| Eens, nog niet zo lang
geleden, was het onduidelijk of computerprogramma’s door een
intellectueel eigendomsrecht beschermd werden. Het zekere voor
het onzekere nemend beperkten software-producenten daarom
contractueel de gebruiksmogelijkheden van hun afnemers. Begin
jaren zeventig, toen computers nog niet voor het volk waren,
werd over die contracten altijd onderhandeld, zoals dat nog
steeds gebeurt bij grote automatiseringsprojecten. Later, toen
programmatuur een consumentenproduct werd, stelden producenten
hun belangen zeker door algemene voorwaarden aan hun producten
toe te voegen. Ondanks het feit dat het inmiddels buiten kijf
staat dat software onder het auteursrecht valt, en
gebruikersovereenkomsten daarom op het eerste gezicht
overbodig lijken, gaan de meeste computerprogramma's nog
altijd met een gebruikslicentie gepaard. Deze gewoonte heeft
zich inmiddels uitgebreid tot andere informatieproducten die
in digitale vorm verspreid worden, zoals bijvoorbeeld op een
CD-rom of via het Internet. Vaak nemen de
gebruikersovereenkomsten de gedaante aan van een
shrink-wrap of click-wrap licentie. De gebruiker
zou instemming met de voorwaarden betuigen door het openmaken
van de verpakking of het klikken op de virtuele knop met `I
agree'. In de
Verenigde Staten heeft men gemeend dat een specifieke wet die
de licentiëring van informatieproducten regelt noodzakelijk
is. Hiertoe is men bezig een nieuw art. 2B van de Uniform
Commercial Code (UCC) te ontwerpen. Dit `artikel' is met
het gebruikelijke Amerikaanse oog voor detail uitgewerkt en
beslaat vele paragrafen. Het zou voor wat betreft de omvang
met gemak een boek van ons BW kunnen vullen. Hoewel de
benaming wellicht anders doet vermoeden, heeft de UCC geen
rechtskracht. Het is een modelwet die geïmplementeerd dient te
worden door de afzonderlijke Amerikaanse Staten. De artikelen
die de verkoop van goederen en lease-overeenkomsten betreffen
zijn in de meeste Staten vrijwel woordelijk overgenomen. De
ontwerpers van het nieuwe art. 2B UCC hebben nu de ambitie de
vrucht van hun arbeid na acceptatie door de Amerikaanse Staten
over de wereld te exporteren. De hoogste tijd dus om de regels
van de modelwet in een Europees en Nederlands perspectief te
zetten. De laatste uitgave in de Molengrafica-serie
(nr. 11) voorziet in deze behoefte.
(De verschillende drafts
van art. 2B UCC zijn beschikbaar op:
http://www.law.upenn.edu/library/ulc/ulc.htm#ucc2b. In
april jongstleden, na uitgave van het hier besproken boek, is
besloten art. 2B uit de UCC te halen en in plaats daarvan tot
een aparte Uniform Computer Information Transactions Act
te komen. Substantieel lijkt hierdoor weinig te veranderen. De
bepalingen van art. 2B worden merendeels overgeheveld. De
opstellers van de modelwet gaan er echter vanuit dat snelle
acceptatie door de Staten zo waarschijnlijker is.)
