Terug naar de bron: open source en copyleft
Verschenen in Informatierecht/AMI 2000-8, p. 149-155.

K.J. Koelman


 
De auteursrechthebbende kan exclusief beschikken over gebruik van een werk. Zo houdt het auteursrecht beschermde werken buiten het publieke domein. Een in de software-industrie wijdverbreid rakende praktijk past het auteursrecht echter juist toe om te bewerkstelligen dat níemand exclusief kan beschikken over computerprogramma's. Men voegt daartoe een zogenoemde open source-licentie bij het programma, die stipuleert dat de software door iedereen vrij en gratis mag worden gebruikt, gekopieerd, verder ontwikkeld en gedistribueerd. Verder mogen bewerkingen alleen worden gedistribueerd onder dezelfde voorwaarden en als de broncode wordt bijgevoegd. Dit maakt het mogelijk dat wie dat maar wil de software kan doorontwikkelen en dat ook (de werking van) een nieuwe versie voor iedereen toegankelijk is. Voornamelijk in de van de vibes van de hippiebeweging nog natrillende progressieve en idealistische Amerikaanse academische wereld is de copyleft-beweging opgekomen. Maar het concept van de vrije software heeft nu zijn weg gevonden naar de commerciëlere geesten in Silicon Valley en heeft de potentie om de wijze waarop software ontwikkeld, gefinancierd en geëxploiteerd wordt ingrijpend te veranderen.

 

Broncode

Zoals uit de benaming ervan al blijkt, speelt de verplichting om de broncode (source code) openbaar te maken een belangrijke rol in veel open source-licenties. Een computer 'denkt' binair - in nullen en enen. De reguliere eindgebruiker behoeft slechts een exemplaar dat in deze binaire, voor mensen onbegrijpelijke, 'objectcode' is uitgedrukt. Hij heeft dan toegang tot de functies van de software en kan die gebruiken. Programma's worden echter geschreven in symbolische programmeertalen, voordat ze door middel van een compiler - een soort vertaalmachine - in objectcode worden omgezet. Een uitdrukking van een programma in deze voor mensen hanteerbare vorm wordt de broncode genoemd. Om gemakkelijk toegang tot de ideeën en werking van een programma te verkrijgen, en om het verder te kunnen ontwikkelen moet men over de broncode beschikken. Eén van de belangrijkste doelstellingen van de open source-beweging is te verzekeren dat iedereen die zich daartoe geroepen voelt kan bijdragen aan de ontwikkeling van software.

Geschiedenis

De historie van de open source-beweging is nauw verweven met die van het Unix-besturingssyteem. In den beginne werd software meestal gratis bij de computer geleverd, die immers waardeloos was zonder programmatuur. De broncode werd geregeld bijgevoegd. Later moest er voor worden betaald en werd de broncode niet meer meegeleverd. Ook met Unix was dit het geval. Aan de Universiteit van Berkeley werden vanaf de jaren zeventig, toen de broncode nog beschikbaar was, verschillende toevoegingen en verbeteringen voor Unix ontwikkeld die tegen een kleine vergoeding onder een BSD-licentie werden verspreid onder degenen die reeds een Unix-licentie hadden verworven (BSD staat voor Berkeley Software Distribution). Eind jaren tachtig had de Universiteit zoveel aan Unix veranderd dat nog slechts zo'n vijf procent van het originele programma over was. Verschillende groepen en organisaties zetten zich toen in om ook de laatste onderdelen van het programma, dat inmiddels bijzonder prijzig was geworden, te herschrijven, zodat een compleet vrij te distribueren en te modificeren besturingssysteem zou bestaan.[1]  AT&T, die de rechten op Unix bezat, probeerde deze ontwikkeling te frustreren en spande een rechtszaak aan, maar diens rechtsopvolger Novell besloot de zaak te schikken. Momenteel bestaan er verschillende versies van BSD-Unix, waarvan sommige commercieel worden uitgebaat[2]  en andere gratis en met broncode worden gedistribueerd[3] .[4]

Ook het GNU-project, één van de meest extreme open source-projecten, werd geïnitieerd om tot een met Unix (applicaties) compatibel 'vrij' besturingssysteem te komen.[5]  Het werd begin jaren tachtig opgezet door de inmiddels tot goeroe verworden Richard Stallman. Hij richtte daartoe de Free Software Foundation op. De door hem ontwikkelde software speelt geen grote rol meer, maar zijn ideeën zijn nog steeds invloedrijk. De idealist Stallman meent dat er een fundamenteel recht bestaat op toegang tot de broncode van een softwareproduct en op de verdere verspreiding ervan, een opvatting die opmerkelijk genoeg in enige mate steun vindt bij Amerikaanse rechters.[6]  De vervolmaking van het GNU-project begon begin jaren negentig toen de Finse student Linus Torvalds de ontwikkeling van het roemruchte Linux-besturingssysteem ter hand nam. Hij ontwierp het zodanig dat het compatibel was met inmiddels in het GNU-project tot stand gekomen componenten en distribueerde het onder een open source-licentie. Duizenden programmeurs verspreid over de hele wereld ontwikkelden en testten het systeem vervolgens verder, een proces dat nog steeds aan de gang is. Momenteel is Linux in sommige deelmarkten een serieuze concurrent voor Microsoft en wordt het met name door gebruikers die over enige programmeervaardigheden beschikken geprefereerd boven Windows-besturingsystemen, omdat het sneller en stabieler is.[7]

