.

Totale controle

Uit overweging 51 blijkt dat men het vierde lid van artikel 6 inderdaad ziet als een stok achter de deur waarmee vermoedelijk niet zal hoeven worden geslagen.[36]  Het uitgangspunt lijkt dus dat het niet nodig zal zijn om de 'passende maatregelen' te nemen. Verderop in de bepaling - waarin men in de haast kennelijk is vergeten om de a's, b's en c's aan te brengen waaraan men in de andere bepalingen van de Richtlijn wel is toegekomen - staat een voorwaarde voor het opleggen van een faciliteringsverplichting die het nog minder waarschijnlijk maakt dat een rechthebbende daar ooit aan zal moeten voldoen. De bepaling meldt dat geen verplichting om de nodige middelen te leveren aan de rechthebbende mag worden opgelegd, als het achter de technische voorziening opgesloten materiaal:

voor het publiek beschikbaar [is] gesteld op grond van overeengekomen bepalingen op zodanige wijze dat leden van het publiek daartoe toegang hebben op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.

Het inlevingsvermogen van de lezer van de Richtlijn wordt ook hier weer op de proef gesteld. Na consultatie van de Engelstalige versie kan wellicht worden geconcludeerd dat deze zin het volgende betekent: degene die zijn werk via het internet verspreidt en zijn afnemer ermee akkoord laat gaan dat hij geen gebruik zal maken van één van de in dit lid genoemde beperkingen, mag niet worden gedwongen om alsnog de 'nodige middelen' te verschaffen.[37]  Indien deze interpretatie juist is, zou vaststaan dat een rechthebbende die technische voorzieningen aanbrengt en zijn werken on demand online verspreidt, de beperkingen van het auteursrecht kan 'wegcontracteren'. De voortdurende discussie over de status van de beperkingen van het auteursrecht - zijn zij van dwingend of regelend recht? [38]  - zou hiermee wellicht van de baan zijn.

In de Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk Standpunt wordt gezegd dat 'de overeengekomen contractuele bepalingen voor het op verzoek beschikbaar stellen van werken of andere zaken voorrang hebben op het bepaalde in de eerste en de tweede alinea van artikel 6 lid 4'.[39]  Weliswaar staat hier niet met zoveel woorden dat de beperkingen van regelend recht zijn, maar slechts dat wat tussen partijen is overeengekomen v¢¢r de verplichting gaat om de middelen te leveren. Het impliceert echter dat een clausule kan worden geëffectueerd waarbij onder een beperking vallend en technisch geblokkeerd gebruik wordt uitgesloten. Men kan zich afvragen waarom in artikel 5 zo'n lange lijst van beperkingen is opgenomen, als die beperkingen in het volgende artikel feitelijk buitenspel worden gezet, wat met name geldt voor verspreidingswijzen waarvoor de Richtlijn juist is geschreven en waarvan wordt verwacht dat die in de toekomst de overhand zullen krijgen.

Passende maatregelen en nodige middelen

Het is niet waarschijnlijk dat de maatregelen zullen (moeten) worden genomen. Hoewel het daarom nauwelijks relevant lijkt, wordt hieronder toch nog de vraag behandeld wat nu die 'passende maatregelen' en 'nodige middelen' kunnen zijn waarover de Richtlijn rept. In overweging 51 wordt daarover het volgende gezegd:

Komen zulke vrijwillige maatregelen of overeenkomsten er niet binnen een redelijke termijn, dan moeten de lidstaten passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de rechthebbenden, door een uitgevoerde beschermingsmaatregel te wijzigen of anderszins, de begunstigden de nodige middelen verschaffen om van die beperkingen of restricties te kunnen profiteren.

Kennelijk kan een verplichting worden ingesteld om technische voorzieningen zo te ontwerpen dat zij bepaald toegestaan gebruik niet verhinderen.[40]  De overweging laat echter zien dat de 'nodige middelen' ook 'anderszins' kunnen worden verschaft. Het leveren van een kraakmiddel kan hier moeilijk onder worden verstaan; het vierde lid geldt immers 'niettegenstaande' het eerste, het is dus nog altijd absoluut verboden om een systeem te kraken. Wellicht kan het volstaan om een technisch niet-beschermd exemplaar aan de 'begunstigde' te leveren of te deponeren bij 'eén of andere instantie waar degene die zich op een beperking kan beroepen het kan krijgen. Een variant hierop zou zijn om te verplichten op een dergelijke plaats een sleutel te deponeren waar de 'begunstigde' die sleutel kan opvragen wanneer hij het technisch geblokkeerde wettelijk toegestane gebruik wil maken.[41] 

De faciliteringsverplichting zou kunnen worden bekrachtigd met invoering van een tegen een rechthebbende in te roepen 'recht' op het betreffende gebruik. Op het eerste gezicht lijkt zoiets de positie van de gebruiker wellicht te verstevigen; momenteel hebben de beperkingen immers vooral het karakter van een verweer. Maar vooralsnog kan men doen wat men wil en wordt, wanneer de rechthebbende zich tegen het gebruik verzet, ex post vastgesteld of een beperking van toepassing is. Onder het nieuwe regime kan de technisch geblokkeerde handeling pas worden uitgevoerd wanneer de rechter gelast de sleutel te leveren; dan dient dus ex ante te worden beoordeeld of het betreffende gebruik is toegestaan. Het spreekt voor zich dat het daardoor minder waarschijnlijk is dat het wettelijk toegestane informatiegebruik zal plaatsvinden.[42]  Maar zoals gezegd blijft dit vermoedelijk een theoretische kwestie. Het is immers niet waarschijnlijk dat de lidstaten zich zullen hoeven buigen over de vraag wat ze nu eigenlijk hebben bedoeld met de 'passende maatregelen'.

Rechtmatige toegang

Tot slot nog een laatste voorwaarde voor het instellen van een verplichting om de nodige middelen te verschaffen. Dat mag alleen in gevallen waarin de 'begunstigde van de beperking' - de bibliotheek of de gevangenis - 'op rechtmatige wijze toegang heeft' tot het werk. Wellicht is hier gedacht aan bepalingen zoals de reeds besproken artikelen 128a en 326c Sr. Maar die bepalingen betreffen de toegang tot een computersysteem en tot een online aangeboden dienst. Hier wordt gesproken van toegang tot een 'werk'. En zoals eerder gezegd: in de offline 'analoge' wereld kon toegang tot een werk (het corpus mysticum) niet onrechtmatig zijn - lezen en luisteren vielen niet onder het auteursrecht. Wel kon een exemplaar gestolen zijn en kon zo de toegang tot een kopie van een werk onrechtmatig zijn, maar niet ten opzichte van de auteursrechthebbende, maar van de eigenaar van het exemplaar.[43]  Verder kon wie wederrechtelijk een bioscoop binnendrong om zo een voorstelling bij te wonen het misdrijf van huisvredebreuk plegen. Op deze manier kon toegang tot een opvoering van een werk illegaal en onrechtmatig zijn. Het individueel toegang verkrijgen tot een 'werk', waaronder misschien ook de toegang tot de inhoud van een rechtmatig verworven kopie kan worden verstaan, leverde echter op zichzelf geen onrechtmatige daad op. Wellicht kan deze eis worden opgevat als een bevestiging van de interpretatie van het derde lid, inhoudende dat omzeiling van toegangcontrolerende voorzieningen onder de Richtlijn valt, waardoor toestemming is vereist voor het rechtmatig verkrijgen van toegang tot een technisch beschermd werk. Dat zou echter in tegenspraak zijn met hetgeen in de Motivering van de Raad wordt gezegd.

