De derde laag: bescherming van technische voorzieningen
Verschenen in Auteurs & Media, 2001-1 (april), p. 82-89.

K.J. Koelman


 
De aanhangige Auteursrechtrichtlijn verplicht de Europese lidstaten om technische voorzieningen te beschermen die verhinderen om handelingen te verrichten met door intellectuele eigendomsrechten beschermde informatie. In deze bijdrage worden de aanleiding voor, en de achtergronden van de bescherming van technische voorzieningen geschetst. Verder wordt een poging gedaan om te beschrijven welke gevolgen deze regelgeving kan hebben voor de wijze waarop informatieproducten worden geëxploiteerd en kunnen worden gebruikt.

Kopieerangst

Het internet is als een huisdier: één mensenjaar staat voor vijf tot zeven internetjaren, zo wordt vaak gezegd. Alles gaat razendsnel. Volgens deze berekening is de commerciële opgang van het net niet pas vijf jaar bezig, maar al minstens vijfentwintig. Het mag daarom bevreemden dat de entertainmentindustrie vooralsnog slechts marginaal aanwezig is op het wereldwijde web, ondanks de vele voordelen die online verspreiding van haar producten kan hebben. Zo kan op het internet direct met de consument worden gecommuniceerd, waardoor het mogelijk wordt om klantgegevens te verzamelen en direct te marketen. Bovendien vallen de kosten van productie en distributie van 'harde' kopieën weg. Het product kan daardoor veel goedkoper worden verkocht, zelfs als dezelfde winstmarge per eenheid wordt aangehouden. Aangezien volgens elementaire economische theorie, wanneer de prijs omlaaggaat, de vraag stijgt, zou dit moeten leiden tot een grotere totale winst. Dat lijkt een aantrekkelijk vooruitzicht voor bijvoorbeeld een platenmaatschappij. Desondanks valt muziek nog steeds niet of nauwelijks rechtstreeks van de vijf majors online te verwerven.[1]

De belangrijkste reden hiervoor is de angst om de controle over de exploitatie van de muziekcatalogus te verliezen. Men is gewend aan een situatie waarin een dure en omvangrijke machinerie nodig is om kwalitatief goede kopieën te produceren, en een uitgebreid distributie-apparaat om de reproducties bij de klant af te leveren. Vandaag de dag kan echter iedereen in een vloek en een zucht een perfecte digitale kopie maken en die kopie op het internet wereldwijd verspreiden. Het kost niets meer om als piraat actief te zijn. Velen zullen daardoor tot piraterij worden verleid, zo wordt gevreesd. En als de werken overal op het internet zeer goedkoop of zelfs gratis zijn te verkrijgen, zal niemand nog bereid zijn om (veel) te betalen voor informatieproducten. Daarmee zou daarom geen cent meer worden verdiend. Dit vooruitzicht verlamt de industrie. Zij weigert om met name muziek en films digitaal aan te bieden, zolang aan het gebruiksgemak dat het gevolg is van de digitale revolutie geen paal en perk wordt gesteld. Door kopiëren technisch onmogelijk te maken zou dit kunnen worden bewerkstelligd.

Techniek

Op verschillende plaatsen en in verschillende verbanden wordt hard gewerkt aan zogenaamde Digital Rights Management (DRM) systemen.[2]  Aanvankelijk werd vooral beoogd om daarmee kopiëren onmogelijk maken, maar inmiddels gaan de ambities veel verder. Momenteel worden systemen ontwikkeld waarmee ieder gebruik van informatieproducten technisch kan worden gecontroleerd. Niet alleen de reproductie wordt technisch geblokkeerd, maar ook bijvoorbeeld het beluisteren van een muziekwerk. De meeste in ontwikkeling zijnde technieken werken volgens het principe van de versleuteling. De informatie wordt geëncrypteerd en er wordt een soort digitale licentie in het product aangebracht die aangeeft of, hoe en tegen welke voorwaarden het mag worden gebruikt. De afspeelapparatuur of -software zal zich automatisch aan die licentie houden. Pas als (online) een vergoeding is overgemaakt of anderszins aan de voorwaarden is voldaan, zal de speler het materiaal ontsleutelen en kan men het - alleen op de in de licentie toegestane wijze - gebruiken.[3]

Wie anderen van gebruik kan uitsluiten, of dat nu juridisch is of technisch, is in de positie om voor dat gebruik een vergoeding te vragen.[4]  Nu met de nieuwe technieken meer en andere handelingen kunnen worden gecontroleerd dan mogelijk is op basis van het auteursrecht, zijn er meer aanknopingspunten om een vergoeding te bedingen. De techniek stelt immers in staat om ieder gebruik te blokkeren, terwijl het auteursrecht alleen reproduceren en mededelen aan het publiek betreft, en zelfs tegen deze handelingen kan een rechthebbende zich niet altijd verzetten. De DRM-systemen maken daardoor veel verfijnder afrekenmechanismen mogelijk. Nu dient men nog bijvoorbeeld voor een vaste prijs een hele CD aan te schaffen die dan onbeperkt kan worden gedraaid. In de toekomst zal kunnen worden gekozen tussen een relatief goedkoop muziekbestand dat slechts tien maal kan worden afgespeeld, of een duurdere die dan wel honderd keer kan worden geladen. Nadat het bestand een vastgesteld aantal maal is afgespeeld, zal het automatisch van de harde schijf worden gewist of zal de speler weigeren om het ten gehore te brengen.

