De overdracht overdacht
Artikel 2 Auteurswet en de elektronische rechten
Verschenen in Informatierecht/AMI mei 1998, p. 69-79

K.J. Koelman [*]


 
De elektronische media tieren welig. Steeds meer werken worden op CD-rom of het Internet verspreid. `Elektronische rechten' is de verzamelnaam voor de auteursrechten benodigd om een werk in een digitale omgeving te verveelvoudigen en openbaar te maken. Als rechten op een ouder werk overgedragen of in licentie gegeven zijn, kan art. 2 Auteurswet (Aw) voor onduidelijkheid zorgen m.b.t. de vraag wie over de elektronische rechten kan beschikken.[1]

De onduidelijkheid wordt veroorzaakt doordat de formulering van de bepaling niet geheel ondubbelzinnig is. Hoewel in het eerste lid gemeld wordt dat het auteursrecht voor gehele en gedeeltelijke overdracht vatbaar is, wordt in het tweede lid gesteld dat die overdracht alleen die bevoegdheden omvat die in de akte zijn vermeld of uit de aard of de strekking van de titel noodzakelijk voortvloeien. Merkwaardig genoeg is er geen vaste rechtspraak met betrekking tot dit aspect van het artikel.[2]  Recentelijk is uitspraak gedaan in een zaak waarin het recht werken op CD-rom en Internet te exploiteren betwist werd, maar deze beslissing kan slechts op een beperkt aantal gevallen analoog toegepast worden.[3]  We moeten het doen met de wetsgeschiedenis en wat de rechtsgeleerden geschreven hebben.

De geleerden zijn verdeeld in twee kampen. Sommigen menen dat uit de wetsgeschiedenis te herleiden is dat in Nederland de zogenaamde doeloverdrachtsleer geldt. Als dat zo zou zijn zou bij afwezigheid van een opsomming van specifieke exploitatierechten de overeenkomst zo uitgelegd dienen te worden dat alleen die rechten zijn overgedragen die de contractanten bij het sluiten van het contract primair voor ogen hadden. In een dergelijk geval zou de overeenkomst altijd restrictief uitgelegd dienen te worden, zelfs als van `het gehele auteursrecht' of `alle auteursrechtelijke aanspraken' gesproken wordt. Het andere kamp meent dat alleen als de overeenkomst niet duidelijk is of als het gaat om een gedeeltelijke overdracht de overeenkomst in het voordeel van de auteur uitgelegd zou moeten worden.

Als de doeloverdrachtsleer inderdaad zou gelden, zou de overdacht van rechten op nog niet bestaande exploitatievormen onmogelijk zijn. Niet bestaande exploitatiewijzen kunnen immers onmogelijk specifiek opgesomd worden en ook een overdracht van `rechten op alle huidige en toekomstige wijzen van exploiteren' zou geen soelaas kunnen bieden. Omdat de voorstanders van deze leer zich beroepen op de wetsgeschiedenis wordt hieronder allereerst onderzocht welke conclusies daaruit te trekken zijn. Vervolgens zal bekeken worden hoe de verschillende rechtsgeleerden art. 2 Aw geïnterpreteerd hebben. Daarna zal de verhouding tussen deze bepaling en het BW bestudeerd worden, waarbij met name aandacht wordt besteed aan de mogelijkheid van het verhandelen van toekomstige goederen. Verder zal op de vraag ingegaan worden in hoeverre art. 2 Aw op licenties van (analoge) toepassing is en zal nagegaan worden of de derdenbescherming de opvolgende verwerver enig soelaas kan bieden.

Totstandkoming

In 1912 is de voorloper van het huidige art. 2 Aw in de Auteurswet opgenomen. In het wetsontwerp werd gesteld dat het auteursrecht voor `geheele of gedeeltelijke' overdracht vatbaar zou zijn, maar dat alleen de gehele overdracht schriftelijk zou dienen te geschieden. Blijkens de MvT zou een bestaande praktijk gedwarsboomd worden als ook de gedeeltelijke overdracht bij geschrift zou moeten plaatsvinden.[4]  Het artikel zou opgevat moeten worden als een lex specialis t.o.v. art. 668 oud BW, waarin vermeld werd dat voor levering van `onligchamelijke zaken' een authentieke of onderhandse akte noodzakelijk was. Voor overdracht van auteursrecht zou volgens de Minister `ieder geschrift' waaruit de bedoeling van de partijen zou blijken voldoende zijn.

Uit het Voorlopig Verslag blijkt dat de Kamer meteen al morde over deze regeling. Men zei dat de praktijk niet de mogelijkheid van stilzwijgende gedeeltelijke overdracht vereiste, want een auteur kan "zeer wel het auteursrecht geheel behouden, terwijl hij zich stilzwijgend verbindt de reproductie voor zoveel nodig toe te laten". Bovendien was men van mening dat "jeugdige, onervaren auteurs" van de regeling het slachtoffer zouden worden, nu een eenvoudige quitantie voor de gehele overdracht voldoende zou zijn en gedeeltelijke overdracht zelfs stilzwijgend zou kunnen geschieden. Er zou voor gewaakt moeten worden dat de auteur de gevolgen van een overdracht niet ten volle zou kunnen beoordelen. Daarom werd geopperd, overeenkomstig art. 668 BW, voor elke overdracht een akte te vereisen. Verder werd voorgesteld aan te haken bij een Duitse wet waarin bepaald werd dat alleen die rechten in de overdracht begrepen zijn welke of uitdrukkelijk in de overeenkomst genoemd zijn of in verband met haar inhoud door partijen bedoeld zijn. Minister van Justitie Regout kon zich daar niet in vinden. Hij achtte het onwenselijk een bepaling op te nemen die tot gevolg zou hebben dat een "overdracht van `het auteursrecht' zonder eenige nadere aanduiding of beperking, zou kunnen worden geïnterpreteerd als te bedoelen eene slechts gedeeltelijke overdracht". Met de eis dat gehele overdracht bij akte zou moeten geschieden had hij minder moeite. In het Gewijzigd Ontwerp werd gesteld dat voor gehele overdracht een akte noodzakelijk was, gedeeltelijke overdracht zou nog steeds stilzwijgend kunnen geschieden.

Kamerlid H.L. Drucker diende daarop een amendement in. De tekst daarvan is in het huidige art. 2 lid 2 Aw nog grotendeels terug te vinden: "Geheele of gedeeltelijke overdracht van het auteursrecht kan niet anders geschieden dan door middel van eene [...] akte. Zij omvat alleen die bevoegdheden, waarvan de overdracht in de akte is vermeld of uit de aard en de strekking der gesloten overeenkomst noodzakelijk voortvloeit." Uit de Handelingen blijkt dat Drucker hiermee beoogde de belangen van de auteurs meer tot hun recht te laten komen. Zij zouden tegen `ondoordachte overdracht' beschermd moeten worden. Het commerciele inzicht van degene die auteursrechten verwerft zou groter zijn dan dat van de auteur, de laatste verdiende daarom bescherming. De koper van de rechten zou zeer wel voor zich zelf kunnen zorgen. Bovendien zou het Gewijzigde Voorstel van Regout ook in een ander opzicht in het nadeel van de auteur uitvallen, omdat volgens art. 1509 BW onduidelijkheden in een overeenkomst ten nadele van de verkoper uitgelegd moesten worden. Ook op dit punt diende in de Auteurswet een correctie op het BW gemaakt te worden.

