| De elektronische media
tieren welig. Steeds meer werken worden op CD-rom of het
Internet verspreid. `Elektronische rechten' is de verzamelnaam
voor de auteursrechten benodigd om een werk in een digitale
omgeving te verveelvoudigen en openbaar te maken. Als rechten
op een ouder werk overgedragen of in licentie gegeven zijn,
kan art. 2 Auteurswet (Aw) voor onduidelijkheid zorgen m.b.t.
de vraag wie over de elektronische rechten kan beschikken.[1]
De onduidelijkheid wordt
veroorzaakt doordat de formulering van de bepaling niet geheel
ondubbelzinnig is. Hoewel in het eerste lid gemeld wordt dat
het auteursrecht voor gehele en gedeeltelijke overdracht
vatbaar is, wordt in het tweede lid gesteld dat die overdracht
alleen die bevoegdheden omvat die in de akte zijn vermeld of
uit de aard of de strekking van de titel noodzakelijk
voortvloeien. Merkwaardig genoeg is er geen vaste rechtspraak
met betrekking tot dit aspect van het artikel.[2]
Recentelijk is uitspraak gedaan in een zaak waarin het recht
werken op CD-rom en Internet te exploiteren betwist werd, maar
deze beslissing kan slechts op een beperkt aantal gevallen
analoog toegepast worden.[3]
We moeten het doen met de wetsgeschiedenis en wat de
rechtsgeleerden geschreven hebben.
De geleerden zijn verdeeld in
twee kampen. Sommigen menen dat uit de wetsgeschiedenis te
herleiden is dat in Nederland de zogenaamde
doeloverdrachtsleer geldt. Als dat zo zou zijn zou bij
afwezigheid van een opsomming van specifieke
exploitatierechten de overeenkomst zo uitgelegd dienen te
worden dat alleen die rechten zijn overgedragen die de
contractanten bij het sluiten van het contract primair voor
ogen hadden. In een dergelijk geval zou de overeenkomst
altijd restrictief uitgelegd dienen te worden, zelfs als
van `het gehele auteursrecht' of `alle auteursrechtelijke
aanspraken' gesproken wordt. Het andere kamp meent dat alleen
als de overeenkomst niet duidelijk is of als het gaat om een
gedeeltelijke overdracht de overeenkomst in het voordeel van
de auteur uitgelegd zou moeten worden.
Als de doeloverdrachtsleer
inderdaad zou gelden, zou de overdacht van rechten op nog niet
bestaande exploitatievormen onmogelijk zijn. Niet bestaande
exploitatiewijzen kunnen immers onmogelijk specifiek opgesomd
worden en ook een overdracht van `rechten op alle huidige en
toekomstige wijzen van exploiteren' zou geen soelaas kunnen
bieden. Omdat de voorstanders van deze leer zich beroepen op
de wetsgeschiedenis wordt hieronder allereerst onderzocht
welke conclusies daaruit te trekken zijn. Vervolgens zal
bekeken worden hoe de verschillende rechtsgeleerden art. 2 Aw
geïnterpreteerd hebben. Daarna zal de verhouding tussen deze
bepaling en het BW bestudeerd worden, waarbij met name
aandacht wordt besteed aan de mogelijkheid van het verhandelen
van toekomstige goederen. Verder zal op de vraag ingegaan
worden in hoeverre art. 2 Aw op licenties van (analoge)
toepassing is en zal nagegaan worden of de derdenbescherming
de opvolgende verwerver enig soelaas kan bieden.
Totstandkoming
In 1912 is de voorloper van
het huidige art. 2 Aw in de Auteurswet opgenomen. In het
wetsontwerp werd gesteld dat het auteursrecht voor `geheele of
gedeeltelijke' overdracht vatbaar zou zijn, maar dat alleen de
gehele overdracht schriftelijk zou dienen te geschieden.
Blijkens de MvT zou een bestaande praktijk gedwarsboomd worden
als ook de gedeeltelijke overdracht bij geschrift zou moeten
plaatsvinden.[4]
Het artikel zou opgevat moeten worden als een lex specialis
t.o.v. art. 668 oud BW, waarin vermeld werd dat voor levering
van `onligchamelijke zaken' een authentieke of onderhandse
akte noodzakelijk was. Voor overdracht van auteursrecht zou
volgens de Minister `ieder geschrift' waaruit de bedoeling van
de partijen zou blijken voldoende zijn.
Uit het Voorlopig Verslag
blijkt dat de Kamer meteen al morde over deze regeling. Men
zei dat de praktijk niet de mogelijkheid van stilzwijgende
gedeeltelijke overdracht vereiste, want een auteur kan "zeer
wel het auteursrecht geheel behouden, terwijl hij zich
stilzwijgend verbindt de reproductie voor zoveel nodig toe te
laten". Bovendien was men van mening dat "jeugdige, onervaren
auteurs" van de regeling het slachtoffer zouden worden, nu een
eenvoudige quitantie voor de gehele overdracht voldoende zou
zijn en gedeeltelijke overdracht zelfs stilzwijgend zou kunnen
geschieden. Er zou voor gewaakt moeten worden dat de auteur de
gevolgen van een overdracht niet ten volle zou kunnen
beoordelen. Daarom werd geopperd, overeenkomstig art. 668 BW,
voor elke overdracht een akte te vereisen. Verder werd
voorgesteld aan te haken bij een Duitse wet waarin bepaald
werd dat alleen die rechten in de overdracht begrepen zijn
welke of uitdrukkelijk in de overeenkomst genoemd zijn of in
verband met haar inhoud door partijen bedoeld zijn. Minister
van Justitie Regout kon zich daar niet in vinden. Hij achtte
het onwenselijk een bepaling op te nemen die tot gevolg zou
hebben dat een "overdracht van `het auteursrecht' zonder
eenige nadere aanduiding of beperking, zou kunnen worden
geïnterpreteerd als te bedoelen eene slechts gedeeltelijke
overdracht". Met de eis dat gehele overdracht bij akte zou
moeten geschieden had hij minder moeite. In het Gewijzigd
Ontwerp werd gesteld dat voor gehele overdracht een akte
noodzakelijk was, gedeeltelijke overdracht zou nog steeds
stilzwijgend kunnen geschieden.
Kamerlid H.L. Drucker diende
daarop een amendement in. De tekst daarvan is in het huidige
art. 2 lid 2 Aw nog grotendeels terug te vinden: "Geheele of
gedeeltelijke overdracht van het auteursrecht kan niet anders
geschieden dan door middel van eene [...] akte. Zij omvat
alleen die bevoegdheden, waarvan de overdracht in de akte is
vermeld of uit de aard en de strekking der gesloten
overeenkomst noodzakelijk voortvloeit." Uit de Handelingen
blijkt dat Drucker hiermee beoogde de belangen van de auteurs
meer tot hun recht te laten komen. Zij zouden tegen
`ondoordachte overdracht' beschermd moeten worden. Het
commerciele inzicht van degene die auteursrechten verwerft zou
groter zijn dan dat van de auteur, de laatste verdiende daarom
bescherming. De koper van de rechten zou zeer wel voor zich
zelf kunnen zorgen. Bovendien zou het Gewijzigde Voorstel van
Regout ook in een ander opzicht in het nadeel van de auteur
uitvallen, omdat volgens art. 1509 BW onduidelijkheden in een
overeenkomst ten nadele van de verkoper uitgelegd moesten
worden. Ook op dit punt diende in de Auteurswet een correctie
op het BW gemaakt te worden.