Er worden ook exploitatiemodellen ontwikkeld waarin helemaal geen kopieën meer worden uitgewisseld. In die modellen wordt de informatie iedere keer dat die wordt gebruikt opgevraagd bij enorme online bereikbare databanken en dan naar het afspeelapparaat van de consument gestuurd. Wanneer de bladzijde virtueel wordt 'omgeslagen' of het nummer is afgelopen, beklijft er geen kopie. Dit is vergelijkbaar met wat gebeurt bij radio en televisie, daar vervliegt de informatie eveneens na consumptie, maar een belangrijk verschil met het omroepmodel is dat de informatie op ieder gewenst moment kan worden opgevraagd. In plaats van een kopie in de walkman te stoppen - of dat nu een cassettebandje, een CD of een MP3-bestand is - zal via de UMTS-band in de celestial jukebox worden ingelogd en zal zo de muziek on demand worden beluisterd.[5]  De boekenkast en het CD-rek kunnen de deur uit. Het spreekt voor zich dat de controle over het informatiegebruik in dit model volkomen is; men moet steeds bij de rechthebbende terecht wanneer men het materiaal wil gebruiken.

Bescherming van techniek

In theorie zou door de toepassing van deze technieken de inbreuk kunnen worden uitgebannen. Maar bovendien maken ze het mogelijk om voor ieder afzonderlijk gebruik een vergoeding af te dwingen. Deze technieken stellen daarom in staat om prijsdiscriminatie te bedrijven - een hoogwaarderende consument zal bijvoorbeeld een duurdere en vele malen te gebruiken versie kopen, en een klant die minder voor het werk overheeft een goedkopere van lagere kwaliteit die minder lang meegaat - en wie aan prijsdiscriminatie doet, verdient meer.[6]  Zo'n scenario klinkt de entertainmentindustrie uiteraard als muziek in de oren. Maar toch is men niet helemaal gerust op een goede afloop. De op techniek gebaseerde exclusiviteit moet op haar beurt ook weer worden beschermd. Bovenop de auteursrechtelijke bescherming en de bescherming die door de techniek wordt geboden, moet daarom een derde beschermingslaag worden aangebracht: de juridische bescherming van technische voorzieningen die door het recht beschermde werken beschermen. 

Aanvankelijk was het idee dat deze bescherming noodzakelijk is, omdat de in de digitale omgeving kwetsbaar geachte auteur een steuntje in de rug verdient.[7]  Indien de technische beschermingsmaatregelen niet door de wet zouden worden beschermd, zou iedereen die maatregelen omzeilen en zou alsnog massaal inbreuk worden gemaakt. Inmiddels is dit uitgangspunt echter verlaten en worden de nieuwe exploitatiemodellen die mogelijk worden door de toepassing van technische voorzieningen van een juridische ruggengraat voorzien. Wettelijk zal de door het aanbrengen van technische beschermingssystemen teweeggebrachte feitelijke exclusiviteit worden beschermd, waarmee meer gebruik kan worden uitgesloten dan mogelijk is op basis van het auteursrecht. In feite wordt daardoor het bereik van het auteursrecht, of liever: van de rechthebbende vergroot. Hij kan optreden in situaties waarin het auteursrecht daarvoor geen enkele rechtsgrond biedt. Het betreffende gebruik valt op basis van de i.e.-rechten niet te verbieden, maar de omzeiling die de auteursrechtelijk toegestane handeling mogelijk maakt kan wel juridisch worden aangepakt. De aanstaande Auteursrechtrichtlijn volgt deze benadering.

