| Broncode
Zoals uit de benaming ervan
al blijkt, speelt de verplichting om de broncode (source
code) openbaar te maken een belangrijke rol in veel open
source-licenties. Een computer 'denkt' binair - in nullen en
enen. De reguliere eindgebruiker behoeft slechts een exemplaar
dat in deze binaire, voor mensen onbegrijpelijke, 'objectcode'
is uitgedrukt. Hij heeft dan toegang tot de functies van de
software en kan die gebruiken. Programma's worden echter
geschreven in symbolische programmeertalen, voordat ze door
middel van een compiler - een soort vertaalmachine - in
objectcode worden omgezet. Een uitdrukking van een programma
in deze voor mensen hanteerbare vorm wordt de broncode
genoemd. Om gemakkelijk toegang tot de ideeën en werking van
een programma te verkrijgen, en om het verder te kunnen
ontwikkelen moet men over de broncode beschikken. Eén van de
belangrijkste doelstellingen van de open source-beweging is te
verzekeren dat iedereen die zich daartoe geroepen voelt kan
bijdragen aan de ontwikkeling van software.
Geschiedenis
De historie van de open
source-beweging is nauw verweven met die van het
Unix-besturingssyteem. In den beginne werd software meestal
gratis bij de computer geleverd, die immers waardeloos was
zonder programmatuur. De broncode werd geregeld bijgevoegd.
Later moest er voor worden betaald en werd de broncode niet
meer meegeleverd. Ook met Unix was dit het geval. Aan de
Universiteit van Berkeley werden vanaf de jaren zeventig, toen
de broncode nog beschikbaar was, verschillende toevoegingen en
verbeteringen voor Unix ontwikkeld die tegen een kleine
vergoeding onder een BSD-licentie werden verspreid onder
degenen die reeds een Unix-licentie hadden verworven (BSD
staat voor Berkeley Software Distribution). Eind jaren
tachtig had de Universiteit zoveel aan Unix veranderd dat nog
slechts zo'n vijf procent van het originele programma over
was. Verschillende groepen en organisaties zetten zich toen in
om ook de laatste onderdelen van het programma, dat inmiddels
bijzonder prijzig was geworden, te herschrijven, zodat een
compleet vrij te distribueren en te modificeren
besturingssysteem zou bestaan.[1]
AT&T, die de rechten op Unix bezat, probeerde deze
ontwikkeling te frustreren en spande een rechtszaak aan, maar
diens rechtsopvolger Novell besloot de zaak te schikken.
Momenteel bestaan er verschillende versies van BSD-Unix,
waarvan sommige commercieel worden uitgebaat[2]
en andere gratis en met broncode worden gedistribueerd[3]
.[4]
Ook het GNU-project, één van
de meest extreme open source-projecten, werd geïnitieerd om
tot een met Unix (applicaties) compatibel 'vrij'
besturingssysteem te komen.[5]
Het werd begin jaren tachtig opgezet door de inmiddels tot
goeroe verworden Richard Stallman. Hij richtte daartoe de
Free Software Foundation op. De door hem ontwikkelde
software speelt geen grote rol meer, maar zijn ideeën zijn nog
steeds invloedrijk. De idealist Stallman meent dat er een
fundamenteel recht bestaat op toegang tot de broncode van een
softwareproduct en op de verdere verspreiding ervan, een
opvatting die opmerkelijk genoeg in enige mate steun vindt bij
Amerikaanse rechters.[6]
De vervolmaking van het GNU-project begon begin jaren negentig
toen de Finse student Linus Torvalds de ontwikkeling van het
roemruchte Linux-besturingssysteem ter hand nam. Hij ontwierp
het zodanig dat het compatibel was met inmiddels in het
GNU-project tot stand gekomen componenten en distribueerde het
onder een open source-licentie. Duizenden programmeurs
verspreid over de hele wereld ontwikkelden en testten het
systeem vervolgens verder, een proces dat nog steeds aan de
gang is. Momenteel is Linux in sommige deelmarkten een
serieuze concurrent voor Microsoft en wordt het met name door
gebruikers die over enige programmeervaardigheden beschikken
geprefereerd boven Windows-besturingsystemen, omdat het
sneller en stabieler is.[7]
Naast besturingssystemen als
BSD-Unix en Linux die het hart van de software op een computer
vormen, zijn ook vele applicaties onder een open
source-licentie verkrijgbaar, bijvoorbeeld tekstverwerkers en
spellen.[8]
Bekende voorbeelden van veel gebruikte op basis van de open
source-gedachte ontwikkelde programma's zijn Apache[9]
, dat op vijftig procent van de Web-servers draait, en
sendmail[10] , dat
een groot deel van het e-mailverkeer afhandelt.