Hierna ontspon zich een
retorisch steekspel tussen Drucker en Regout. In grote lijnen
verliep dat als volgt: Regout meende dat net als bij de
verkoop van onroerend goed al de bestanddelen zonder opgesomd
te worden inbegrepen waren, ook het hele auteursrecht voor
overdracht vatbaar zou moeten zijn zonder dat specifieke
bevoegdheden genoemd zouden moeten worden. Drucker antwoordde
dat er een verschil is tussen de verkoop van een huis en van
auteursrecht. Het is juist de ontastbaarheid van het
auteursrecht waardoor minder geraffineerde mensen moeilijker
zouden kunnen overzien wat er gebeurt. Regout kwam toen met
een opsomming van geleerde schrijvers waarmee hij aan wilde
geven dat auteurs niet onderontwikkeld zijn: "Het staat toch
vast, dat wij hier beschermen een soort intellectueelen
eigendom. Wij beschermen hier het intellect..." en juist dat
intellectuele deel van het volk zou tegen `arglistigen'
beschermd moeten worden? Drucker repliceerde met de opmerking
dat de genoemde personen dan misschien intellectueel zeer
ontwikkeld zijn, in commercieel opzicht zijn zij toch de
minderen van uitgevers. Een andere kaart die Regout uit wilde
spelen was een referentie naar art. 1375 BW, waarin gesteld
werd dat overeenkomsten niet alleen verbinden tot datgene wat
uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot dat wat naar de aard
van de overeenkomst door billijkheid, de gebruiken of de wet
gevorderd wordt. Het amendement zou niet een uitbreiding, maar
een `inkrimping' van de inhoud van overeenkomsten tot gevolg
hebben, waardoor al te zeer van het gemene recht zou worden
afgeweken, wat praktische problemen op zou leveren. Volgens
Drucker echter lag het door hem voorgestelde amendement juist
in het verlengde van art. 1375 BW. Door het zo te zien zou ook
een ander bezwaar van de Minister, namelijk dat het
onpraktisch zou zijn steeds alle bevoegdheden in een akte op
te sommen, weggenomen worden. Doordat de overeenkomst naar
haar aard en strekking uitgelegd diende te worden, zou het
niet fataal zijn zo'n opsomming achterwege te laten.
Het meest expliciet was
Drucker in zijn slotwoord: "Waar het op aankomt, wil ik de
Kamer nog met twee woorden trachten duidelijk te maken. Het is
dit, dat de maker van een kunstwerk, van welke aard ook, zijn
auteursrecht in grooter of kleiner omvang niet kan kwijtraken,
zonder dat hij dit zelf weet".[5]
Met 31 tegen 21 stemmen werd het amendement vervolgens
aangenomen.
Wetswijziging van 1989
Pas in 1989 werd weer over
art. 2 Aw gesproken. In het kader van de invoering van het
nieuwe BW was het noodzakelijk in de bepaling enige
wijzigingen aan te brengen. Het oude eerste lid: "Het
auteursrecht wordt beschouwd als een roerende zaak", kwam te
vervallen, omdat blijkens art. 3:2 jo 3:3 lid 2 BW het begrip
roerend alleen voor stoffelijke objecten bedoeld is. De
woordkeus van het huidige tweede lid werd ontleend aan die van
het BW. Nu wordt gesproken van `levering', zoals dat volgens
art. 3:84 BW noodzakelijk is voor overdracht. Die bepaling
vereist een levering krachtens geldige titel verricht door een
beschikkingsbevoegde. Dat de voor overdracht van het
auteursrecht noodzakelijke levering een akte vereist is,
blijkt volgens de MvT `strikt genomen' al uit de artt. 3:95 en
3:96 BW, die respectievelijk de levering in andere gevallen
dan expliciet in het BW genoemd en de levering van een aandeel
in een goed regelen. Verder wordt opgemerkt dat de
derdenbescherming van art. 3:88 BW van toepassing is. Door die
bepaling wordt onder omstandigheden de derde verkrijger van
een goed dat niet roerend, geen recht aan toonder of order en
geen registergoed is, beschermd. Ook volgens het gewijzigde
art. 2 Aw is het auteursrecht vatbaar voor gehele of
gedeeltelijke overdracht en de `overdracht omvat alleen die
bevoegdheden waarvan dit in de akte is vermeld of uit de aard
of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit'. Hier en
daar werd een woordje aan deze frase veranderd. Inhoudelijk
werd er echter geen aandacht aan besteed.
Het huidige tweede lid komt
voort uit het amendement-Drucker. Het lijkt daarom voor de
hand liggend daar de betekenis aan toe te kennen die Drucker
er aan wilde geven. Geïnterpreteerd conform de
wetsgeschiedenis is de strekking van de bepaling daarom de
zwakkere auteur te beschermen tegen ondoordachte overdracht.[6]
Soetenhorst en Cohen Jehoram
zijn een andere mening toegedaan. Zij menen dat een stuk dat
Scholten in 1912 in het WPNR schreef bij de beoordeling van de
betekenis van de wetsgeschiedenis betrokken moet worden.[7]
Daarom zou uit de parlementaire geschiedenis blijken dat de
doeloverdrachtsleer geldt. Scholten schreef dat het zijn
inziens "het beste [zou] zijn, indien bepaald werd dat een
overdracht van auteursrecht niet meer bevat dan de
bevoegdheden die uitdrukkelijk vermeld zijn of wier overgang
voor een richtige uitvoering van de overeenkomst op grond
waarvan wordt overgedragen noodzakelijk is."[8]
Dit lijkt inderdaad een beschrijving van de
doeloverdrachtsleer te zijn. Dat Drucker kennelijk de
bewoording van zijn amendement voor een groot gedeelte had
overgenomen van het stuk van Scholten, doet er echter niet aan
af dat het kamerlid er de nadruk op legde dat zijn bedoeling
was dat auteurs niet `per ongeluk' rechten overdragen en niet
dat iedere overdracht altijd restrictief
uitgelegd dient te worden.
De geleerden
Zoals gezegd bestaat er
verschil in opvatting over de interpretatie van art. 2 Aw.
Hieronder worden in chronologische volgorde de meningen van
verschillende rechtsgeleerden weergegeven.
In 1913 schreef Snijder van
Wissenkerke over art. 2 Aw: "Bij overdracht van `het
auteursrecht' zonder meer aan een uitgever, is zij, daar geen
bevoegdheden uitdrukkelijk worden vermeld, beperkt tot hetgeen
die uitgever voor zijn onderneming behoeft...".[9]
De Beaufort meende in 1932 "dat de bedoeling van deze bepaling
is [...] te voorkomen dat bevoegdheden, waaraan bij het
sluiten der overeenkomst door partijen en in het bijzonder de
overdragende partij niet werd gedacht [...] ongemerkt
overgedragen zouden worden. Indien dus bijvoorbeeld in een
uitgave-contract betreffende een roman de uitgever zich
verbindt tot de uitgave en de auteur hem daartoe `het
auteursrecht' of zelfs `het volledige auteursrecht'
overdraagt, zal alleen zijn overgedragen het recht van uitgave
in de oorspronkelijke taal en vorm. [...] Eene volledige
overdracht van het auteursrecht, zoo dat de overdragende
partij niets meer zelf overhoudt, zal dus wel nooit, of hoogst
zelden, voorkomen."[10]
Deze schrijvers meenden dat alleen de exploitatievormen die de
partijen bij sluiting van het contract primair voor ogen
stonden in de overdracht betrokken konden zijn, tenzij anders
zou blijken uit de opsomming van exploitatiewijzen.
Van Oven merkte in 1940 op
dat art. 2 Aw, geïnterpreteerd conform de bovenstaande
opvattingen, een `contradictio in se' oplevert.