Naast besturingssystemen als BSD-Unix en Linux die het hart van de software op een computer vormen, zijn ook vele applicaties onder een open source-licentie verkrijgbaar, bijvoorbeeld tekstverwerkers en spellen.[8]  Bekende voorbeelden van veel gebruikte op basis van de open source-gedachte ontwikkelde programma's zijn Apache[9] , dat op vijftig procent van de Web-servers draait, en sendmail[10] , dat een groot deel van het e-mailverkeer afhandelt. 

Commerciële projecten

Het succes van Linux en andere in een open source-omgeving ontwikkelde programma's heeft de software-industrie wakker geschud.[11]  Zo besloot Netscape, die inmiddels een groot aandeel van de browser-markt aan Mircosofts Internet Explorer had moeten inleveren, in 1998 om de broncode van de browser te publiceren en zo met hernieuwde kracht de concurrentie aan te gaan. Versie 6 van de Netscape-browser die nu in een testversie (beta) beschikbaar is, is ontwikkeld onder een open source-licentie en met behulp van vele gratis meewerkende programmeurs en testers.[12]  Andere bedrijven als IBM[13] , Sun[14]  en Intel[15]  experimenteren eveneens met de ontwikkeling van software op basis van open source-licenties. 

Zoals wellicht verwacht kan worden van initiatieven van commerciële spelers, voldoen niet alle gehanteerde licenties even zeer aan de copyleft-idealen. Hieronder zal bijvoorbeeld blijken dat Sun toch geld wil verdienen met de commerciële exploitatie van de software. Netscape en sommige andere bedrijven zijn dit echter niet van plan. Dit werpt de vraag op naar de drijfveren van deze niet door idealisme gedreven entiteiten om toch voor een open source-benadering te kiezen. Weliswaar genieten zij het voordeel dat vele programmeurs gratis aan de ontwikkeling bijdragen, maar iedereen kan de software voor niets gebruiken, verder ontwikkelen en zelfs aan het publiek ter beschikking stellen. Voor Netscape was vrijgave van broncode vermoedelijk een laatste wanhoopspoging. De browser van de concurrent was inmiddels verder ontwikkeld en wint steeds meer terrein. Bovendien verdient Netscape zijn geld niet zozeer door verkoop van de browser - die al jaren gratis werd verspreid - als wel door de verkoop van complementaire producten, zoals server-software. Een in grote lijnen vergelijkbare strategie wordt gevolgd door firma's als O'Reilly & Associates[16] , VA Research[17]  en Red Hat[18] . Ook zij investeren in de software maar verdienen geld met aanvullende producten en diensten. De eerste publiceert handboeken met betrekking tot bepaalde open source-software en neemt programmeurs in dienst om die verder te ontwikkelen, zodat er een vraag naar de boeken blijft bestaan. De tweede verkoopt computers waarop Linux is geïnstalleerd. Investeren in de verbetering van Linux heeft tot gevolg dat meer hardware wordt verkocht. Red Hat levert Linux-pakketten en genereert vooral inkomen door onderhoudsdiensten en consultancy te leveren. Net als VA Research heeft Red Hat er belang bij dat Linux verder wordt ontwikkeld en steekt daar geld in. 

Voorwaarden

Het GNU-project hanteert de GNU General Public License (afgekort als GPL), nog altijd één van de meest extreme open source-licenties.[19]  In tegenstelling tot de meeste commerciële softwarelicenties, staat de GPL toe om het werk onbeperkt te kopiëren, te gebruiken, te bewerken en te distribueren. Maar deze handelingen mogen alleen worden verricht als wordt voldaan aan de open source-voorwaarden. Die voorwaarden hebben vooral betrekking op verdere verspreiding. Het werk of een bewerking ervan mag alleen worden gedistribueerd onder dezelfde open source-licentie en er mag geen vergoeding worden bedongen als tegenprestatie voor het geven van toestemming voor gebruik van het origineel of van een bewerkte versie. Wel wordt toegestaan dat een vergoeding wordt gevraagd in ruil voor het leveren van (een exemplaar van) het programma of voor het geven van garanties. Verder moet, om het doorontwikkelen van de software te faciliteren, bij een verspreide bewerking worden aangegeven wat aan het programma is veranderd en als het programma in objectcode wordt gedistribueerd, moet een schriftelijk aanbod worden gedaan om gratis of tegen de verzendkosten de complete broncode te leveren. 