Commerciële projecten
Het succes van Linux en
andere in een open source-omgeving ontwikkelde programma's
heeft de software-industrie wakker geschud.[11]
Zo besloot Netscape, die inmiddels een groot aandeel van de
browser-markt aan Mircosofts Internet Explorer had moeten
inleveren, in 1998 om de broncode van de browser te publiceren
en zo met hernieuwde kracht de concurrentie aan te gaan.
Versie 6 van de Netscape-browser die nu in een testversie (beta)
beschikbaar is, is ontwikkeld onder een open source-licentie
en met behulp van vele gratis meewerkende programmeurs en
testers.[12]
Andere bedrijven als IBM[13]
, Sun[14] en
Intel[15]
experimenteren eveneens met de ontwikkeling van software op
basis van open source-licenties.
Zoals wellicht verwacht kan
worden van initiatieven van commerciële spelers, voldoen niet
alle gehanteerde licenties even zeer aan de copyleft-idealen.
Hieronder zal bijvoorbeeld blijken dat Sun toch geld wil
verdienen met de commerciële exploitatie van de software.
Netscape en sommige andere bedrijven zijn dit echter niet van
plan. Dit werpt de vraag op naar de drijfveren van deze niet
door idealisme gedreven entiteiten om toch voor een open
source-benadering te kiezen. Weliswaar genieten zij het
voordeel dat vele programmeurs gratis aan de ontwikkeling
bijdragen, maar iedereen kan de software voor niets gebruiken,
verder ontwikkelen en zelfs aan het publiek ter beschikking
stellen. Voor Netscape was vrijgave van broncode vermoedelijk
een laatste wanhoopspoging. De browser van de concurrent was
inmiddels verder ontwikkeld en wint steeds meer terrein.
Bovendien verdient Netscape zijn geld niet zozeer door verkoop
van de browser - die al jaren gratis werd verspreid - als wel
door de verkoop van complementaire producten, zoals
server-software. Een in grote lijnen vergelijkbare strategie
wordt gevolgd door firma's als O'Reilly & Associates[16]
, VA Research[17]
en Red Hat[18] . Ook
zij investeren in de software maar verdienen geld met
aanvullende producten en diensten. De eerste publiceert
handboeken met betrekking tot bepaalde open source-software en
neemt programmeurs in dienst om die verder te ontwikkelen,
zodat er een vraag naar de boeken blijft bestaan. De tweede
verkoopt computers waarop Linux is geïnstalleerd. Investeren
in de verbetering van Linux heeft tot gevolg dat meer hardware
wordt verkocht. Red Hat levert Linux-pakketten en genereert
vooral inkomen door onderhoudsdiensten en consultancy te
leveren. Net als VA Research heeft Red Hat er belang bij dat
Linux verder wordt ontwikkeld en steekt daar geld in.
Voorwaarden
Het GNU-project hanteert de
GNU General Public License (afgekort als GPL), nog
altijd één van de meest extreme open source-licenties.[19]
In tegenstelling tot de meeste commerciële softwarelicenties,
staat de GPL toe om het werk onbeperkt te kopiëren, te
gebruiken, te bewerken en te distribueren. Maar deze
handelingen mogen alleen worden verricht als wordt voldaan aan
de open source-voorwaarden. Die voorwaarden hebben vooral
betrekking op verdere verspreiding. Het werk of een bewerking
ervan mag alleen worden gedistribueerd onder dezelfde open
source-licentie en er mag geen vergoeding worden bedongen als
tegenprestatie voor het geven van toestemming voor gebruik van
het origineel of van een bewerkte versie. Wel wordt toegestaan
dat een vergoeding wordt gevraagd in ruil voor het leveren van
(een exemplaar van) het programma of voor het geven van
garanties. Verder moet, om het doorontwikkelen van de software
te faciliteren, bij een verspreide bewerking worden aangegeven
wat aan het programma is veranderd en als het programma in
objectcode wordt gedistribueerd, moet een schriftelijk aanbod
worden gedaan om gratis of tegen de verzendkosten de complete
broncode te leveren.