Privé-kopie

Zoals hierboven is aangegeven, was het allemaal begonnen om de angst voor de thuiskopiërende consument. In vroegere versies van de Richtlijn kregen technische voorzieningen die tegen privé-kopiëren beschermen steeds een aparte behandeling.[44]  Ook in de uitgelekte voorontwerpen van het Gemeenschappelijk Standpunt was omzeiling ten behoeve van iedere beperking toegestaan, behalve om thuiskopiëren mogelijk te maken. In het Gemeenschappelijk Standpunt zoals dat is aangenomen is eveneens een aparte regel opgenomen. In beginsel geldt het bovenbesproken mechanisme. Maar een belangrijk verschil is dat de lidstaten - mochten de omstandigheden zich voordoen - ten behoeve van de bovengenoemde instanties de passende maatregelen moeten nemen, terwijl ze dat mogen doen waar het de privé-kopie betreft. Dit kan tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld in Nederland aan de man gebrachte exemplaren gekopieerd moeten kunnen worden, terwijl in Frankrijk verkochte exemplaren absoluut tegen kopiëren zijn beveiligd. Het spreekt voor zich dat dit de doelstelling van harmonisatie niet ten goede zal komen. Overigens geldt hetzelfde, zij het wellicht in iets mindere mate, voor de maatregelen die ten behoeve van de 'begunstigden' van de andere genoemde beperkingen zouden worden genomen. Er is een grote discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten gelaten, waardoor hetgeen de ene lidstaat 'passend' vindt niet noodzakelijk hetzelfde behoeft te zijn als hetgeen in de andere lidstaat wordt ondernomen. Daarbij komt dat het kennelijk aan de lidstaten is om te bepalen wanneer de rechthebbende genoeg tijd heeft gehad om zelf de middelen te verschaffen of om daarover tot een akkoord te komen met de andere belanghebbenden.

Een tweede verschil met de bovensproken regeling is dat het vereiste van 'rechtmatige toegang' hier niet geldt. Kennelijk mag ook een verplichting worden opgelegd om de middelen te leveren die de privé-kopie mogelijk maken aan een gebruiker die op onrechtmatige wijze toegang tot het werk heeft verkregen. Zou dit een slip of the pen zijn? In alle eerdere ontwerpen gaf de uitzondering ten behoeve van de privé-kopie juist minder aanleiding om de bescherming van technische voorzieningen te beperken. Verder kan men zich afvragen hoe overweging 39 in verband staat met de hier geboden mogelijkheid om 'passende maatregelen' te nemen. In die overweging wordt gezegd dat de beperking die privé-kopiëren toestaat geen belemmering mag vormen voor de toepassing of het gebruik van technische voorzieningen. Maar kennelijk mogen onder omstandigheden toch maatregelen worden genomen om er voor te zorgen dat het maken van de privé-kopie in de praktijk mogelijk blijft en mag de beperking in die zin dus wel een belemmering vormen voor de toepassing van technische voorzieningen die de thuiskopie verhinderen.

Beperkingen Databanken- en Verhuurrichtlijn

We hebben al veel staaltjes van dubieuze regelgeving gezien. Artikel 6 lid 4 eindigt met een zin die in dit opzicht het citeren waard is:

Bij toepassing van dit artikel in samenhang met Richtlijnen 92/100/EEG en 96/9/EG is dit lid mutatis mutandis van toepassing.

Op het allerlaatste moment zag men in dat het vierde lid alleen een regeling betreft voor (enkele van de) beperkingen op het auteursrecht en de naburige rechten - er wordt immers slechts verwezen naar de beperkingen van artikel 5 welke op die rechten betrekking hebben - terwijl uit het derde lid blijkt dat ook voorzieningen onder de bepaling vallen die zijn aangebracht op door het sui generis databankenrecht beschermd materiaal. Ten behoeve van de beperkingen van dat recht zouden dus geen 'passende maatregelen' moeten of kunnen worden genomen. Om dit te vermijden werd de aangehaalde zin opgenomen. Maar wat zou die inhouden? Een redelijke uitleg is wellicht dat de maatregelen ook moeten worden genomen ten behoeve van de 'begunstigde' van beperkingen op het sui generis recht die vergelijkbaar zijn met die welke in dit vierde lid van artikel 6 worden genoemd.[45]  Een hoge ambtenaar bij de Commissie die nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming van het Gemeenschappelijk Standpunt, meldde echter onlangs op een congres dat een faciliteringsverplichting kan worden opgelegd ten behoeve van gebruik dat wordt toegestaan door iedere beperking die in de Databankenrichtlijn voorkomt. Bij gebrek aan beter moeten we het bij interpretatie van de gebezigde orakeltaal met dergelijke kruimels doen.

De andere Richtlijn waarnaar wordt verwezen is de Verhuurrichtlijn. De verwijzing naar deze Richtlijn werd zelfs nog later toegevoegd, nadat er al overeenstemming was tussen de lidstaten met betrekking tot de tekst van het Gemeenschappelijk Standpunt en men bezig was die te vertalen. De Verhuurrichtlijn beoogt om, naast het verhuur- en uitleenrecht, ook de naburige rechten te harmoniseren en geeft aan wanneer die rechten mogen worden beperkt. Deze verwijzing doet merkwaardig aan. De beperkingen van artikel 5 hebben ook betrekking op de naburige rechten. Het lijkt daarom niet nodig om hier naar de Verhuurrichtlijn te verwijzen om zeker te stellen dat ook ten behoeve van de beperkingen op de naburige rechten eventueel 'passende maatregelen' moeten of mogen worden genomen. Bedoelt men misschien aan te geven dat de maatregelen - onder omstandigheden - moeten worden genomen om uitlenen mogelijk te maken, zoals dat door de beperking op het exclusieve 'uitleenrecht' van artikel 5 van de Verhuurrichtlijn wordt toegestaan?

