Klachten over mediapublicaties - Een persoonlijke impressie
Verschenen in Mediaforum, 2007-7/8, p. 227-231.

E. Jansen [*]


Op 1 juni 2007 verzamelde zich een bont gezelschap van journalisten, advocaten, professoren en Gerrit Jan Wolffenspergers om het rapport 'Klachten over mediapublicaties' van een levendig debat te voorzien. De discussie vond plaats in het Trippenhuis, waar de Koninklijke Academie voor Wetenschappen zijn belangrijke werk doet. Het zaaltje was iets te klein voor het aantal mensen en iets te statig voor de toon van het debat dat volgde. De verzamelde academici bedienden zich veelvuldig van tu quoque redeneringen. De NJV en de Raad, bleven maar zeggen dat ze echt niet – heus niet – defensief waren. Als beginnend cabaretier kom ik wel eens in jongerencentra waar zich bordjes bevinden met belangwekkende juridische mededelingen als 'verboden hard drugs te gebruiken'.
Zo'n bordje hing niet in het Trippenhuis, maar ook daar werkte al te veel – goed bedoelde – nadruk averechts. Mensen met een gefundeerde klacht over mediapublicaties hebben een vergelijkbaar probleem. Waar rook is, is immers vuur. Het is niet altijd verstandig om via een procedure nog wat extra mensen op die rook te attenderen. De studiecommissie formuleert het wat minder jolig, maar dat procederen tegen de media om tal van redenen niet zo aantrekkelijk is, bleef in de discussie wel overeind. Er bleek eveneens brede steun te zijn voor: een droit de réponse, een ombudsman als voorportaal van de Raad voor de Journalistiek en zelfs voor een wettelijke regeling. De twistpunten lenen zich niet voor een korte samenvatting.

Inleiding
Jan Kabel prijst het rapport en constateert dat 10 jaar geleden anders tegen dit onderwerp werd aangekeken. Daarnaast ziet hij raakvlak met de discussie over de herziening van het procesrecht.

Presentatie Dommering
Dommering licht het rapport toe. Hij zal eerst de structuur van het rapport behandelen en een korte analyse geven van enkele van de meest relevante onderwerpen. Tenslotte komen mogelijke oplossingen aan bod. In de probleemstelling van de commissie zitten drie actoren en een object. Er is een medium, een slachtoffer en een publicatie. Is een journalist simpelweg iemand die tegen vergoeding meewerkt aan een nieuwsmedium of is er ook een kwalitatieve component? Mocht dat laatste het geval zijn dan zou er een vorm van tuchtrecht moeten zijn. De commissie heeft voor de tweede aanpak gekozen en daardoor vallen bloggers buiten de scope. Dommering noemt een aantal kenmerken van een professionele journalist. Op het Internet is er sprake van een extensie van 'oud' naar 'nieuw'. Redactionele controle is, ook bij kwaliteitsmedia op Internet, lager. Nieuwe media hebben echter net als de oude een eigen publiek, branding en een herkenbare stijl. Leesbaarheid en beknoptheid zijn steeds belangrijker aan het worden. Als voorbeeld verwijst Dommering naar Opinio. De meest ingewikkelde filosofische beschouwingen voor een paar euro op het schermpje van uw mobiel.

Journalistieke gedragingen behoren weliswaar in de sfeer van het tuchtrecht, maar zijn buiten de studie gebleven. Gekeken is naar publicaties. Het doorzoeken van koninklijk vuilnis komt niet aan bod, maar wel als op basis daarvan gepubliceerd wordt over het feit dat de koningin tot 2011 aanblijft. Voor iemand die overweegt op te treden tegen mediapublicaties spelen een aantal elementen een rol: de kosten in relatie tot de opbrengst, de mogelijke winstkansen, de hoogte van toe te kennen schadevergoeding en nieuwe negatieve publiciteit. Daarbij spelen direct al een aantal problemen. De commissie wijst op gebrekkige cassatie controle en verwarring omtrent bewijsvoering. Rechters verkeren al te vaak in verwarring over hoe om te gaan met 'waarde-oordelen' en de privacy van publieke figuren. Recent bleek in de zaak van advocaat M. tegen journalist K. wederom dat een en ander niet consequent wordt doorgevoerd.