Onder de GPL gedistribueerde
software mag worden geïncorporeerd in een nieuw product, maar
dan dient dat nieuwe product wel onder dezelfde voorwaarden te
worden verspreid. Het gehele product zal dus onder de GPL
vallen. Als echter van het oorspronkelijke programma
onafhankelijke en scheidbare onderdelen zijn ontwikkeld,
vallen die niet onder de voorwaarden, maar wanneer die
onderdelen worden verspreid in een pakket waarin zij werken in
combinatie met het oorspronkelijke programma, verklaart de GPL
zich van toepassing op het geheel.[20]
Deze voorwaarde kan commerciële exploitanten ervan weerhouden
om onder de GPL verspreide componenten in hun producten te
gebruiken; zij worden er immers toe gedwongen om zelfstandig
ontwikkelde software onder de open source-voorwaarden uit te
geven. Als zij dat niet doen, lopen ze de kans aansprakelijk
te zijn voor auteursrechtinbreuk, doordat zij de open
source-software gebruiken zonder aan de licentie te voldoen.
Wie het aantrekkelijker wil
maken om zijn werk te gebruiken in combinatie met een
commercieel product, kan de GNU Lesser General Public
License (LGPL) gebruiken.[21]
De bepalingen daarvan met betrekking tot gebruik, kopiëren en
het maken en verspreiden van bewerkingen zijn vergelijkbaar
met die van de GPL. Het verschil is dat de LGPL onder bepaalde
omstandigheden toestaat om een nieuw programma waarin het
origineel is opgenomen, onder een eigen, stringentere
commerciële licentie te exploiteren. De open
source-voorwaarden zijn dan dus niet van toepassing op het
geheel. Maar de broncode van de originele, onder de LGPL
vallende, software moet wel worden bijgeleverd en reverse
engineering en het maken van bewerkingen van het geheel om
fouten te verbeteren, moeten in de nieuwe licentie worden
toegestaan.
De GPL is een overeenkomst
onder ontbindende voorwaarden. Als de voorwaarden worden
geschonden, wordt de licentie automatisch ingetrokken. Het
gevolg is dat wie zich niet aan de open source-voorwaarden
houdt en de software toch distribueert auteursrechtinbreuk
pleegt. De toestemming voor gebruik vervalt dan immers. Het
paradoxale resultaat is dat het auteursrecht wordt ingezet
juist om te verzekeren dat niemand (op de traditionele wijze)
intellectuele eigendomsrechten kan uitoefenen over de
verschillende versies van de software en om die zo voor het
publieke domein te behouden. Ondertussen heeft de GPL de
status van modelovereenkomst verkregen en wordt ook veel niet
direct aan het GNU-project gerelateerde software, zoals Linux,
onder de licentie verspreid.
De Netscape open
source-licentie lijkt erg op de GPL.[22]
Zij vereist dat de broncode wordt openbaargemaakt van
veranderingen die aan de in eerste instantie door Netscape
vrijgegeven code worden aangebracht, evenals die van aparte
toevoegingen waarin een deel van de originele code is
overgenomen. Dergelijke bewerkingen mogen alleen onder
dezelfde licentie worden verspreid. Het belangrijkste verschil
met de GPL is dat de Netscape-licentie niet beoogt om ook van
toepassing te zijn op onafhankelijk ontwikkelde software die
in hetzelfde pakket wordt verspreid.
De FreeBSD[23]
- en Apache[24] -
open source-licenties worden zo genoemd, maar verdienen de
benaming eigenlijk niet. Ook onder deze licenties kan iedereen
met de originele versies doen wat hij maar wil. Maar de
broncode van bewerkingen behoeft niet openbaar te worden
gemaakt. Een ander verschil tussen de GPL en de genoemde
licenties is dat de eerste poogt programma's definitief voor
het publieke domein te behouden, terwijl de Apache- en
FreeBSD-licenties dat niet doen. Het auteursrecht kent de
bewerker van een werk een eigen recht toe, naast dat van de
maker van het origineel.[25]
Wie een bewerkt werk wil gebruiken heeft toestemming van
beiden nodig. In de FreeBSD- en Apache-licenties beloven de
makers van het origineel om hun rechten niet uit te oefenen,
maar zij staan toe dat een bewerker zijn rechten wel
'traditioneel' uitoefent en zich zo de software 'toe-eigent'.