Immers: eerst wordt gesteld dat het auteursrecht voor gehele
overdracht vatbaar is en vervolgens blijkt gehele overdracht
door de restrictieve interpretatie van de overdracht
onmogelijk. De opvatting van De Beaufort was volgens Van Oven
daarom niet houdbaar. Hij meende dat de interpretatie volgens
de aard en de strekking alleen dan voorgeschreven zou zijn,
als het zou gaan om een gedeeltelijke overdracht.[11]
Van Oven schreef: "Als dus wordt overgedragen `het
auteursrecht', ook zonder toevoeging van `geheel' of
`volledig', dan kan dit niet anders medebrengen dan dat de
auteur zijn auteursrecht volslagen verliest."[12]
Minister Regout legde zijn vinger op het door Van Oven
gesignaleerde probleem toen hij in 1912 bij de totstandkoming
van de bepaling als tegenargument gebruikte dat door het
amendement "ook bij de algehele overdracht van auteursrecht
toch nog de verplichting [zou] bestaan om in de akte te
noemen, uit welke elementen dat algehele auteursrecht
bestaat".[13]
Helaas lijkt hij de tegenspraak niet opgemerkt te hebben. Als
hij dat wel had gedaan had hij die vermoedelijk krachtiger in
stelling gebracht. Dan zou nu wellicht wat minder
onduidelijkheid bestaan met betrekking tot de interpretatie
van art. 2 Aw. Van Oven zegt niet specifiek iets over de
overdracht van bevoegdheden t.a.v. toekomstige
exploitatievormen. Maar als de auteur zijn auteursrecht
`volslagen verliest', is voorstelbaar dat hij daarmee ook de
rechten t.a.v. toekomstige exploitatievormen verloren heeft.
Gerbrandy zat 50 jaar na Van
Oven en in navolging van Pfeffer, wiens handboek hij
voortzette, op dezelfde lijn (Pfeffer was eerder een andere
mening toegedaan[14]
, maar heeft zich door Van Oven laten overtuigen). Ook
Gerbrandy meent dat overdracht van `het auteursrecht' betekent
dat de auteur alles kwijt is. Maar alleen alles wat hij al
had. De auteur kan niet die bevoegdheden overgedragen hebben
welke hem ten tijde van de overdracht (hij bedoelt blijkens de
arresten waar hij naar verwijst: voordat de Auteurswet in 1912
in werking trad[15]
) wettelijk nog niet toekwamen en evenmin kan hij de rechten
op toekomstige exploitatievormen overgedragen hebben. Hij
lijkt tot deze conclusie te komen zonder aan de (huidige)
tweede zin van art. 2 lid 2 Aw toe te komen (die behandelt hij
pas in het volgende nummer). De `aard of strekking' van de
overeenkomst zou wel invloed kunnen hebben op de uitlegging
van een gedeeltelijke overdracht. Het zou zelfs voor kunnen
komen dat die daardoor verruimd zou worden. Auteursrecht op
een toekomstig werk acht hij overigens wel overdraagbaar,
zolang het nog niet bestaande werk `naar inhoud en karakter
voldoende bepaald' is (overeenkomstig Hof Amsterdam 3 december
1936, NJ 1937, 13, zie hierna).[16]
Cohen Jehoram noemde de zin
uit de tweede druk van Gerbrandy's handboek die luidt: "Een
akte waarin de rechthebbende overdraagt: `het auteursrecht'
heeft tot gevolg dat de wederpartij het volledige recht
verwerft", `de gevaarlijkste zin'. Hij meent dat deze
uitspraak `in vierkante strijd' met de wetsgeschiedenis en de
woorden van de wet is: "Alsof de geschiedenis van art. 2 niet
bestaan heeft. Alsof de woorden zelf van art. 2 de lezing-Van
Oven-Pfeffer-Gerbrandy zouden toelaten. Alsof niet ook de
bedoeling van Drucker, Paul Scholten, De Beaufort en de
kunstenaarsverenigingen [die in 1912 hadden aangedrongen op
extra bescherming voor de auteur] indertijd, inderdaad een
uitermate groot praktisch belang van de auteur dient, dat men
dan ook in latere buitenlandse wetten en rechtspraak als een
beschermd belang terug kan vinden."[17]
Elders stelt hij dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de
restrictieve uitleg voor zowel gehele als gedeeltelijke
overdracht geldt. In de lijn van De Beaufort meent hij dat als
een vage, globale clausule als `het gehele auteursrecht wordt
overgedragen' gebruikt wordt, `deze in zijn onbepaaldheid geen
effect' heeft.[18]
De leer van de zogenaamde `Zweckubertragung'
geldt volgens Cohen Jehoram als een opsomming van bevoegdheden
ontbreekt. Daardoor wordt overdracht van het auteursrecht
slechts aangenomen "in de mate dat deze overdracht
noodzakelijk is voor het bereiken van het doel dat met het
contract wordt nagestreefd". Uit art. 2 Aw "wordt tevens
afgeleid dat geen overdracht mogelijk is van bevoegdheden
waaraan partijen ten tijde van de overdracht onmogelijk kunnen
hebben gedacht".[19]
Daarom kunnen rechten t.a.v. toekomstige exploitatiewijzen
niet overgedragen worden. Ze bestaan (of bestonden) niet dus
kan er onmogelijk aan gedacht zijn.
Dezelfde teneur treft men aan
bij Wichers Hoeth. Die schrijft dat de bedoeling van art. 2 Aw
is de auteur te beschermen tegen overgang van bevoegdheden
waaraan bij de overdracht niet is gedacht of niet kon worden
gedacht. "Gelet op de strekking der bepaling dient ook dan
[als het gaat om een uitdrukkelijke volledige overdracht van
het auteursrecht] in beginsel de toepasselijkheid te worden
aangenomen."[20]
Kennelijk acht hij rechten t.a.v. toekomstige
exploitatievormen nooit overdraagbaar, maar ziet hij wel een
mogelijkheid voor overdracht van het gehele auteursrecht (hij
zegt immers: `in beginsel').
Van Lingen meent dat het
auteursrecht in zijn geheel kan worden overgedragen, als dat
uitdrukkelijk in de akte vermeld is ('het auteursrecht in zijn
meest volledige wettelijke omvang, zonder voorbehoud van enige
bevoegdheid'). Of rechten op toekomstige exploitatiewijzen
overgedragen kunnen worden is volgens Van Lingen nog maar de
vraag. Een ontkennend antwoord lijkt hem hier op zijn plaats
te zijn, maar "het contract kan anders bepalen".[21]
Dit lijkt erop te wijzen dat hij van mening is dat, als dat
uitdrukkelijk overeengekomen is, rechten op toekomstige
exploitatievormen overgedragen kunnen worden.
Spoor en Verkade menen dat
overdracht van het gehele auteursrecht wel degelijk gewild kan
zijn en daarom in de aard of strekking van de overeenkomst
besloten kan liggen. Met name is dat het geval als gesproken
wordt van `het volledige auteursrecht', `alle
auteursrechtelijke aanspraken' of `het auteursrecht in zijn
meest volledige omvang'. Als daarentegen van `het
auteursrecht' of `de auteursrechten' gesproken wordt is er
reden te onderzoeken wat partijen gewild hebben. Maar ook dan
kan een volledige overdracht plaatsgevonden hebben. Een
overdracht van alle bestaande en toekomstige bevoegdheden
achten zij ook tot de mogelijkheden te behoren. Als de
overgedragen bevoegdheden ten aanzien van toekomstige
exploitatiewijzen tot buitengewone onvoorziene opbrengsten
leiden, zou art. 6:258 BW, dat van dwingend recht is en de
rechter in staat stelt de gevolgen van een overeenkomst te
wijzigen vanwege onvoorziene omstandigheden, dienst kunnen
doen.[22]
De meningen verschillen.
Snijder van Wissenkerke, De Beaufort en Cohen Jehoram menen
dat volledige overdracht van het auteursrecht onmogelijk is.
Overdracht van bevoegdheden t.a.v. toekomstige
exploitatievormen is volgens hen waarschijnlijk helemaal uit
den boze. Van Oven, Van Lingen en Spoor en Verkade lijken
daarentegen van mening te zijn dat volledige overdracht en
daarom overdracht van rechten op toekomstige exploitatievormen
wel mogelijk zou (moeten) zijn. Gerbrandy en Wichers Hoeth
bevinden zich ergens daar tussen in. Spoor en Verkade lijken
te impliceren dat bescherming tegen overdracht van rechten op
nog niet bestaande exploitatievormen overbodig is, omdat het
gemene recht voldoende bescherming biedt tegen het mislopen
van inkomsten uit onvoorziene exploitatiewijzen.