Op dit moment volgt er geen sanctie bij de overtreding van een beroepsnorm én is er geen gezamenlijk standpunt van de branche als het gaat om kwaliteitsnormen. Complicerende factor bij mogelijke zelfregulering is dat er op dit moment branchevervaging plaats vindt. In Zweden is er een op de wet gebaseerde Raad voor de Journalistiek. In het Verenigd Koninkrijk en in België is er een flink opgetuigde tuchtrechtspraak. Belangrijk om het oog te houden is dat deze zelfregulering alleen tot stand kwam om een wettelijke regeling buiten de deur te houden. Ook de reclame-code commissie is bij het onderzoek betrokken. De mediawet kent een zogenaamde aansluitingsplicht. Het is opvallend dat een dergelijke verplichting ontbreekt als het gaat om de Raad voor de Journalistiek. Eveneens is de trend in het bedrijfsleven om veel gebruik te maken van geschillencommissies relevant.

Een mogelijke oplosrichting is dat de Raad van de Journalistiek geschillen oplost en beroepsnormen toepast. Er zou dan echt tuchtrecht plaats moeten vinden. De NVJ zou zich niet zozeer op belangenbehartiging, maar op kwaliteitsnormering moeten richten. Het werkterrein zou zich bovendien moeten verbreden naar de nieuwe media. Daar is een verzwakking van de redactionele controle, die logischerwijs tot meer fouten zou moeten leiden. Eveneens is onduidelijk hoe onjuiste publicaties op Internet moeten worden verwijderd. De constitutionele argumenten tegen elke vorm van geschillenbeslechting bij de pers worden door de commissie te licht bevonden. Teveel worden zij gebruikt als schild tegen kritiek. Er zou een ombudsman moeten komen en geschillenbeslechting. Op dat vlak loopt de journalistiek achter bij andere bedrijfstakken.

Commentaar: Gerard Schuijt (emeritus hoogleraar)
Gerard Schuijt valt met de deur in huis en vindt het geen goed rapport. Rapporten van de RMO en WRR worden nagepraat met weinig onderbouwing. Schuijt had hoge verwachtingen en is daarom misschien extra teleurgesteld. Hij waardeert het harde werk, maar als geheel heeft het rapport te weinig samenhang. Het rapport draagt ook niet de eigen voorstellen. De commissie haalt zijn eigen wensen door de war met uitgangspunten voor wetenschappelijk onderzoek. De belangen van de klagers zijn vergeten. Er moet een betere bescherming komen van mediaslachtoffers. De Raad moet op de snijtafel. Daar kan Schuijt zich wel in vinden, maar hij kan dat ook onderbouwen. Enerzijds is de Raad nuttig, maar anderzijds kan en moet het gewoon veel beter.

De gang naar de rechter is inderdaad kostbaar en andere bezwaren zijn misschien waar, maar vervullen in het rapport geen noodzakelijke functie. Een ombudsman zou zelf naar de rechter moeten stappen. Harinxma c.s oordelen gelijkluidend. Terecht ziet de commissie grote weerstand tegen kwaliteitsnormen, maar stapt daar vervolgens zonder veel argumenten overheen. Als de NVJ niet naar de commissie wil luisteren, moet er maar een andere vereniging komen. Jumping to conclusions volgens Schuijt. Het fundamentele probleem van de Raad wordt niet opgelost. In 1957 wees Drees erop dat maatregelen tegen een journalist niet konden wachten op een oordeel van een tuchtcommissie, omdat het opzeggen van lidmaatschap al genoeg is om een uitspraak te ontlopen. De studiecommissie weet niet waarover ze praat als ze zegt dat de Raad terugmoet naar zijn 'oude' tuchtfunctie. Voorzienbaar is de kritiek 'Komen ze aan de NVJ dan komen ze aan Schuijt'. Dat is geen terecht verwijt, wel kan gezegd worden dat Schuijt weet waar hij over spreekt in tegenstelling tot de commissie. Het kan en moet veel beter, maar de commissie doet alsof er niets is bereikt de afgelopen tijd en dat is gewoon niet waar. Er zijn grote stappen gezet. Teruggaan naar 'de oude' tuchtfunctie zou achteruitgang betekenen.

