|
De procedeerwoede van Scientology
heeft ons weer een interessante uitspraak opgeleverd. Het
betreft de bodemprocedure in het geschil waarin de kort
gedingrechter in 1996 al had geoordeeld.[1]
Ook dit vonnis heeft het in zich een klassieker te worden. Het
bevat vele belangwekkende elementen. Zo laat de uitspraak zien
hoe gecompliceerd de internationaal privaatrechtelijke aspecten
van auteursrechtelijke geschillen kunnen zijn. Verder daagt het
vonnis uit te filosoferen over de inhoud van het begrip openbaar
maken. Is een werk openbaar gemaakt als het onder duizenden
mensen verspreid is die zich allen verplicht hebben het geheim
te houden? Duidelijk is dat distributie niet beperkt is tot een
kring van familie en vrienden, maar is het werk ook aan het
publiek ter beschikking gesteld? Hoe interessant deze
onderwerpen echter ook zijn, deze uitspraak zal toch vooral
herinnerd worden als betrekking hebbend op de positie van een
Internet-provider.
Het gaat hier om de vraag of,
en onder welke omstandigheden, een zogenaamde (hosting) service
provider onrechtmatig handelt wanneer een abonnee op de
apparatuur van de provider een onrechtmatige daad pleegt. Een
hosting service provider stelt zijn abonnees in staat materiaal
via het Internet te verspreiden door ruimte op zijn `server'
beschikbaar te stellen. Een server kan het best vergeleken
worden met een enorme, direct vanaf het net toegankelijke, harde
schijf waarop de abonnee een web-site kan `uploaden' en
waarvandaan de informatie vervolgens door derden opgevraagd kan
worden. Er zij opgewezen dat de vraag naar de onrechtmatigheid
van een doen of nalaten een andere is dan die naar de
aansprakelijkheid voor de schade. Omdat geen schadevergoeding
gevorderd wordt, komt in deze zaak niet aan de orde wanneer een
provider aansprakelijk is voor de schade - al kan de uitspraak
hiervoor wel gevolgen hebben - en wordt daarom met name de
schuldvraag niet uitdrukkelijk behandeld.
Als een service provider een
auteursrechtelijk relevante handeling zou verrichten, zou
onrechtmatigheid gegeven zijn. Hij schendt dan een subjectief
recht. De Rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is, daarbij
zwaar leunend op bestaande en aanstaande internationale
regelgeving. In de redenatie van de Rechtbank maken providers
niet openbaar, omdat zij een passieve rol spelen in het proces
van de openbaarmaking. Zij maken niet zelf openbaar, maar
stellen slechts anderen in de gelegenheid dat te doen. Hier
wordt aangehaakt bij een `Overeengekomen Verklaring' bij het
WIPO Auteursrecht Verdrag waarin wordt gemeld dat `de enkele ter
beschikkingstelling van materiele faciliteiten voor het mogelijk
maken of verrichten van een mededeling op zich geen mededeling
[lees: openbaarmaking] in de zin van het Verdrag of de Berner
Conventie uitmaakt'. Een vergelijkbare bepaling komt voor in
artikel 3 lid 4 van de laatste versie van het voorstel voor een
auteursrechtrichtlijn (op aandringen van het Europees Parlement
is deze norm van Overweging (17) gepromoveerd tot bepaling).[2]
Bij beantwoording van de vraag
of de service provider `verveelvoudigt' zoekt de Rechtbank
expliciet steun bij artikel 5 lid 1 van de voorgestelde
auteursrechtrichtlijn. Die bepaling zondert `voorbijgaande' en
`bijkomende' reproductiehandelingen uit van het ruim
geformuleerde verveelvoudigingsrecht van artikel 2. Echter, een
reproductie op een server mag dan vergankelijker zijn dan een
papieren kopie, vermoedelijk is de bepaling toch niet geschreven
om een dergelijke reproductie vrij te stellen. Indien dit wel
het geval zou zijn, zou ook de web-site-houder op wiens
initiatief de kopie op de server gezet wordt niet
`verveelvoudigen' - wellicht een ongewenst resultaat. (Tenzij
het uitgangspunt zou zijn dat één kopie het resultaat zou zijn
van twee verschillende `reproductiehandelingen' met ieder
verschillende eigenschappen, één door de service provider en één
door diens abonnee. Dit lijkt mij echter een tamelijk
gekunstelde redenering.) Overtuigender is het argument van de
Rechtbank inhoudende dat de betreffende reproducties niet zozeer
het gevolg zijn van een handeling van de service provider als
wel van diens abonnee. Weer is de passieve rol van de provider
doorslaggevend. In deze redenering kan het wel degelijk om
auteursrechtelijk relevante verveelvoudigingen gaan, maar is het
niet de service provider die `verveelvoudigt' of, in de termen
van de Auteursrechtrichtlijn, een `reproductiehandeling'
verricht, maar diens abonnee.