Auteursrechtrichtlijn

Artikel 6 van de Auteursrechtrichtlijn betreft de bescherming van technische voorzieningen. Deze bepaling is een implementatie van artikel 11 van het WIPO Auteursrechtverdrag van 1996 dat gebiedt om passende rechtsbescherming te bieden tegen omzeiling van systemen die verhinderen om auteursrechtelijk relevante handelingen te verrichten.[8]  Eind 2000 bereikte de Richtlijn - niet zonder slag of stoot - het stadium van Gemeenschappelijk Standpunt.[9]  Met name de bescherming van technische voorzieningen zorgde voor een grote onenigheid tussen de lidstaten; tot op het allerlaatste moment is onderhandeld over de tekst van artikel 6 van de Richtlijn.[10]  En dat is te merken. De bepaling is op veel punten onbegrijpelijk en is niet bijzonder evenwichtig te noemen. In het navolgende wordt in grote lijnen een overzicht gegeven van de norm aangaande technische voorzieningen zoals die in het Gemeenschappelijk Standpunt is neergelegd. Daarbij wordt vooral aandacht besteed aan de meest controversiële aspecten van de bepaling.[11]

Technische voorzieningen

Het eerste lid van artikel 6 van de Richtlijn gebiedt de lidstaten om verwijtbare omzeiling van beschermde technische voorzieningen aan te pakken. Het tweede lid verplicht om apparatuur of software die specifiek is bedoeld voor omzeiling van de markt te weren. Ook moeten omzeilingdiensten worden verboden. In het derde lid wordt een definitie gegeven van het begrip 'technische voorzieningen'. Met het nieuwe vierde lid, dat in eerdere ontwerpen ontbrak[12] , wordt een poging gedaan om de bescherming van technische voorzieningen enigszins te conformeren aan de beperkingen van het auteursrecht. 

De definitie van het derde lid geeft aan dat voorzieningen tegen omzeiling moeten worden beschermd die dienen om iedere handelingen te blokkeren waarvoor geen toestemming is verkregen van de rechthebbende. Het maakt niet uit of de geblokkeerde handeling op grond van het auteursrecht kan worden verboden of niet. In de Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk Standpunt wordt met zoveel woorden gezegd dat men bescherming wil bieden tegen omzeiling, ongeacht of de persoon die de voorziening buiten werking stelt zich kan beroepen op een beperking van het auteursrecht.[13]  De grotere controle over informatiegebruik die door technische voorzieningen mogelijk wordt gemaakt, wordt zo wettelijk bekrachtigd. Hierdoor neemt de omvang van het auteursrecht als het ware toe - al is het niet de handeling die met het werk wordt uitgevoerd die onrechtmatig is, maar de omzeiling welke die handeling mogelijk maakt. 

Maar ook op een andere wijze kan het Gemeenschappelijk Standpunt de macht over het informatiegebruik doen groeien. Uit de definitie van het derde lid blijkt dat systemen niet zijn beschermd, wanneer zij worden ingezet om gebruik van informatie te verhinderen die niet het object is van het auteursrecht, de naburige rechten of het sui generis databankenrecht. Omzeilen mag dus om dergelijk onbeschermd materiaal te gebruiken en ook mogen in beginsel kraakmiddelen worden verspreid die dergelijke omzeiling mogelijk maken. Maar als wordt aangenomen dat dezelfde beschermingssystemen zullen worden aangebracht op zowel wel als op niet door een i.e.-recht beschermde informatie, zullen de benodigde omzeilingsmiddelen toch niet beschikbaar zijn. Ze zijn dan verboden, omdat ze óók systemen kunnen uitschakelen die handelingen blokkeren ten aanzien van wel beschermde informatie. De technische voorziening mag worden gekraakt, maar wie de technische kennis daartoe ontbeert zal er feitelijk niet toe in staat zijn, omdat er geen kraakmiddelen beschikbaar zijn. Hierdoor kan de Richtlijn in de praktijk tot gevolg hebben dat het gebruik van informatie die niet het object is van één van de rechten, technisch effectief kan worden uitgesloten.

Toegangscontrole

De meeste nu in ontwikkeling zijnde systemen zijn gebaseerd op het principe van de versleuteling. Dergelijke systemen verhinderen om kennis te nemen van de inhoud van een gedigitaliseerd werk. Onder het huidige auteursrecht kan een rechthebbende niet optreden tegen degene die een werk tot zich neemt, zelfs niet als het om een onrechtmatig gedrukt of verspreid exemplaar gaat. Lezen en luisteren vallen niet onder de exclusieve rechten.[14]  Bovendien valt de kosteloze privé-mededeling in familiekring uitdrukkelijk niet onder het auteursrecht. De hier besproken norm verbiedt omzeiling van systemen die ¡edere handeling blokkeren waarvoor geen toestemming is van de rechthebbende. Daaronder kan bijvoorbeeld ook het openen van een bestand worden verstaan, of het beluisteren van een muziekwerk. 

Bovendien lijken de woorden van de tweede zin van het derde lid van artikel 6 te impliceren dat de lidstaten voorzieningen tegen omzeiling moeten beschermen waarmee de toegang tot een werk wordt geblokkeerd. Indien dit inderdaad is wat de Richtlijn beoogt, zou dat een bijzonder opmerkelijke ontwikkeling zijn: wanneer een civielrechtelijke actie tegen omzeiling wordt toegekend, komt de eindgebruiker binnen de juridische invloedssfeer van de rechthebbende, terwijl het auteursrecht zich tot nog toe vooral richtte op handelingen in verband met de commerciële exploitatie van een werk en niet op het 'consumeren' ervan.