Dit maakt het mogelijk dat er commerciële 'gesloten' versies
van bijvoorbeeld BSD-Unix op de markt zijn die zijn gebaseerd
op vrije 'open' versies.
Sun ontwikkelt software in
een gemengd systeem dat Community Source is gedoopt.[26]
De Sun Community Source License (SCSL) onderscheidt
drie vormen van gebruik. Ten eerste gebruik ten behoeve van
onderzoek en het maken van verbeteringen en om te bezien of
het de moeite waard is het programma te installeren. Dit
gebruik is gratis. De tweede variant betreft intern gebruik
binnen een organisatie of bedrijf. Ook hiervoor hoeft niet te
worden betaald. Het belangrijkste verschil met de
onderzoekslicentie is dat bewerkingen (óók intern) alleen
mogen worden gebruikt als die voldoen aan de
compatibiliteitvereisten van Sun. De programmatuur mag, in de
derde variant, alleen commercieel worden uitgebaat - direct
door verkoop van de software en het geven van licenties, of
indirect door het verlenen van diensten - als ook nog eens
door Sun en de exploitant een aparte licentie is
overeengekomen. Hierover moet worden onderhandeld. Sun is
voornemens om voor dit commerciële gebruik een vergoeding te
bedingen. De SCSL bevat weliswaar de verplichting om de
broncode van verbeteringen aan anderen ter beschikking te
stellen, maar alléén aan anderen die ook met Sun een
overeenkomst zijn aangegaan en uiteraard aan Sun zelf. Binnen
de 'gemeenschap' is de broncode dus openbaar, er buiten niet.
De ware open source-gelovigen zijn voornemens deze
ontwikkeling in de kiem te smoren en hebben inmiddels
verschillende projecten opgestart die de bedoeling hebben om
de technologie die onder de SCSL valt, te vervangen door pure
open source-software, min of meer zoals dat eerder gebeurde
met Unix.[27]
Shrink wrap-licenties en
kettingbedingen
Open source-licenties zouden
bindend zijn, simpelweg omdat ze met het programma verspreid
worden. Dikwijls gebeurt dit door een 'license.txt' of
'legal.txt' bestand mee te 'ritsen' in de gecomprimeerde
file waarin het programma in objectcode wordt verspreid.
Een andere variant is om bij het installeren van de software
een licentie op het beeldscherm te laten verschijnen. Als het
programma als leesbare broncode wordt verspreid, is het
gangbaar dat de open source-licentie vereist om dezelfde
licentie prominent op te nemen of af te drukken in verdere
distributies van het werk of van bewerkingen.
Van onderhandelingen is geen
sprake, de gebruiker is niet verplicht de tekst te bekijken en
er wordt al helemaal niets ondertekend. Kan er dan naar
Nederlands recht sprake zijn van een door beide partijen
aanvaarde en een bindende overeenkomst? Een vergelijkbaar
probleem is eerder besproken in verband met de zogenaamde
shrink wrap-licenties die bij veel software- en
multimediaproducten zitten.[28]
Deze zouden worden aanvaard met het openmaken van de
verpakking. Een variant hierop is de mouse click-licentie die
een gebruiker zou binden als hij op de virtuele knop met
'accept' drukt. Aangenomen wordt dat dergelijke licenties
moeten worden gezien als algemene voorwaarden in de zin van
het BW en gelding tussen de partijen kunnen hebben, ook al
heeft de wederpartij de voorwaarden nooit gezien, als hij maar
de mogelijkheid had om die in te zien en ze op één of andere
manier heeft aanvaard. Maar ook als het niet zou gaan om
algemene voorwaarden, bijvoorbeeld omdat een
auteursrechtelijke toestemming als de kern van de prestatie
van de licentiegever moet worden beschouwd[29]
, kunnen de open source-licenties de partijen binden. Zolang
de bijgevoegde voorwaarden de licentienemer niet kunnen
ontgaan voordat hij de software gebruikt, kunnen zij worden
gezien als een aanbod. Gebruik van de software kan dan
wellicht als aanvaarding daarvan worden beschouwd die is
uitgedrukt door een gedraging.[30]
Als iemand een wettelijk
exclusief aan de rechthebbende voorbehouden handeling verricht
waarvoor hij geen toestemming heeft, pleegt hij een
auteursrechtinbreuk. Het doorbreken van een open
source-ketting behoeft daarom niet rampzalig te zijn, zoals
dat bij gebruikelijke kettingbedingen wel het geval kan zijn.