De Raad heeft verstandige uitspraken gedaan in algemene zin, maar komt niet met effectieve sancties. Er zijn convenanten gesloten, er is een leidraad. Behoorlijke vooruitgang, maar er zijn teveel kinderachtige journalisten. Een oordeel zelf is wel degelijk een goede sanctie. Laat de journalist maar merken dat het vervelend is om publiekelijk ergens van beschuldigd te worden. Schuijt bestrijdt dat de functie van de Raad niet duidelijk is. Statuten zijn helder, als de Raad niet doet wat de commissie wil, is dat nog niet onduidelijk. Het oprichten van een aparte stichting is malloot. Er is een verdeelde journalistiek in Frankrijk en daar is nooit wat van terecht gekomen. Hoe ziet de commissie het schorsen van journalisten praktisch voor zich? Moeten ze dan hun vergunning inleveren? Hoe kan de NVJ nu tegelijk onderhandelen namens journalisten voor een betere CAO om vervolgens zich tegen zijn eigen achterban te keren? Zo'n ombudsman moet draagvlak hebben. Dat begint niet door alles wat de NVJ bereikt heeft, maar eventjes weg te gooien. De naam ombudsman is ook niet belangrijk. Het zou ook een bindend arbiter of adviseur kunnen zijn. Waarom is dat niet besproken?

De commissie behandelt een conflict tussen klager en medium als consumentengeschil. Dat is onbegrijpelijk. Er is immers geen contractuele relatie tussen medium en slachtoffer. Een krant heeft maar één consument en dat is de lezer. Elke civilist zou dat moeten begrijpen. Schuijt mist ook overzicht in het rapport. Het zou moeten gaan om de spanning tussen het voeren van het publieke debat en het nastreven van een commercieel doel. Ook de roddelpers kan zich in Nederland beroepen op 10 EVRM. Is dat wenselijk? In China, Cuba en Rusland is geen roddelpers. Wij hebben dat wel. De inbreuk die gepleegd wordt op de privacy van sterren is natuurlijk reëel. Vastgesteld moet eveneens worden dat juist de 'sterren' geld zat hebben om een kort geding te betalen. Vergeet geschillencommissie en vergeet de consumentenbond. De Raad is geen substituut voor de rechter. Als het gaat om sancties, moet je ook niet zomaar de rechter buiten willen sluiten. Sommige gevallen zijn nu eenmaal beter geschikt voor de rechter. In andere situaties is een oordeel van de Raad voldoende. Het zou inderdaad goed zijn als een onafhankelijke arbiter eerst zich met de zaak bemoeit en dan adviseert om eventueel naar de rechter of naar de Raad te gaan.

Te weinig is gekeken naar de mogelijkheden om tot verbetering te komen binnen de bestaande kaders. Daardoor getuigt het rapport van te weinig realiteitszin. Het hele rapport lijkt wel een verzameling minderheidsstandpunten van de commissie. Gesuggereerde oplosrichtingen worden al te vrijblijvend geformuleerd. Schuijt kan zich niet aansluiten bij Harinxma en Barendrecht als ze zeggen dat dit rapport no nonsense is 'bij de tijd' en 'inspirerend'. Wel bij hun slotvraag: “Hoe nu verder?”.

Commentaar: Hans Mentink (Promoveerde op de Raad voor de Journalistiek)
Mentink beperkt zich tot de inhoud over de reportage. Ook Mentink valt met de deur in huis. Hij is het hartgrondig eens met de commissie dat de Raad anders moet. Tweemaal eerder is al een ombudsman voorgesteld. Met een glimlach en een pistool bereik je meer. Dreigen met een wet, was ook in België genoeg om verbeteringen te forceren. Een aantal problemen die aan het procederen bij de Raad vastzitten, worden niet besproken.