Art. 2 Aw en het BW
Bij de totstandkoming van de
bepaling in 1912 werd al aandacht besteed aan de verhouding
tussen art. 2 Aw en het BW. In het eerste Wetsvoorstel was
opgenomen dat overdracht bij geschrift zou dienen te
geschieden (een akte was dus niet nodig), aldus zou art. 2 Aw
een lex specialis ten opzichte van art. 668 oud BW vormen. Na
protest in de tweede kamer werd tenslotte het aktevereiste van
art. 668 oud BW in de Auteurswet overgenomen, zodat art. 2 Aw
in dit opzicht als een verlengde daarvan gezien kon worden (de
Hoge Raad zag de bepaling inderdaad zo, zie hierna). Ook na
invoering van het NBW gaat deze visie nog op. Uit de MvT bij
de wetswijziging van 1989 blijkt dat het aktevereiste voor
levering van het auteursrecht `strikt genomen' al uit artt.
3:95 en 3:96 BW volgt en in art. 2 Aw slechts herhaald wordt.
Eén van de argumenten van
Drucker voor opname van de regel die voorschrijft dat alleen
die bevoegdheden overgedragen worden die noodzakelijk uit de
aard of strekking voortvloeien was dat art. 1509 oud BW stelde
dat onduidelijkheden in een overeenkomst ten nadele van de
verkoper uitgelegd dienen te worden. Als een auteur aan een
uitgever rechten zou overdragen zou de auteur de verkopende
partij zijn en zou de uitgever bij twijfel gelijk krijgen.
Hier vormde art. 2 Aw dus een correctie op het BW. In het NBW
ontbreekt een pendant van art. 1509 oud BW. In bovengenoemde
zin is daarom geen corrigerende werking meer nodig.
Een andere bepaling die in
1912 ter sprake kwam was art. 1375 oud BW, de voorloper van
art. 6:248 BW. Het oude artikel bepaalde dat overeenkomsten
niet alleen verbinden tot wat er in bepaald is, maar ook
tot hetgeen uit de aard van overeenkomst, door de billijkheid,
het gebruik en de wet gevorderd wordt. Minister Regout meende
dat door de interpretatieregel zoals voorgesteld door Drucker
niet een uitbreiding, maar een `inkrimping' van de inhoud van
overeenkomsten teweeg gebracht zou worden. Daarmee zou te ver
van het gemene recht afgeweken worden en dat zou in de
praktijk problemen met zich mee brengen. Drucker daarentegen
stelde dat het door hem voorgestelde juist in het verlengde
van art. 1375 oud BW zou liggen. Hij had de situatie op het
oog waarin de uitgever niet bepaalde bevoegdheden opgesomd zou
hebben. Dan zou door de door hem voorgestelde
interpretatieregel, net als door art. 1375 oud BW, de inhoud
van de overeenkomst uitgebreid worden, doordat die naar de
aard en de strekking uitgelegd zou worden.[23]
Redelijkheid en
billijkheid
Het voorschrift van art. 2
lid 2 Aw heeft strikt geïnterpreteerd geen betrekking op
uitleg van de overeenkomst; het is immers de overdracht, het
gevolg van de overeenkomst, die niet meer omvat dan `uit de
aard of strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit'. De
titel is in het geval van overdracht van auteursrechten
meestal een obligatoire overeenkomst. Om vast te stellen wat
de omvang van de overdracht is moet dan toch de overeenkomst
uitgelegd worden.[24]
In beginsel moet een
overeenkomst worden uitgelegd door de betekenis van de door de
contractanten afgelegde verklaringen en de daardoor ontstane
rechtsgevolgen vast te stellen. De overeenkomst wordt in het
leven geroepen door overeenstemmende wilsverklaringen.[25]
Art. 6:248 BW geeft algemene richtlijnen voor de uitleg van
overeenkomsten. In art. 6:248 lid 1 BW heet het dat een
overeenkomst `niet alleen de door partijen gewilde
rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de
overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van
redelijkheid en billijkheid voortvloeien'. De bepaling komt
aan de orde als de afspraken van partijen een leemte bevatten.[26]
Voordat het NBW was ingevoerd had de Hoge Raad in het
Haviltex-arrest al gesteld dat het bij uitleg van
contractsbepalingen aankomt "op de zin die partijen in de
gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze
[contracts-]bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te
dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten".
Daaraan werd toegevoegd dat daarbij mede van belang kan zijn
"tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke
rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht".[27]
Het laatste zou tot gevolg
kunnen hebben dat alleen al op grond van het gemene recht de
auteur (als commercieel minder ontwikkelde partij) tegen
zichzelf beschermd wordt, zoals blijkens de parlementaire
geschiedenis de bedoeling van art. 2 Aw is. In deze zin kan in
art. 2 Aw daarom een herhaling van art. 6:248 lid 1 BW gezien
worden. Een overeenkomst heeft conform art. 6:248 lid 1 BW
onder meer de gevolgen die partijen gewild hebben (`de
strekking') of die uit de aard van de overeenkomst
voortvloeien. In art. 2 Aw wordt over de aard en de strekking
gesproken. Ook vanwege deze gelijkenis kan art. 2 Aw als in
het verlengde liggend van art. 6:248 lid 1 BW beschouwd
worden.
Het verschil zit in het woord
`noodzakelijk'. Gerbrandy meent, zich baserend op Druckers
repliek aan Regout (zie hiervoor), dat het voor de hand ligt
om art. 1375 oud BW (de voorloper van art. 6:248 lid 1 BW)
"voluit toepasselijk" te achten, "doch tevens is in het woord
`noodzakelijk' een vingerwijzing aan de rechter te zien om uit
de aard en de strekking niet te spoedig een overdracht van
enig gedeelte van het auteursrecht af te leiden."[28]
Daardoor zou iedere gedeeltelijke overdracht (Gerbrandy is
immers van mening dat de interpretatieregel van art. 2 lid 2
Aw alleen op de gedeeltelijke overdracht van toepassing is),
ongeacht de rechtskennis van de partijen, beperkt uitgelegd
moeten worden. Een verschil zou daarom zijn dat onder art. 2
Aw de reele rechtskennis van partijen geen rol speelt, waar
dat onder art. 6:248 BW wel het geval zou zijn.
Ook Wichers Hoeth ziet in
art. 2 Aw een tegenkracht tegen artt. 1374 en 1375 oud BW.
Art. 2 Aw behoedt de auteur voor overdracht van bevoegdheden
waaraan niet gedacht is bij het sluiten van de overeenkomst en
die zouden kunnen voortvloeien uit de goede trouw.[29]
Zo bezien vormt het
interpretatievoorschrift van art. 2 lid 2 Aw een correctie op
art. 6:248 BW. Zoals ook onder art. 6:248 BW het geval is, kan
overdracht van een gedeelte van het auteursrecht onder art. 2
Aw afgeleid worden uit de aard of strekking van de
overeenkomst. Op grond van de lex specialis art. 2 Aw kan
overdracht van een gedeelte van het auteursrecht echter
slechts uit de aard of strekking van de overeenkomst afgeleid
worden, als dat `noodzakelijk' (onmiskenbaar) de
bedoeling van de partijen is geweest of met de aard van de
overeenkomst samenhangt. Bij twijfel moet de overeenkomst
restrictief en daarom in het voordeel van de rechtenverlener
uitgelegd worden.[30]
Als dit de betekenis van de interpretatieregel zou zijn, zou
die niet aan een uitdrukkelijke overdracht van rechten t.a.v.
nog onbekende exploitatievormen in de weg staan. In zo'n geval
kan er immers geen twijfel over bestaan dat de strekking van
de overeenkomst is die rechten over te dragen.
Strikt genomen doelt art.