Onder de GPL gedistribueerde software mag worden geïncorporeerd in een nieuw product, maar dan dient dat nieuwe product wel onder dezelfde voorwaarden te worden verspreid. Het gehele product zal dus onder de GPL vallen. Als echter van het oorspronkelijke programma onafhankelijke en scheidbare onderdelen zijn ontwikkeld, vallen die niet onder de voorwaarden, maar wanneer die onderdelen worden verspreid in een pakket waarin zij werken in combinatie met het oorspronkelijke programma, verklaart de GPL zich van toepassing op het geheel.[20]  Deze voorwaarde kan commerciële exploitanten ervan weerhouden om onder de GPL verspreide componenten in hun producten te gebruiken; zij worden er immers toe gedwongen om zelfstandig ontwikkelde software onder de open source-voorwaarden uit te geven. Als zij dat niet doen, lopen ze de kans aansprakelijk te zijn voor auteursrechtinbreuk, doordat zij de open source-software gebruiken zonder aan de licentie te voldoen.

Wie het aantrekkelijker wil maken om zijn werk te gebruiken in combinatie met een commercieel product, kan de GNU Lesser General Public License (LGPL) gebruiken.[21]  De bepalingen daarvan met betrekking tot gebruik, kopiëren en het maken en verspreiden van bewerkingen zijn vergelijkbaar met die van de GPL. Het verschil is dat de LGPL onder bepaalde omstandigheden toestaat om een nieuw programma waarin het origineel is opgenomen, onder een eigen, stringentere commerciële licentie te exploiteren. De open source-voorwaarden zijn dan dus niet van toepassing op het geheel. Maar de broncode van de originele, onder de LGPL vallende, software moet wel worden bijgeleverd en reverse engineering en het maken van bewerkingen van het geheel om fouten te verbeteren, moeten in de nieuwe licentie worden toegestaan.

De GPL is een overeenkomst onder ontbindende voorwaarden. Als de voorwaarden worden geschonden, wordt de licentie automatisch ingetrokken. Het gevolg is dat wie zich niet aan de open source-voorwaarden houdt en de software toch distribueert auteursrechtinbreuk pleegt. De toestemming voor gebruik vervalt dan immers. Het paradoxale resultaat is dat het auteursrecht wordt ingezet juist om te verzekeren dat niemand (op de traditionele wijze) intellectuele eigendomsrechten kan uitoefenen over de verschillende versies van de software en om die zo voor het publieke domein te behouden. Ondertussen heeft de GPL de status van modelovereenkomst verkregen en wordt ook veel niet direct aan het GNU-project gerelateerde software, zoals Linux, onder de licentie verspreid.

De Netscape open source-licentie lijkt erg op de GPL.[22]  Zij vereist dat de broncode wordt openbaargemaakt van veranderingen die aan de in eerste instantie door Netscape vrijgegeven code worden aangebracht, evenals die van aparte toevoegingen waarin een deel van de originele code is overgenomen. Dergelijke bewerkingen mogen alleen onder dezelfde licentie worden verspreid. Het belangrijkste verschil met de GPL is dat de Netscape-licentie niet beoogt om ook van toepassing te zijn op onafhankelijk ontwikkelde software die in hetzelfde pakket wordt verspreid.

De FreeBSD[23] - en Apache[24] - open source-licenties worden zo genoemd, maar verdienen de benaming eigenlijk niet. Ook onder deze licenties kan iedereen met de originele versies doen wat hij maar wil. Maar de broncode van bewerkingen behoeft niet openbaar te worden gemaakt. Een ander verschil tussen de GPL en de genoemde licenties is dat de eerste poogt programma's definitief voor het publieke domein te behouden, terwijl de Apache- en FreeBSD-licenties dat niet doen. Het auteursrecht kent de bewerker van een werk een eigen recht toe, naast dat van de maker van het origineel.[25]  Wie een bewerkt werk wil gebruiken heeft toestemming van beiden nodig. In de FreeBSD- en Apache-licenties beloven de makers van het origineel om hun rechten niet uit te oefenen, maar zij staan toe dat een bewerker zijn rechten wel 'traditioneel' uitoefent en zich zo de software 'toe-eigent'. Dit maakt het mogelijk dat er commerciële 'gesloten' versies van bijvoorbeeld BSD-Unix op de markt zijn die zijn gebaseerd op vrije 'open' versies.