Elektronicaproducent

Tot nog toe is vooral besproken hoe de relatie tussen de rechthebbende en de informatiegebruiker kan veranderen door de bescherming van technische voorzieningen. Maar er is nog een partij wiens positie kan worden beïnvloed. Het tweede lid van de bepaling verbiedt omzeilingsmiddelen. Zo'n bepaling kan apparatuur die momenteel volkomen legaal is plotseling tot verboden waar verklaren. Zo kan bijvoorbeeld de rekenkracht van een PC worden gebruikt om een technische beveiligingsmaatregel te doorbreken. Moet die PC dan worden gezien als een verboden omzeilingsmiddel? En zouden elektronicaproducenten nu verplicht zijn om hun waar zodanig te bouwen dat daarmee geen technische voorzieningen kunnen worden omzeild? Zouden bijvoorbeeld geluidskaarten voor de PC zo moeten worden ontworpen dat daarmee alleen beveiligde muziekbestanden kunnen worden afgespeeld, zoals de muziekindustrie dat waarschijnlijk graag zou zien? In overweging 48 wordt hierover gezegd:

Een dergelijke rechtsbescherming houdt niet de verplichting in inrichtingen, producten, onderdelen of diensten te ontwerpen die met technische voorzieningen overeenstemmen, voorzover dergelijke inrichtingen, producten, onderdelen of diensten niet onder het verbod van artikel 6 vallen.

Dit wordt naar Amerikaans voorbeeld - deze zin is vrijwel letterlijk overgenomen van de Amerikaanse auteurswet[46] - de 'no mandate-bepaling' genoemd. In beginsel kan een elektronicaproducent niet worden verplicht om zich te voegen naar de luimen van rechthebbenden. Maar uit de overweging blijkt dat het uiteindelijk aankomt op de bepaling zelf. Die verbiedt om omzeilingsmiddelen of diensten aan te bieden die:

a) gestimuleerd, aangeprezen of in de handel gebracht worden om de bescherming te omzeilen, of

b) slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben, naast de omzeiling van de bescherming, of

c) in het bijzonder ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn met het doel de omzeiling mogelijk of gemakkelijker te maken.

Een fabrikant met een goede advocaat zal niet gauw adverteren met het feit dat met zijn apparatuur nog gewoon kan worden gekopieerd - al is het voorstelbaar dat dit voor de consument een aantrekkelijke eigenschap kan zijn. Maar stel dat een recorder zo wordt gebouwd dat die niet reageert op een algemeen aanvaarde standaardcode die op een werk is aangebracht en die aangeeft dat het niet mag worden gekopieerd,[47]  de recorder daarom bekend staat en aantoonbaar vooral wordt aangeschaft wegens deze eigenschap. Heeft het apparaat dan geen ander commercieel significant doel dan omzeiling en kan het daarom worden verboden? Kan een rechthebbende in dat geval de fabrikant aanspreken en daardoor toch afdwingen dat apparatuur zo wordt gebouwd dat die op de juiste wijze reageert op een door hem op zijn werken aangebrachte kopieerbeveiliging? Deze criteria zijn zonder precedent, de precieze betekenis ervan zal daarom moeten worden afgewacht. Het behoeft nauwelijks te worden gezegd dat de Richtlijn, haar overwegingen noch de begeleidende teksten hier verheldering brengen.

Het is wel gesuggereerd dat het vereiste van 'doeltreffendheid' is opgenomen om te voorkomen dat producenten van consumentenelektronica al te snel aansprakelijk kunnen worden gehouden op basis van het verbod op omzeilingsmiddelen. In verband daarmee zou de invoeging van toegangscontrole kunnen worden begrepen. Volgens sommigen kan alleen een toegangcontrolerende voorziening doeltreffend zijn, dat wil zeggen: één die op basis van encryptie werkt, omdat zo'n systeem nooit per abuis kan worden omzeild. Om een versleuteld bestand te kunnen lezen moet de speler dat kunnen ontcijferen, daartoe moet speciaal een decoder zijn ingebouwd en in werking worden gezet. Zolang een elektronicaproducent maar nalaat om een dergelijke decoder in te bouwen, is hij veilig. Kopieerbeveiliging daarentegen zou ongemerkt kunnen worden omzeild; namelijk wanneer de afspeel- of opneemapparatuur niet zodanig is gebouwd dat die de aanwezigheid van een signaal herkent dat aangeeft dat het betreffende werk niet mag worden gekopieerd.[48]  Een simpel voorbeeld hiervan zijn de weg te breken hoekjes in cassettebandjes of de schuifjes op floppydisks (al zijn dit niet voorbeelden van voorzieningen die tegengaan dat de inhoud wordt gekopieerd, maar dat die wordt gewist). Als de opnameapparatuur niet nagaat of de gaten open of dicht zijn, werkt de beveiliging niet.

In deze redenatie loopt een fabrikant, wanneer alleen toegangcontrolerende systemen worden beschermd, niet het risico om per ongeluk het verbod te overtreden op de verspreiding van omzeilingsmiddelen. Wanneer echter (ook) apparaten worden verboden die in staat stellen om kopieerbeveiliging te omzeilen, is hij wellicht gedwongen om opnameapparatuur zodanig te bouwen dat die nagaat of het origineel aangeeft of het gekopieerd mag worden. De fabrikant moet dan actief meewerken aan de beveiliging en een nalaten zou tot gevolg kunnen hebben dat zijn handelen onrechtmatig is. In de eerste versie van de Richtlijn werden inderdaad alleen toegangcontrolerende systemen 'doeltreffend geacht'.[49]  Inmiddels zijn dat echter ook kopieerbeveiligingssystemen. De bovenbeschreven argumentatie voor het noemen van toegangscontrole gaat daarom niet (meer) op en ook deze uitleg van de mysterieuze tweede zin van het derde lid houdt geen stand.

Slot

De bescherming van technische voorzieningen in het Gemeenschappelijk Standpunt heeft tot gevolg dat rechthebbenden zich goed kunnen verweren in het digitale strijdperk. De technische beschermingslaag is hun eerste verdedigingslinie, waarmee ieder gebruik van informatieproducten kan worden geblokkeerd. Het verbod op omzeilingsmiddelen is het belangrijkste juridische wapen dat hen in staat stelt om op deze lijn stand te houden. Doordat die middelen niet beschikbaar zullen zijn, kan in de praktijk ook geen gebruik plaatsvinden van niet door een intellectueel eigendomsrecht beschermde informatie. Dit heeft als het ware een uitbreiding van het object van de rechten tot gevolg, in die zin dat ook gebruik van materiaal dat niet het object is van een i.e.-recht, technisch effectief kan worden uitgesloten. Mocht deze linie toch vallen, dan kunnen rechthebbenden zich verschansen achter het omzeilingsverbod. Tegen omzeiling van niet door een i.e.-recht beschermde informatie kunnen zij niets doen, maar het gebied dat binnen deze loopgraaf ligt, is toch groter dan het door het auteursrecht bestreken terrein. Omzeiling is absoluut verboden van beschermingsmaatregelen die verhinderen om handelingen te verrichten met informatie die het object van één van de rechten is. Ook als het gaat om handelingen die geen inbreuk opleveren, bijvoorbeeld omdat zij vallen onder één van de wettelijke beperkingen. Pas als deze wal zou worden overlopen, behoeft een rechthebbende terug te vallen op de relatief beperkte bescherming die het auteursrecht biedt.[50] 

Door de bescherming van technische voorzieningen kunnen twee nieuwe partijen binnen het schootsveld van de rechthebbende worden gebracht. Hij kan nu ook de individuele eindgebruiker aanpakken. Met name het ontluikende 'recht van toegangscontrole' kan dit tot gevolg hebben - indien zo'n recht tenminste inderdaad wordt geïntroduceerd. Ook elektronicaproducenten kunnen misschien met de Richtlijn om de oren worden geslagen. Tot nog toe konden rechthebbenden in Europa op grond van de wet geen invloed uitoefenen op de wijze waarop elektronicaproducenten hun waar ontwerpen.[51]  Wellicht zullen zij daartoe in de toekomst op basis van de Richtlijn wel in staat zijn.