6:248 lid 1 BW op de uitbreiding van overeenkomsten, maar
wanneer de redelijkheid en billijkheid leidt tot aanname van
andere rechtsgevolgen, gaat de aanvullende werking van de
bepaling soms gepaard met beperkende werking.[31]
De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is
met zoveel woorden gecodificeerd in het tweede lid van art.
6:248 BW. Het voorschrift van het tweede lid kan de
toepasselijkheid van een tussen partijen geldende regel
beperken, voor zover toepassing daarvan naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daardoor
kan een contractueel recht `opzij gezet' of `gewijzigd'
worden.[32]
Een beding kan onredelijk zijn als het van aanvang af
onredelijk bezwarende gevolgen voor een van de partijen met
zich meebracht.[33]
Art. 2 Aw geïnterpreteerd conform de leer van de
doeloverdracht vormt in dit licht bezien een uitwerking van
art. 6:248 lid 2 BW. Een auteur `alle auteursrechten' ontnemen
zou altijd als een onredelijk bezwarend gevolg gezien moeten
worden, dat vanwege de redelijkheid en billijkheid gewijzigd
wordt in `alle auteursrechtelijke bevoegdheden die voor het
doel waarvoor de overeenkomst gesloten is noodzakelijk zijn'.
Bepaling van de rechtsgevolgen alleen naar art. 6:248 BW kan
onder omstandigheden echter wel tot gevolg hebben dat `alle
auteursrechten' overgedragen zijn, bijvoorbeeld als daar een
royale vergoeding tegenover staat. In zo'n geval zal niet snel
van een onredelijk bezwarend gevolg sprake zijn.[34]
De beperkende werking van de
redelijkheid en billijkheid is pas na WOII in de rechtspraak
aangenomen. Pas na 1976 nam het aantal toepassingen van de
beperkende werking snel toe. Daarvoor werd aan het voorschrift
van art. 1374 lid 1 oud BW, dat een overeenkomst degenen die
haar aangaan `tot wet' strekt, een overheersende betekenis
toegekend. Met een beroep op het derde lid van de bepaling, de
voorloper van art. 6:248 lid 2 BW, mocht hetgeen uitdrukkelijk
was overeengekomen niet opzij gezet of gewijzigd worden[35]
, met name niet door gewijzigde omstandigheden.[36]
Waar art. 2 Aw nu als een, wellicht overbodige, uitwerking van
art. 6:248 BW gezien kan worden, was dat daarom eerder niet
het geval.
Onvoorziene omstandigheden
Art. 6:258 BW, waardoor het
de rechter mogelijk wordt gemaakt de gevolgen van een
overeenkomst te wijzigen als zich `onvoorziene omstandigheden'
voordoen, kan beschouwd worden als een wettelijke toepassing
van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid
en onder omstandigheden van de aanvullende werking daarvan.[37]
Onvoorziene omstandigheden in de zin van deze bepaling zijn
omstandigheden die partijen niet (uitdrukkelijk of
stilzwijgend) in hun overeenkomst verdisconteerd hebben. Het
gaat er niet om of partijen de omstandigheden daadwerkelijk
niet hebben voorzien of hadden moeten voorzien, maar of het
omstandigheden zijn waarin zij niet hebben voorzien.[38]
De omstandigheden moeten na het sluiten van de overeenkomst
zijn ingetreden. Het evenwicht van tussen de over en weer
verschuldigde prestaties wordt erdoor verstoord. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan van de
wederpartij een ongewijzigde instandhouding van de
overeenkomst niet verwacht worden. Uit het tweede lid blijkt
dat de wijziging slechts dan uitgesproken kan worden als de
omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in
het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de gedaagde
partij komen.[39]
Wanneer zich nieuwe
exploitatievormen voordoen waarin de overeenkomst niet
voorziet en het evenwicht tussen de beide prestaties verstoord
wordt kan een rechter de gevolgen van de overeenkomst
wijzigen. Als `het volledige auteursrecht' is overgedragen zou
hij kunnen beslissen dat de rechten op toekomstige
exploitatiewijzen niet inbegrepen zijn, zoals dat ook op grond
van art. 2 Aw zou kunnen, maar ook dat de auteur recht heeft
op een extra vergoeding. Voor dit laatste laat art. 2 Aw geen
ruimte. Dat is meteen een verschil met art. 6:258 BW. Verder
wordt een wijziging of ontbinding krachtens art. 6:258 BW niet
uitgesproken als de wederpartij een aanbod tot wijziging van
de overeenkomst doet dat het ontstane nadeel opheft.[40]
Dit zou onder de doeloverdrachtsleer ondenkbaar zijn.
Doorslaggevend is of het
ontstane nadeel gezien de aard van de overeenkomst of de in
het verkeer geldende opvattingen niet voor rekening komt van
degene die zich op art. 6:258 BW beroept. De aard van de
overeenkomst is ook onder art. 2 Aw van belang. De laatste
bepaling kan daarom in dat opzicht als een verlengstuk van
art. 6:258 BW gezien worden. Naar de letter van de wet is
verschillend dat de in het verkeer geldende opvattingen onder
art. 6:258 BW een rol kunnen spelen en niet onder art. 2 Aw.
Vermoedelijk duiden de `aard' en de `in het verkeer geldende
opvattingen' echter op min of meer hetzelfde. Overeenkomsten
met een bepaalde aard kunnen immers slechts ontstaan doordat
vaker vergelijkbare overeenkomsten gesloten worden. Als vaker
dergelijke overeenkomsten gesloten worden duidt dat op een
gewoonte. De verkeersopvattingen hebben betrekking op wat
gewoonlijk de opvatting is.
De toepassing van art. 6:258
BW kan door partijen niet worden uitgesloten. Het
toepassingsgebied kan echter wel teruggedrongen worden door
meer omstandigheden in de overeenkomst te verdisconteren,
hetgeen ook in algemene bewoordingen kan geschieden.[41]
Bij het uitleggen van de overeenkomst wordt niet alleen naar
de letterlijke tekst gekeken, maar ook naar de strekking van
de overeenkomst. Als rechten `op alle huidige en toekomstige
bevoegdheden' verleend zijn, is dat weliswaar vaag, maar kan
dat toch niets anders betekenen dat de partijen de
omstandigheid dat zich nieuwe exploitatievormen voor zouden
doen verdisconteerd hebben. Daarom zal in zo'n geval een
beroep op art. 6:258 BW waarschijnlijk niet slagen. Onder art.
2 Aw is het onduidelijk of de toekomstige omstandigheid dat
zich nieuwe, onvoorziene exploitatiewijzen voordoen in
algemene bewoordingen ondervangen kan worden. Als dat niet zo
zou zijn zou dat een breuk met het gemene recht inhouden.
Indien wel de omstandigheden in algemene bewoordingen
ondervangen zouden kunnen worden zou art. 2 Aw in dit opzicht
geen zelfstandige betekenis hebben.
Levering van toekomstige
goederen
Er zijn twee gevallen waarin
een auteursrecht toekomstig kan zijn. Het kan gaan om
bevoegdheden t.a.v. een nog niet bestaand werk en om
bevoegdheden met betrekking tot toekomstige vormen van
exploitatie. Over het eerste bestaat rechtspraak.
In 1923 bepaalde de Rechtbank
Amsterdam dat een overdracht van rechten op nog niet bestaande
werken rechtsgeldig was, onder andere omdat "de Rb. in gemelde
cessie-acte niet heeft aangetroffen bepalingen in strijd met
de goede zeden, met name als zoodanig niet mag worden
beschouwd de bepaling omtrent cessie van toekomstige werken
[...], nu daar tegenover staat [een] recht op een vastgesteld
percentage in de baten, die het betrokken werk [...]
oplevert". Hoewel daar niet expliciet op in werd gegaan
oordeelde de Rechtbank kennelijk dat art. 2 Aw niet aan de
overdracht van toekomstig auteursrecht in de weg stond.[42]
In 1936 meende de Hoge Raad
daarentegen dat overdracht van auteursrecht op nog te
vervaardigen werken in het Nederlandse rechtssysteem niet
mogelijk is, omdat de wetgever met art. 2 Aw bij art. 668 oud
BW wilde aansluiten en de laatstgenoemde bepaling overgang van
het eigendom van een vordering slechts toeliet als de
vordering bij het aangaan van de akte van overdracht reeds
bestond. Daarom kon GEMA geen rechten doen gelden t.a.v. een
werk dat tot stand was gekomen na het aangaan van de
overeenkomst waarin aan haar uitdrukkelijk de rechten op de
nog te scheppen werken van een componist waren overgedragen.[43]
In december van hetzelfde jaar deed het Hof Amsterdam
uitspraak in een vergelijkbare zaak (het ging nu om de BUMA).