Sun ontwikkelt software in een gemengd systeem dat Community Source is gedoopt.[26]  De Sun Community Source License (SCSL) onderscheidt drie vormen van gebruik. Ten eerste gebruik ten behoeve van onderzoek en het maken van verbeteringen en om te bezien of het de moeite waard is het programma te installeren. Dit gebruik is gratis. De tweede variant betreft intern gebruik binnen een organisatie of bedrijf. Ook hiervoor hoeft niet te worden betaald. Het belangrijkste verschil met de onderzoekslicentie is dat bewerkingen (óók intern) alleen mogen worden gebruikt als die voldoen aan de compatibiliteitvereisten van Sun. De programmatuur mag, in de derde variant, alleen commercieel worden uitgebaat - direct door verkoop van de software en het geven van licenties, of indirect door het verlenen van diensten - als ook nog eens door Sun en de exploitant een aparte licentie is overeengekomen. Hierover moet worden onderhandeld. Sun is voornemens om voor dit commerciële gebruik een vergoeding te bedingen. De SCSL bevat weliswaar de verplichting om de broncode van verbeteringen aan anderen ter beschikking te stellen, maar alléén aan anderen die ook met Sun een overeenkomst zijn aangegaan en uiteraard aan Sun zelf. Binnen de 'gemeenschap' is de broncode dus openbaar, er buiten niet. De ware open source-gelovigen zijn voornemens deze ontwikkeling in de kiem te smoren en hebben inmiddels verschillende projecten opgestart die de bedoeling hebben om de technologie die onder de SCSL valt, te vervangen door pure open source-software, min of meer zoals dat eerder gebeurde met Unix.[27]

Shrink wrap-licenties en kettingbedingen

Open source-licenties zouden bindend zijn, simpelweg omdat ze met het programma verspreid worden. Dikwijls gebeurt dit door een 'license.txt' of 'legal.txt' bestand mee te 'ritsen' in de gecomprimeerde file waarin het programma in objectcode wordt verspreid. Een andere variant is om bij het installeren van de software een licentie op het beeldscherm te laten verschijnen. Als het programma als leesbare broncode wordt verspreid, is het gangbaar dat de open source-licentie vereist om dezelfde licentie prominent op te nemen of af te drukken in verdere distributies van het werk of van bewerkingen. 

Van onderhandelingen is geen sprake, de gebruiker is niet verplicht de tekst te bekijken en er wordt al helemaal niets ondertekend. Kan er dan naar Nederlands recht sprake zijn van een door beide partijen aanvaarde en een bindende overeenkomst? Een vergelijkbaar probleem is eerder besproken in verband met de zogenaamde shrink wrap-licenties die bij veel software- en multimediaproducten zitten.[28]  Deze zouden worden aanvaard met het openmaken van de verpakking. Een variant hierop is de mouse click-licentie die een gebruiker zou binden als hij op de virtuele knop met 'accept' drukt. Aangenomen wordt dat dergelijke licenties moeten worden gezien als algemene voorwaarden in de zin van het BW en gelding tussen de partijen kunnen hebben, ook al heeft de wederpartij de voorwaarden nooit gezien, als hij maar de mogelijkheid had om die in te zien en ze op één of andere manier heeft aanvaard. Maar ook als het niet zou gaan om algemene voorwaarden, bijvoorbeeld omdat een auteursrechtelijke toestemming als de kern van de prestatie van de licentiegever moet worden beschouwd[29] , kunnen de open source-licenties de partijen binden. Zolang de bijgevoegde voorwaarden de licentienemer niet kunnen ontgaan voordat hij de software gebruikt, kunnen zij worden gezien als een aanbod. Gebruik van de software kan dan wellicht als aanvaarding daarvan worden beschouwd die is uitgedrukt door een gedraging.[30]

Als iemand een wettelijk exclusief aan de rechthebbende voorbehouden handeling verricht waarvoor hij geen toestemming heeft, pleegt hij een auteursrechtinbreuk. Het doorbreken van een open source-ketting behoeft daarom niet rampzalig te zijn, zoals dat bij gebruikelijke kettingbedingen wel het geval kan zijn. Een distributeur die verzuimt de licentie bij te voegen en zo de ketting verbreekt kan simpelweg aangepakt worden op basis van het auteursrecht; er mag immers alleen gedistribueerd worden onder de open source-voorwaarden. Ook opvolgende verwervers (derden) kunnen op basis van het auteursrecht worden afgestopt. Of zij wel of niet aan de open source-licentievoorwaarden gebonden zijn maakt daarom niet uit. Tegen de eerste verspreider kan daarbij nog een actie wegens wanprestatie worden ingesteld.