Een distributeur die verzuimt de licentie bij te voegen en zo
de ketting verbreekt kan simpelweg aangepakt worden op basis
van het auteursrecht; er mag immers alleen gedistribueerd
worden onder de open source-voorwaarden. Ook opvolgende
verwervers (derden) kunnen op basis van het auteursrecht
worden afgestopt. Of zij wel of niet aan de open
source-licentievoorwaarden gebonden zijn maakt daarom niet
uit. Tegen de eerste verspreider kan daarbij nog een actie
wegens wanprestatie worden ingesteld.
In veel gevallen zal een
opvolgende verwerver vermoedelijk geen beroep op de
derdenbescherming van het BW kunnen doen. Of de overdracht van
de drager waarop een programma staat, bijvoorbeeld een CD-rom,
rechtsgeldig is, zal op grond van artikel 3:86 BW moeten
worden beoordeeld. Maar van belang is juist of de derde aan de
meegeleverde licentie bevoegdheden kan ontlenen. Vermoedelijk
moet op basis van artikel 3:88 BW worden beoordeeld of rechten
kunnen worden ontleend aan een onbevoegd gegeven licentie.[31]
Deze bepaling regelt de bescherming bij overdracht van een
recht op naam of van goederen waarop artikel 3:86 BW niet van
toepassing is. Welke bepaling echter ook geldt, wegens de
vereiste goede trouw - als de verwerver een goede reden had
tot twijfel kan hij niet te goeder trouw zijn (zie artikel
3:11 BW) - kan de derde waarschijnlijk in veel gevallen geen
beroep doen op derdenbescherming. Ongeautoriseerd gebruik van
een programma is nauwelijks een probleem voor de open
source-doelstellingen. Maar verspreiding van een bewerking
zonder broncode zou de open source-gedachte wel ondermijnen en
juist van wie in staat is software te bewerken, mag worden
verwacht dat hij in de gaten heeft wanneer een (bekend) open
source-product hem zonder de bijbehorende licentie heeft
bereikt.
In beginsel kan via de
rechter worden afgedwongen dat de betreffende distributie
wordt gestaakt of dat alsnog de broncode wordt bijgevoegd.
Verder moet hier worden vermeld dat voor zover bekend nog
nooit een zaak is aangespannen tegen iemand die een open
source-ketting verbrak of zich de software 'toe-eigende' waar
de licentie dat niet toestond. Wel zijn er enkele gevallen
geweest waarin iemand de naam van onder de GPL verspreide
software veranderde, zich voordeed als rechthebbende en zich
liet betalen voor gebruik. Deze zaken zijn echter steeds
geschikt voordat een rechter zich ermee kon bemoeien.
Copyright vs. copyleft
Niet alleen bebaarde
idealisten en obstinate hackers investeren (tijd) in de
ontwikkeling van open source-software, maar ook winstnajagende
beursgenoteerde ondernemingen, zélfs als zij geen rechten
kunnen laten gelden op het resultaat van die investeringen.
Dit is opmerkelijk voor wie de gangbare socio-economische
verklaring voor het auteursrecht kent.[32]
Die stelt namelijk dat auteursrechtelijke bescherming nodig is
om mensen tot creëren aan te sporen. Als makers niet op basis
van hun exclusieve recht anderen van commerciële exploitatie
zouden kunnen uitsluiten, zou iedereen kunnen 'free-riden' op
hun inspanningen. Het gevolg zou zijn dat niemand tijd en geld
zou investeren in de ontwikkeling van informatieproducten,
omdat daaraan niets verdiend zou kunnen worden. Deze
redenering wordt vaak allegorisch geïllustreerd met het
voorbeeld van de tragedy of the commons. Als een stuk
land aan een groep mensen in gezamenlijk eigendom wordt
gegeven, zou niemand geneigd zijn om er in te investeren,
bijvoorbeeld door het te bemesten, omdat de mede-eigenaren
niet van het uitbaten van de eigen inspanningen kunnen worden
uitgesloten. Iedereen zou geneigd zijn om zo snel mogelijk zo
veel mogelijk uit het land te halen, waardoor een verdorde
vlakte overblijft. Deze tragedie zou kunnen worden vermeden
door aan ieder van de leden van de groep een deel van het land
in eigendom te geven. Voor het hen toegewezen stuk zullen ze
goed zorgen, want ze weten dat ze, omdat zij anderen van
gebruik kunnen uitsluiten, van hun toewijding zelf de vruchten
zullen plukken. Kortom, men is niet bereid te investeren in
zaken waarover men niet als eigenaar kan beschikken.