Mentink is tegen een nieuw op te richten geschillencommissie. Er bestaat meestal geen contractuele relatie tussen klager en medium. Het uit elkaar halen van beroepsnorm en geschil is onmogelijk. Via geschillenbeslechting komen juist beroepsnormen tot stand. Ze zijn derhalve onlosmakelijk met elkaar verbonden. Tussen een suggestie voor genoegdoening en een oordeel over de beroepsnorm kan wel duidelijker onderscheid gemaakt worden. Mentink ziet de NVJ niet als de beste partij om beroepsnormen in te voeren. De Raad zelf zou beter geschikt zijn om een code te formuleren zoals ook in Duitsland en in het Verenigd Koninkrijk is gebeurd. De leidraad durfde de Raad geen code te noemen, maar daarom is het nog wel een code. Die code zou snel een plaats moeten krijgen in de statuten. Mentink ziet dezelfde tegenstelling als Schuijt tussen belangenbehartiging en kwaliteitscontrole. Daardoor wordt de NVJ onaantrekkelijker juist voor de journalisten waar het om gaat.

Mentink komt terug op de Raad. 'Maatschappelijk aanvaardbaar' en 'maatschappelijk betamelijk' zijn moeilijk te onderscheiden. De code bespreekt alleen wat de Raad in eerdere zaken heeft gedaan en ziet niet op nieuwe gevallen. Al te vaak weigert de Raad uitspraak te doen. Mentink betreurt dat de commissie niet ingaat op die rechtsweigering; een serieus probleem.

Voor de Raad was er alleen tuchtrecht binnen de voorgangster van NVJ. Volgens Mentink stelde dat 'oude tuchtrecht' weinig voor. Weinig uitspraken en weinig impact. Weinig draagvlak onder de beroepsgroep; al met al weinig realistisch. Weinig is het sleutelwoord. De ombudsman via de rechter beslissingen van de Raad laten afdwingen, is een slag in de lucht.

Volgens de Raad is het niet opnemen van een uitspraak niet klachtwaardig. De rechter vindt een en ander ook niet afdwingbaar. Aan dat punt gaat de commissie voorbij. Qua financiën en instrumentarium zou de branche meer moeten doen. De Stichting Reclame Code Commissie bestaat voor een gedeelte uit dezelfde partijen. Toch wordt daar veel minder laconiek omgegaan met de uitspraken.

Mentink mist een aantal belangrijke onderwerpen. Ten opzichte van 10 EVRM wijkt de Raad veel af van de jurisprudentie van het Hof. Het ontvankelijkheidvereiste wordt te lichtvaardig gebruikt om klagers naar huis te sturen. Het ontbreken van een verschijningsplicht is wel degelijk een probleem. In dertig procent verscheen de branche niet ter zitting. Als een klager al naar de rechter is gegaan, zou de Raad geen uitspraak meer moeten doen. Het rapport vraagt om een vervolg.

Commentaar: Folkert Jensma (oud-hoofdredacteur NRC Handelsblad)
Jensma heeft getobd over zijn bijdrage aan de discussie nu er zoveel deskundige mensen aanwezig zijn. Jensma valt als enige niet met de deur in huis. Hij wil wel graag heel hard 'boe' roepen in eigen kring. Hij heeft de gelegenheidsargumenten tegen kwaliteitsnormen nu wel vaak genoeg gehoord. De grondwet en de vrijheid van meningsuiting zijn de favoriete dooddoeners. Praat iemand nog even dan komt onmiddellijk de Raad voor de Journalistiek ten tonele. Even zo gemakkelijk wordt de Raad weer in de coulissen gezet als dat zo uitkomt. In een lege zaal maanden na een grote rel, maakt het niet meer zo uit wat de rechter uiteindelijk zegt.

Journalisten winkelen selectief met de eigen deur op slot. We zijn toe aan een wettelijke regeling voor dit urgente probleem. Iedereen mag zich journalist noemen, zo herhaalde gisteren de NVJ in een digitale nieuwsbrief. Gaan we daar aan tornen dan komt onmiddellijk de vrijheid van meningsuiting om de hoek. De zelfgenoegzaamheid op dit punt is werkelijk verstikkend. Meteen wordt de teloorgang van de democratie aangevoerd. Er zijn a-,b,-c en misschien zelfs d journalisten. Er zijn ook pseudo-journalisten. Er zijn rommelaars en poseurs en iedereen weet het. Het is verboden om dat hardop te zeggen. Stel je voor dat minister Donner het hoort.