In veel gevallen zal een opvolgende verwerver vermoedelijk geen beroep op de derdenbescherming van het BW kunnen doen. Of de overdracht van de drager waarop een programma staat, bijvoorbeeld een CD-rom, rechtsgeldig is, zal op grond van artikel 3:86 BW moeten worden beoordeeld. Maar van belang is juist of de derde aan de meegeleverde licentie bevoegdheden kan ontlenen. Vermoedelijk moet op basis van artikel 3:88 BW worden beoordeeld of rechten kunnen worden ontleend aan een onbevoegd gegeven licentie.[31]  Deze bepaling regelt de bescherming bij overdracht van een recht op naam of van goederen waarop artikel 3:86 BW niet van toepassing is. Welke bepaling echter ook geldt, wegens de vereiste goede trouw - als de verwerver een goede reden had tot twijfel kan hij niet te goeder trouw zijn (zie artikel 3:11 BW) - kan de derde waarschijnlijk in veel gevallen geen beroep doen op derdenbescherming. Ongeautoriseerd gebruik van een programma is nauwelijks een probleem voor de open source-doelstellingen. Maar verspreiding van een bewerking zonder broncode zou de open source-gedachte wel ondermijnen en juist van wie in staat is software te bewerken, mag worden verwacht dat hij in de gaten heeft wanneer een (bekend) open source-product hem zonder de bijbehorende licentie heeft bereikt. 

In beginsel kan via de rechter worden afgedwongen dat de betreffende distributie wordt gestaakt of dat alsnog de broncode wordt bijgevoegd. Verder moet hier worden vermeld dat voor zover bekend nog nooit een zaak is aangespannen tegen iemand die een open source-ketting verbrak of zich de software 'toe-eigende' waar de licentie dat niet toestond. Wel zijn er enkele gevallen geweest waarin iemand de naam van onder de GPL verspreide software veranderde, zich voordeed als rechthebbende en zich liet betalen voor gebruik. Deze zaken zijn echter steeds geschikt voordat een rechter zich ermee kon bemoeien.

Copyright vs. copyleft

Niet alleen bebaarde idealisten en obstinate hackers investeren (tijd) in de ontwikkeling van open source-software, maar ook winstnajagende beursgenoteerde ondernemingen, zélfs als zij geen rechten kunnen laten gelden op het resultaat van die investeringen. Dit is opmerkelijk voor wie de gangbare socio-economische verklaring voor het auteursrecht kent.[32]  Die stelt namelijk dat auteursrechtelijke bescherming nodig is om mensen tot creëren aan te sporen. Als makers niet op basis van hun exclusieve recht anderen van commerciële exploitatie zouden kunnen uitsluiten, zou iedereen kunnen 'free-riden' op hun inspanningen. Het gevolg zou zijn dat niemand tijd en geld zou investeren in de ontwikkeling van informatieproducten, omdat daaraan niets verdiend zou kunnen worden. Deze redenering wordt vaak allegorisch geïllustreerd met het voorbeeld van de tragedy of the commons. Als een stuk land aan een groep mensen in gezamenlijk eigendom wordt gegeven, zou niemand geneigd zijn om er in te investeren, bijvoorbeeld door het te bemesten, omdat de mede-eigenaren niet van het uitbaten van de eigen inspanningen kunnen worden uitgesloten. Iedereen zou geneigd zijn om zo snel mogelijk zo veel mogelijk uit het land te halen, waardoor een verdorde vlakte overblijft. Deze tragedie zou kunnen worden vermeden door aan ieder van de leden van de groep een deel van het land in eigendom te geven. Voor het hen toegewezen stuk zullen ze goed zorgen, want ze weten dat ze, omdat zij anderen van gebruik kunnen uitsluiten, van hun toewijding zelf de vruchten zullen plukken. Kortom, men is niet bereid te investeren in zaken waarover men niet als eigenaar kan beschikken.

Het succes van sommige open source-projecten lijkt deze visie te ondergraven. Niemand kan (en wil) anderen van gebruik uitsluiten en toch wordt vernieuwende, kwalitatief goede en veelgebruikte software tot stand gebracht en steken individuen en bedrijven tijd en geld in de ontwikkeling van de software. Maar hoe is het mogelijk dat zo velen tijd en geld steken in de ontwikkeling van de programma's zonder dat zij daarvoor een financiële beloning hebben te verwachten? De reden dat sommige firma's in de software investeren is hierboven aangegeven; zij hanteren business models waarin de inkomsten niet afhankelijk zijn van de verkoop en het in licentie geven van het product. Sommige programmeurs worden door deze bedrijven betaald en werken dus niet onbezoldigd aan de software, maar het leeuwendeel van de bijdragen wordt geleverd zonder dat daartegenover een directe financiële vergoeding staat. 