Hierna ontspon zich een retorisch steekspel tussen Drucker en Regout. In grote lijnen verliep dat als volgt: Regout meende dat net als bij de verkoop van onroerend goed al de bestanddelen zonder opgesomd te worden inbegrepen waren, ook het hele auteursrecht voor overdracht vatbaar zou moeten zijn zonder dat specifieke bevoegdheden genoemd zouden moeten worden. Drucker antwoordde dat er een verschil is tussen de verkoop van een huis en van auteursrecht. Het is juist de ontastbaarheid van het auteursrecht waardoor minder geraffineerde mensen moeilijker zouden kunnen overzien wat er gebeurt. Regout kwam toen met een opsomming van geleerde schrijvers waarmee hij aan wilde geven dat auteurs niet onderontwikkeld zijn: "Het staat toch vast, dat wij hier beschermen een soort intellectueelen eigendom. Wij beschermen hier het intellect..." en juist dat intellectuele deel van het volk zou tegen `arglistigen' beschermd moeten worden? Drucker repliceerde met de opmerking dat de genoemde personen dan misschien intellectueel zeer ontwikkeld zijn, in commercieel opzicht zijn zij toch de minderen van uitgevers. Een andere kaart die Regout uit wilde spelen was een referentie naar art. 1375 BW, waarin gesteld werd dat overeenkomsten niet alleen verbinden tot datgene wat uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot dat wat naar de aard van de overeenkomst door billijkheid, de gebruiken of de wet gevorderd wordt. Het amendement zou niet een uitbreiding, maar een `inkrimping' van de inhoud van overeenkomsten tot gevolg hebben, waardoor al te zeer van het gemene recht zou worden afgeweken, wat praktische problemen op zou leveren. Volgens Drucker echter lag het door hem voorgestelde amendement juist in het verlengde van art. 1375 BW. Door het zo te zien zou ook een ander bezwaar van de Minister, namelijk dat het onpraktisch zou zijn steeds alle bevoegdheden in een akte op te sommen, weggenomen worden. Doordat de overeenkomst naar haar aard en strekking uitgelegd diende te worden, zou het niet fataal zijn zo'n opsomming achterwege te laten.

Het meest expliciet was Drucker in zijn slotwoord: "Waar het op aankomt, wil ik de Kamer nog met twee woorden trachten duidelijk te maken. Het is dit, dat de maker van een kunstwerk, van welke aard ook, zijn auteursrecht in grooter of kleiner omvang niet kan kwijtraken, zonder dat hij dit zelf weet".[5]  Met 31 tegen 21 stemmen werd het amendement vervolgens aangenomen.

Wetswijziging van 1989

Pas in 1989 werd weer over art. 2 Aw gesproken. In het kader van de invoering van het nieuwe BW was het noodzakelijk in de bepaling enige wijzigingen aan te brengen. Het oude eerste lid: "Het auteursrecht wordt beschouwd als een roerende zaak", kwam te vervallen, omdat blijkens art. 3:2 jo 3:3 lid 2 BW het begrip roerend alleen voor stoffelijke objecten bedoeld is. De woordkeus van het huidige tweede lid werd ontleend aan die van het BW. Nu wordt gesproken van `levering', zoals dat volgens art. 3:84 BW noodzakelijk is voor overdracht. Die bepaling vereist een levering krachtens geldige titel verricht door een beschikkingsbevoegde. Dat de voor overdracht van het auteursrecht noodzakelijke levering een akte vereist is, blijkt volgens de MvT `strikt genomen' al uit de artt. 3:95 en 3:96 BW, die respectievelijk de levering in andere gevallen dan expliciet in het BW genoemd en de levering van een aandeel in een goed regelen. Verder wordt opgemerkt dat de derdenbescherming van art. 3:88 BW van toepassing is. Door die bepaling wordt onder omstandigheden de derde verkrijger van een goed dat niet roerend, geen recht aan toonder of order en geen registergoed is, beschermd. Ook volgens het gewijzigde art. 2 Aw is het auteursrecht vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht en de `overdracht omvat alleen die bevoegdheden waarvan dit in de akte is vermeld of uit de aard of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit'. Hier en daar werd een woordje aan deze frase veranderd. Inhoudelijk werd er echter geen aandacht aan besteed.

Het huidige tweede lid komt voort uit het amendement-Drucker. Het lijkt daarom voor de hand liggend daar de betekenis aan toe te kennen die Drucker er aan wilde geven. Geïnterpreteerd conform de wetsgeschiedenis is de strekking van de bepaling daarom de zwakkere auteur te beschermen tegen ondoordachte overdracht.[6]

Soetenhorst en Cohen Jehoram zijn een andere mening toegedaan. Zij menen dat een stuk dat Scholten in 1912 in het WPNR schreef bij de beoordeling van de betekenis van de wetsgeschiedenis betrokken moet worden.[7]  Daarom zou uit de parlementaire geschiedenis blijken dat de doeloverdrachtsleer geldt. Scholten schreef dat het zijn inziens "het beste [zou] zijn, indien bepaald werd dat een overdracht van auteursrecht niet meer bevat dan de bevoegdheden die uitdrukkelijk vermeld zijn of wier overgang voor een richtige uitvoering van de overeenkomst op grond waarvan wordt overgedragen noodzakelijk is."[8]  Dit lijkt inderdaad een beschrijving van de doeloverdrachtsleer te zijn. Dat Drucker kennelijk de bewoording van zijn amendement voor een groot gedeelte had overgenomen van het stuk van Scholten, doet er echter niet aan af dat het kamerlid er de nadruk op legde dat zijn bedoeling was dat auteurs niet `per ongeluk' rechten overdragen en niet dat iedere overdracht altijd restrictief uitgelegd dient te worden.

De geleerden

Zoals gezegd bestaat er verschil in opvatting over de interpretatie van art. 2 Aw. Hieronder worden in chronologische volgorde de meningen van verschillende rechtsgeleerden weergegeven.

In 1913 schreef Snijder van Wissenkerke over art. 2 Aw: "Bij overdracht van `het auteursrecht' zonder meer aan een uitgever, is zij, daar geen bevoegdheden uitdrukkelijk worden vermeld, beperkt tot hetgeen die uitgever voor zijn onderneming behoeft...".[9]  De Beaufort meende in 1932 "dat de bedoeling van deze bepaling is [...] te voorkomen dat bevoegdheden, waaraan bij het sluiten der overeenkomst door partijen en in het bijzonder de overdragende partij niet werd gedacht [...] ongemerkt overgedragen zouden worden. Indien dus bijvoorbeeld in een uitgave-contract betreffende een roman de uitgever zich verbindt tot de uitgave en de auteur hem daartoe `het auteursrecht' of zelfs `het volledige auteursrecht' overdraagt, zal alleen zijn overgedragen het recht van uitgave in de oorspronkelijke taal en vorm. [...] Eene volledige overdracht van het auteursrecht, zoo dat de overdragende partij niets meer zelf overhoudt, zal dus wel nooit, of hoogst zelden, voorkomen."[10]  Deze schrijvers meenden dat alleen de exploitatievormen die de partijen bij sluiting van het contract primair voor ogen stonden in de overdracht betrokken konden zijn, tenzij anders zou blijken uit de opsomming van exploitatiewijzen.

Van Oven merkte in 1940 op dat art. 2 Aw, geïnterpreteerd conform de bovenstaande opvattingen, een `contradictio in se' oplevert. Immers: eerst wordt gesteld dat het auteursrecht voor gehele overdracht vatbaar is en vervolgens blijkt gehele overdracht door de restrictieve interpretatie van de overdracht onmogelijk. De opvatting van De Beaufort was volgens Van Oven daarom niet houdbaar. Hij meende dat de interpretatie volgens de aard en de strekking alleen dan voorgeschreven zou zijn, als het zou gaan om een gedeeltelijke overdracht.[11]  Van Oven schreef: "Als dus wordt overgedragen `het auteursrecht', ook zonder toevoeging van `geheel' of `volledig', dan kan dit niet anders medebrengen dan dat de auteur zijn auteursrecht volslagen verliest."[12]  Minister Regout legde zijn vinger op het door Van Oven gesignaleerde probleem toen hij in 1912 bij de totstandkoming van de bepaling als tegenargument gebruikte dat door het amendement "ook bij de algehele overdracht van auteursrecht toch nog de verplichting [zou] bestaan om in de akte te noemen, uit welke elementen dat algehele auteursrecht bestaat".[13]  Helaas lijkt hij de tegenspraak niet opgemerkt te hebben. Als hij dat wel had gedaan had hij die vermoedelijk krachtiger in stelling gebracht. Dan zou nu wellicht wat minder onduidelijkheid bestaan met betrekking tot de interpretatie van art. 2 Aw. Van Oven zegt niet specifiek iets over de overdracht van bevoegdheden t.a.v. toekomstige exploitatievormen. Maar als de auteur zijn auteursrecht `volslagen verliest', is voorstelbaar dat hij daarmee ook de rechten t.a.v. toekomstige exploitatievormen verloren heeft.