In de underdog rol maken we graag van alle journalisten helden van het vrije woord. Anders komt het chilling effect om de hoek. Journalisten krijgen het al snel koud. Daarom geen makkelijke toegang tot de rechter, betere schadevergoedingen of verplicht gehoor geven aan uitspraken. Wij zitten reuze fijn op onze goed beschermde plek in het maatschappelijke krachtenveld. Worden we daar beter van als journalist? Waarom kunnen we onrechtmatig gedrag niet zelf bestrijden? Dat zou de journalistiek beschermen. Onder de mantel der liefde kan het behoorlijk gaan schimmelen als het te warm wordt. Kunnen we niet zelf het kaft van het koren scheiden? Het is een dure plicht om het eigen huis op orde te houden.

Lof voor de praktische benadering van de commissie. Een vergelijking met de geschilbeslechting in de reisbranche én de reclame-wereld heeft een ontnuchterend effect.

Correcties zijn op zichzelf waardevol. Sancties zijn pijnlijk, maar leerzaam. Zij dienen de vrijheid van meningsuiting. Die procedures moeten voor alle media hetzelfde zijn en voor alle media verplichtend. Het rapport is te smal als het gaat om zijn keuze voor kwaliteitsmedia. Bloggers weglaten is wereldvreemd. Hun snelheid, bereik en vermogen om schade aan te richten, is daarvoor te zeer gegroeid. Het rapport laat een rampgebied van formaat liggen.

Beroepserkenning is gevoelig. Rijkserkende journalisten met een pas van de overheid is inderdaad een eng beeld. In tal van andere branches zijn vergelijkbare problemen echter opgelost en bestaan functionerende stelsels van erkenning en kwaliteitscontrole. Het is voor echte juristen misschien verbazingwekkend, maar veel journalisten denken al dat de Raad een tuchtrechter is. De Raad kan beter. Alles kan beter. De verschillen tussen de Raad en de Rechter zijn erg interessant. Ook dat de Raad zich niets aan het EHRM gelegen laat liggen, is een interessante constatering van Mentink. Graag een Raad met tanden naar Scandinavisch model!

Dommering
De Raad is nooit een tuchtrechter geweest. Daar ligt de verwarring. Men heeft er een Raad van opinie van gemaakt zonder enige sanctie. In feite was het een Raad die uitspraken doet en oordelen geeft over beroepsmatig handelen. Dat is een tuchtrechtelijke functie. Tuchtrechters spreken vaak een oordeel uit zonder maatregel.

De commissie behandelt hoe de geschilfunctie en de tuchtfunctie langs privaatrechtelijke manier geregeld kunnen worden. Schuijt concludeert dat het nooit zal lukken, omdat er geen draagvlak voor is. Daarom zou een wettelijke regeling voor een ombudsman opgelegd moeten worden. De ombudsman zou zich niet moeten beperken tot de traditionele media. Daarbij is een ingewikkeld afbakeningsprobleem met betrekking tot weblogs. Dommering is verrast dat er zo'n brede steun is voor een wettelijke regeling. Laat die dan maar meteen komen.

Debat
Algemeen secretaris Thomas Bruning van de NVJ wijst erop dat er niet namens de journalisten gesproken is vanmiddag door Jensma. Hij is geen hoofdredacteur meer van het NRC. Misschien is dat even wennen. Vanuit de NRC bezien, zijn er inderdaad a,b,c en d journalisten. Wie zou dat landelijk kunnen bepalen en op basis van welke criteria? Jensma onderschat het chilling effect. Er gaat veel geld ook naar hier aanwezigen om zich te weren tegen aanvallen van bedrijven en publiek. Kleine journalisten hebben weinig oorlogskas om zich te verweren.

Thom Meens is ombudsman van de Volkskrant. Hij is beledigd door de commissie. Meens meent dat hij wel degelijk onafhankelijk is en beroept zich daarbij op zijn eigen statuut.