Eén verklaring daarvoor kan zijn dat veel van de code door universiteitsmedewerkers en studenten wordt geschreven, door informatici dus die niet (ook niet indirect) van de inkomsten uit licenties afhankelijk zijn. Een andere verklaring kan zijn dat de bijdragen van programmeurs vaak met naam en toenaam gepubliceerd worden - bijvoorbeeld in een 'readme.txt' file die meestal meegedistribueerd wordt.[33]  Wie een belangrijke en succesvolle bijdrage heeft geleverd verwerft aanzien onder zijn vakbroeders. Op zichzelf zou dit al voldoende motivatie kunnen opleveren. Maar ook buiten het hacker-wereldje kan het van belang zijn dat een programmeur zich heeft bewezen als een innovatief informaticus; als gevolg daarvan kan hij immers aantrekkelijker worden voor potentiële werkgevers. Zo is er toch een - indirecte - financiële stimulans.[34]  Tot slot is het mogelijk dat het succes van de open source-beweging aantoont dat de mens zich niet (altijd) als een door egoïsme gedreven homo economicus gedraagt die zijn neus ophaalt voor de productie van publieke goederen, omdat daarmee geen geld is te verdienen doordat anderen niet van gebruik kunnen worden uitgesloten. Sommigen menen dat naast of in plaats van eigen winst, de bevrediging van het bijdragen aan de vooruitgang van de groep een drijfveer kan zijn.[35]

Sociologen verwonderen zich eveneens over het feit dat zonder een hiërarchische en strakke leiding toch een min of meer geordende en efficiënte ontwikkeling wordt bewerkstelligd. Met name over de ontwikkeling van Linux verbaast men zich. Volgens Raymond heeft de 'economie van de reputatie' mede tot gevolg dat juist die projecten ter hand worden genomen die functionele gaten vullen.[36]  Hij meent dat er weinig eer valt te behalen aan het opstarten van een project dat zou concurreren met een reeds succesvol open source-project en ook een project beginnen dat al te ver van bestaande programma's afligt, zal niet de nodige aandacht trekken, omdat er geen gemeenschap is die het zal kunnen waarderen. Zo wordt als het ware vanzelf bewerkstelligd dat de meeste uren gestoken worden in die programma's waaraan, gegeven de stand van de techniek, de grootste behoefte bestaat. Min of meer zoals volgens de neoklassieke economische theorie de marktwerking ervoor zorgt dat juist die producten geproduceerd worden waarnaar een vraag bestaat. 

Ook van Raymond is het idee dat open source-projecten - dus niet de software op zichzelf -wel degelijk een 'eigenaar' hebben, en wel degene die publicaties van verbeterde versies het predikaat 'officieel' kan meegeven. Vaak is er een 'comité' dat deze rol vervult. De op sociale conventies berustende 'rechten' van deze 'eigenaar' zijn beter te vergelijken met het persoonlijkheidsrecht van het droit de divulgation dan met de auteursrechtelijke exploitatierechten. Zo'n 'eigenaar' zal immers niet verbieden het programma te gebruiken, aan te passen of te distribueren, maar bepaalt slechts wanneer een nieuwe 'officiële' versie wordt openbaar gemaakt. Verbeteringen en bijdragen worden aan hem ter beoordeling voorgelegd en hij beoordeelt vervolgens of ze het waard zijn om in de volgende officiële uitgave te worden opgenomen (van Linux werden in de vroege fase vaak meerdere 'officiële' versies per dag uitgegeven, de nummering moest verwarring voorkomen). Gebruikers en ontwikkelaars kunnen de laatste 'stabiel' verklaarde versie gebruiken, of een nieuwere en geavanceerdere, waarin echter nog fouten (bugs) kunnen zitten. Het is ongebruikelijk dat zonder ruggespraak van deze eigenaren onafhankelijke en incompatibele versies van programma's worden verspreid, al komt het wel voor. Maar wie een incompatibele afgesplitste 'tak' van een programma 'plant' - dit wordt forking genoemd - krijgt de toorn van de congregatie over zich heen.

Slot

Het succes van open source-software toont aan dat het niet in alle gevallen noodzakelijk is om software door middel van een intellectueel eigendomsrecht te beschermen om daarmee de creatie van nieuwe softwareproducten te stimuleren.[37]  Ook zonder dat auteursrechtelijke bescherming op de traditionele wijze wordt gebruikt, kunnen maatschappelijk waardevolle informatieproducten tot stand worden gebracht. Sommige schrijvers gaan verder en menen dat juist zonder auteursrecht kwalitatief goede software geproduceerd zal worden. Zij betogen dat, wanneer alleen de rechthebbende toegang tot de broncode heeft en het aan anderen, als zij al over de broncode zouden beschikken, wettelijk of contractueel niet is toegestaan om wijzigingen in de software aan te brengen en gewijzigde versies te publiceren, de techniek langzamer voortschrijdt dan wanneer de broncode wel openbaar is en gebruik wordt gemaakt van de gezamenlijke kennis en creativiteit die in de gemeenschap aanwezig is.[38]