Of de Richtlijn inderdaad dit resultaat beoogt is echter niet duidelijk. In de Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk Standpunt wordt gezegd dat men de suggestie wil vermijden dat de Richtlijn toegangcontrolerende systemen betreft. Vraagstukken aangaande de toegang tot informatie zouden namelijk buiten het bereik van het auteursrecht vallen.[15]  De Raad is echter niet geslaagd in deze opzet. Niet alleen lijkt het derde lid (nog steeds) te impliceren dat toegangscontrole onder de Richtlijn valt, ook het vierde lid suggereert dat er zoiets bestaat als op onrechtmatige wijze toegang verkrijgen tot technisch beschermde werken.[16]

Beperkingen

Het is duidelijk dat de controle die een rechthebbende wettelijk over informatiegebruik kan uitoefenen wordt uitgebreid. De beperkingen van de i.e.-rechten worden grotendeels buitenspel gezet. In het nieuwe vierde lid van artikel 6 wordt een poging gedaan om dit effect enigszins te mitigeren. Daar wordt gezegd dat de lidstaten - onder omstandigheden - maatregelen moeten nemen om er voor te zorgen dat rechthebbenden de middelen leveren die het voor de 'begunstigden' van een klein aantal van de beperkingen die in artikel 5 van de Richtlijn worden genoemd, mogelijk maken om het wettelijk toegestane gebruik ook daadwerkelijk te maken. In deze zin kan de rechthebbende in sommige gevallen een faciliteringsverplichting hebben. Hij moet dan bijvoorbeeld een exemplaar leveren waarop geen technische voorziening is aangebracht, of zijn technische beschermingsmaatregel zo aanpassen dat de uitgezonderde handeling daardoor niet wordt geblokkeerd.

Het blijft echter absoluut verboden om een systeem te kraken, ook wanneer dat gebeurt om een handeling te verrichten waartegen een auteur zich op grond van het auteursrecht niet kan verzetten. Technisch geblokkeerde handelingen die niet onder één van de in het vierde lid opgesomde beperkingen vallen, zullen daarom in geen geval kunnen plaatsvinden. De niet in dit lid genoemde beperkingen van het auteursrecht verliezen dus hun betekenis ten aanzien van werken die (alleen) beschikbaar zijn in technisch beschermde formats. 

De Richtlijn kan echter tot gevolg hebben dat ook de beperkingen die wel worden genoemd hun functie verliezen in het digitale domein. De faciliteringsverplichting mag namelijk niet worden opgelegd, wanneer een technisch beschermd werk on demand online wordt verspreid en met de klant is overeengekomen dat hij afziet van gebruik dat onder één van de in deze bepaling genoemde beperkingen valt. Wie technische voorzieningen aanbrengt, zijn werken via het internet distribueert, de wederpartij door een overeenkomst laat 'scrollen' waarin de beperkingen van het auteursrecht worden 'weggecontracteerd' en vervolgens op een virtuele knop met 'akkoord' laat drukken, wordt in het geheel niet meer gehinderd door de beperkingen van de i.e.-rechten.[17]

Analyse

Kennelijk zijn de opstellers van de Richtlijn van opvatting dat de beperkingen van de i.e.-rechten geen functie (meer) hebben in de 'informatiemaatschappij'. Daar dient de contractsvrijheid voorrang te hebben en de markt vrij spel. Men kan zich afvragen of de verschillen tussen de ouderwetse 'analoge' wereld en de nieuwe digitale inderdaad van dien aard zijn dat het toestaan - en zelfs wettelijk bekrachtigen - van volkomen controle over informatiegebruik plotseling gepast is.[18]  Het veelgehoorde uitgangspunt 'wat offline geldt, moet ook online gelden', wordt met opvallend gemak verlaten.

Eén reden daarvoor kan de onverenigbaarheid zijn van de bescherming van technische voorzieningen met de huidige beschermingsomvang van het auteursrecht. De (huidige) techniek kan geen onderscheid maken tussen wettelijk wel en niet toegestaan informatiegebruik. Omdat de toepasselijkheid van een beperking van het auteursrecht vaak afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, zal bijvoorbeeld een technische kopieerbeveiliging ook gebruik blokkeren waartegen de auteur zich niet kan verzetten. Een wetgever zou kunnen toestaan om te omzeilen in gevallen waarin de omzeiling een beperking van het auteursrecht dient. Maar aangezien slechts weinigen beschikken over de technische vaardigheden om zelfstandig een technische voorziening uit te schakelen, zal zo'n wettelijke toestemming om te omzeilen weinig praktisch nut hebben, wanneer de daartoe benodigde kraakmiddelen niet verkrijgbaar zijn. Een kraakmiddel waarmee een systeem kan worden uitgeschakeld om niet-inbreukmakende reproducties te maken, kan echter eveneens worden gebruikt voor kopiëren dat wel auteursrechtelijk relevant is. Indien het middel verboden is en daarom niet verkrijgbaar, kan het uitgezonderde gebruik niet plaatsvinden. Maar als het vrij in omloop is, wordt de op techniek gebaseerde exclusiviteit wellicht al te zeer ondermijnd. Dit lijkt een onoverkomelijk dilemma.