De Rechtbank komt tot de
conclusie dat de providers zelf geen auteursrechtelijk relevante
handelingen verrichten, maar vervolgt dat dit nog niet wil
zeggen dat zij niet onrechtmatig handelen. De schade voor de
rechthebbende in aanmerking nemend, en overwegend dat een
provider in staat is verdere inbreuk te voorkomen en
bedrijfsmatig handelt, kan een provider in strijd met de
maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid handelen, als hij (1)
niet ingrijpt wanneer een gebruiker van zijn diensten op een
web-site onrechtmatige handelingen verricht (bijvoorbeeld
inbreuk maakt op auteursrecht), (2) hij daarvan in kennis is
gesteld en (3) aan de juistheid van de kennisgeving in
redelijkheid niet valt te twijfelen.
Wanneer dit criterium
vergeleken wordt met artikel 14 van de voorgestelde
E-commerce richtlijn[3]
, dat beoogt de aansprakelijkheid van hosting service providers
te regelen, valt op dat de Rechtbank stringentere eisen voor
aansprakelijkheid stelt dan de Europese regelgever. (Wat
overigens zou zijn toegestaan als de Richtlijn reeds van kracht
was. Lidstaten kunnen in hun nationale recht zwaardere eisen
stellen voor het ontstaan van aansprakelijkheid.) Onder het
richtlijnvoorstel mag een service provider pas op grond van het
nationale recht aansprakelijk worden gehouden als hij niet
ingrijpt wanneer hij daadwerkelijkkennis heeft van
onrechtmatige handelingen van gebruikers van zijn dienst of,
waar het een vordering tot schadevergoeding betreft, kennis
heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige
karakter van die handelingen duidelijk blijkt. Verder wordt
in artikel 15 van het voorstel gestipuleerd dat in geen geval
aan een provider een plicht opgelegd mag worden de activiteiten
van gebruikers van zijn dienst in de gaten te houden. Hij hoeft
dus niet actief op zoek te gaan naar onrechtmatige daden door
derden begaan op zijn apparatuur. De Rechtbank verwacht zelfs
minder initiatief van een provider dan de Europese regelgever.
Conform deze uitspraak volgt onrechtmatigheid aan de kant van de
provider slechts dan als een provider in kennis is gesteld
van een onrechtmatige daad van een derde. Zou onrechtmatigheid
niet moeten volgen als een provider op enige andere wijze kennis
krijgt van onrechtmatige gedragingen van abonnees? In dit geval
speelt het kenniscriterium niet in verband met de vraag of de
provider verwijtbaar gehandeld heeft en aansprakelijk is voor de
schade, waarop het in de voorgestelde E-commerce
richtlijn betrekking lijkt te hebben, maar in verband met de
vraag of onrechtmatig is gehandeld. Maar als het criterium van
de Rechtbank in het vervolg de norm zou zijn, zou een provider
minder kans hebben aansprakelijk te worden gehouden onder het
Nederlandse recht dan onder criteria van het richtlijnvoorstel;
als van onrechtmatigheid niet gesproken kan worden, komt
aansprakelijkheid al helemaal niet in beeld.
De criteria die gelden voor de
opslag van materiaal op de server van een provider zijn volgens
de Rechtbank ook van toepassing als een derde op de apparatuur
van de provider onrechtmatig handelt door een hyperlink naar
auteursrechtschendend materiaal op diens web-site aan te
brengen. Dit resultaat mag dan aanvaardbaar zijn, bij de wijze
waarop het verwoord is kunnen enkele kanttekeningen gezet
worden. In overweging 16 wordt gesteld dat een service provider
geen auteursrechtelijk relevante handeling verricht wanneer een
derde op diens apparatuur een hyperlink aanbrengt. De verklaring
voor recht suggereert echter dat een provider die zonder
toestemming een link op zijn computersysteem aanwezig heeft
auteursrechtinbreuk kan plegen, omdat de link bij activering een
`verveelvoudiging (...) op het scherm' van wie de hyperlink
activeert teweeg kan brengen. Wellicht kan de aanbrenger van de
link een auteursrecht schenden, maar, zoals de Rechtbank eerder
opmerkte, een service provider doet dat niet.