Belangenafweging

De controle die over informatiegebruik kan worden uitgeoefend neemt exponentieel toe. Hoe men tegen deze ontwikkeling aankijkt, hangt af van de visie die men heeft op de ratio van de beperkingen van het auteursrecht en op de gevolgen die de digitale revolutie zal hebben voor de posities van de betrokken partijen. Sommigen zien de beperkingen als samenhangend met, of zelfs als manifestaties van, bepaalde grondrechten. Zo zou de privé-kopie worden vrijgelaten omdat handhaving van een verbodsrecht op thuiskopiëren met het recht op privacy in conflict kan komen. Ideeën en feiten zouden bijvoorbeeld niet onder het auteursrecht vallen omdat daardoor de vrijheid van meningsuiting teveel in het gedrang zou komen. Eenzelfde argument zou ten grondslag liggen aan de wettelijke beperkingen ten behoeve van de nieuwsvoorziening en het citaat.[52]  De Hoge Raad zei nog niet zo lang geleden dat aan de wettelijke beperkingen van het auteursrecht 'in de regel een afweging ten grondslag ligt van de belangen van de rechthebbende op het auteursrecht tegenover de maatschappelijke of economische belangen van anderen of tegen het algemeen belang'.[53]  Zou het, nu technische voorzieningen beschikbaar zijn, plotseling niet meer in het algemeen belang zijn om volkomen controle over informatiegebruik te mijden?

Uiteraard kan een afweging in de digitale omgeving anders uitvallen dan één uitgevoerd om regels op te stellen die in de ouderwetse 'analoge' informatiemarkt moesten gelden. Zo laat de informatie-industrie niet af haar angst te uiten voor de wereldwijde kopieerapparaat genaamd 'internet'. In een vloek en een zucht kan iedereen een perfecte kopie maken en die kopie via het net wereldwijd verspreiden. Informatieproducten zouden overal gratis verkrijgbaar zijn waardoor daarmee geen geld meer zou worden verdiend. Wie zou immers betalen voor iets dat elders gratis kan worden verkregen? Dit verlies aan controle in de digitale omgeving zou moeten worden gecompenseerd met bescherming van de extra controle waartoe technische voorzieningen in staat stellen. Deze benadering lijkt aan de Richtlijn ten grondslag te liggen. Voor het gemak ziet men over het hoofd dat de technische ontwikkelingen niet alleen voordelen meebrengen voor potentiële piraten, ook voor de rechthebbende is dit het geval. Hij kan hetzelfde product met dezelfde winstmarge per eenheid aanbieden tegen een veel lagere prijs; de kosten verbonden aan het persen of drukken en het distribueren van het werk vervallen immers grotendeels. En, zo leert een standaard economische theorie, als de prijs omlaag gaat, stijgt de vraag. De totale winst zou dus groter worden.

Bovendien is het mogelijk dat de kosten van handhaving op het internet veel lager zijn dan die verbonden aan handhaving in de offline wereld. Met zoekmachines kan inbreukmakend materiaal geautomatiseerd worden opgespoord en via gestroomlijnde 'notice and take down' procedures kan de publieke toegang tot het materiaal goedkoop en snel worden geblokkeerd, waardoor het moeilijk te vinden zal zijn (het geplaagde Napster blokkeerde na notificatie in één nacht meer dan 300.000 gebruikers van zijn dienst die onrechtmatig muziek aanboden).[54]  En wie zou uren het net afzoeken naar een gratis exemplaar, wanneer het werk gemakkelijk, snel en goedkoop langs de officiële kanalen kan worden verkregen?[55]  Met andere woorden, de technische ontwikkelingen kunnen de industrie ook goed doen, zelfs als geen nieuwe rechten worden toegekend en als het gebruik van technische beveiligingssystemen nog buiten beschouwing wordt gelaten.[56]  Het tegenovergestelde kan natuurlijk ook waar blijken. Het is nog te vroeg om hierover uitspraken te doen en om een verantwoorde afweging te maken. Maar nu de bescherming van technische voorzieningen onmogelijk in overeenstemming is te brengen met de omvang van het auteursrecht en daarom noodzakelijk het auteursrechtelijk evenwicht ingrijpend verstoort, ware het misschien beter geweest om nog even te wachten en eerst eens te bezien of die bescherming wel echt nodig is.[57]  De Europese regelgever heeft voor een omgekeerde benadering gekozen; technische voorzieningen worden alvast beschermd, maar als het nodig blijkt kunnen in sommige gevallen maatregelen worden genomen die het evenwicht weer enigszins herstellen.

Marktimperfecties

De Richtlijn kan worden opgevat als het resultaat van de verwachting dat zich een doemscenario voor rechthebbenden zal voltrekken, indien een uitgebreide bescherming van technische voorzieningen uitblijft. Er kan echter ook een negentiende eeuws vertrouwen in de marktwerking in worden gelezen.[58]  Sommige commentatoren menen dat de beperkingen op de rechten zijn aangebracht om marktimperfecties te helen: in principe zouden de gebruiker en de rechthebbende het wel eens kunnen worden over de prijs voor het (momenteel) uitgezonderde gebruik, maar die prijs zou zo laag zijn dat de transactiekosten de waarde overstijgen die de potentiële licentienemer aan het gebruik hecht. Dat wil zeggen: een licentie zou meer kosten dan de gebruiker er voor over heeft, alleen al wegens de kosten die zijn verbonden aan de totstandkoming en afhandeling ervan. Indien het gebruik niet zou zijn vrijgesteld, zou de klant ervan afzien. Daardoor zou gebruik uitblijven waarbij de maatschappij gebaat is. Om dit marktfalen te helen, zouden bijvoorbeeld de uitzondering ten behoeve van de thuiskopie en de bandenheffing zijn ingesteld en is het toegestaan om kleine gedeelten te gebruiken in een citaat; het zou simpelweg te duur zijn om met iedere thuiskopieerder individueel een contract af te sluiten.