Gerrit Jan Wolffensperger is lid van Raad voor de Journalistiek en is daar trots op. Net als democratie is er nog steeds niet beters bedacht en daar moeten we het maar meedoen. Wolffensperger hoort weinig kritiek op de Raad. De Raad heeft een constante jurisprudentie en is laagdrempelig. De Raad zou een zinnige verkenning kunnen geven over hoe om te gaan met bijvoorbeeld het weblog GeenStijl. Er is een verschil tussen een column en een ingezonden stuk. Een scheiding tussen tuchtrecht en geschilbeslechting is geen onzin, maar er is geen dwingende behoefte aan. Klagers willen alleen rectificatie én vooral 'gelijk krijgen'. De laagdrempeligheid zou leiden onder een schadevergoeding, want als die te hoog wordt, lopen de aanwezige advocaten straks de zittingen plat. Er zit een grote witte plek in het rapport. De ombudsman komt als een wettelijk konijn uit de hoge hoed. Hoe kun je nu zeggen dat de ombudsman in de wet opgenomen moet worden voor een niet-in-de-wet-geregelde Raad voor de Journalistiek? Moet de wetgever nu de Raad ook in de wet op gaan nemen? Dan komen al de onoplosbare problemen (wie is een journalist, enz.) van de commissie op het bord van de wetgever. De leidraad is een indicatie en zou absoluut niet in de statuten opgenomen moeten worden, althans niet materieel. Anders komt de Raad onmiddellijk in de problemen vanwege de zich immer vernieuwende praktijk.

Dommering licht toe dat gekeken is naar het Zweedse model. De Raad is daar een soort hoger beroepsinstantie. Bindende beslissingen kan de ombudsman niet nemen, want dat zou de weg naar de rechter blokkeren.

Mentink maakt duidelijk dat hij geen voorstander is van het opnemen van de leidraad in de statuten. Dat staat ook in zijn proefschrift. Het blijkt maar weer dat Wolffensperger dat niet echt heeft gelezen. De leidraad zou als bron kunnen dienen voor de uitspraken, maar is niet bindend. De Raad isoleert zich van de werkelijkheid. Mentink hoort wel degelijk veel commentaar op de Raad. Belangrijk kritiekpunt is de onevenwichtige afweging tussen privacy tegen persvrijheid. Het primaat voor hoor en wederhoor is nergens op gebaseerd. De defensieve houding van Wolffensperger c.s. maakt dit soort middagen niet nuttig.

Wolffensperger zegt dat hij niet defensief is. Hij is zich bewust van de mankementen van de Raad en heeft het proefschrift wel degelijk gelezen.

Dirk Voorhoof komt niet als bemiddelaar. Hij wijst erop dat er in Vlaanderen een ombudsman is en dat die ook aanwezig is en aangeraakt kan worden. Waarom dan toch steeds Zweden aanhalen? Het functioneert dichterbij (in België) én zonder wettelijke regeling. Waarom heeft niemand toch aandacht voor een andere makkelijke oplossing voor dit probleem? Het zogenaamde Droit de réponse zoals ze het in Nederland noemen. Media zijn verplicht de reactie van betrokkenen op te nemen. Dit biedt op korte termijn genoegdoening. Wat is nu precies het argument om dat in Nederland onbespreekbaar te maken?

Thomas Bruning maakt nog even duidelijk dat de NVJ (en hij in het bijzonder) helemaal niet defensief is. Ze zijn juist gekomen om kritiek te horen. Waarom wordt er steeds naar de Zweedse ombudsman verwezen? Bruning heeft regelmatig met deze ombudsman gesproken in tegenstelling tot de wetenschappers in de zaal. Bruning herhaalt dat de Belgische ombudsman gewoon in de zaal aanwezig is. In Zweden is het allemaal pure klachtenafhandeling en dat staat volgens Bruning haaks op wat de commissie voorstaat. De NVJ wil een empirisch onderzoek naar de buitenlandse praktijk met de nadrukkelijke bedoeling om de positie van klagers en media te verbeteren.

Dommering vindt dat buitengewoon, maar wijst erop dat er nooit empirisch onderzoek gedaan is naar wat de klagers vinden. De Raad roept dat dit onderzoek ook niet door Dommering c.s. is uitgevoerd. De NVJ roept dat het onzin is om te onderzoeken wat klagers vinden van de Raad en rechterlijke uitspraken. Dat correspondeert 1 op 1 met winst en verlies in eventueel gevoerde procedures. Dommering bedankt voor de weinig defensieve houding.

Jan de Meij roept dat hij als commissie-lid wel degelijk gesproken heeft met de Zweedse ombudsman. Deze functioneert vooral als zeef. Veel wordt daardoor snel afgehandeld. De Meij wijst erop dat er soms echt bemiddeld wordt. Nu het woord hem nog steeds niet ontnomen is, meldt de Meij nog dat een studiecommissie van de VMC geen pasklare oplossingen hoeft te bieden. Denemarken is een goed voorbeeld. Een korte wet in de jaren negentig en dat werkt. Iedereen is er gelukkig.