Het feit dat de Rechtbank aan
de provider een plicht tot ingrijpen oplegt, impliceert dat het
aanbrengen van een hyperlink naar een auteursrechtschendende
site een onrechtmatige daad kan opleveren. De Rechtbank
concludeert kennelijk, zonder daar expliciet op in te gaan, dat
de aanbrenger van een link in dit geval onrechtmatig handelt.
Misschien moet de hierboven besproken verklaring voor recht
begrepen worden als inhoudende dat de `hyperlinker' een
verveelvoudiging op het scherm van de gebruiker teweegbrengt -
of zelfs `maakt' - en daarom toestemming nodig heeft. Echter,
juist voor dit soort gebruiksverveelvoudigingen is het door de
Rechtbank in een ander verband aangehaalde artikel 5 lid 1 van
de voorgestelde auteursrechtrichtlijn geschreven. De
eindgebruiker zou onder het regime van de huidige versie van de
Richtlijn geen auteursrechtelijk relevante verveelvoudiging
maken, de aanbrenger van de hyperlink zou er dan geen
teweegbrengen.
Als de aanbrenger van de
verwijzing al een auteursrechtinbreuk maakt, ligt het meer voor
de hand die in termen van openbaarmaking te begrijpen. Het is
zelfs verdedigbaar dat een elektronische verwijzing naar een
inbreukmakende web-pagina op zichzelf niet altijd een
openbaarmaking oplevert, maar in veel gevallen, net als de
activiteiten van hosting service providers, slechts op grond van
schending van een zorgvuldigheidsnorm onrechtmatig geoordeeld
kan worden.[4]
Het komt er dan op aan na te gaan welke mate van zorgvuldigheid
van degene die elektronisch verwijst verwacht mag worden.
Welbewust `linken' naar overduidelijk inbreukmakend materiaal
waardoor de belangen van een ander `in gevaar gezet' worden, kan
goed onrechtmatig geacht worden. Dit ligt anders als een
hyperlink, die toen die werd aangebracht naar een onschuldige
web-pagina verwees, nu naar auteursrechtschendend materiaal
verwijst, doordat de beheerder van de pagina waarnaar verwezen
wordt de inhoud daarvan inmiddels veranderd heeft. De rol van de
verwijzer wordt in dat geval, net als die van een service
provider, een meer passieve. De onrechtmatigheid is niet zozeer
gelegen in het aanbrengen van de link, als wel in het niet
verwijderen ervan. Vereist de maatschappelijk betamelijke
zorgvuldigheid dat regelmatig nagegaan wordt of het materiaal
waarnaar verwezen wordt de toets der rechtmatigheid kan
doorstaan, en zo ja, hoe regelmatig? Ook ten aanzien van het
handelen van een exploitant van een zoekmachine die
tienduizenden links aanlevert naar web-pagina's waarin een
bepaalde term voorkomt kan beoordeling naar de maatschappelijk
betamelijke zorgvuldigheid een redelijk resultaat opleveren. Net
als van een hosting service provider kan van hem wellicht
verwacht worden dat hij (de verwijzing naar) een pagina uit zijn
bestand verwijdert, als hij kennis heeft, eventueel door een
kennisgeving verkregen, van het feit dat hij gebruikers van zijn
dienst naar onmiskenbaar inbreukmakend materiaal leidt.[5]
Een verbod of bevel kan in
beginsel alleen worden opgelegd als de gedaagde een
onrechtmatige daad begaat of dreigt te begaan. De rechter
beveelt dan de onrechtmatige handeling te staken of er alles aan
te doen om de onrechtmatige toestand op te heffen of te
voorkomen.[6]
Het bevel de identiteit van inbreukmakende abonnees vrij te
geven impliceert daarom dat de onrechtmatigheid van het handelen
van een service provider niet alleen ligt in het niet ingrijpen
wanneer kennis van de inbreuk gegeven is, maar ook in het niet
leveren van de identiteit van de inbreukmaker. Ook hier wijkt de
Rechtbank af van de voorgestelde E-commerce richtlijn.
Die staat niet toe dat het leveren van de identiteit van de
primaire inbreukmaker een voorwaarde is voor het ontlopen van
aansprakelijkheid, zoals het voorstel Computercriminaliteit II
voorstaat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.[7]
Bovendien zou ook een vordering (op straffe van een dwangsom) de
identiteit van de abonnee prijs te geven, als de provider
toegang blokkeerde zodra hij kennis had van diens onrechtmatige
activiteiten, onder de richtlijn niet toegewezen kunnen worden.