Gerbrandy zat 50 jaar na Van Oven en in navolging van Pfeffer, wiens handboek hij voortzette, op dezelfde lijn (Pfeffer was eerder een andere mening toegedaan[14] , maar heeft zich door Van Oven laten overtuigen). Ook Gerbrandy meent dat overdracht van `het auteursrecht' betekent dat de auteur alles kwijt is. Maar alleen alles wat hij al had. De auteur kan niet die bevoegdheden overgedragen hebben welke hem ten tijde van de overdracht (hij bedoelt blijkens de arresten waar hij naar verwijst: voordat de Auteurswet in 1912 in werking trad[15] ) wettelijk nog niet toekwamen en evenmin kan hij de rechten op toekomstige exploitatievormen overgedragen hebben. Hij lijkt tot deze conclusie te komen zonder aan de (huidige) tweede zin van art. 2 lid 2 Aw toe te komen (die behandelt hij pas in het volgende nummer). De `aard of strekking' van de overeenkomst zou wel invloed kunnen hebben op de uitlegging van een gedeeltelijke overdracht. Het zou zelfs voor kunnen komen dat die daardoor verruimd zou worden. Auteursrecht op een toekomstig werk acht hij overigens wel overdraagbaar, zolang het nog niet bestaande werk `naar inhoud en karakter voldoende bepaald' is (overeenkomstig Hof Amsterdam 3 december 1936, NJ 1937, 13, zie hierna).[16]

Cohen Jehoram noemde de zin uit de tweede druk van Gerbrandy's handboek die luidt: "Een akte waarin de rechthebbende overdraagt: `het auteursrecht' heeft tot gevolg dat de wederpartij het volledige recht verwerft", `de gevaarlijkste zin'. Hij meent dat deze uitspraak `in vierkante strijd' met de wetsgeschiedenis en de woorden van de wet is: "Alsof de geschiedenis van art. 2 niet bestaan heeft. Alsof de woorden zelf van art. 2 de lezing-Van Oven-Pfeffer-Gerbrandy zouden toelaten. Alsof niet ook de bedoeling van Drucker, Paul Scholten, De Beaufort en de kunstenaarsverenigingen [die in 1912 hadden aangedrongen op extra bescherming voor de auteur] indertijd, inderdaad een uitermate groot praktisch belang van de auteur dient, dat men dan ook in latere buitenlandse wetten en rechtspraak als een beschermd belang terug kan vinden."[17]  Elders stelt hij dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de restrictieve uitleg voor zowel gehele als gedeeltelijke overdracht geldt. In de lijn van De Beaufort meent hij dat als een vage, globale clausule als `het gehele auteursrecht wordt overgedragen' gebruikt wordt, `deze in zijn onbepaaldheid geen effect' heeft.[18]

De leer van de zogenaamde `Zweckubertragung' geldt volgens Cohen Jehoram als een opsomming van bevoegdheden ontbreekt. Daardoor wordt overdracht van het auteursrecht slechts aangenomen "in de mate dat deze overdracht noodzakelijk is voor het bereiken van het doel dat met het contract wordt nagestreefd". Uit art. 2 Aw "wordt tevens afgeleid dat geen overdracht mogelijk is van bevoegdheden waaraan partijen ten tijde van de overdracht onmogelijk kunnen hebben gedacht".[19]  Daarom kunnen rechten t.a.v. toekomstige exploitatiewijzen niet overgedragen worden. Ze bestaan (of bestonden) niet dus kan er onmogelijk aan gedacht zijn.

Dezelfde teneur treft men aan bij Wichers Hoeth. Die schrijft dat de bedoeling van art. 2 Aw is de auteur te beschermen tegen overgang van bevoegdheden waaraan bij de overdracht niet is gedacht of niet kon worden gedacht. "Gelet op de strekking der bepaling dient ook dan [als het gaat om een uitdrukkelijke volledige overdracht van het auteursrecht] in beginsel de toepasselijkheid te worden aangenomen."[20]  Kennelijk acht hij rechten t.a.v. toekomstige exploitatievormen nooit overdraagbaar, maar ziet hij wel een mogelijkheid voor overdracht van het gehele auteursrecht (hij zegt immers: `in beginsel').

Van Lingen meent dat het auteursrecht in zijn geheel kan worden overgedragen, als dat uitdrukkelijk in de akte vermeld is ('het auteursrecht in zijn meest volledige wettelijke omvang, zonder voorbehoud van enige bevoegdheid'). Of rechten op toekomstige exploitatiewijzen overgedragen kunnen worden is volgens Van Lingen nog maar de vraag. Een ontkennend antwoord lijkt hem hier op zijn plaats te zijn, maar "het contract kan anders bepalen".[21]  Dit lijkt erop te wijzen dat hij van mening is dat, als dat uitdrukkelijk overeengekomen is, rechten op toekomstige exploitatievormen overgedragen kunnen worden.

Spoor en Verkade menen dat overdracht van het gehele auteursrecht wel degelijk gewild kan zijn en daarom in de aard of strekking van de overeenkomst besloten kan liggen. Met name is dat het geval als gesproken wordt van `het volledige auteursrecht', `alle auteursrechtelijke aanspraken' of `het auteursrecht in zijn meest volledige omvang'. Als daarentegen van `het auteursrecht' of `de auteursrechten' gesproken wordt is er reden te onderzoeken wat partijen gewild hebben. Maar ook dan kan een volledige overdracht plaatsgevonden hebben. Een overdracht van alle bestaande en toekomstige bevoegdheden achten zij ook tot de mogelijkheden te behoren. Als de overgedragen bevoegdheden ten aanzien van toekomstige exploitatiewijzen tot buitengewone onvoorziene opbrengsten leiden, zou art. 6:258 BW, dat van dwingend recht is en de rechter in staat stelt de gevolgen van een overeenkomst te wijzigen vanwege onvoorziene omstandigheden, dienst kunnen doen.[22]

De meningen verschillen. Snijder van Wissenkerke, De Beaufort en Cohen Jehoram menen dat volledige overdracht van het auteursrecht onmogelijk is. Overdracht van bevoegdheden t.a.v. toekomstige exploitatievormen is volgens hen waarschijnlijk helemaal uit den boze. Van Oven, Van Lingen en Spoor en Verkade lijken daarentegen van mening te zijn dat volledige overdracht en daarom overdracht van rechten op toekomstige exploitatievormen wel mogelijk zou (moeten) zijn. Gerbrandy en Wichers Hoeth bevinden zich ergens daar tussen in. Spoor en Verkade lijken te impliceren dat bescherming tegen overdracht van rechten op nog niet bestaande exploitatievormen overbodig is, omdat het gemene recht voldoende bescherming biedt tegen het mislopen van inkomsten uit onvoorziene exploitatiewijzen.

Art. 2 Aw en het BW

Bij de totstandkoming van de bepaling in 1912 werd al aandacht besteed aan de verhouding tussen art. 2 Aw en het BW. In het eerste Wetsvoorstel was opgenomen dat overdracht bij geschrift zou dienen te geschieden (een akte was dus niet nodig), aldus zou art. 2 Aw een lex specialis ten opzichte van art. 668 oud BW vormen. Na protest in de tweede kamer werd tenslotte het aktevereiste van art. 668 oud BW in de Auteurswet overgenomen, zodat art. 2 Aw in dit opzicht als een verlengde daarvan gezien kon worden (de Hoge Raad zag de bepaling inderdaad zo, zie hierna). Ook na invoering van het NBW gaat deze visie nog op. Uit de MvT bij de wetswijziging van 1989 blijkt dat het aktevereiste voor levering van het auteursrecht `strikt genomen' al uit artt. 3:95 en 3:96 BW volgt en in art. 2 Aw slechts herhaald wordt.