Een regelgever moet dus kiezen tussen een effectieve bescherming van technische voorzieningen en feitelijke handhaving van de beperkingen van de i.e.-rechten in de digitale omgeving. Indien hij de angsten van de entertainmentindustrie deelt, kan het een logische gevolgtrekking zijn dat de bescherming van technische voorzieningen moet gaan vóór de beperkingen van het auteursrecht.

Het is echter nog maar de vraag of die angsten reëel zijn en of de bovengeschetste doemscenario's zich inderdaad zullen voordoen wanneer een ruime bescherming uitblijft. Het is bijvoorbeeld goed mogelijk dat piraterijbestrijding in de online omgeving veel gemakkelijker en goedkoper zal zijn, dan het van de markt weren van 'vaste' kopieën. Met zoekmachines kan inbreukmakend materiaal geautomatiseerd worden opgespoord en door middel van gestroomlijnde 'notice and take down'-procedures kan de publieke toegang ertoe snel en tegen relatief lage kosten worden geblokkeerd.[19]  Er is reeds software beschikbaar die automatisch het net afzoekt en een kennisgeving verstuurt naar de hosting service provider wanneer het programma inbreukmakend materiaal tegenkomt op diens server.[20]  Als de provider een complementair programma heeft geïnstalleerd, wordt de toegang tot de betreffende site of tot de aangeslotene bij een peer-to-peer netwerk (zoals Napster) automatisch afgesloten.

Al zal de inbreukmakende mededeling aan het publiek waarschijnlijk niet volledig kunnen worden uitgebannen, de sites die zonder toestemming auteursrechtelijk beschermd materiaal aanbieden, zullen voor het publiek moeilijk vindbaar zijn. En wie zou uren het net afzoeken naar een gratis exemplaar, als het werk gemakkelijk, snel en goedkoop langs de officiële kanalen kan worden verworven? Wanneer ook de lagere kosten van online distributie in aanmerking worden genomen en de daarmee gepaard gaande hogere winsten, zou hieruit kunnen volgen dat de digitale revolutie meer voor- dan nadelen voor rechthebbenden met zich meebrengt - zelfs als geen extra rechten worden toegekend en wanneer de mogelijkheden van technische beschermingsmaatregelen nog buiten beschouwing worden gelaten.[21]

Het tegenovergestelde is uiteraard ook mogelijk. Maar nu nog onzeker is hoe de markt en de techniek zich zullen ontwikkelen en de bescherming van technische voorzieningen noodzakelijk het auteursrechtelijk evenwicht verstoort, ware het misschien beter geweest om nog even te wachten en eerste eens te bezien of die bescherming wel echt nodig is. De Europese regelgever heeft echter voor een omgekeerde benadering gekozen. Technische voorzieningen worden alvast beschermd, maar als blijkt dat bij wet toegestane handelingen een nadelige invloed ondervinden van het gebruik van beschermingssystemen, dient de Europese Commissie voorstellen te doen tot wijziging van de Richtlijn.[22]  Het zou echter verbazen wanneer het daadwerkelijk tot beperking van de bescherming van technische voorzieningen zou komen. Tot nog toe kwamen uit Brussel alleen regelingen die de controle over het informatiegebruik hebben uitgebreid.

De benadering die de Richtlijn volgt kan worden gezien als een - overspannen en premature - reactie op de vermeende kwetsbaarheid van rechthebbenden in de digitale omgeving: het verlies aan controle over gebruik dient te worden gecompenseerd met de bescherming van de extra controle waartoe technische voorzieningen in staat stellen. Er is echter ook een alternatieve verklaring mogelijk. Sommigen geleerden betogen dat ratio voor de beperkingen van de rechten vervalt, indien goedkoop en gemakkelijk voor het (momenteel) wettelijk uitgezonderde gebruik een licentie kan worden overeengekomen. De beperkingen zouden namelijk zijn aangebracht om gebruik niet te belemmeren in situaties waarin al te hoge transactiekosten aan de totstandkoming van een overeenkomst in de weg staan. In beginsel zouden de (potentiële) gebruiker en de rechthebbende het over de prijs voor het betreffende gebruik wel eens kunnen worden. Maar de kosten verbonden aan totstandkoming en afhandeling van de licentie zouden al hoger zijn, dan de waarde die de klant aan het gebruik hecht. Die zal er daarom van afzien, waardoor het gebruik niet zal plaatsvinden. Om dit marktfalen te helen zouden bijvoorbeeld privé-gebruik en de korte aanhaling zijn vrijgesteld. 