Het succes van sommige open
source-projecten lijkt deze visie te ondergraven. Niemand kan
(en wil) anderen van gebruik uitsluiten en toch wordt
vernieuwende, kwalitatief goede en veelgebruikte software tot
stand gebracht en steken individuen en bedrijven tijd en geld
in de ontwikkeling van de software. Maar hoe is het mogelijk
dat zo velen tijd en geld steken in de ontwikkeling van de
programma's zonder dat zij daarvoor een financiële beloning
hebben te verwachten? De reden dat sommige firma's in de
software investeren is hierboven aangegeven; zij hanteren
business models waarin de inkomsten niet afhankelijk zijn
van de verkoop en het in licentie geven van het product.
Sommige programmeurs worden door deze bedrijven betaald en
werken dus niet onbezoldigd aan de software, maar het
leeuwendeel van de bijdragen wordt geleverd zonder dat
daartegenover een directe financiële vergoeding staat.
Eén verklaring daarvoor kan
zijn dat veel van de code door universiteitsmedewerkers en
studenten wordt geschreven, door informatici dus die niet (ook
niet indirect) van de inkomsten uit licenties afhankelijk
zijn. Een andere verklaring kan zijn dat de bijdragen van
programmeurs vaak met naam en toenaam gepubliceerd worden -
bijvoorbeeld in een 'readme.txt' file die meestal
meegedistribueerd wordt.[33]
Wie een belangrijke en succesvolle bijdrage heeft geleverd
verwerft aanzien onder zijn vakbroeders. Op zichzelf zou dit
al voldoende motivatie kunnen opleveren. Maar ook buiten het
hacker-wereldje kan het van belang zijn dat een
programmeur zich heeft bewezen als een innovatief
informaticus; als gevolg daarvan kan hij immers
aantrekkelijker worden voor potentiële werkgevers. Zo is er
toch een - indirecte - financiële stimulans.[34]
Tot slot is het mogelijk dat het succes van de open
source-beweging aantoont dat de mens zich niet (altijd) als
een door egoïsme gedreven homo economicus gedraagt die
zijn neus ophaalt voor de productie van publieke goederen,
omdat daarmee geen geld is te verdienen doordat anderen niet
van gebruik kunnen worden uitgesloten. Sommigen menen dat
naast of in plaats van eigen winst, de bevrediging van het
bijdragen aan de vooruitgang van de groep een drijfveer kan
zijn.[35]
Sociologen verwonderen zich
eveneens over het feit dat zonder een hiërarchische en strakke
leiding toch een min of meer geordende en efficiënte
ontwikkeling wordt bewerkstelligd. Met name over de
ontwikkeling van Linux verbaast men zich. Volgens Raymond
heeft de 'economie van de reputatie' mede tot gevolg dat juist
die projecten ter hand worden genomen die functionele gaten
vullen.[36]
Hij meent dat er weinig eer valt te behalen aan het opstarten
van een project dat zou concurreren met een reeds succesvol
open source-project en ook een project beginnen dat al te ver
van bestaande programma's afligt, zal niet de nodige aandacht
trekken, omdat er geen gemeenschap is die het zal kunnen
waarderen. Zo wordt als het ware vanzelf bewerkstelligd dat de
meeste uren gestoken worden in die programma's waaraan,
gegeven de stand van de techniek, de grootste behoefte
bestaat. Min of meer zoals volgens de neoklassieke economische
theorie de marktwerking ervoor zorgt dat juist die producten
geproduceerd worden waarnaar een vraag bestaat.