Het oordeelde dat het aan twijfel onderhavig zou zijn of de
rechter in een bodemgeschil overdracht van auteursrecht op
werken die nog niet tot stand waren gekomen en die niet `naar
inhoud en karakter behoorlijk bepaald waren' als rechtsgeldig
zou beschouwen.[44]
Het laatste criterium is
vermoedelijk ontleend aan de noot van Meijers onder het eerder
genoemde arrest van de Hoge Raad. Meijers voornaamste verwijt
daarin aan de Hoge Raad is dat die ten onrechte aansluit bij
art. 668 oud BW en de daarover bestaande jurisprudentie.
Weliswaar is de vorm waarin de overdracht volgens art. 2 Aw
moet geschieden aan art. 668 oud BW ontleend, art. 2 Aw zou
volgens Meijers toch een zelfstandig karakter dragen. De
verwijzing naar de bepaling uit het gemene recht is volgens
hem dan ook onzinnig. Hij meent dat toekomstige rechten
overdraagbaar zouden moeten zijn als ze `een bepaald
onderwerp' hebben. En: "de mate van bepaaldheid, die aanwezig
moet zijn, kan niet in het algemeen aangegeven worden; wanneer
de wet deze mate niet noemt, kan de rechter haar vaststellen."
Als het gaat om een `nog niet voltooid werk' zou niets eraan
in de weg staan dat de rechten daarop overgedragen worden,
mits het `naar inhoud en karakter behoorlijk bepaald zij'. De
meeste schrijvers zijn het met Meijers eens.[45]
De Hoge Raad heeft later specifiek m.b.t. de overdracht van
toekomstig auteursrecht geen uitspraken meer gedaan. In de
jaren '80 is in de rechtspraak de mogelijkheid van overdracht
van ander soortige toekomstige goederen opgerekt. Uiteindelijk
is die ontwikkeling geculmineerd in art. 3:97 BW.
In art. 3:97 BW is een
speciale regeling getroffen ter zake van levering van
toekomstige goederen. Grosheide en Hartkamp menen dat art.
3:97 BW op `overdracht van auteursrecht op een toekomstig
werk' van toepassing is, omdat blijkens de parlementaire
geschiedenis aan art. 2 lid 2 Aw eerste volzin (het
aktevereiste) geen zelfstandige betekenis meer toekomt, het
vereiste van art. 3:95 BW wordt daarin slechts herhaald.[46]
De koppeling waar Meijers zich zo tegen verzette lijkt feit te
zijn geworden, maar nu met als gevolg dat levering bij
voorbaat van toekomstig auteursrecht juist wel mogelijk is.
Toekomstige goederen kunnen
`bij voorbaat geleverd' worden, aldus art. 3:97 BW. Levering
is een voorwaarde voor overdracht van een goed (art. 3:84 BW).
Overdracht is de term die in het BW gebruikt wordt voor het
rechtsgevolg inhoudende dat het goed van het vermogen van de
één in het vermogen van de ander geraakt. Als levering heeft
plaatsgevonden en aan de andere door art. 3:84 lid 1 BW
gestelde voorwaarden voldaan is (geldige titel en
beschikkingsbevoegdheid), is de overdracht voltooid en is het
goed deel van het vermogen van de verkrijger gaan uitmaken.
Als bij voorbaat geleverd is heeft de leveringshandeling reeds
plaatsgevonden, toch is de overdracht nog niet voltooid, omdat
die pas plaats kan vinden als de vervreemder
beschikkingsbevoegd is. Men zegt dat op het moment dat de
vervreemder beschikkingsbevoegd wordt meteen (in een
`ondeelbare tijdseenheid') de overdracht plaatsvindt.[47]
Wanneer kan een auteur
beschikken over het auteursrecht? Een werk valt pas onder het
auteursrecht als het op enigerlei wijze tot uitdrukking is
gebracht.[48]
Levering bij voorbaat zou tot gevolg hebben dat op het moment
dat het werk voldoende vorm heeft gekregen het auteursrecht
overgedragen wordt. Pas dan ontstaat het auteursrecht en pas
dan kan de auteur logischerwijs daarover beschikken. Wanneer
kan de auteur beschikken over zijn exclusieve bevoegdheden
t.a.v. toekomstige exploitatievormen? Kan hij dat al voordat
de exploitatievorm bestaat? Als dit niet het geval is kan hij
de bevoegdheden bij voorbaat leveren, maar vindt de overdracht
plaats op het moment dat de exploitatiewijze `geboren wordt'.
Rechten op toekomstige
exploitatiewijzen kunnen waarschijnlijk ook onder het NBW
strikt genomen niet overgedragen worden (wel geleverd, voor
alle duidelijkheid: Het gaat hier om levering bij
voorbaat, dat is wat art. 3:97 BW toestaat, niet overdracht
bij voorbaat). Maar op het moment dat de toekomstige
exploitatiewijze ontstaan is en de maker daarom over de
rechten daarop kan beschikken, verkrijgt degene aan wie die
rechten bij voorbaat geleverd zijn goederenrechtelijke
bevoegdheden.
Hierboven zijn de door art.
3:84 lid 1 BW vereiste levering en beschikkingsbevoegdheid
behandeld. De derde eis die in de bepaling gesteld wordt is
dat sprake moet zijn van een `geldige titel'. In het tweede
lid blijkt dat het goed in de titel `met voldoende
bepaaldheid' omschreven dient te zijn. Deze eis geldt ook voor
overeenkomsten waarin het om toekomstige goederen gaat.
"Gelijk bij iedere rechtshandeling, moet ook bij een levering
bij voorbaat het onderwerp der rechtshandeling een zekere mate
van bepaalbaarheid hebben", aldus Meijers.[49]
Volgens Meijers bezit "...het auteursrecht op een boek, dat de
auteur over een onderwerp zal schrijven, [...] voldoende
bepaaldheid."[50]
Van Engelen meent zelfs dat "wellicht een overdracht van alle
auteursrechten op de werken die een auteur zal maken"
voldoende bepaald geacht kan worden.[51]
De vraag is of met
formuleringen in de leveringsakte als `de bevoegdheden t.a.v.
alle toekomstige exploitatiewijzen' of `het auteursrecht in
zijn meest volledige omvang' eveneens het goed voldoende
bepaald is. Het gaat er om dat "het goed identificeerbaar [is]
op het tijdstip dat het wordt verkregen door de vervreemder."[52]
Op het moment dat de auteur de beschikking krijgt over
bevoegdheden t.a.v. de (voormalig) toekomstige
exploitatiewijze is dat het geval. Daarom lijkt ook deze eis
er niet aan in de weg te staan dat rechten met betrekking tot
toekomstige exploitatiewijzen geleverd worden.
Een voorwaarde die in art.
3:97 BW zelf gesteld wordt voor levering bij voorbaat, is dat
het niet `verboden' mag zijn de toekomstige goederen tot
onderwerp van een overeenkomst te maken. Als art. 2 Aw volgens
de doeloverdrachtsleer opgevat moet worden blokkeert de
bepaling de overdracht van rechten t.a.v. toekomstige
exploitatievormen. Aldus zou gezegd kunnen worden dat art. 2
Aw een dergelijke overdracht verbiedt en dat daarom art. 3:97
BW geen soelaas kan bieden.