Alleen honorering van een `vordering tot staking' wordt in zo'n
geval toegestaan. Een bevel de eiser over de namen van de
inbreukmakers te informeren lijkt niet onder dit begrip te
vallen. Onder het regime van het richtlijnvoorstel kan het
daarom voorkomen dat een gelaedeerde met lege handen staat; de
provider is niet aansprakelijk omdat hij onverwijld toegang
heeft geblokkeerd, terwijl de web-site-houder niet gedaagd kan
worden, omdat die onbekend is en de provider niet aangespoord
wordt, of kan worden, diens identiteit vrij te geven. De schade
die door de gelaedeerde is opgelopen voordat toegang geblokkeerd
werd kan dan niet verhaald worden. Als een service provider
echter niet aan de in de voorgestelde Richtlijn genoemde
voorwaarden voldoet of heeft voldaan, kan iedere vordering
gehonoreerd worden, dus ook één tot vrijgave van de identiteit
van de abonnee.
Het laatste woord in deze is
nog lang niet gezegd. Niet alleen zou het niet verbazen als
Scientology, hoewel ze voor een groot deel in het gelijk is
gesteld, zich niet bij deze uitspraak zou neerleggen. Ook de
Europese regelgeving is nog niet in een definitief stadium
beland. Of de Auteursrechtrichtlijn in de huidige vorm wordt
aangenomen moet worden afgewacht en inmiddels heeft het Europees
Parlement ook de voorgestelde E-commerce richtlijn onder
handen genomen.[8]
Het parlement heeft de kenniscriteria geherformuleerd, maar
inhoudelijk lijken die niet veranderd te zijn. De belangrijkste
verschillen voor de positie van de hosting service provider met
het Commissievoorstel zijn dat nu ook een vordering tot staking
alleen opgelegd kan worden als de provider niet aan de in de
richtlijn gestelde voorwaarden voldoet, en dat het verbod een
plicht op te leggen tot het monitoren van door de klanten
aangeleverde inhoud minder absoluut is. In navolging van de
Amerikaanse Digital Millenium Copyright Act wordt bepaald
dat een dergelijke plicht opgelegd mag worden als wijd
geaccepteerde standaarden voor technieken bestaan die een
dergelijk onderzoek vergemakkelijken.[9]
Bedacht moet echter worden dat ook als het amendement zou worden
overgenomen, lidstaten nog altijd vrij zijn zwaardere
voorwaarden te stellen voor aansprakelijkheid en dus geen
onderzoeksplicht hoeven in te stellen. De Richtlijn zou er ook
dan niet aan in de weg staan een provider pas aansprakelijk te
stellen als hij kennis van het onrechtmatig handelen van derde
door een kennisgeving verkrijgt.
K.J. Koelman
|
1.
Pres.
Pres. Rb. Den Haag 12 maart 1996, Informatierecht/AMI
1996-5, p. 96. Return to Text
2.
Gewijzigd voorstel voor een
richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de
harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de
naburige rechten in de informatiemaatschappij,
Brussel, 21.05.1999 COM(99) 250 def. Return to
Text
3.
Voorstel voor een richtlijn van
het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde
juridische aspecten van de elektronische handel in de interne
markt, Brussel,
18.11.1998, COM(1998) 586 def. 98/0325 (COD). Return to
Text
4.
Vgl.
P.B. Hugenholtz,
`Het
Internet: het auteursrecht voorbij?', Handelingen NJV
1998-I, p. 213. Return to Text
5.
Vgl. artikel 512(d) van de
Amerikaanse Copyright Act. De Amerikaanse wetgever heeft ervoor
gekozen `providers of information location tools', waarmee onder
andere `hyperlinkers' en aanbieders van zoekmachines bedoeld
worden, hetzelfde te behandelen als hosting service providers.
Return to Text
6.
Zie C.J.C. van Nispen, Het
rechterlijk verbod en bevel (diss.), Deventer: Kluwer 1978,
p. 131. Return to Text
7.
Zie hierover
G.A.I. Schuijt,
`Wet
Computercriminaliteit II: van uitgever en drukker naar
tussenpersoon', Mediaforum 1998-3, p. 70-75.
Return to Text
8.
Minutes of 06/05/99 - Provisional
Edition, A4-0248/99.
Legal aspects of electronic trading . Proposal for a European
Parliament and Council Directive on certain legal aspects of
electronic commerce in the internal market (COM(98)0586 -
C4-0020/99 - 98/0325(COD)). Return to Text
9.
Zie de nieuwe artikelen 512(i)
en (m)(1) van de Amerikaanse Copyright Act.
|