Eén van de argumenten van Drucker voor opname van de regel die voorschrijft dat alleen die bevoegdheden overgedragen worden die noodzakelijk uit de aard of strekking voortvloeien was dat art. 1509 oud BW stelde dat onduidelijkheden in een overeenkomst ten nadele van de verkoper uitgelegd dienen te worden. Als een auteur aan een uitgever rechten zou overdragen zou de auteur de verkopende partij zijn en zou de uitgever bij twijfel gelijk krijgen. Hier vormde art. 2 Aw dus een correctie op het BW. In het NBW ontbreekt een pendant van art. 1509 oud BW. In bovengenoemde zin is daarom geen corrigerende werking meer nodig.

Een andere bepaling die in 1912 ter sprake kwam was art. 1375 oud BW, de voorloper van art. 6:248 BW. Het oude artikel bepaalde dat overeenkomsten niet alleen verbinden tot wat er in bepaald is, maar ook tot hetgeen uit de aard van overeenkomst, door de billijkheid, het gebruik en de wet gevorderd wordt. Minister Regout meende dat door de interpretatieregel zoals voorgesteld door Drucker niet een uitbreiding, maar een `inkrimping' van de inhoud van overeenkomsten teweeg gebracht zou worden. Daarmee zou te ver van het gemene recht afgeweken worden en dat zou in de praktijk problemen met zich mee brengen. Drucker daarentegen stelde dat het door hem voorgestelde juist in het verlengde van art. 1375 oud BW zou liggen. Hij had de situatie op het oog waarin de uitgever niet bepaalde bevoegdheden opgesomd zou hebben. Dan zou door de door hem voorgestelde interpretatieregel, net als door art. 1375 oud BW, de inhoud van de overeenkomst uitgebreid worden, doordat die naar de aard en de strekking uitgelegd zou worden.[23]

Redelijkheid en billijkheid

Het voorschrift van art. 2 lid 2 Aw heeft strikt geïnterpreteerd geen betrekking op uitleg van de overeenkomst; het is immers de overdracht, het gevolg van de overeenkomst, die niet meer omvat dan `uit de aard of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit'. De titel is in het geval van overdracht van auteursrechten meestal een obligatoire overeenkomst. Om vast te stellen wat de omvang van de overdracht is moet dan toch de overeenkomst uitgelegd worden.[24]

In beginsel moet een overeenkomst worden uitgelegd door de betekenis van de door de contractanten afgelegde verklaringen en de daardoor ontstane rechtsgevolgen vast te stellen. De overeenkomst wordt in het leven geroepen door overeenstemmende wilsverklaringen.[25]  Art. 6:248 BW geeft algemene richtlijnen voor de uitleg van overeenkomsten. In art. 6:248 lid 1 BW heet het dat een overeenkomst `niet alleen de door partijen gewilde rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien'. De bepaling komt aan de orde als de afspraken van partijen een leemte bevatten.[26]  Voordat het NBW was ingevoerd had de Hoge Raad in het Haviltex-arrest al gesteld dat het bij uitleg van contractsbepalingen aankomt "op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze [contracts-]bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten". Daaraan werd toegevoegd dat daarbij mede van belang kan zijn "tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht".[27]

Het laatste zou tot gevolg kunnen hebben dat alleen al op grond van het gemene recht de auteur (als commercieel minder ontwikkelde partij) tegen zichzelf beschermd wordt, zoals blijkens de parlementaire geschiedenis de bedoeling van art. 2 Aw is. In deze zin kan in art. 2 Aw daarom een herhaling van art. 6:248 lid 1 BW gezien worden. Een overeenkomst heeft conform art. 6:248 lid 1 BW onder meer de gevolgen die partijen gewild hebben (`de strekking') of die uit de aard van de overeenkomst voortvloeien. In art. 2 Aw wordt over de aard en de strekking gesproken. Ook vanwege deze gelijkenis kan art. 2 Aw als in het verlengde liggend van art. 6:248 lid 1 BW beschouwd worden.

Het verschil zit in het woord `noodzakelijk'. Gerbrandy meent, zich baserend op Druckers repliek aan Regout (zie hiervoor), dat het voor de hand ligt om art. 1375 oud BW (de voorloper van art. 6:248 lid 1 BW) "voluit toepasselijk" te achten, "doch tevens is in het woord `noodzakelijk' een vingerwijzing aan de rechter te zien om uit de aard en de strekking niet te spoedig een overdracht van enig gedeelte van het auteursrecht af te leiden."[28]  Daardoor zou iedere gedeeltelijke overdracht (Gerbrandy is immers van mening dat de interpretatieregel van art. 2 lid 2 Aw alleen op de gedeeltelijke overdracht van toepassing is), ongeacht de rechtskennis van de partijen, beperkt uitgelegd moeten worden. Een verschil zou daarom zijn dat onder art. 2 Aw de reele rechtskennis van partijen geen rol speelt, waar dat onder art. 6:248 BW wel het geval zou zijn.

Ook Wichers Hoeth ziet in art. 2 Aw een tegenkracht tegen artt. 1374 en 1375 oud BW. Art. 2 Aw behoedt de auteur voor overdracht van bevoegdheden waaraan niet gedacht is bij het sluiten van de overeenkomst en die zouden kunnen voortvloeien uit de goede trouw.[29]

Zo bezien vormt het interpretatievoorschrift van art. 2 lid 2 Aw een correctie op art. 6:248 BW. Zoals ook onder art. 6:248 BW het geval is, kan overdracht van een gedeelte van het auteursrecht onder art. 2 Aw afgeleid worden uit de aard of strekking van de overeenkomst. Op grond van de lex specialis art. 2 Aw kan overdracht van een gedeelte van het auteursrecht echter slechts uit de aard of strekking van de overeenkomst afgeleid worden, als dat `noodzakelijk' (onmiskenbaar) de bedoeling van de partijen is geweest of met de aard van de overeenkomst samenhangt. Bij twijfel moet de overeenkomst restrictief en daarom in het voordeel van de rechtenverlener uitgelegd worden.[30]  Als dit de betekenis van de interpretatieregel zou zijn, zou die niet aan een uitdrukkelijke overdracht van rechten t.a.v. nog onbekende exploitatievormen in de weg staan. In zo'n geval kan er immers geen twijfel over bestaan dat de strekking van de overeenkomst is die rechten over te dragen.

Strikt genomen doelt art. 6:248 lid 1 BW op de uitbreiding van overeenkomsten, maar wanneer de redelijkheid en billijkheid leidt tot aanname van andere rechtsgevolgen, gaat de aanvullende werking van de bepaling soms gepaard met beperkende werking.[31]  De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is met zoveel woorden gecodificeerd in het tweede lid van art. 6:248 BW. Het voorschrift van het tweede lid kan de toepasselijkheid van een tussen partijen geldende regel beperken, voor zover toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daardoor kan een contractueel recht `opzij gezet' of `gewijzigd' worden.[32]  Een beding kan onredelijk zijn als het van aanvang af onredelijk bezwarende gevolgen voor een van de partijen met zich meebracht.[33]  Art. 2 Aw geïnterpreteerd conform de leer van de doeloverdracht vormt in dit licht bezien een uitwerking van art. 6:248 lid 2 BW. Een auteur `alle auteursrechten' ontnemen zou altijd als een onredelijk bezwarend gevolg gezien moeten worden, dat vanwege de redelijkheid en billijkheid gewijzigd wordt in `alle auteursrechtelijke bevoegdheden die voor het doel waarvoor de overeenkomst gesloten is noodzakelijk zijn'. Bepaling van de rechtsgevolgen alleen naar art. 6:248 BW kan onder omstandigheden echter wel tot gevolg hebben dat `alle auteursrechten' overgedragen zijn, bijvoorbeeld als daar een royale vergoeding tegenover staat. In zo'n geval zal niet snel van een onredelijk bezwarend gevolg sprake zijn.[34]

De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is pas na WOII in de rechtspraak aangenomen. Pas na 1976 nam het aantal toepassingen van de beperkende werking snel toe. Daarvoor werd aan het voorschrift van art. 1374 lid 1 oud BW, dat een overeenkomst degenen die haar aangaan `tot wet' strekt, een overheersende betekenis toegekend. Met een beroep op het derde lid van de bepaling, de voorloper van art. 6:248 lid 2 BW, mocht hetgeen uitdrukkelijk was overeengekomen niet opzij gezet of gewijzigd worden[35] , met name niet door gewijzigde omstandigheden.[36]  Waar art. 2 Aw nu als een, wellicht overbodige, uitwerking van art. 6:248 BW gezien kan worden, was dat daarom eerder niet het geval.