Nu het internet direct contact tussen aanbieder en afnemer faciliteert en automatisch en goedkoop contracteren mogelijk maakt, vervalt deze ratio en kunnen de beperkingen worden geschrapt.[23]  Zou deze gedachte aan de Richtlijn ten grondslag liggen? Dat zou een tamelijk beperkte visie op de functie en ratio van de beperkingen van de i.e.-rechten uitdrukken. Volgens veel schrijvers moeten die beperkingen worden begrepen in verband met fundamentele rechten, zoals het recht op informatievrijheid en het recht op privacy. Volkomen controle over informatiegebruik is onwenselijk in een democratische samenleving en handhaving van een verbodsrecht op privé-gebruik zou met het recht op privacy in conflict komen. Het spreekt voor zich dat aanhangers van de laatste opvatting betogen dat de beperkingen van de rechten ook in de digitale omgeving behoren te gelden.[24]

Overigens menen zelfs geleerden die de beperkingen zien als noodoplossingen voor gevallen waarin de transactiekosten aan de totstandkoming van een licentie in de weg staan, dat een beperkingen als die welke de parodie en het citaat in een recensie toestaan, ook als de transactiekosten laag zijn, nog steeds van belang zijn. Vermoedelijk zal een rechthebbende immers niet toestaan dat zijn werk wordt geciteerd in een hem onwelgevallige recensie of dat het wordt belachelijk gemaakt in een parodie, hoeveel er ook wordt geboden voor dat gebruik.[25]  De Auteursrechtrichtlijn plaatst de auteur echter in een positie waarin hij ook dergelijk gebruik kan verbieden. Niet alleen ontbreken deze beperkingen in de lijst van uitzonderingen ten behoeve waarvan de lidstaten eventueel een faciliteringsplicht moeten instellen, maar al zouden ze op lijst voorkomen, dan zou de rechthebbende die zijn werk technisch beschermd over het internet verspreidt, de parodie en het citaat contractueel kunnen uitsluiten.

Elektronicaproducent

De bescherming van technische voorzieningen zoals die is vormgegeven in het Gemeenschappelijk Standpunt kan relatie tussen de rechthebbende en de gebruiker ingrijpend veranderen. Maar er is nog een partij wiens positie kan worden beïnvloed. Een al te ruim gesteld verbod op omzeilingsmiddelen zou apparatuur die momenteel volkomen legaal is, plotseling tot verboden waar kunnen verklaren. Zoals hierboven is aangegeven, zijn de systemen die momenteel worden ontwikkeld afhankelijk van de afspeelapparatuur; indien de speler, recorder of afspeelsoftware de in het werk ingebedde digitale licentie niet leest en daarnaar handelt, werkt de beveiliging niet. Zou een elektronicafabrikant onder het regime van de Richtlijn het verbod op omzeilingsmiddelen overtreden, wanneer hij nalaat om zijn waar zodanig te ontwerpen dat die op de juiste wijze reageert op een door een rechthebbende in een werk aangebrachte code? In dat geval zou kunnen worden afgedwongen dat elektronicaproducenten zich voegen naar de luimen van rechthebbenden. Fabrikanten zouden niet meer vrij zijn om de beste, snelste en goedkoopste oplossingen te gebruiken. Tot nog toe konden rechthebbenden op basis van de wet geen invloed uitoefenen op de wijze waarop elektronica wordt ontworpen.[26]

In overweging 48 wordt gezegd dat in beginsel niet wordt beoogd fabrikanten te verplichten om hun producten af te stemmen op door rechthebbenden aangebrachte technische voorzieningen, maar dat het uiteindelijk afhangt van de bepaling of een apparaat als een verboden omzeilingsmiddel moet worden beschouwd of niet. Het tweede lid van artikel 6 somt een drietal alternatieve criteria op waaraan elektronica of software niet mag voldoen, om niet onder het verbod te vallen. Apparaten en diensten die worden aangeprezen of vooral zijn bedoeld om omzeiling mogelijk te maken, of slechts een beperkt commercieel doel hebben afgezien van omzeiling, vallen onder de bepaling. Deze criteria zijn zonder precedent en de precieze betekenis ervan zal daarom moeten worden afgewacht. Maar stel dat een recorder zo wordt gebouwd dat die niet reageert op een algemeen aanvaarde standaardcode die op een werk is aangebracht en die aangeeft dat het niet mag worden gekopieerd,[27]  de recorder daarom bekend staat en aantoonbaar vooral wordt aangeschaft wegens deze eigenschap. Heeft het apparaat dan geen ander commercieel significant doel dan omzeiling en kan het daarom worden verboden? 