Men verwacht dat de transactiekosten in de digitale omgeving omlaag zullen gaan. Technische voorzieningen zullen het mogelijk maken dat licenties volledig geautomatiseerd tot stand komen en dat voor ieder gebruik automatisch een paar cent wordt overgemaakt. Anders gezegd, de marktimperfectie verdwijnt als sneeuw voor de zon en daarmee de ratio voor deze beperkingen. Die kunnen daarom worden afgeschaft.[59]  De Richtlijn lijkt deze visie uit te drukken. De volledige controle wordt in handen van de rechthebbende gelegd. Voor ieder gebruik zal dus toestemming nodig zijn en een overeenkomst moeten worden afgesloten. Bovendien wordt (kennelijk) met zoveel woorden gezegd dat bij verspreiding van een technisch beschermd werk over het internet - waar verkoper en afnemer elkaar gemakkelijk kunnen vinden en met een klik van de muis automatisch en goedkoop een contract kan worden gesloten[60]  - en in het geval er sprake is van een overeenkomst, de wettelijke beperkingen helemaal geen rol meer mogen spelen. De markt dient dan vrij spel te hebben.

Niet alleen is het twijfelachtig dat rechthebbende en gebruiker altijd wel tot overeenstemming zullen komen - zou een rechthebbende bijvoorbeeld toestemming geven voor gebruik van een filmclip in een hem onwelgevallige recensie? - maar ook is de beschreven economische verklaring voor de beperkingen van het auteursrecht zeer eenzijdig. Veel rechtseconomen menen dat de beperkingen op de rechten zijn aangebracht om te verzekeren dat het auteursrecht de totstandkoming van nieuwe informatieproducten niet te veel belemmert. Het behoeft geen betoog dat alle informatie (ten dele) is gebaseerd op reeds bestaande informatie; daardoor behoeft het wiel niet steeds opnieuw te worden uitgevonden en kan vooruitgang plaatsvinden. Indien voor iedere overname en ieder gebruik, hoe minimaal en van welk element dan ook, zou moeten worden betaald, zouden de kosten van de informatieproductie stijgen en zou daardoor waarschijnlijk minder worden geproduceerd. En dat terwijl het auteursrecht in de rechtseconomische optiek juist is bedoeld om de informatieproductie te stimuleren.[61]  Kortom, het is zeker niet vanzelfsprekend dat een 'hoog niveau van bescherming' goed is voor de Europese culturele industrie, zoals dat in de overwegingen bij de Richtlijn wordt gemeld.[62]  Al is het wel in het voordeel van de gevestigde ondernemingen die zo hartstochtelijk hebben gelobbyd voor de uitbreiding van hun rechten. Maar in het algemeen kan het niveau ook te hoog zijn waardoor innovatie wordt belemmerd, nieuwkomers worden afgeschrikt en Europa juist op achterstand komt.[63] 

In dit verband tot slot nog deze observatie: wellicht is de Richtlijn bedoeld om de aan digitale piraterij verloren inkomsten weer terug te winnen. Zij kan echter tot gevolg hebben dat niet alleen het geleden verlies wordt goedgemaakt, maar juist dat de winsten enorm zullen toenemen. Meurer wijst er op dat door de prijsdiscriminatie die mogelijk wordt door toepassing van nieuwe technieken, de winsten exponentieel zullen groeien.[64]  Een hoogwaarderende consument zal bijvoorbeeld een muziekbestand van hoge kwaliteit aanschaffen dat onbeperkt kan worden afgespeeld, terwijl een koper die het werk minder waardeert een versie zal kopen met een lagere bitrate die goedkoper is en maar kort meegaat. Economen zijn er nog niet over uit of prijsdiscriminatie in het algemeen de maatschappelijke welvaart bevordert of niet, maar zij zijn het er wel over eens dat wie aan prijsdiscriminatie doet, veel meer zal verdienen. Zou dit zijn wat de Richtlijn beoogt, door de eindgebruiker binnen het bereik van de rechthebbende te brengen?

Herziening

De benadering die in de Richtlijn wordt gevolgd lijkt te zijn gebaseerd op premature aannames ten aanzien van de gevolgen van de digitale revolutie en op gebrekkige en eenzijdige economische redenaties. Wie de Richtlijn leest en de totstandkoming van de hier besproken bepaling heeft gevolgd, bekruipt het gevoel dat men niet goed weet waar men mee bezig is. Gezien het belang van een goede informatievoorziening in een democratische maatschappij en de vérgaande consequenties die de bescherming van technische voorzieningen kan hebben, mag dat zorgelijk worden genoemd. De opstellers van de Richtlijn lijken uiteindelijk toch enigszins door twijfel te zijn bekropen. In artikel 12 wordt aan de Europese Commissie de verplichting opgelegd om iedere drie jaar te rapporteren over de vraag of artikel 6 'een voldoende hoog beschermingsniveau biedt en of bij wet toegestane handelingen een nadelige invloed ondervinden van het gebruik van doeltreffende technische voorzieningen'.[65] Eventueel zal de Commissie in dit verband voorstellen doen tot wijziging van de Richtlijn, vooral als dat nodig is voor een goede werking van de interne markt (en dus niet specifiek om een goede informatievoorziening te waarborgen). Maar het zou bijzonder opmerkelijk zijn als het daadwerkelijk zou komen tot een beperking van de bescherming van technische voorzieningen. Daarvoor zou een cultuuromslag nodig zijn. Tot nog toe zijn uit Brussel alleen regelingen gekomen die de macht van de informatie-industrie over het informatiegebruik hebben uitgebreid.

 


[1]  Commissie der Europese Gemeenschappen, Groenboek over het auteursrecht en de uitdaging der technologie, 30 januari 1989, COM (88) 172 def., paragrafen 3.6.4-3.15.9. Commissie van de Europese Gemeenschappen, Vervolg op het Groenboek, Werkprogramma van de Commissie inzake het auteursrecht en aanverwante rechten, 17 januari 1991, COM (90) 584 def., p. 11. Terug naar tekst

[2]  Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's, PbEG 1991 L 122/42. Terug naar tekst

[3]  Commissie van de Europese Gemeenschappen, Groenboek over het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, 19 juli 1995, COM (95) 382 def., paragraaf IX.4. Terug naar tekst

[4]  Commissie van de Europese Gemeenschappen, Vervolg op het Groenboek over het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, 20 november 1996, COM (96) 586 def. Terug naar tekst

[5]  In een brief aan de Tweede Kamer gaf de minister van Justitie aan dat een dergelijke benadering wellicht gewenst kan zijn. Zie Kamerstukken II 1998/99, 26 538, nr. 1, p. 8. Terug naar tekst

[6]  Deze benadering wordt gevolgd in het WIPO Auteursrecht Verdrag. Zie hierover K.J. Koelman, 'Hoe een koe een haas vangt, de bescherming van technologische voorzieningen', Computerrecht 2000, p. 30-31. Terug naar tekst

[7]  De Amerikaanse Vault-uitspraak laat zien waar een dergelijke regel toe kan leiden. In deze zaak bepaalde de rechter dat het verspreiden van een programma dat de anti-kopieerbeveiliging van een ander programma onwerkzaam maakte niet onrechtmatig was, omdat het kraakprogramma, naast inbreukmakende verveelvoudigingen, ook het maken van rechtens toegestane back-up kopieën mogelijk maakte. Vault Corp. v. Quaid Software, Inc., 665 F. Supp. 750 (E.D. La. 1987), aff'd, 847 F. 2d 255 (5th Cir. 1988). Terug naar tekst