Onvoorziene omstandigheden

Art. 6:258 BW, waardoor het de rechter mogelijk wordt gemaakt de gevolgen van een overeenkomst te wijzigen als zich `onvoorziene omstandigheden' voordoen, kan beschouwd worden als een wettelijke toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en onder omstandigheden van de aanvullende werking daarvan.[37]  Onvoorziene omstandigheden in de zin van deze bepaling zijn omstandigheden die partijen niet (uitdrukkelijk of stilzwijgend) in hun overeenkomst verdisconteerd hebben. Het gaat er niet om of partijen de omstandigheden daadwerkelijk niet hebben voorzien of hadden moeten voorzien, maar of het omstandigheden zijn waarin zij niet hebben voorzien.[38]  De omstandigheden moeten na het sluiten van de overeenkomst zijn ingetreden. Het evenwicht van tussen de over en weer verschuldigde prestaties wordt erdoor verstoord. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan van de wederpartij een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet verwacht worden. Uit het tweede lid blijkt dat de wijziging slechts dan uitgesproken kan worden als de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de gedaagde partij komen.[39]

Wanneer zich nieuwe exploitatievormen voordoen waarin de overeenkomst niet voorziet en het evenwicht tussen de beide prestaties verstoord wordt kan een rechter de gevolgen van de overeenkomst wijzigen. Als `het volledige auteursrecht' is overgedragen zou hij kunnen beslissen dat de rechten op toekomstige exploitatiewijzen niet inbegrepen zijn, zoals dat ook op grond van art. 2 Aw zou kunnen, maar ook dat de auteur recht heeft op een extra vergoeding. Voor dit laatste laat art. 2 Aw geen ruimte. Dat is meteen een verschil met art. 6:258 BW. Verder wordt een wijziging of ontbinding krachtens art. 6:258 BW niet uitgesproken als de wederpartij een aanbod tot wijziging van de overeenkomst doet dat het ontstane nadeel opheft.[40]  Dit zou onder de doeloverdrachtsleer ondenkbaar zijn.

Doorslaggevend is of het ontstane nadeel gezien de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen niet voor rekening komt van degene die zich op art. 6:258 BW beroept. De aard van de overeenkomst is ook onder art. 2 Aw van belang. De laatste bepaling kan daarom in dat opzicht als een verlengstuk van art. 6:258 BW gezien worden. Naar de letter van de wet is verschillend dat de in het verkeer geldende opvattingen onder art. 6:258 BW een rol kunnen spelen en niet onder art. 2 Aw. Vermoedelijk duiden de `aard' en de `in het verkeer geldende opvattingen' echter op min of meer hetzelfde. Overeenkomsten met een bepaalde aard kunnen immers slechts ontstaan doordat vaker vergelijkbare overeenkomsten gesloten worden. Als vaker dergelijke overeenkomsten gesloten worden duidt dat op een gewoonte. De verkeersopvattingen hebben betrekking op wat gewoonlijk de opvatting is.

De toepassing van art. 6:258 BW kan door partijen niet worden uitgesloten. Het toepassingsgebied kan echter wel teruggedrongen worden door meer omstandigheden in de overeenkomst te verdisconteren, hetgeen ook in algemene bewoordingen kan geschieden.[41]  Bij het uitleggen van de overeenkomst wordt niet alleen naar de letterlijke tekst gekeken, maar ook naar de strekking van de overeenkomst. Als rechten `op alle huidige en toekomstige bevoegdheden' verleend zijn, is dat weliswaar vaag, maar kan dat toch niets anders betekenen dat de partijen de omstandigheid dat zich nieuwe exploitatievormen voor zouden doen verdisconteerd hebben. Daarom zal in zo'n geval een beroep op art. 6:258 BW waarschijnlijk niet slagen. Onder art. 2 Aw is het onduidelijk of de toekomstige omstandigheid dat zich nieuwe, onvoorziene exploitatiewijzen voordoen in algemene bewoordingen ondervangen kan worden. Als dat niet zo zou zijn zou dat een breuk met het gemene recht inhouden. Indien wel de omstandigheden in algemene bewoordingen ondervangen zouden kunnen worden zou art. 2 Aw in dit opzicht geen zelfstandige betekenis hebben.

Levering van toekomstige goederen

Er zijn twee gevallen waarin een auteursrecht toekomstig kan zijn. Het kan gaan om bevoegdheden t.a.v. een nog niet bestaand werk en om bevoegdheden met betrekking tot toekomstige vormen van exploitatie. Over het eerste bestaat rechtspraak.

In 1923 bepaalde de Rechtbank Amsterdam dat een overdracht van rechten op nog niet bestaande werken rechtsgeldig was, onder andere omdat "de Rb. in gemelde cessie-acte niet heeft aangetroffen bepalingen in strijd met de goede zeden, met name als zoodanig niet mag worden beschouwd de bepaling omtrent cessie van toekomstige werken [...], nu daar tegenover staat [een] recht op een vastgesteld percentage in de baten, die het betrokken werk [...] oplevert". Hoewel daar niet expliciet op in werd gegaan oordeelde de Rechtbank kennelijk dat art. 2 Aw niet aan de overdracht van toekomstig auteursrecht in de weg stond.[42]

In 1936 meende de Hoge Raad daarentegen dat overdracht van auteursrecht op nog te vervaardigen werken in het Nederlandse rechtssysteem niet mogelijk is, omdat de wetgever met art. 2 Aw bij art. 668 oud BW wilde aansluiten en de laatstgenoemde bepaling overgang van het eigendom van een vordering slechts toeliet als de vordering bij het aangaan van de akte van overdracht reeds bestond. Daarom kon GEMA geen rechten doen gelden t.a.v. een werk dat tot stand was gekomen na het aangaan van de overeenkomst waarin aan haar uitdrukkelijk de rechten op de nog te scheppen werken van een componist waren overgedragen.[43]  In december van hetzelfde jaar deed het Hof Amsterdam uitspraak in een vergelijkbare zaak (het ging nu om de BUMA). Het oordeelde dat het aan twijfel onderhavig zou zijn of de rechter in een bodemgeschil overdracht van auteursrecht op werken die nog niet tot stand waren gekomen en die niet `naar inhoud en karakter behoorlijk bepaald waren' als rechtsgeldig zou beschouwen.[44]

Het laatste criterium is vermoedelijk ontleend aan de noot van Meijers onder het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad. Meijers voornaamste verwijt daarin aan de Hoge Raad is dat die ten onrechte aansluit bij art. 668 oud BW en de daarover bestaande jurisprudentie. Weliswaar is de vorm waarin de overdracht volgens art. 2 Aw moet geschieden aan art. 668 oud BW ontleend, art. 2 Aw zou volgens Meijers toch een zelfstandig karakter dragen. De verwijzing naar de bepaling uit het gemene recht is volgens hem dan ook onzinnig. Hij meent dat toekomstige rechten overdraagbaar zouden moeten zijn als ze `een bepaald onderwerp' hebben. En: "de mate van bepaaldheid, die aanwezig moet zijn, kan niet in het algemeen aangegeven worden; wanneer de wet deze mate niet noemt, kan de rechter haar vaststellen." Als het gaat om een `nog niet voltooid werk' zou niets eraan in de weg staan dat de rechten daarop overgedragen worden, mits het `naar inhoud en karakter behoorlijk bepaald zij'. De meeste schrijvers zijn het met Meijers eens.[45]  De Hoge Raad heeft later specifiek m.b.t. de overdracht van toekomstig auteursrecht geen uitspraken meer gedaan. In de jaren '80 is in de rechtspraak de mogelijkheid van overdracht van ander soortige toekomstige goederen opgerekt. Uiteindelijk is die ontwikkeling geculmineerd in art. 3:97 BW.