Ook van Raymond is het idee
dat open source-projecten - dus niet de software op zichzelf
-wel degelijk een 'eigenaar' hebben, en wel degene die
publicaties van verbeterde versies het predikaat 'officieel'
kan meegeven. Vaak is er een 'comité' dat deze rol vervult. De
op sociale conventies berustende 'rechten' van deze 'eigenaar'
zijn beter te vergelijken met het persoonlijkheidsrecht van
het droit de divulgation dan met de auteursrechtelijke
exploitatierechten. Zo'n 'eigenaar' zal immers niet verbieden
het programma te gebruiken, aan te passen of te distribueren,
maar bepaalt slechts wanneer een nieuwe 'officiële' versie
wordt openbaar gemaakt. Verbeteringen en bijdragen worden aan
hem ter beoordeling voorgelegd en hij beoordeelt vervolgens of
ze het waard zijn om in de volgende officiële uitgave te
worden opgenomen (van Linux werden in de vroege fase vaak
meerdere 'officiële' versies per dag uitgegeven, de nummering
moest verwarring voorkomen). Gebruikers en ontwikkelaars
kunnen de laatste 'stabiel' verklaarde versie gebruiken, of
een nieuwere en geavanceerdere, waarin echter nog fouten (bugs)
kunnen zitten. Het is ongebruikelijk dat zonder ruggespraak
van deze eigenaren onafhankelijke en incompatibele versies van
programma's worden verspreid, al komt het wel voor. Maar wie
een incompatibele afgesplitste 'tak' van een programma 'plant'
- dit wordt forking genoemd - krijgt de toorn van de
congregatie over zich heen.
Slot
Het succes van open
source-software toont aan dat het niet in alle gevallen
noodzakelijk is om software door middel van een intellectueel
eigendomsrecht te beschermen om daarmee de creatie van nieuwe
softwareproducten te stimuleren.[37]
Ook zonder dat auteursrechtelijke bescherming op de
traditionele wijze wordt gebruikt, kunnen maatschappelijk
waardevolle informatieproducten tot stand worden gebracht.
Sommige schrijvers gaan verder en menen dat juist
zonder auteursrecht kwalitatief goede software geproduceerd
zal worden. Zij betogen dat, wanneer alleen de rechthebbende
toegang tot de broncode heeft en het aan anderen, als zij al
over de broncode zouden beschikken, wettelijk of contractueel
niet is toegestaan om wijzigingen in de software aan te
brengen en gewijzigde versies te publiceren, de techniek
langzamer voortschrijdt dan wanneer de broncode wel openbaar
is en gebruik wordt gemaakt van de gezamenlijke kennis en
creativiteit die in de gemeenschap aanwezig is.[38]
Een nadeel verbonden aan het
afschaffen van het auteursrecht kan zijn dat er in de
software-industrie geen emplooi meer zou zijn voor
professionele informatici. Veel programmeurs die nu in hun
vrije tijd aan open source-projecten bijdragen zijn in dienst
van commerciële software-ontwikkelaars. Als die bedrijven door
de open source-beweging zouden worden verdrongen, zou een
belangrijke inkomstenbron voor informatici wegvallen. Wellicht
zouden dan voornamelijk hobbyisten overblijven en zou de
kwaliteit achteruitgaan. Noodzakelijk is dit echter niet.
Programmeurs zouden hun geld kunnen verdienen in de
dienstverlening, bij bedrijven als Red Hat of andere
alternatieve business models hanterende ondernemingen.
Ook zou op universiteiten nog altijd op hoog niveau aan
onderzoek en ontwikkeling kunnen worden gedaan. Die zou dan
(indirect) door de overheid worden gefinancierd.
Overigens komt een aantal van
de huidige open source-programma's, zoals de BSD-Unix-versies,
voort uit een dergelijke systeem. Vanaf de jaren veertig werd
in de Verenigde Staten veel computeronderzoek gefinancierd
door het Ministerie van Defensie waarvan het resultaat
vervolgens onder een open source-licentie werd verspreid -
veel van de technologie die nu het internet draaiend houdt is
zo tot stand gebracht. In de jaren tachtig trok de overheid
zich echter terug. Verschillende commentatoren menen dat zij
zich weer actief moet gaan bezighouden met de financiering van
software en de resultaten daarvan als vanouds het publieke
domein in moet pompen.[39]
Sommige rechtseconomen betogen in meer algemene zin dat
overheidsfinanciering van informatieproducten economisch
efficiënter is dan toekenning van een intellectueel
eigendomsrecht. Een dergelijk systeem zou zekerstellen dat
makers betaald krijgen voor hun creatieve inspanningen en er
aldus voor zorgen dat zij een reden hebben om die te
verrichten - vanuit economisch perspectief is dat de
belangrijkste reden voor het bestaan van het auteursrecht -
maar tegelijkertijd zouden de nadelen verbonden aan toekenning
van het auteursrechtelijk monopolie worden vermeden.[40]
De open source-fundamentalist
meent dat alle software in broncode beschikbaar moet zijn. Men
kan zich in dit verband afvragen of de Auteurswet niet op
zichzelf al, in ruil voor bescherming, tot vrijgave van de
broncode zou moeten verplichten - min of meer zoals
openbaarmaking (deponeren in een openbaar bestand) van een
uitvinding een voorwaarde is voor octrooiverlening.