Het eerste deel van de bundel
behandelt problemen bij internationale transacties. Het tweede
is gewijd aan het voorgestelde art. 2B UCC. Dit tweede deel
wordt hier besproken. In een viertal bijdragen worden
verschillende aspecten van de ontwerp-modelwet onder de loep
genomen. Deel II begint met het opstel `The Tension between
Intellectual Property & Contracts in the Information Age: An
American Perspective' (p. 163-193) van de Amerikaanse
law-professors P. Samuelson en K. Opsahl, waarin kort de
voorgeschiedenis, achtergronden en inhoud van de bepaling
worden behandeld. Klaarblijkelijk was onzekerheid omtrent de
geldigheid van shrink-wrap en click-wrap-licenties
één van de voornaamste redenen om het project ter hand te
nemen. Toen het project van start ging wilde men alleen
software-licenties regelen, later zou de licentiëring van alle
informatieproducten eronder vallen. Na stevige kritiek uit
verschillende hoeken, met name van de filmindustrie die van
mening is dat de gebruiken uit de software-industrie, welke
art. 2B codificeert, niet zomaar naar andere branches
overgeheveld kunnen worden, neigt men er inmiddels naar weer
alleen softwarelicenties te willen regelen. Samuelson en
Opsahl gaan vervolgens vooral in op de verhouding tussen de
persoonlijke rechten die gecreerd worden door
gebruikslicenties en absolute intellectuele eigendomsrechten
die een puur wettelijke basis hebben. Zij tonen aan dat het
heel goed mogelijk is dat middels contracten `absoluut
recht-achtige' bescherming wordt geschapen. Als bijvoorbeeld
een CD-rom na opstarten altijd een licentie vertoont en
eenieder daaraan gebonden zou zijn door die onder ogen te
krijgen, zou ook iemand die een exemplaar op straat vindt en
vervolgens afspeelt wanprestatie kunnen plegen door in strijd
met de voorwaarden te handelen. Zo zou een informatieproducent
contractueel een recht `tegen de wereld' kunnen creëren.
Waar een met het auteursrecht
vergelijkbare bescherming geboden wordt gaat in de Verenigde
Staten het leerstuk van de pre-emption een rol spelen.
Op basis van de Grondwet is het verlenen van intellectuele
eigendomsrechten voorbehouden aan de federale wetgever. In de
Amerikaanse auteurswet heeft die vervolgens bepaald dat het de
afzonderlijke Staten niet toegestaan is een bescherming te
verlenen die vergelijkbaar is met die van het auteursrecht. Nu
het contractenrecht op het niveau van de Staten is geregeld,
en de Staten, als zij art. 2B UCC zouden implementeren, een
contractuele absoluut recht-achtige bescherming zouden
bekrachtigen, kan zulks in conflict komen met de Grondwet en
de auteurswet. Vermengd met deze procedurele kant van de zaak
zijn vragen van substantieel recht en rechtspolitieke
kwesties. De Amerikaanse Grondwet staat de federale wetgever
toe intellectuele eigendomsrechten te verlenen `to promote
the progress of science [and] the useful arts'. Volgens
vaste rechtspraak van het Supreme Court betekent dit
dat het uiteindelijke streven van het auteursrecht niet is om
te verzekeren dat de rechthebbende gecompenseerd wordt voor
diens inspanningen of investeringen, maar om de publieke
beschikbaarheid van informatie te bevorderen, wat ten goede
van de maatschappij als geheel zou komen. Juist daarom is het
auteursrechtelijke monopolie beperkt in duur, tot `werken' en
door middel van de wettelijke beperkingen van het recht. Dit
informatiebeleid zou gedwarsboomd worden als rechthebbenden
het gebruik van informatie contractueel verder beperken dan
zij op basis van het auteursrecht kunnen door bijvoorbeeld in
een gebruikslicentie te verbieden dat uit een werk geciteerd
wordt. De `delicate balance' die in het auteursrecht
besloten ligt zou verstoord worden.
Als een Nederlands equivalent
van de Amerikaanse pre-emption kan wellicht de
`negatieve reflexwerking' van de intellectuele
eigendomsrechten beschouwd worden, zoals de Hoge Raad die in
het Decca-arrest heeft uitgedrukt. Cohen Jehoram vat de
boodschap van de Hoge Raad als volgt samen: "het gaat niet aan
om zomaar via art. 1401 BW een bescherming te verlenen, die de
wetgever van de intellectuele eigendomswetten blijkens de
daarin neergelegde begrenzingen niet heeft willen verlenen".
Verschil met de door art. 2B UCC opgeworpen problematiek is
dat het in dit geval niet ging om een uitbreiding van
bescherming door middel van contracten, maar één op grond van
de onrechtmatige daad. Als echter door eindgebruikerslicenties
een vergelijkbare vrijwel absoluutrechtelijke bescherming
geconstrueerd zou kunnen worden, zouden eveneens prestaties
die niet met het object van een een intellectueel
eigendomsrecht `op één lijn' staan (feitelijk) op een
intellectueel eigendomsrecht-achtige bescherming kunnen
rekenen, wat wellicht strijdig zou zijn met het
informatiebeleid van de Nederlandse wetgever. (HR 27 juni
1986, NJ 1987, 191. Cohen Jehoram in diens noot in
Ars Aequi 1988, p. 257-263 - ook gepubliceerd in
Jurisprudentie en annotaties intellectuele eigendom,
1953...1998, Ars Aequi 1998, p. 404.)