In art. 3:97 BW is een speciale regeling getroffen ter zake van levering van toekomstige goederen. Grosheide en Hartkamp menen dat art. 3:97 BW op `overdracht van auteursrecht op een toekomstig werk' van toepassing is, omdat blijkens de parlementaire geschiedenis aan art. 2 lid 2 Aw eerste volzin (het aktevereiste) geen zelfstandige betekenis meer toekomt, het vereiste van art. 3:95 BW wordt daarin slechts herhaald.[46]  De koppeling waar Meijers zich zo tegen verzette lijkt feit te zijn geworden, maar nu met als gevolg dat levering bij voorbaat van toekomstig auteursrecht juist wel mogelijk is.

Toekomstige goederen kunnen `bij voorbaat geleverd' worden, aldus art. 3:97 BW. Levering is een voorwaarde voor overdracht van een goed (art. 3:84 BW). Overdracht is de term die in het BW gebruikt wordt voor het rechtsgevolg inhoudende dat het goed van het vermogen van de één in het vermogen van de ander geraakt. Als levering heeft plaatsgevonden en aan de andere door art. 3:84 lid 1 BW gestelde voorwaarden voldaan is (geldige titel en beschikkingsbevoegdheid), is de overdracht voltooid en is het goed deel van het vermogen van de verkrijger gaan uitmaken. Als bij voorbaat geleverd is heeft de leveringshandeling reeds plaatsgevonden, toch is de overdracht nog niet voltooid, omdat die pas plaats kan vinden als de vervreemder beschikkingsbevoegd is. Men zegt dat op het moment dat de vervreemder beschikkingsbevoegd wordt meteen (in een `ondeelbare tijdseenheid') de overdracht plaatsvindt.[47]

Wanneer kan een auteur beschikken over het auteursrecht? Een werk valt pas onder het auteursrecht als het op enigerlei wijze tot uitdrukking is gebracht.[48]  Levering bij voorbaat zou tot gevolg hebben dat op het moment dat het werk voldoende vorm heeft gekregen het auteursrecht overgedragen wordt. Pas dan ontstaat het auteursrecht en pas dan kan de auteur logischerwijs daarover beschikken. Wanneer kan de auteur beschikken over zijn exclusieve bevoegdheden t.a.v. toekomstige exploitatievormen? Kan hij dat al voordat de exploitatievorm bestaat? Als dit niet het geval is kan hij de bevoegdheden bij voorbaat leveren, maar vindt de overdracht plaats op het moment dat de exploitatiewijze `geboren wordt'.

Rechten op toekomstige exploitatiewijzen kunnen waarschijnlijk ook onder het NBW strikt genomen niet overgedragen worden (wel geleverd, voor alle duidelijkheid: Het gaat hier om levering bij voorbaat, dat is wat art. 3:97 BW toestaat, niet overdracht bij voorbaat). Maar op het moment dat de toekomstige exploitatiewijze ontstaan is en de maker daarom over de rechten daarop kan beschikken, verkrijgt degene aan wie die rechten bij voorbaat geleverd zijn goederenrechtelijke bevoegdheden.

Hierboven zijn de door art. 3:84 lid 1 BW vereiste levering en beschikkingsbevoegdheid behandeld. De derde eis die in de bepaling gesteld wordt is dat sprake moet zijn van een `geldige titel'. In het tweede lid blijkt dat het goed in de titel `met voldoende bepaaldheid' omschreven dient te zijn. Deze eis geldt ook voor overeenkomsten waarin het om toekomstige goederen gaat. "Gelijk bij iedere rechtshandeling, moet ook bij een levering bij voorbaat het onderwerp der rechtshandeling een zekere mate van bepaalbaarheid hebben", aldus Meijers.[49]  Volgens Meijers bezit "...het auteursrecht op een boek, dat de auteur over een onderwerp zal schrijven, [...] voldoende bepaaldheid."[50]  Van Engelen meent zelfs dat "wellicht een overdracht van alle auteursrechten op de werken die een auteur zal maken" voldoende bepaald geacht kan worden.[51]

De vraag is of met formuleringen in de leveringsakte als `de bevoegdheden t.a.v. alle toekomstige exploitatiewijzen' of `het auteursrecht in zijn meest volledige omvang' eveneens het goed voldoende bepaald is. Het gaat er om dat "het goed identificeerbaar [is] op het tijdstip dat het wordt verkregen door de vervreemder."[52]  Op het moment dat de auteur de beschikking krijgt over bevoegdheden t.a.v. de (voormalig) toekomstige exploitatiewijze is dat het geval. Daarom lijkt ook deze eis er niet aan in de weg te staan dat rechten met betrekking tot toekomstige exploitatiewijzen geleverd worden.

Een voorwaarde die in art. 3:97 BW zelf gesteld wordt voor levering bij voorbaat, is dat het niet `verboden' mag zijn de toekomstige goederen tot onderwerp van een overeenkomst te maken. Als art. 2 Aw volgens de doeloverdrachtsleer opgevat moet worden blokkeert de bepaling de overdracht van rechten t.a.v. toekomstige exploitatievormen. Aldus zou gezegd kunnen worden dat art. 2 Aw een dergelijke overdracht verbiedt en dat daarom art. 3:97 BW geen soelaas kan bieden.

Uit art. 45d Aw, waarin vermeld wordt dat, tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, de maker geacht wordt de rechten t.a.v. toekomstige exploitatiewijzen aan de filmproducent overgedragen te hebben, blijkt overigens dat het overdragen van dergelijke rechten niet principieel onmogelijk is onder de Auteurswet. In de bepaling wordt gesteld dat de maker recht heeft op een billijke vergoeding, indien de producent tot exploitatie op de (voormalig) toekomstige exploitatiewijze overgaat. Een dergelijk resultaat zou ook op grond van het gemene recht (art. 6:258 BW) bereikt kunnen worden. Verwarrend is dat art. 45d Aw stelt dat de rechten geacht worden `overgedragen' te zijn. Overdracht bij voorbaat is onder het BW immers niet mogelijk. Wellicht omdat de regel pas van belang wordt als de vorm van exploiteren ontstaan is, moet die opgevat worden als terugkijkend i.p.v. vooruitkijkend in de tijd. Op het moment dat de bepaling toepassing verlangt is de overdracht voltooid (de maker is immers beschikkingsbevoegd geworden toen de exploitatiewijze ontstond en op dat moment zijn de rechten overgegaan).

Licenties

Art. 2 Aw heeft letterlijk genomen slechts betrekking op overdracht van auteursrecht en niet op licenties. Zou daarom wel zonder twijfel het volledige auteursrecht in licentie gegeven kunnen worden, of zou de bepaling analoog op licenties toegepast dienen te worden ter interpretatie van de omvang van een gegeven toestemming? Voor het laatste pleit het feit dat in art. 9 WNR bepaald is dat ook de omvang van een licentie beoordeeld moet worden naar wat uit `de aard of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit'. In de literatuur wordt echter verkondigd dat de restrictieve uitleg alleen dan analoog op een licentie van toepassing zou zijn als de licentie in economisch opzicht vergelijkbaar zou zijn met een overdracht, d.w.z. als het gaat om een exclusieve licentie.[53]  Cohen Jehoram meent dat art. 2 Aw weliswaar niet op licenties van toepassing is, maar signaleert dat de Hoge Raad meerdere malen toch licenties restrictief heeft uitgelegd.[54]

Dit laatste vloeit echter allerminst noodzakelijk voort uit een analogie met art. 2 Aw. Zoals hierboven uiteen is gezet kan ook het gemene recht (de redelijkheid en billijkheid) tot gevolg hebben dat de overeenkomst beperkt en ten gunste van de auteur wordt uitgelegd. Overigens blijkt uit jurisprudentie dat licenties niet altijd in het voordeel van de auteur worden uitgelegd. Zo meende het Hof Amsterdam, redenerend conform het Haviltex-arrest, dat bij een licentie waarmee toestemming was gegeven een foto op de kaft van een boek te gebruiken ook de toestemming om de foto in advertenties te plaatsen inbegrepen was. Het Hof stelde dat, nu omtrent dergelijk gebruik niets afgesproken was, doorslaggevend moest zijn wat partijen "redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, gelet op hetgeen bij een dergelijke overeenkomst gebruikelijk is". De fotografe had (iets meer dan) de normale vergoeding voor gebruik in reclame gehad. Bovendien had ze, gezien haar ervaring in de branche, kunnen voorzien dat een foto op de cover van een boek voor reclamedoeleinden zou worden gebruikt. Aan art. 2 Aw werd door het Hof niet gerefereerd.[55]