Uit art. 45d Aw,
waarin vermeld wordt dat, tenzij schriftelijk anders
overeengekomen is, de maker geacht wordt de rechten t.a.v.
toekomstige exploitatiewijzen aan de filmproducent
overgedragen te hebben, blijkt overigens dat het overdragen
van dergelijke rechten niet principieel onmogelijk is onder de
Auteurswet. In de bepaling wordt gesteld dat de maker recht
heeft op een billijke vergoeding, indien de producent tot
exploitatie op de (voormalig) toekomstige exploitatiewijze
overgaat. Een dergelijk resultaat zou ook op grond van het
gemene recht (art. 6:258 BW) bereikt kunnen worden. Verwarrend
is dat art. 45d Aw stelt dat de rechten geacht worden
`overgedragen' te zijn. Overdracht bij voorbaat is onder het
BW immers niet mogelijk. Wellicht omdat de regel pas van
belang wordt als de vorm van exploiteren ontstaan is, moet die
opgevat worden als terugkijkend i.p.v. vooruitkijkend in de
tijd. Op het moment dat de bepaling toepassing verlangt is de
overdracht voltooid (de maker is immers beschikkingsbevoegd
geworden toen de exploitatiewijze ontstond en op dat moment
zijn de rechten overgegaan).
Licenties
Art. 2 Aw heeft letterlijk
genomen slechts betrekking op overdracht van auteursrecht en
niet op licenties. Zou daarom wel zonder twijfel het volledige
auteursrecht in licentie gegeven kunnen worden, of zou de
bepaling analoog op licenties toegepast dienen te worden ter
interpretatie van de omvang van een gegeven toestemming? Voor
het laatste pleit het feit dat in art. 9 WNR bepaald is dat
ook de omvang van een licentie beoordeeld moet worden naar wat
uit `de aard of strekking van de titel noodzakelijk
voortvloeit'. In de literatuur wordt echter verkondigd dat de
restrictieve uitleg alleen dan analoog op een licentie van
toepassing zou zijn als de licentie in economisch opzicht
vergelijkbaar zou zijn met een overdracht, d.w.z. als het gaat
om een exclusieve licentie.[53]
Cohen Jehoram meent dat art. 2 Aw weliswaar niet op licenties
van toepassing is, maar signaleert dat de Hoge Raad meerdere
malen toch licenties restrictief heeft uitgelegd.[54]
Dit laatste vloeit echter
allerminst noodzakelijk voort uit een analogie met art. 2 Aw.
Zoals hierboven uiteen is gezet kan ook het gemene recht (de
redelijkheid en billijkheid) tot gevolg hebben dat de
overeenkomst beperkt en ten gunste van de auteur wordt
uitgelegd. Overigens blijkt uit jurisprudentie dat licenties
niet altijd in het voordeel van de auteur worden uitgelegd. Zo
meende het Hof Amsterdam, redenerend conform het Haviltex-arrest,
dat bij een licentie waarmee toestemming was gegeven een foto
op de kaft van een boek te gebruiken ook de toestemming om de
foto in advertenties te plaatsen inbegrepen was. Het Hof
stelde dat, nu omtrent dergelijk gebruik niets afgesproken
was, doorslaggevend moest zijn wat partijen "redelijkerwijs
van elkaar mochten verwachten, gelet op hetgeen bij een
dergelijke overeenkomst gebruikelijk is". De fotografe had
(iets meer dan) de normale vergoeding voor gebruik in reclame
gehad. Bovendien had ze, gezien haar ervaring in de branche,
kunnen voorzien dat een foto op de cover van een boek voor
reclamedoeleinden zou worden gebruikt. Aan art. 2 Aw werd door
het Hof niet gerefereerd.[55]
In de tot op heden enige zaak
waarin het ging om de vraag of de elektronische rechten bij
een overeenkomst inbegrepen waren werd de omvang van een
impliciete licentie beoordeeld.[56]
Ook in deze zaak lijkt de rechter niet zozeer aan art. 2 Aw te
refereren als wel aan de redelijkheid en billijkheid. De
Rechtbank stelde dat beoordeeld diende te worden of de auteurs
"redelijkerwijs moeten worden geacht te hebben ingestemd met
opneming van hun bijdragen op de CD-rom en/of de web site...".
Dit was niet het geval omdat "ten tijde van het geven van
toestemming en openbaarmaking in de krant niet voorzienbaar
[was] dat hun bijdragen ook op de CD-rom en de web site zouden
worden opgenomen". Ook in dit geval was de voorzienbaarheid
van de betreffende exploitatiewijze ten tijde van sluiting van
de overeenkomst doorslaggevend en lijkt veeleer het
Haviltex-arrest door te klinken dan art. 2 Aw, waar
nergens in de uitspraak expliciet naar verwezen wordt.[57]
Het ging in beide hierboven
besproken zaken om bevoegdheden waarover geen duidelijke
afspraken gemaakt waren. In een dergelijk geval is het
afhankelijk van de voorzienbaarheid van de exploitatiewijze
ten tijde van het sluiten van de overeenkomst of die bij de
rechtenverlening inbegrepen is, omdat datgene wat de partijen
redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten de inhoud van de
overeenkomst en daarom de omvang van de rechtenverlening
bepaalt.
Nog steeds is echter onzeker
wat een rechter zal beslissen als uitdrukkelijk rechten t.a.v.
nog onbekende exploitatievormen in licentie gegeven (of
overgedragen) zijn. Het lijkt dat de vervreemder partij in een
dergelijk geval redelijkerwijs geacht kan worden te hebben
ingestemd met exploitatie van het werk middels een voormalig
onbekende vorm van exploitatie. De voorzienbaarheid van de
exploitatiewijze zou dan geen rol meer hoeven spelen. Dit zou
anders kunnen liggen als uitdrukkelijk `het volledige
auteursrecht' is overgedragen. Wellicht kan in een dergelijk
geval de voorzienbaarheid van de exploitatiewijze van belang
zijn bij de vaststelling van wat partijen redelijkerwijs van
elkaar mochten verwachten.
Derdenbescherming
Stel: een auteur (A) heeft
enkele jaren geleden aan een uitgever (U) expliciet het
volledige auteursrecht verkocht. Vervolgens worden door U aan
een Multimediaproducent (M) de elektronische rechten
doorverkocht en M geeft een CD-rom uit. A komt de CD-rom op
het spoor en meent de rechten voor dergelijk gebruik nog onder
zich te hebben. Kan M zich beroepen op enige vorm van
derdenbescherming, zoals daarin door het BW wordt voorzien?
Blijkens de parlementaire
geschiedenis is art. 3:88 BW van toepassing op overdracht van
auteursrechten.[58]
De derde (M) is beschermd indien de verkrijging ongeldig is,
omdat de vervreemder (U) beschikkingsonbevoegdheid is, maar
die beschikkingsonbevoegdheid niet voortvloeit uit de
beschikkingsonbevoegdheid van een eerdere vervreemder (A). Aan
deze voorwaarde zou voldaan kunnen zijn; A had als maker
immers het volledige auteursrecht. Anderzijds kan gesteld
worden dat art. 2 Aw wellicht zo opgevat moet worden dat A
niet kan beschikken over de rechten op nog onbekende vormen
van exploitatie. Dan zou alleen al deze voorwaarde maken dat
een beroep op art. 3:88 BW aan M geen soelaas kan bieden.
Daarbij komt dat de goede trouw die door de bepaling wordt
vereist naar alle waarschijnlijkheid roet in het eten zal
gooien. Het is immers sinds tientallen jaren bekend dat
onduidelijk is of het gehele auteursrecht overgedragen kan
worden, laat staan auteursrecht op een nog onbekende
exploitatievorm, en als M reden tot twijfel had, kan hij niet
te goeder trouw zijn (art. 3:11 BW).