[8]  Zie bijvoorbeeld BGH 9 november 1995, Computer und Recht 1996, 79 (Dongle-Umgehung), m.nt. Lehmann, waarin het Duitse Hooggerechtshof oordeelde dat de ervaring leert dat omzeilingsmiddelen meestal zullen worden gebruikt voor inbreukmakende doeleinden. Een verweer vergelijkbaar met hetgeen het Amerikaanse hof honoreerde in de zaak die in de vorige noot is besproken, werd daarom afgewezen door de Duitse rechter. Terug naar tekst

[9]  De meest actuele versie van de Richtlijn, die hier wordt besproken, is het Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 48/2000 door de Raad van 28 september 2000 vastgesteld met het oog op de aanneming van Richtlijn 2000/.../EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, PbEG 2000 C 344/1. Aan het Gemeenschappelijk Standpunt gingen twee gepubliceerde versies vooraf. Ten eerste het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, 10 december 1997, COM(97) 628 def., en ten tweede het Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, 21mei 1999, COM(99) 250 def. Terug naar tekst

[10]  Zie hierover Koelman 2000, supra nt 6; zie voor een bespreking van het eerste Commissievoorstel S. Dusollier, 'Electrifying the Fence: The Legal Protection of Technological Measures for Protecting Copyright', EIPR 1999, p. 285-297. Terug naar tekst

[11]  Die vragen zijn beschikbaar op http://www.minjust.nl/a_beleid/auteurswet/introductie/index.htm. Daar kan men ook meediscussiëren over de betekenis van de Richtlijn. Terug naar tekst

[12]  In de Engelse versie wordt in beide leden gesproken van 'adequate legal protection'. Terug naar tekst

[13]  Zie artikel 32a Aw en artikel 69f van het Urheberrechtsgesetz. Terug naar tekst

[14]  De aangehaalde frase komt uit het eerste Commissievoorstel van 1997, supra nt 9. Terug naar tekst

[15]  In nr. 43 van de Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk Standpunt (supra nt 9) wordt gezegd dat de bepaling 'bescherming biedt tegen omzeiling van alle technische voorzieningen die dienen ter voorkoming of beperking van handelingen die door de rechthebbende niet zijn toegestaan, ongeacht of de persoon die de voorzieningen omzeilt, al dan niet in aanmerking komt voor de uitzonderingen bedoeld in artikel 5.' Terug naar tekst

[16]  Zie nr. 2 bij art. 6 in de toelichting bij het eerste Commissievoorstel, supra nt 9. Terug naar tekst

[17]  Zie Copyright Amendment (Digital Agenda) Act 2000, No. 110/2000, aangenomen op 4 september 2000. De verschillende ontwerpteksten (Bills) voor de Australische wet zijn beschikbaar op http://www.aph.gov.au. Zie specifiek voor commentaar op deze norm § 4.19 van het Advisory Report on the Copyright Amendment (Digital Agenda) Bill 1999 van het Standing Committee on Legal and Constitutional Affairs van het Australische Huis van afgevaardigden, beschikbaar op http://www.aph.gov.au/house/committee/laca/digitalagenda/contents.htm. Terug naar tekst

[18]  Nr. 45 van de Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk Standpunt, supra nt 9. Terug naar tekst

[19]  In het Gewijzigd Voorstel (supra nt 9) luidde de bepaling: 'Technische voorzieningen worden uitsluitend geacht doeltreffend te zijn indien de toegang tot het werk, het gebruik van het werk of een andere beschermde zaak wordt geregeld door toepassing van een toegangscode, of elk ander soort beschermingsprocédé dat de beschermingsdoelstelling bereikt op een operationele en betrouwbare wijze, met toestemming van de rechthebbenden voor de gebruiker. Zulke maatregelen kunnen ontsleuteling, decodering of een andere transformatie van het werk of andere zaken omvatten.' Terug naar tekst

[20]  Een expliciet 'recht van toegang' of een exclusief 'leesrecht' ontbreken uiteraard. Het is echter verdedigbaar dat een recht van toegang kan worden herleid uit het 'recht van tijdelijke verveelvoudiging'. Om een gedigitaliseerd werk toegankelijk te maken, dient het - bij de huidige stand van de techniek - tijdelijk in het werkgeheugen van een PC te worden gereproduceerd. Of dergelijke tijdelijke verveelvoudigingen onder het regime van de Richtlijn een inbreuk opleveren, hangt af van de interpretatie van artikel 5 lid 1 dat de tijdelijke technische kopie die nodig is voor 'rechtmatig gebruik' uitzondert van het ruim geformuleerde verveelvoudigingsrecht van artikel 2. Zie hierover Hugenholtz elders in deze aflevering. Zie ook infra nt 27. Terug naar tekst

[21]  De geamendeerde Amerikaanse auteurswet (zie infra nt 22) heeft dit inderdaad tot gevolg, ook al wordt er strikt genomen geen exclusief verbodsrecht toegekend, maar een verbod uitgevaardigd. Zie K.J. Koelman & N. Helberger, 'The Protection of Technological Measures' in: P.B. Hugenholtz (red.), Copyright and Electronic Commerce, The Hague / London / Boston: Kluwer 2000, p. 206. Terug naar tekst

[22]  Zie het nieuwe artikel 1201 van de Amerikaanse auteurswet, ingevoerd met de Digital Millennium Copyright Act of 1998, Public Law No. 105-304, 112 Stat 2860 (28.10.1998). Artikel 1201(a) heeft specifiek betrekking op toegangcontrolerende voorzieningen. Terug naar tekst

[23]  Zie de definitie van 'technological protection measure' in artikel 10(1) van de geamendeerde Australische auteurswet, supra nt 17. Terug naar tekst

[24]  Zie hierover J.C. Ginsburg, 'Copyright Legislation for the "Digital Millennium"', Columbia VLA Journal of Law & The Arts 1999, p. 141-143; P. Samuelson, 'Intellectual Property and the Digital Economy: Why the Anti-Circumvention Regulations Need to Be Revised', Berkeley Technology Law Journal 1999, p. 519-566; D. Nimmer, 'A Riff on Fair Use in the Digital Millennium Copyright Act', University of Pennsylvania Law Review 2000, p. 673-742. Terug naar tekst

[25]  Helemaal nieuw zijn dergelijke afrekensystemen niet. Pay-per-view-TV past het al toe en ook in het theater betaalt men per keer dat de voorstelling of film wordt bekeken. Terug naar tekst

[26]  Zie J.C. Ginsburg, 'From Having Copies to Experiencing Works: the Development of an Access Right in U.S. Copyright Law' (2000), beschikbaar op http://papers2.ssrn.com/paper.taf?ABSTRACT_ID=222493. Terug naar tekst

[27]  Men kan zich afvragen of de tijdelijke kopie in de chip van het werkgeheugen van een PC of van een digitale TV of radio, die gepaard gaat met het afspelen van het werk in zo'n geval 'zelfstandige economische waarde' heeft in de zin van artikel 5 lid 1 van de Auteursrechtrichtlijn. Terug naar tekst