In de tot op heden enige zaak waarin het ging om de vraag of de elektronische rechten bij een overeenkomst inbegrepen waren werd de omvang van een impliciete licentie beoordeeld.[56]  Ook in deze zaak lijkt de rechter niet zozeer aan art. 2 Aw te refereren als wel aan de redelijkheid en billijkheid. De Rechtbank stelde dat beoordeeld diende te worden of de auteurs "redelijkerwijs moeten worden geacht te hebben ingestemd met opneming van hun bijdragen op de CD-rom en/of de web site...". Dit was niet het geval omdat "ten tijde van het geven van toestemming en openbaarmaking in de krant niet voorzienbaar [was] dat hun bijdragen ook op de CD-rom en de web site zouden worden opgenomen". Ook in dit geval was de voorzienbaarheid van de betreffende exploitatiewijze ten tijde van sluiting van de overeenkomst doorslaggevend en lijkt veeleer het Haviltex-arrest door te klinken dan art. 2 Aw, waar nergens in de uitspraak expliciet naar verwezen wordt.[57]

Het ging in beide hierboven besproken zaken om bevoegdheden waarover geen duidelijke afspraken gemaakt waren. In een dergelijk geval is het afhankelijk van de voorzienbaarheid van de exploitatiewijze ten tijde van het sluiten van de overeenkomst of die bij de rechtenverlening inbegrepen is, omdat datgene wat de partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten de inhoud van de overeenkomst en daarom de omvang van de rechtenverlening bepaalt.

Nog steeds is echter onzeker wat een rechter zal beslissen als uitdrukkelijk rechten t.a.v. nog onbekende exploitatievormen in licentie gegeven (of overgedragen) zijn. Het lijkt dat de vervreemder partij in een dergelijk geval redelijkerwijs geacht kan worden te hebben ingestemd met exploitatie van het werk middels een voormalig onbekende vorm van exploitatie. De voorzienbaarheid van de exploitatiewijze zou dan geen rol meer hoeven spelen. Dit zou anders kunnen liggen als uitdrukkelijk `het volledige auteursrecht' is overgedragen. Wellicht kan in een dergelijk geval de voorzienbaarheid van de exploitatiewijze van belang zijn bij de vaststelling van wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Derdenbescherming

Stel: een auteur (A) heeft enkele jaren geleden aan een uitgever (U) expliciet het volledige auteursrecht verkocht. Vervolgens worden door U aan een Multimediaproducent (M) de elektronische rechten doorverkocht en M geeft een CD-rom uit. A komt de CD-rom op het spoor en meent de rechten voor dergelijk gebruik nog onder zich te hebben. Kan M zich beroepen op enige vorm van derdenbescherming, zoals daarin door het BW wordt voorzien?

Blijkens de parlementaire geschiedenis is art. 3:88 BW van toepassing op overdracht van auteursrechten.[58]  De derde (M) is beschermd indien de verkrijging ongeldig is, omdat de vervreemder (U) beschikkingsonbevoegdheid is, maar die beschikkingsonbevoegdheid niet voortvloeit uit de beschikkingsonbevoegdheid van een eerdere vervreemder (A). Aan deze voorwaarde zou voldaan kunnen zijn; A had als maker immers het volledige auteursrecht. Anderzijds kan gesteld worden dat art. 2 Aw wellicht zo opgevat moet worden dat A niet kan beschikken over de rechten op nog onbekende vormen van exploitatie. Dan zou alleen al deze voorwaarde maken dat een beroep op art. 3:88 BW aan M geen soelaas kan bieden. Daarbij komt dat de goede trouw die door de bepaling wordt vereist naar alle waarschijnlijkheid roet in het eten zal gooien. Het is immers sinds tientallen jaren bekend dat onduidelijk is of het gehele auteursrecht overgedragen kan worden, laat staan auteursrecht op een nog onbekende exploitatievorm, en als M reden tot twijfel had, kan hij niet te goeder trouw zijn (art. 3:11 BW).

Ook art. 3:36 BW lijkt voor M geen verlichting te kunnen bieden. Als een derde (M) gehandeld heeft (een CD-rom heeft uitgebracht) in gerechtvaardigd vertrouwen op een door de `eerste' (A) gewekte schijn, kan de eerste geen beroep doen op de onjuistheid van de veronderstelling van de derde. Wellicht is verdedigbaar dat A de schijn heeft gewekt dat elektronische rechten in de overeenkomst besloten liggen, door expliciet `alle auteursrechten' of zelfs `de rechten op toekomstige exploitatievormen' in de overeenkomst op te (laten) nemen. Maar de voorwaarde dat het vertrouwen van M op de door A gewekte schijn gerechtvaardigd moet zijn lijkt moeilijk vervuld te kunnen worden, eveneens omdat al lange tijd onzekerheid bestaat over de vraag of het auteursrecht integraal, dan wel auteursrecht op nog onbekende exploitatievormen, verhandeld kan worden.

Het hier gegeven voorbeeld geeft een goed beeld van de onzekerheid die kan bestaan na opeenvolgende overdrachten. Van wie zou M de rechten moeten verwerven? A heeft ze misschien verkocht, U heeft ze wellicht niet verworven.

Slot

De vraag of rechten op toekomstige exploitatievormen verhandeld kunnen worden valt in twee deelvragen uiteen. De eerste vraag is of de doeloverdrachtsleer inderdaad geldt, zodat iedere overdracht restrictief uitgelegd dient te worden. Als dat zo zou zijn zou het onmogelijk zijn dat nog niet bestaande exploitatiewijzen in de overdracht betrokken zijn. Uit de wetsgeschiedenis, noch uit een andere gezaghebbende bron, blijkt dat zoiets de bedoeling is geweest. Wel valt daaruit te concluderen dat art. 2 Aw pretendeert de auteur te beschermen tegen ondoordachte overdracht. Als de volledige overdracht doordacht heeft plaatsgevonden, doordat die duidelijk in de overeenkomst omschreven is en de auteur de gelegenheid heeft gehad de akte te bestuderen, lijkt die rechtsgeldig te zijn.

Als de doeloverdrachtsleer inderdaad niet zou gelden, is de volgende vraag of de overdracht van rechten op toekomstige exploitatievormen mogelijk is. Het lijkt dat art. 2 lid 2 Aw daar niet aan in de weg staat. Waarom zou de strekking van een overeenkomst immers niet `noodzakelijk' de overdracht van het auteursrecht t.a.v. nog onbekende exploitatiewijzen kunnen zijn? Partijen kunnen zulks immers onmiskenbaar gewild hebben. Toch kan strikt genomen auteursrecht t.a.v. nog onbekende exploitatiewijzen niet overgedragen worden. Het BW staat overdracht van toekomstige goederen niet toe. Wel is het echter mogelijk die goederen bij voorbaat te leveren. Hierdoor kunnen de rechten op een nog niet bestaande exploitatievorm geleverd worden, waardoor de rechtsverkrijger de zekerheid heeft dat die rechten op het moment waarop de exploitatiewijze ontstaat in zijn vermogen vallen. Een voorwaarde hiervoor is echter dat het goed door een formulering als `de rechten t.a.v. alle bekende en nog onbekende vormen van exploiteren' met voldoende bepaaldheid geacht wordt te zijn omschreven. Of dit het geval is moet afgewacht worden.

Een andere vraag is of art. 2 lid 2 Aw ook de omvang van licenties bepaalt. Uit rechtspraak noch wetsgeschiedenis blijkt expliciet dat dit het geval is. Maar ook als art. 2 Aw niet analoog van toepassing zou zijn, zouden via de redelijkheid en de billijkheid de aard of strekking van de overeenkomst de gevolgen van de licentie kunnen bepalen. Het zou er dan op neer komen dat de rechter na moet gaan wat de partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar konden verwachten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, waarbij wat gebruikelijk was bij dergelijke overeenkomsten en de commerciele en juridische ontwikkeling van partijen in aanmerking genomen worden. Als niet specifiek iets over nog onbekende exploitatievormen is overeengekomen gaat de voorzienbaarheid van de exploitatievorm ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een rol spelen.