In de Amerikaanse literatuur
is het een punt van dispuut of de nieuwe modelwet
uitdrukkelijk clausules in gebruikslicenties nietig zou moeten
verklaren die met het in de auteurswet uitgedrukte
informatiebeleid conflicteren. Wellicht zal naleving van een
dergelijke contractsbepaling door de pre-emption regel
niet afgedwongen kunnen worden. Zeker is dat echter
allerminst. Amerikaanse rechters oordelen nu eens dat de
beperkingen van het auteursrecht niet weggecontracteerd kunnen
worden, dan weer dat zoiets wel mogelijk is. Met name waar het
om consumentenlicenties gaat zou volgens sommigen een verbod
op het buiten werking stellen van de beperkingen van het
auteursrecht van belang zijn. Een wet die speciaal
`informatielicenties' regelt zou wellicht een geschikte plaats
zijn voor een dergelijke bepaling. Andere commentatoren geven
de voorkeur aan de contractsvrijheid met het argument dat
alles goed komt – beter zelfs – als aan de markt vrij spel
wordt gelaten.
In Europa zijn wettelijke
beperkingen van de contractsvrijheid niets nieuws, ook niet
waar overeenkomsten auteursrechten betreffen. In verschillende
Europese landen bestaan bepalingen die bepaalde clausules in
auteursrechtelijke overeenkomsten nietig of vernietigbaar
verklaren. Deze zijn erop gericht de verhouding
auteur-exploitant te regelen en hebben als ratio de zwakkere
auteur te beschermen denk aan art. 2 Aw. Nu echter ook met de
verondersteld zwakkere consument gecontracteerd wordt, is het
wellicht opportuun de relatie tussen de exploitant en de
consument te regelen. Deze materie wordt uitgebreid besproken
door F.W. Grosheide in diens concluderende bijdrage aan de
bundel, getiteld `Mass-Market Exploitation of Digital
Information by the Use of Shrink-Wrap and Click-Wrap Licenses:
A Dutch Perspective on Article 2B UCC' (p. 263-319). Hij
behandelt de Amerikaanse modelwet vanuit een voornamelijk
contractrechtelijke optiek en plaatst die in de context van
het Nederlandse recht. Hij begint echter met een algemene
beschouwing over de ontwikkeling van het auteursrecht
naar een producentenrecht (dit is een vrije vertaling,
Grosheide heeft het over een evolutie naar een `entrepreneurial
copyright'). Vervolgens constateert hij dat de consument
in het exploitatieproces getrokken wordt, althans een
exploitatierecht kan schenden (door bijvoorbeeld een
tijdelijke reproductie in het RAM-geheugen te maken) of als
een exploitant behandeld wordt, omdat met hem gecontracteerd
wordt, wat tot voor kort alleen met exploitanten gedaan werd.
Toch kan moeilijk beweerd kan worden dat niet-commercieel
privé-gebruik van een werk een vorm van `exploiteren' is: er
wordt immers niets te gelde gemaakt.
Hoe het ook zij, als met
consumenten licenties gesloten worden is er wellicht reden
regels vergelijkbaar met die van de consumentenkoop in Boek 7
BW te overwegen. Aangezien deze bepalingen echter op de
verkoop van goederen betrekking hebben, en een
auteursrechtelijke licentie een geheel ander karakter heeft,
zijn die niet toegesneden op de problemen die zich voordoen
waar informatie in licentie gegeven wordt. Menig Amerikaans
rechter heeft zijn tanden reeds stukgebeten op het verschil in
karakter tussen de verkoop van de drager (bijvoorbeeld een
CD-rom) en de gebruikslicentie die op de gedragen informatie
betrekking heeft. Vaak werd dan simpelweg het recht dat van
toepassing is op de koop analoog toegepast op de licentie,
waardoor de shrink-wrap-licentie niet zonder meer
geldig was. Zoals gezegd was dit één van de redenen om aan
art. 2 UCC,
|