[28]  Zie http://www.spectradisc.com. Terug naar tekst

[29]  Pres. Rb. Utrecht 3 maart 1992, Computerrecht 1992, p. 218 (Somatech / Delaware Computing Nederland), m.nt. J.M.A. Berkvens; Pres. Rb. Amsterdam 11 december 1997, Computerrecht 1998, p. 74 (PTT Telecom / NWT Datawave). Deze uitspraken suggereren dat het onrechtmatig is om een 'tijdbom' in een programma aan te brengen zonder dat de wederpartij daarvan op de hoogte is op het moment dat de licentie wordt aangegaan. Terug naar tekst

[30]  Pres. Rb. Haarlem 28 juli 2000, Zaak nr. 66855/ KG ZA 00-388 (Canal+ / VNU). Terug naar tekst

[31]  Richtlijn 98/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 1998 betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang, PbEG 1998L 320/54. Zie hierover C. Uyttendaele, 'Het richtlijnvoorstel voor rechtsbescherming van diensten gebaseerd op voorwaardelijke toegang: een verkenning', Computerrecht 1998, p. 166-172. Zie over de vraag hoe deze Richtlijn zich verhoudt tot de Auteursrechtrichtlijn Koelman 2000, supra nt 6, p. 33-34. Terug naar tekst

[32]  Zie hierover J.E. Cohen, 'A Right to Read Anonymously: A Closer Look at "Copyright Mangement" in Cyberspace', Connecticut Law Review 1996, p. 981 e.v., ook beschikbaar op http://www.law.georgetown.edu/faculty/jec/read_anonymously.pdf; G. Greenleaf, 'IP, phone home - ECMS, (c)-tech, and protecting privacy against surveillance by digital works' (1999), beschikbaar op http://www2.austlii.edu.au/~graham/publications/ip_privacy; L.A. Bygrave & K.J. Koelman, 'Privacy, Data Protection and Copyright: Their Interaction in the Context of Electronic Copyright Management Systems', in: P.B. Hugenholtz (red.), Copyright and Electronic Commerce, The Hague/London/Boston: Kluwer 2000, p. 59-124. Terug naar tekst

[33]  In een ontwerp van 22 december 1999 luidde de bepaling: 'The legal protection provided for in paragraph 1 shall not be applicable: a. to the extent that the circumvention of a technological measure enables a beneficiary of an exception or limitation provided for in national law in accordance with Article 5 to benefit from that exception, and b. where that beneficiary has legal access to, or possession of, the protected work or other subject matter. This paragraph shall not apply to digital private copying.' Terug naar tekst

[34]  In een ontwerp van april 2000 was de volgende tekst toegevoegd aan de in de vorige noot aangehaalde: 'Member States shall take appropriate measures to ensure that, under these conditions, that beneficiary is able to obtain from the rightholder the means of benefiting from the exception or limitation in question.' Terug naar tekst

[35]  Zie uitgebreid over artikel 5 van de Richtlijn Visser elders in deze aflevering. Terug naar tekst

[36]  Zie ook E.J. Arkenbout, 'Nieuw auteursrecht op komst', Informatierecht/AMI 2000, p. 130. Terug naar tekst

[37]  De Engelse tekst luidt: 'The provisions of the first and second subparagraphs shall not apply to works or other subject-matter made available to the public on agreed contractual terms in such a way that members of the public may access them from a place and at a time individually chosen by them.' Terug naar tekst

[38]  Zie hierover L. Guibault, 'Pre-emption Issues in the Digital Environment: Can Copyright Limitations be Overridden by Contractual Agreements under European Law?', in: F.W. Grosheide & K. Boele-Woelki (red.), Molengrafica 1998, Opstellen over Internationale Transacties en Intellectuele Eigendom, Lelystad: Koninklijke Vermande 1998, p. 225-261; F.W. Grosheide, 'Mass-Market Exploitation of Digital Information by the Use of Shrink-Wrap and Click-Wrap Licenses', in: idem, p. 263-319; P.B. Hugenholtz, 'Het Internet: het auteursrecht voorbij?', Handelingen NJV 1998-I, p. 236-243. Terug naar tekst

[39]  Nr. 44 van de Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk Standpunt, supra nt 9. Terug naar tekst

[40]  De bepaling voegt hieraan - wellicht ten overvloede - toe dat ook dergelijke aangepaste voorzieningen niet mogen worden omzeild. Terug naar tekst

[41]  Dit zou vergelijkbaar zijn met de regeling die in sommige landen bestond of was voorgesteld met betrekking tot de zogenaamde key escrow. Die regelgeving verbood om e-mailberichten te versleutelen met sterke, onkraakbaar geachte, cryptografie, tenzij bij een onafhankelijke centrale instelling een sleutel werd gedeponeerd die opsporingsinstanties zouden kunnen opvragen om de inhoud van geëncrypteerde berichten te kunnen nagaan. Zie hierover B.J. Koops, Verdachte en ontsleutelplicht: hoe ver reikt nemo tenetur? (ITeR deel 31), Deventer: Kluwer 2000, p. 13 e.v. In de auteursrechtelijke variant hierop zou een rechthebbende die zijn werken technisch beschermt, een toegangscode of sleutel moeten deponeren op een plaats waar degene die claimt aanspraak op een beperking van het recht te kunnen maken, die kan opvragen. Terug naar tekst

[42]  Vgl. L. Lessig, Code and Other Laws of Cyberspace, New York: Basic Books 1999, p. 136. Terug naar tekst

[43]  Zie over het verschil tussen toegang tot een werk en toegang tot een kopie Ginsburg 1999, supra nt 24, p. 140-143. Terug naar tekst

[44]  Zie hierover Koelman 2000, supra nt 6, p. 31. Terug naar tekst

[45]  De beperkingen genoemd in artikel 9 onder a tot en met c van de Databankenrichtlijn kennen hun equivalent in artikel 5 lid 2 onder a en 5 lid 3 onder a en e van de Auteursrechtrichtlijn, waarnaar artikel 6 lid 4 verwijst. Het gaat om beperkingen die de niet-elektronische kopie, de kopie ten behoeve van het onderwijs of van wetenschappelijk onderzoek en gebruik ten behoeve van de openbare orde of gerechtelijke procedures toestaan. De dwingendrechtelijke uitzondering van artikel 8 van de Databankrichtlijn die het de rechtmatige gebruiker toestaat om 'niet-substantiële' delen over te nemen en te gebruiken, heeft echter geen equivalent in artikel 5 van de Auteursrechtrichtlijn. Maar de gekozen formulering ('mutatis mutandis') laat echter ruimte om ook ten behoeve van deze beperking een faciliteringsverplichting op te leggen. Terug naar tekst

[46]  Artikel 1201(c)(3) van de Amerikaanse auteurswet. Terug naar tekst

[47]  De muziekindustrie is met vallen en opstaan bezig om zo'n code te ontwikkelen in het Secure Digital Music Initiative. Zie http://www.sdmi.org. Terug naar tekst