Ook art. 3:36 BW lijkt voor M
geen verlichting te kunnen bieden. Als een derde (M) gehandeld
heeft (een CD-rom heeft uitgebracht) in gerechtvaardigd
vertrouwen op een door de `eerste' (A) gewekte schijn, kan de
eerste geen beroep doen op de onjuistheid van de
veronderstelling van de derde. Wellicht is verdedigbaar dat A
de schijn heeft gewekt dat elektronische rechten in de
overeenkomst besloten liggen, door expliciet `alle
auteursrechten' of zelfs `de rechten op toekomstige
exploitatievormen' in de overeenkomst op te (laten) nemen.
Maar de voorwaarde dat het vertrouwen van M op de door A
gewekte schijn gerechtvaardigd moet zijn lijkt moeilijk
vervuld te kunnen worden, eveneens omdat al lange tijd
onzekerheid bestaat over de vraag of het auteursrecht
integraal, dan wel auteursrecht op nog onbekende
exploitatievormen, verhandeld kan worden.
Het hier gegeven voorbeeld
geeft een goed beeld van de onzekerheid die kan bestaan na
opeenvolgende overdrachten. Van wie zou M de rechten moeten
verwerven? A heeft ze misschien verkocht, U heeft ze wellicht
niet verworven.
Slot
De vraag of rechten op
toekomstige exploitatievormen verhandeld kunnen worden valt in
twee deelvragen uiteen. De eerste vraag is of de
doeloverdrachtsleer inderdaad geldt, zodat iedere overdracht
restrictief uitgelegd dient te worden. Als dat zo zou zijn zou
het onmogelijk zijn dat nog niet bestaande exploitatiewijzen
in de overdracht betrokken zijn. Uit de wetsgeschiedenis, noch
uit een andere gezaghebbende bron, blijkt dat zoiets de
bedoeling is geweest. Wel valt daaruit te concluderen dat art.
2 Aw pretendeert de auteur te beschermen tegen ondoordachte
overdracht. Als de volledige overdracht doordacht heeft
plaatsgevonden, doordat die duidelijk in de overeenkomst
omschreven is en de auteur de gelegenheid heeft gehad de akte
te bestuderen, lijkt die rechtsgeldig te zijn.
Als de doeloverdrachtsleer
inderdaad niet zou gelden, is de volgende vraag of de
overdracht van rechten op toekomstige exploitatievormen
mogelijk is. Het lijkt dat art. 2 lid 2 Aw daar niet aan in de
weg staat. Waarom zou de strekking van een overeenkomst immers
niet `noodzakelijk' de overdracht van het auteursrecht t.a.v.
nog onbekende exploitatiewijzen kunnen zijn? Partijen kunnen
zulks immers onmiskenbaar gewild hebben. Toch kan strikt
genomen auteursrecht t.a.v. nog onbekende exploitatiewijzen
niet overgedragen worden. Het BW staat overdracht van
toekomstige goederen niet toe. Wel is het echter mogelijk die
goederen bij voorbaat te leveren. Hierdoor kunnen de
rechten op een nog niet bestaande exploitatievorm geleverd
worden, waardoor de rechtsverkrijger de zekerheid heeft dat
die rechten op het moment waarop de exploitatiewijze ontstaat
in zijn vermogen vallen. Een voorwaarde hiervoor is echter dat
het goed door een formulering als `de rechten t.a.v. alle
bekende en nog onbekende vormen van exploiteren' met voldoende
bepaaldheid geacht wordt te zijn omschreven. Of dit het geval
is moet afgewacht worden.
Een andere vraag is of art. 2
lid 2 Aw ook de omvang van licenties bepaalt. Uit rechtspraak
noch wetsgeschiedenis blijkt expliciet dat dit het geval is.
Maar ook als art. 2 Aw niet analoog van toepassing zou zijn,
zouden via de redelijkheid en de billijkheid de aard of
strekking van de overeenkomst de gevolgen van de licentie
kunnen bepalen. Het zou er dan op neer komen dat de rechter na
moet gaan wat de partijen over en weer redelijkerwijs van
elkaar konden verwachten ten tijde van het sluiten van de
overeenkomst, waarbij wat gebruikelijk was bij dergelijke
overeenkomsten en de commerciele en juridische ontwikkeling
van partijen in aanmerking genomen worden. Als niet specifiek
iets over nog onbekende exploitatievormen is overeengekomen
gaat de voorzienbaarheid van de exploitatievorm ten tijde van
het sluiten van de overeenkomst een rol spelen.
Als art. 2 Aw ten doel heeft
de auteur te beschermen tegen ondoordachte overdracht, maar
niet meer dan dat, zou de bepaling inmiddels nauwelijks nog
zelfstandige betekenis hebben. Alleen al door het gemene recht
wordt de auteur wellicht voldoende beschermd. Ook op grond van
het gemene recht kan immers met diens underdog-positie
rekening worden gehouden. Een verschil zou zijn dat onder het
gemene recht met de reele commerciele ontwikkeling en
rechtskennis van de vervreemder rekening kan worden gehouden,
terwijl onder art. 2 Aw de vervreemder altijd geacht wordt in
dat opzicht de mindere te zijn van de verwerver.[59]
Een ander verschil lijkt te zijn dat het gemene recht de
rechter meerdere mogelijkheden biedt. Conform art. 2 Aw kan
hij enkel beslissen dat de rechten op de voormalig toekomstige
exploitatiewijze wel of niet in de overeenkomst besloten
liggen, onder het gemene recht kan hij in plaats daarvan ook
een extra vergoeding toekennen.
Als echter art. 2 Aw volgens
de doeloverdrachtsleer opgevat dient te worden, zou het
verschil groter zijn. Conform de doeloverdrachtsleer zou
iedere overdracht altijd restrictief uitgelegd moeten worden,
terwijl dat onder het gemene recht geenszins het geval is. Het
gemene recht lijkt niet noodzakelijk aan levering van rechten
t.a.v. nog niet bestaande vormen van exploitatie in de weg te
staan. Onder de doeloverdrachtsleer zou zoiets onmogelijk
zijn.
Als aan de interpretatieregel
van art. 2 lid 2 Aw geen zelfstandige betekenis meer toekomt,
lijken er tegen het schrappen daarvan weinig bezwaren te
bestaan. Andere argumenten om de bepaling te schrappen worden
door Brinkhof aangevoerd. Hij noemt het feit dat in de andere
bijzondere wetten ten aanzien van intellectuele
eigendomsrechten geen vergelijkbare beschermingsbepalingen
zijn opgenomen, terwijl niet valt in te zien waarom de
subjecten van deze wetten minder bescherming zouden behoeven,
en de onzekerheid die door de bepaling wordt geschapen.[60]
Een vraag van een geheel
andere orde is of het nodig of wenselijk is de auteur extra in
bescherming te nemen. Soetenhorst noemt daarvoor als redenen
de verstrekkende bedrijfseconomische gevolgen die de
rechtenoverdracht tegenwoordig heeft, de zwakke
onderhandelingspositie die de individuele auteur tegenover
zijn wederpartij heeft, terwijl de tendens is de economisch
zwakkere te beschermen en het uitgangspunt dat de auteur voor
iedere vorm van exploitatie gedurende een bepaalde tijd een
redelijke vergoeding moet kunnen eisen.[61]
Dit lijken plausibele argumenten. Nu de wetgever overweegt
bepaalde aspecten van de intellectuele eigendomsrechten,
waaronder de overdracht, te codificeren in een Boek 9 BW[62]
, is het wellicht opportuun hier een rechtspolitieke keuze te
maken en indien het resultaat daarvan is dat de auteur meer
bescherming verdient dan hij op grond van het gemene recht
verkrijgt, de doeloverdrachtsleer uitdrukkelijk in de wet op
te nemen[63] , of
een bepaling naar het voorbeeld van art. 3 van de Belgische
Auteurswet uit te vaardigen[64]
, zodat aan de bestaande onzekerheid een einde komt.
|