Een nadeel verbonden aan het afschaffen van het auteursrecht kan zijn dat er in de software-industrie geen emplooi meer zou zijn voor professionele informatici. Veel programmeurs die nu in hun vrije tijd aan open source-projecten bijdragen zijn in dienst van commerciële software-ontwikkelaars. Als die bedrijven door de open source-beweging zouden worden verdrongen, zou een belangrijke inkomstenbron voor informatici wegvallen. Wellicht zouden dan voornamelijk hobbyisten overblijven en zou de kwaliteit achteruitgaan. Noodzakelijk is dit echter niet. Programmeurs zouden hun geld kunnen verdienen in de dienstverlening, bij bedrijven als Red Hat of andere alternatieve business models hanterende ondernemingen. Ook zou op universiteiten nog altijd op hoog niveau aan onderzoek en ontwikkeling kunnen worden gedaan. Die zou dan (indirect) door de overheid worden gefinancierd. 

Overigens komt een aantal van de huidige open source-programma's, zoals de BSD-Unix-versies, voort uit een dergelijke systeem. Vanaf de jaren veertig werd in de Verenigde Staten veel computeronderzoek gefinancierd door het Ministerie van Defensie waarvan het resultaat vervolgens onder een open source-licentie werd verspreid - veel van de technologie die nu het internet draaiend houdt is zo tot stand gebracht. In de jaren tachtig trok de overheid zich echter terug. Verschillende commentatoren menen dat zij zich weer actief moet gaan bezighouden met de financiering van software en de resultaten daarvan als vanouds het publieke domein in moet pompen.[39]  Sommige rechtseconomen betogen in meer algemene zin dat overheidsfinanciering van informatieproducten economisch efficiënter is dan toekenning van een intellectueel eigendomsrecht. Een dergelijk systeem zou zekerstellen dat makers betaald krijgen voor hun creatieve inspanningen en er aldus voor zorgen dat zij een reden hebben om die te verrichten - vanuit economisch perspectief is dat de belangrijkste reden voor het bestaan van het auteursrecht - maar tegelijkertijd zouden de nadelen verbonden aan toekenning van het auteursrechtelijk monopolie worden vermeden.[40]

De open source-fundamentalist meent dat alle software in broncode beschikbaar moet zijn. Men kan zich in dit verband afvragen of de Auteurswet niet op zichzelf al, in ruil voor bescherming, tot vrijgave van de broncode zou moeten verplichten - min of meer zoals openbaarmaking (deponeren in een openbaar bestand) van een uitvinding een voorwaarde is voor octrooiverlening. Uitgangspunt in het octrooirecht is dat de maatschappij beter af is als een tijdelijk monopolie wordt verleend, maar uitvinders tegelijkertijd worden gedwongen hun uitvindingen openbaar te maken. Anderen kunnen daar dan van leren. Zonder de beloning in de vorm van exclusief recht zou men sneller geneigd zijn om (te proberen) de uitvinding geheim te houden. De auteursrechthebbende kan echter van twee walletjes eten. Doordat de broncode geheim is, kunnen anderen niet van zijn ervaringen gebruik maken en daarop voortbouwen. Daarbovenop komt de auteursrechtelijke bescherming die het uitbrengen van al te zeer gelijkende programma's toch al verbiedt (en dit voor de duur van minstens zeventig jaar in plaats van twintig, zoals in het octrooirecht).[41]  In artikel 45m Aw wordt weliswaar gesteld dat het maken van de reproductie die het gevolg is van het decompileren van de objectcode onder bepaalde stringente voorwaarden is toegestaan. Maar decompilatie is vaak een tijdrovende en dure bezigheid en bovendien niet altijd mogelijk. 

De meest radicale copyleft-activisten zien in het succes van open source-software het voorspel van een wereld waarin ten aanzien van geen enkel type werk nog auteursrechten worden uitgeoefend. Volgens Moglen zal het bijvoorbeeld niet lang meer duren of vrijwilligers zullen voor een betere nieuwsvoorziening zorgen dan de networks. Welk nieuwsnetwerk zou immers zo alomvattend kunnen zijn als de internetgemeenschap? Nu al hebben internetnieuwsdiensten en nieuwsgroepen vaak de primeur van een bepaald nieuwsfeit. Inmiddels is er een GNU Free Documentation License, opgesteld in de geest van de GPL, die is bedoeld om teksten, met name softwaregebruiksaanwijzingen, voor het publieke domein te behouden.[42]  Maar ook waar het muziek betreft ziet Moglen met enige voldoening de invloed tanen van het grootkapitaal en de oude exploitatiemodellen. Op verschillende internetsites geven artiesten zonder platencontract hun muziek al gratis weg.[43]  Dit is een manier om reclame te maken en optredens binnen te halen, waar weer wel voor moet worden betaald. Enigszins vergelijkbaar met de business models van bedrijven die in open source-software investeren, worden zo vooral inkomsten gegenereerd met complementaire diensten (de optredens). Als geen vergoeding meer wordt verkregen voor het verspreiden van muziek, zou dat daarom niet hoeven leiden tot een wereld waarin geen muziek meer wordt gemaakt of verspreid. Al zouden vooral platenmaatschappijen een belangrijke inkomstenbron verliezen wanneer met muziekopnamen geen geld meer zou worden verdiend, muzikanten zouden nog steeds een financiële reden hebben om muziek te maken, die op te nemen en die opnamen (gratis) te distribueren.[44]