Uitgangspunt in het octrooirecht is dat de maatschappij beter
af is als een tijdelijk monopolie wordt verleend, maar
uitvinders tegelijkertijd worden gedwongen hun uitvindingen
openbaar te maken. Anderen kunnen daar dan van leren. Zonder
de beloning in de vorm van exclusief recht zou men sneller
geneigd zijn om (te proberen) de uitvinding geheim te houden.
De auteursrechthebbende kan echter van twee walletjes eten.
Doordat de broncode geheim is, kunnen anderen niet van zijn
ervaringen gebruik maken en daarop voortbouwen. Daarbovenop
komt de auteursrechtelijke bescherming die het uitbrengen van
al te zeer gelijkende programma's toch al verbiedt (en dit
voor de duur van minstens zeventig jaar in plaats van twintig,
zoals in het octrooirecht).[41]
In artikel 45m Aw wordt weliswaar gesteld dat het maken van de
reproductie die het gevolg is van het decompileren van de
objectcode onder bepaalde stringente voorwaarden is
toegestaan. Maar decompilatie is vaak een tijdrovende en dure
bezigheid en bovendien niet altijd mogelijk.
De meest radicale copyleft-activisten
zien in het succes van open source-software het voorspel van
een wereld waarin ten aanzien van geen enkel type werk nog
auteursrechten worden uitgeoefend. Volgens Moglen zal het
bijvoorbeeld niet lang meer duren of vrijwilligers zullen voor
een betere nieuwsvoorziening zorgen dan de networks.
Welk nieuwsnetwerk zou immers zo alomvattend kunnen zijn als
de internetgemeenschap? Nu al hebben internetnieuwsdiensten en
nieuwsgroepen vaak de primeur van een bepaald nieuwsfeit.
Inmiddels is er een GNU Free Documentation License,
opgesteld in de geest van de GPL, die is bedoeld om teksten,
met name softwaregebruiksaanwijzingen, voor het publieke
domein te behouden.[42]
Maar ook waar het muziek betreft ziet Moglen met enige
voldoening de invloed tanen van het grootkapitaal en de oude
exploitatiemodellen. Op verschillende internetsites geven
artiesten zonder platencontract hun muziek al gratis weg.[43]
Dit is een manier om reclame te maken en optredens binnen te
halen, waar weer wel voor moet worden betaald. Enigszins
vergelijkbaar met de business models van bedrijven die
in open source-software investeren, worden zo vooral inkomsten
gegenereerd met complementaire diensten (de optredens). Als
geen vergoeding meer wordt verkregen voor het verspreiden van
muziek, zou dat daarom niet hoeven leiden tot een wereld
waarin geen muziek meer wordt gemaakt of verspreid. Al zouden
vooral platenmaatschappijen een belangrijke inkomstenbron
verliezen wanneer met muziekopnamen geen geld meer zou worden
verdiend, muzikanten zouden nog steeds een financiële reden
hebben om muziek te maken, die op te nemen en die opnamen
(gratis) te distribueren.[44]
Ageren tegen het auteursrecht
is in de mode.[45]
De wellicht wat al te inhalige informatie-industrie die er
door agressief te lobbyen in is geslaagd om regelgevers ervan
te overtuigen dat een extensieve uitbreiding van haar rechten
noodzakelijk is, heeft haar sympathie kennelijk verspeeld. Of
we echter inderdaad in een betere wereld zullen leven wanneer
we van het auteursrecht zijn bevrijd valt nog te bezien. Ook
aan een door de overheid gefinancierde informatievoorziening
kleven bijvoorbeeld nadelen. Te denken valt aan het gevaar van
censuur; door wel of geen geld te geven kan de overheid
bepalen welke informatieproducten uiteindelijk worden
geproduceerd.[46]
Sommigen zien in het auteursrecht dan ook een belangrijke
democratische kracht.[47]
Hoe het ook zij, het succes van de open source-software geeft
wel degelijk te denken en laat zien dat toekenning exclusieve
rechten niet altijd nodig is om kwalitatief goede,
maatschappelijk nuttige en veelgebruikte informatieproducten
tot stand te brengen.
|