Als art. 2 Aw ten doel heeft de auteur te beschermen tegen ondoordachte overdracht, maar niet meer dan dat, zou de bepaling inmiddels nauwelijks nog zelfstandige betekenis hebben. Alleen al door het gemene recht wordt de auteur wellicht voldoende beschermd. Ook op grond van het gemene recht kan immers met diens underdog-positie rekening worden gehouden. Een verschil zou zijn dat onder het gemene recht met de reele commerciele ontwikkeling en rechtskennis van de vervreemder rekening kan worden gehouden, terwijl onder art. 2 Aw de vervreemder altijd geacht wordt in dat opzicht de mindere te zijn van de verwerver.[59]  Een ander verschil lijkt te zijn dat het gemene recht de rechter meerdere mogelijkheden biedt. Conform art. 2 Aw kan hij enkel beslissen dat de rechten op de voormalig toekomstige exploitatiewijze wel of niet in de overeenkomst besloten liggen, onder het gemene recht kan hij in plaats daarvan ook een extra vergoeding toekennen.

Als echter art. 2 Aw volgens de doeloverdrachtsleer opgevat dient te worden, zou het verschil groter zijn. Conform de doeloverdrachtsleer zou iedere overdracht altijd restrictief uitgelegd moeten worden, terwijl dat onder het gemene recht geenszins het geval is. Het gemene recht lijkt niet noodzakelijk aan levering van rechten t.a.v. nog niet bestaande vormen van exploitatie in de weg te staan. Onder de doeloverdrachtsleer zou zoiets onmogelijk zijn.

Als aan de interpretatieregel van art. 2 lid 2 Aw geen zelfstandige betekenis meer toekomt, lijken er tegen het schrappen daarvan weinig bezwaren te bestaan. Andere argumenten om de bepaling te schrappen worden door Brinkhof aangevoerd. Hij noemt het feit dat in de andere bijzondere wetten ten aanzien van intellectuele eigendomsrechten geen vergelijkbare beschermingsbepalingen zijn opgenomen, terwijl niet valt in te zien waarom de subjecten van deze wetten minder bescherming zouden behoeven, en de onzekerheid die door de bepaling wordt geschapen.[60]

Een vraag van een geheel andere orde is of het nodig of wenselijk is de auteur extra in bescherming te nemen. Soetenhorst noemt daarvoor als redenen de verstrekkende bedrijfseconomische gevolgen die de rechtenoverdracht tegenwoordig heeft, de zwakke onderhandelingspositie die de individuele auteur tegenover zijn wederpartij heeft, terwijl de tendens is de economisch zwakkere te beschermen en het uitgangspunt dat de auteur voor iedere vorm van exploitatie gedurende een bepaalde tijd een redelijke vergoeding moet kunnen eisen.[61]  Dit lijken plausibele argumenten. Nu de wetgever overweegt bepaalde aspecten van de intellectuele eigendomsrechten, waaronder de overdracht, te codificeren in een Boek 9 BW[62] , is het wellicht opportuun hier een rechtspolitieke keuze te maken en indien het resultaat daarvan is dat de auteur meer bescherming verdient dan hij op grond van het gemene recht verkrijgt, de doeloverdrachtsleer uitdrukkelijk in de wet op te nemen[63] , of een bepaling naar het voorbeeld van art. 3 van de Belgische Auteurswet uit te vaardigen[64] , zodat aan de bestaande onzekerheid een einde komt.

 

 

[*]  Mr. Kamiel Koelman is als projectonderzoeker verbonden aan het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam. Return to Text

[1]  Zie bijvoorbeeld de discussie tussen Jonkers en Wefers Bettink in Computerrecht over de vraag of Buma/Stemra nu wel of niet de elektronische rechten onder zich heeft. Wefers Bettink, H.W., `Muziek op het Internet: de BUMA-regeling', Computerrecht 1997/2, p. 55; Jonkers, J., `De Buma regeling: een reactie', Computerrecht 1997/4, p. 159. Return to Text

[2]  Brinkhof, J.J., De codificatie van de rechten van de intellectuele eigendom in Boek 9 Burgerlijk Wetboek, een tussenbalans, Den Haag 1997, Bijlage II, p. 10. Return to Text

[3]  Deze uitspraak wordt hierna onder 'licenties' besproken. In het buitenland moesten rechters vergelijkbare gevallen beoordelen. Het zijn steeds journalisten die voor hun rechten opkomen. In België, Frankrijk en Nederland trokken ze aan het langste eind, in de Verenigde Staten en Duitsland kregen ze ongelijk. België: Tribunal de PremiÈre Instance de Brussels 16 oktober 1996 (Central Station), Auteurs en Media 1996, p. 426; Frankrijk: Tribunal de Grand Instance de Strasbourg 3 februari 1998, niet gepubliceerd, samenvatting in BNA Electronic Commerce & Law 1998/4; Verenigde Staten: Tasini v. New York Times, 93 Civ. 8678 (SS) (S.D.N.Y. 1997), http://www.nylj.com/links/tasini.html; Duitsland: Landesgericht Hamburg 19 augustus 1997 (FreeLens), Multimedia und Recht 1998, p. 44. Return to Text

[4]  Bij het nagaan van de parlementaire geschiedenis is geput uit: Vries, L. de, Parlementaire geschiedenis van de Auteurswet 1912 zoals sedertdien gewijzigd, Den Haag: SDU 1995. Return to Text

[5]  De Vries, a.w., p. 2.16. Return to Text

[6]  Vergelijk Rb. Rotterdam 16 juni 1924, WPNR (1924) 11244. In deze zaak stelt de Rechtbank: "O. dat de onderhavige wetsbepaling [art. 2 Aw] is ingegeven door den wensch, den auteur te beschermen tegen ondoordachte overdracht." Uit niets bleek dat de overdracht ondoordacht was ("eischer [heeft] zoodoende alle gelegenheid gehad, deze rechten in geschrift te bestuderen"). De uitgever mocht daarom heruitgeven in een grotere oplage dan in het contract overeengekomen, wel moest hij de schrijver extra betalen nu de oplage groter was. De schrijver kon zijn verbodsrecht echter niet laten gelden. Zie ook Pres. Rb. Haarlem 9 oktober 1987, Informatierecht/AMI 1988/3, p. 63, waarin de President overweegt: "Uitgangspunt bij de interpretatie van de overeenkomst [...] is voorts dat de in artikel 2 lid 2 Aw gegeven interpretatieregel er blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling toe strekt de auteur te dwingen zich er rekenschap van te geven welke auteursrechtelijke bevoegdheden hij overdraagt." Return to Text

[7]  Soetenhorst, W.J., `Boek 9 BW, De doeloverdrachtsleer en het contractenrecht', NTBR 1995/9-10, p. 246; Cohen Jehoram, H., `Bespreking van "Kort commentaar op de Auteurswet 1912", tweede druk, bewerkt door Gerbrandy', RMThemis 1974, p. 489-494. Return to Text

[8]  Scholten, P., `Opmerkingen over het Ontwerp-Auteurswet', WPNR (1912) 2209-2212. Return to Text

[9]  Snijder van Wissenkerke, F.W.J.G., Het auteursrecht in Nederland, Auteurswet 1912 en herziene Berner Conventie, Gouda: G.B. van Goor en Zonen 1913, p. 115. Return to Text

[10]  Beaufort, H.L. de, Auteursrecht, Publiek- en Privaatrecht 14, Zwolle: Tjeenk Willink 1932, p. 34. Return to Text

[11]  In de wetsgeschiedenis is steun voor deze opvatting te vinden. Tijdens het debat in 1912 wilde Drucker, om aan de bezwaren van de Minister tegemoet te komen, van het woordje `zij', waardoor de restrictieve uitleg op zowel de gehele als de gedeeltelijke overdracht van toepassing zou zijn, wel `gedeeltelijke overdracht' maken. Daarom is verdedigbaar dat ook volgens de wetsgeschiedenis de overdracht van het gehele auteursrecht mogelijk is. Tegen deze conclusie pleit echter dat Druc