Conclusie

De mogelijkheid om anderen technisch van meer gebruik uit te sluiten dan mogelijk is op basis van de exclusieve rechten, wordt juridisch bekrachtigd. De beschermingsomvang van het auteursrecht neemt daardoor als het ware toe. Op grond van de wet zal toestemming nodig zijn voor ¡eder informatiegebruik, althans voor het openen van het slot dat het gebruik onmogelijk maakt. Praktisch maakt dat echter geen verschil. De beperkingen van de i.e-rechten kunnen hierdoor hun betekenis verliezen in de digitale omgeving. Deze ontwikkeling lijkt het gevolg van premature aannames ten aanzien van de gevolgen van de digitale revolutie voor de betrokken partijen, een beperkte visie op de functie en ratio van de beperkingen van de i.e.-rechten en/of een bijna naïef vertrouwen in de marktwerking. 

Niet alleen breidt de juridische invloedssfeer van de rechthebbende zich uit voor wat betreft de handelingen die kunnen worden verboden wanneer zij technisch onmogelijk zijn gemaakt. Ook kunnen twee nieuwe partijen binnen zijn bereik komen. Wellicht is straks toestemming nodig om een technisch beschermd werk rechtmatig te kunnen 'consumeren'. De eindgebruiker kan daardoor worden aangepakt. Maar ook de positie van de rechthebbende tegenover elektronicafabrikanten kan door de Richtlijn worden versterkt. Een bijeffect van het verbod op omzeilingsmiddelen kan zijn dat gebruik van materiaal dat niet het object is van een i.e.-recht effectief technisch kan worden gecontroleerd, zodat ook in deze zin de controle over het informatiegebruik toeneemt. Al met al een weinig evenwichtig resultaat.

 

[1]  Van kleinere platenmaatschappijen kan wel muziek worden 'ge-download'. Zie bijvoorbeeld http://emusic.com. Return to Text

[2]  Momenteel is dit de meest gangbare benaming voor dergelijke systemen. Nog niet zo lang geleden had men het meestal over Electronic Copyright Management Systems. Return to Text

[3]  Zie bijvoorbeeld http://www.intertrust.com. Ook het systeem dat wordt ontwikkeld in het Secure Digital Music Initiative zal ongeveer zo werken. Zie < http://www.sdmi.org>. Verder is men voornemens om een DRM aan te brengen in de MPEG 21-standaard. Zie < http://www.cselt.it/mpeg>. De opvolger van de MP3-standaard zal daardoor, naar het er nu uitziet, met een DRM zijn uitgerust. Maar ook ten aanzien van gecomprimeerde films zullen de rechten elektronisch geregeld kunnen worden. Return to Text

[4]  E. Mackaay, 'The Economics of Emergent Property Rights on the Internet', in: P.B. Hugenholtz (red.), The Future of Copyright in a Digital Environment, The Hague/London/Boston: Kluwer 1996, p. 13-25. Return to Text

[5]  Zie J.C. Ginsburg, 'From Having Copies to Experiencing Works: the Development of an Access Right in U.S. Copyright Law' (2000), beschikbaar op http://papers2.ssrn.com/paper.taf?ABSTRACT_ID=222493; P. Goldstein, Copyright's Highway, from Gutenberg to the Celestial Jukebox, New York: Hill and Wang 1994. Return to Text

[6]  M.J. Meurer, 'Price Discrimination, Personal Use and Piracy: Copyright Protection of Digital Works', Buffalo Law Review 1997, p. 845 e.v. Return to Text

[7]  In Europees verband werd voor het eerst gesproken over de bescherming van technische voorzieningen in het Groenboek over het auteursrecht en de uitdaging der technologie, 30.1.1989, COM (88) 172 def., §§ 3.6.4-3.15.9.1. Aanleiding hiervoor was de angst voor de digitale thuiskopie. Return to Text

[8]  Artikel 18 van het WIPO Verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen gebiedt hetzelfde ten aanzien van systemen die verhinderen om nabuurrechtelijk relevante handelingen te verrichten. Return to Text

[9]  Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 48/2000 door de Raad van 28 september 2000 vastgesteld met het oog op de aanneming van Richtlijn 2000/.../EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, PbEG C 344/1 (1.12.2000). Return to Text

[10]  Zie E.J. Arkenbout, 'Nieuw auteursrecht op komst', Informatierecht/AMI 2000, p. 129-130. Return to Text

[11]  Voor een uitgebreide analyse van deze bepaling zij verwezen naar K.J. Koelman, 'Bescherming van technische voorzieningen', te verschijnen in AMI 2001-1. Return to Text

[12]  Zie Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, Brussel, 10.12.1997 COM(97) 628 def., en Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, Brussel, 21.05.1999 COM(99) 250 def. Return to Text

[13]  Nr. 43 van de Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk Standpunt. Return to Text