Ageren tegen het auteursrecht is in de mode.[45]  De wellicht wat al te inhalige informatie-industrie die er door agressief te lobbyen in is geslaagd om regelgevers ervan te overtuigen dat een extensieve uitbreiding van haar rechten noodzakelijk is, heeft haar sympathie kennelijk verspeeld. Of we echter inderdaad in een betere wereld zullen leven wanneer we van het auteursrecht zijn bevrijd valt nog te bezien. Ook aan een door de overheid gefinancierde informatievoorziening kleven bijvoorbeeld nadelen. Te denken valt aan het gevaar van censuur; door wel of geen geld te geven kan de overheid bepalen welke informatieproducten uiteindelijk worden geproduceerd.[46]  Sommigen zien in het auteursrecht dan ook een belangrijke democratische kracht.[47]  Hoe het ook zij, het succes van de open source-software geeft wel degelijk te denken en laat zien dat toekenning exclusieve rechten niet altijd nodig is om kwalitatief goede, maatschappelijk nuttige en veelgebruikte informatieproducten tot stand te brengen.

 

 

[1]  A. Leonard, 'Power to the People from the Code', beschikbaar op http://www.salon.com/tech/fsp/2000/05/16/chapter_2_part_one/index.html. Return to Text

[2]  Zie http://www.bsdi.com. Return to Text

[3]  Zie http://www.freebsd.org, http://openbsd.org en http://www.netbsd.org. Return to Text

[4]  Zie voor een geschiedenis van BSD-Unix J.K. Hubbard, 'The BSD FAQ', beschikbaar op http://www.self-evident.com/uuie/ch28.htm. Return to Text

[5]  GNU, spreek uit 'gnoe', staat voor het recursieve acroniem 'GNU's not UNIX'. Zie http://www.gnu.org. Zie voor een geschiedenis van de copyleft-beweging D.K. Rosenberg, 'Copyleft and the Religious Wars of the 21st Century' (1998), beschikbaar op http://stromian.com/copyleft.htm. Return to Text

[6]  Zie Bernstein v. United States, US Court of Appeals (9th Cir.) 6 mei 1999, Mediaforum 1999-10, nr. 47 m.nt. L.F. Asscher, beschikbaar op http://www.ivir.nl/publicaties/asscher/LFA-noot-Bernstein-DOJ.html. Het Hof oordeelde dat software in de vorm van broncode ideeën uitdrukt en daarom onder het First Amendment kan vallen. In Junger v. Daley et al., US Court of Appeals (6th Cir.), 17 december 1999, werd een vergelijkbaar oordeel geveld. De Junger-uitspraak is beschikbaar op http://pacer.ca6.uscourts.gov/cgi-bin/getopn.pl?OPINION=00a0117p.06. Dat broncode beschermde 'speech' is wil echter niet zeggen dat er een absoluut recht op toegang tot de code bestaat. Het belangrijkste gevolg van de vonnissen is dat beperkingen van overheidswege van de informatievrijheid met betrekking tot broncode aan de nodige voorwaarden moeten voldoen. Return to Text

[7]  Zie hierover E. Moglen, 'Anarchism Triumphant: Free Software and the Death of Copyright' (1999), beschikbaar op http://emoglen.law.columbia.edu/my_pubs/anarchism.html. Return to Text

[8]  Zie voor een lijst met Linux compatibele applicaties http://www.linuxlinks.com/Software. Return to Text

[9]  Zie http://www.apache.org. Return to Text

[10]  Zie http://www2.sendmail.com. Return to Text

[11]  Working Group on Libre Software, 'Free Software/Open Source: Information Society Opportunities for Europe?', versie 1.1b van maart 2000, beschikbaar op http://eu.conecta.it/paper. Zie ook de in het wereldje befaamde 'Halloween Documents'. Dit zijn uitgelekte Microsoft memo's waaruit blijkt dat de softwaregigant zich bewust is van de commerciële potentie van het fenomeen. Beschikbaar op http://www.opensource.org/halloween. Return to Text

[12]  Zie http://www.mozilla.org. Return to Text

[13]  Zie http://www10.software.ibm.com/developerworks/opensource. Return to Text

[14]  Zie http://www.sun.com/software/communitysource. R