[48]  D.S. Marks & B.H. Turnbull, 'Technological Protection Measures: The Intersection of Technology, Law and Commercial Licences', EIPR 2000, p. 201-202. Terug naar tekst

[49]  Supra nt 9. Terug naar tekst

[50]  Zie ook Hugenholtz 1998, supra nt 38, p. 255. Terug naar tekst

[51]  In de Verenigde Staten konden zij dat wel. De artikelen 1001-1010 van de Amerikaanse auteurswet verplichten om een anti-kopieersysteem in DAT-recorders aan te brengen. Wellicht is dit één van de oorzaken voor het feit dat de DAT-recorder nooit een groot succes is geworden. Waar het de technische bescherming van films op DVD's betreft zijn de filmstudio's erin geslaagd om langs een andere weg af te dwingen dat elektronicaproducenten technische voorzieningen inbouwen. Films worden volgens een geoctrooieerd systeem versleuteld op de disks gezet. Wie een speler wil produceren die versleutelde films kan afspelen, zal een licentie moeten verwerven om de benodigde decoder rechtmatig te kunnen inbouwen. In de licentie wordt onder meer vereist dat een kopieerbeveiliging wordt aangebracht. Zie Marks & Turnbull 2000, supra nt 48, p. 204-208. Terug naar tekst

[52]  Zie hierover uitgebreid Guilbault 1998, supra nt 38; zie ook Hugenholtz 1998, supra nt 38, p. 214-216. Terug naar tekst

[53]  HR 20 oktober 1995, Informatierecht/AMI 1996, p. 43 (Dior/Evora). Terug naar tekst

[54]  Zie over dergelijke procedures uitgebreid R. Julià-Barceló & K.J. Koelman, 'Intermediary Liability in the E-Commerce Directive: So Far, So Good, But It's Not Enough', Computer Law & Security Report 2000, p. 231-239. Er is reeds software beschikbaar die automatisch het net afzoekt en een kennisgeving verstuurt naar de hosting service provider wanneer het programma inbreukmakend materiaal tegenkomt op diens server. Als de provider een complementair programma heeft geïnstalleerd, wordt de toegang tot de betreffende site of tot de aangeslotene bij een peer-to-peer netwerk (zoals Napster) automatisch afgesloten. Zie http://www.copyright.net. Terug naar tekst

[55]  Men kan zich afvragen of een fenomeen als Napster zo'n hoge vlucht zou hebben genomen, wanneer de platenmaatschappijen niet zo'n koudwatervrees zouden hebben vertoond en in een vroeg stadium zelf voor - zeg - een dubbeltje per MP3-bestand hun muziek (onbeschermd) hadden aangeboden. Het is niet ondenkbaar dat ze daarmee inmiddels miljarden zouden hebben verdiend. Kleinere maatschappijen hebben meer durf en bieden hun muziek reeds langere tijd tegen een kleine vergoeding en in onbeschermde formats op het internet aan. Zie bijvoorbeeld http://emusic.com waar voor $1 per MP3-bestand of $10 per maand muziekbestanden worden aangeboden. Terug naar tekst

[56]  Shapiro en Varian geven twee voorbeelden van eerdere situaties - de opkomst van de volksbibliotheek in de negentiende en de opkomst van de videorecorder in de twintigste eeuw - waarin rechthebbenden er door veranderende omstandigheden op het eerste gezicht op achteruit zouden gaan en ach en wee klaagden, maar waarvan zij uiteindelijk juist profiteerden. Ook al werden (in de Verenigde Staten) geen extra rechten toegekend. Van de populariteit van de videorecorder werd geprofiteerd door de prijs van koopvideo's substantieel te verlagen, waardoor de markt vergroot werd en zelf opnemen minder aantrekkelijk werd. Inmiddels vormt de koopvideomarkt een belangrijke extra bron van inkomsten voor de filmstudio's. Shapiro en Varian suggereren dat bij veranderende omstandigheden niet het recht, maar de exploitatiemodellen moeten worden aangepast. C. Shapiro & H.R. Varian, Information Rules, Boston: Harvard Business School Press 1999, p. 94-97. Terug naar tekst

[57]  Samuelson verkondigde dit al in 1996. Zie P. Samuelson, 'Technological Protection for Copyrighted Works' (1996), beschikbaar op http://www.sims.berkeley.edu/~pam/courses/cyberlaw/docs/techpro.html. Terug naar tekst

[58]  Zie voor een fundamentele kritiek op een dergelijke benadering J.E. Cohen, 'Lochner in Cyberspace: The New Economic Orthodoxy of "Rights Managenment"', Michigan Law Review 1998, p. 462-563. Terug naar tekst

[59]  T.W. Bell, 'Fair Use vs. Fared Use: The Impact of Automated Rights Management on Copyright's Fair Use Doctrine', North Carolina Law Review 1998, p. 557 e.v. Terug naar tekst

[60]  Zie hierover B.W.M. Trompenaars, 'Legal Support for Online Contracts', in: P.B. Hugenholtz (red.), Copyright Law and Electronic Commerce, Legal Aspects of Electronic Copyright Management, Den Haag / Londen / Boston: Kluwer 2000, p. 274-275. Terug naar tekst

[61]  Zie bijvoorbeeld M.A. Lemley & D. McGowan, 'Legal Implications of Network Economic Effects', California Law Review 1998, p. 525. Lemley en McGowan schrijven dat de beperkingen zijn ingevoerd: 'to balance the incentives given to property owners against the harm experienced by ... next generation competitors.' Terug naar tekst

[62]  Zie de overwegingen 4 en 9. Opmerkelijk is dat de Europese regelgever blijkens deze overwegingen kennelijk voornamelijk de economische ratio voor het auteursrecht aanhangt - dat wil zeggen het auteursrecht als 'the enigine of creation'. Vooralsnog had vooral op het Europese continent de rechtvaardigheidsgedachte van het droit d'auteur de overhand. Terug naar tekst

[63]  Vgl. Centraal Planbureau (J. Hakfoort), 'Copyright protection: not more but different' (2000), beschikbaar op http://www.cpb.nl/nl/pub/pubs/werkdoc_122/cr. Terug naar tekst

[64]  M.J. Meurer, 'Price Discrimination, Personal Use and Piracy: Copyright Protection of Digital Works', Buffalo Law Review 1997, p. 845. Terug naar tekst

[65]  Ook deze norm is geïnspireerd op de geamendeerde Amerikaanse auteurswet. Zie artikel 1201(a)(1)(B)-(E) van de Amerikaanse auteurswet. Op 27 oktober 2000 is op basis van deze bepaling een besluit uitgevaardigd waarin is bepaald dat omzeiling van bepaalde toegangcontrolerende voorzieningen is toegestaan. Zie Federal Register, vol. 65, No. 209, Rules and Regulations, 27 oktober 2000, p. 64556-64574. 24


Geplaatst 05.07.2001