[14]  Een expliciet 'recht van toegang' of een exclusief 'leesrecht' ontbreken uiteraard. Het is echter verdedigbaar dat een recht van toegang kan worden herleid uit het 'recht van tijdelijke verveelvoudiging'. Om een gedigitaliseerd werk toegankelijk te maken, dient het - bij de huidige stand van de techniek - tijdelijk in het werkgeheugen van een PC te worden gereproduceerd. Of dergelijke tijdelijke verveelvoudigingen onder het regime van de Richtlijn een inbreuk zullen opleveren hangt af van de interpretatie van artikel 5 lid 1 dat de tijdelijke technische kopie die nodig is voor 'rechtmatig gebruik' uitzondert van het ruim geformuleerde verveelvoudigingsrecht van artikel 2. Zie hierover P.B. Hugenholtz, 'Brussels broddelwerk, Recht en krom in de Auteursrechtrichtlijn', te verschijnen in AMI 2001-1. Return to Text

[15]  Nr. 45 van de Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk Standpunt. Return to Text

[16]  Zie over toegangscontrole in eerdere ontwerpen van de Auteursrechtrichtlijn S. Dusollier, 'Electrifying the Fence: The Legal Protection of Technological Measures for Protecting Copyright', European Intellectual Property Review 1999, p. 285-297; K.J. Koelman, 'A Hard Nut to Crack: The Protection of Technological Measures', European Intellectual Property Review 2000, p. 274-278. Return to Text

[17]  In nr. 44 van de Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk Standpunt geeft de Raad aan dat de faciliteringsverplichting de contractsvrijheid niet mag aantasten. Return to Text

[18]  Met name in België dat het unieke artikel 23bis van de Auteurswet kent, dringt deze vraag zich op. Die bepaling stelt dat de wettelijke beperkingen niet bij overeenkomst mogen worden uitgeschakeld. Return to Text

[19]  Zie uitgebreid over dergelijke procedures R. Julia-Barcelo & K.J. Koelman, 'Intermediary Liability in the E-commerce Directive: So Far, So Good, But It's Not Enough', Computer Law & Security Report 2000, p. 231-239; zie ook J.P. Triaille, 'Un nouveau cadre européen pour le commerce électronique', Auteurs & Media 2000, p. 273-275. Return to Text

[20]  Het programma 'Copyright Agent' is beschikbaar op http://www.copyright.net. Return to Text

[21]  Shapiro en Varian geven twee voorbeelden van eerdere situaties - de opkomst van de volksbibliotheek in de negentiende en de opkomst van de videorecorder in de twintigste eeuw - waarin rechthebbenden er door veranderende omstandigheden op het eerste gezicht op achteruit zouden gaan en ach en wee klaagden, maar waarvan zij uiteindelijk juist profiteerden. Ook al werden (in de Verenigde Staten) geen extra rechten toegekend. Van de populariteit van de videorecorder werd geprofiteerd door de prijs van koopvideo's substantieel te verlagen, waardoor de markt vergroot en zelf opnemen minder aantrekkelijk werd. Inmiddels vormt de koopvideomarkt een belangrijke extra bron van inkomsten voor de filmstudio's. Shapiro en Varian suggereren dat bij veranderende omstandigheden niet het recht, maar de exploitatiemodellen moeten worden aangepast. C. Shapiro & H.R. Varian, Information Rules, Boston: Harvard Business School Press 1999, p. 94-97 (zie http://www.inforules.com/). Return to Text

[22]  Zie artikel 12 van het Gemeenschappelijk Standpunt. Return to Text

[23]  Zie T.W. Bell, 'Fair Use vs. Fared Use: The Impact of Automated Rights Management on Copyright's Fair Use Doctrine', North Carolina Law Review 1998, p. 557 e.v. Return to Text

[24]  Zie L.M.C.R. Guibault, 'Contracts and Copyright Exemptions', in : P.B. Hugenholtz (red.), Copyright and Electronic Commerce, The Hague/London/Boston: Kluwer 2000, p. 128-142. Return to Text

[25]  Bell 1998, supra nt 23, p. 592-596. Return to Text

[26]  Waar het de technische bescherming van films op DVDs betreft zijn de filmstudio's erin geslaagd om langs een andere weg af te dwingen dat elektronicaproducenten technische voorzieningen inbouwen. Films worden volgens een geoctrooieerd systeem versleuteld (het zogenaamde Content Scrambling System of CSS) op de disks gezet. Wie een speler wil produceren die versleutelde films kan afspelen, zal een licentie moeten verwerven om de benodigde decoder rechtmatig te kunnen inbouwen. In de licentie wordt onder meer vereist dat een kopieerbeveiliging wordt aangebracht. Zie D.S. Marks and B.H. Turnbull, 'Technological Protection Measures: The Intersection of Technology, Law and Commercial Licences', EIPR 2000, p. 204-208. Return to Text

[27]  De muziekindustrie is met vallen en opstaan bezig om zo'n code te ontwikkelen in het Secure Digital Music Initiative.


Geplaatst 30.01.2001