Professor Barendrecht wijst erop dat de Raad volgens de statuten wel degelijk een bemiddelende functie heeft. De voorzitter van de stichting geeft aan dat de klagers veelal de bemiddeling afwijzen, maar dat het altijd wordt aangeraden. Een oud-lid van de Raad constateert een strijd tussen het standpunt van Mentink dat het EVRM onvoldoende in acht wordt genomen en dat er strenger opgetreden moet worden.

Mentink wijst erop dat uitspraken van de Raad onderwerp kunnen zijn van een rechterlijke procedure. Rechters zijn gehouden te oordelen dat zij uitspraken moeten toetsen aan 10 EVRM. Daar is gewoon een uitspraak van het EHRM over. Andere standpunten zijn daarmee simpelweg achterhaald. Kabel vraagt om in te gaan op de spanning tussen beide standpunten. Mentink geeft toe dat er een chilling effect uit kan gaan van de Raad. Het EHRM vindt dat ook.

Dommering vindt dat de Raad teveel het gedrag van de journalist centraal stelt. Jensma vult aan dat de Raad wel degelijk een groot gezag heeft. Dat gezag slaat echter alleen op de uitspraken in het voordeel van de journalist. Andersom niet. Jensma heeft vaak moeten uitleggen waarom 'de NRC' mee doet aan de procedure. Journalisten schrijven kennelijk hun bijdrages zonder zich bewust te zijn dat hun handelswijze getoetst kan worden door de Raad. De gesprekken naar aanleiding van een klacht zijn vaak interessant. Ze zijn concreter dan menig functioneringsgesprek. Vaak volgt een leerzame middag bij de Raad. Jensma had op meer repliek van de NVJ gerekend dan een jij-bak die zich concentreert op het feit dat hij geen hoofdredacteur van de NRC meer is.

Volgens Bruning is de NVJ wel degelijk voorstander van een daadkrachtige, snelle Raad. De beroepsgroep kijkt positief naar de Raad.

Nora Salomons heeft jarenlang ervaring als ombudsman. Zij bestrijdt de 1 op 1 relatie tussen winst en een positief oordeel over klachtenafhandeling. Het gaat vooral om de motivatie. Ze erkent dat de Raad zich soms wat formalistisch opstelt vooral bij het niet-ontvankelijk verklaren. Bemiddeling is iets heel anders dan een oordeel van de Raad.

Herman Doeleman is advocaat en oud-deken. Hij kreeg ongeveer 600 klachten te verwerken en iedere deken wil die oplossen. Iedere advocaat moet alle vragen van de deken beantwoorden. Het nieuwe voorpoortaal (bijvoorbeeld een ombudsman) van de Raad moet ook bepaalde bevoegdheden krijgen. Journalisten moeten ook verplicht zijn te komen. Anders zijn het de kleren van de keizer. De huidige voorzitter zou al in ruime mate aan conflictbeslechting kunnen doen.

Barendrecht ziet wel degelijk vooruitgang. De achterban reageert wat kritisch, maar voormannen zijn wel degelijk positief over een betere geschilbeslechting. De leidraad zou een groeimodel kunnen zijn. Journalisten gaan heus niet meteen achter slot en grendel. Klagers zijn volkomen geďmponeerd door hun procedure en vinden al snel dat ze aardig worden behandeld. We hoeven dat niet te onderzoeken. De problemen zijn voldoende in kaart gebracht. Barendrecht constateert breed draagvlak voor het rapport, waarop Schuijt roept dat hij dan eerder had moeten komen. Een behoorlijk functionerende neutrale geschilinstantie moet ook geld hebben om normaal te functioneren. Meer reputatie prikkels in een eigen publicatie is een oplossing.

Otto Volgenant werkt sinds 1993 bij Kennedy van der Laan. Hij meent dat de studiecommissie ten onrechte de aanname doet dat er een probleem is. Er is geen financieel probleem, want Melchers heeft een miljoen euro ter beschikking gesteld. Volgens Volgenant is het onzinnig om ervan uit te gaan dat er steeds meer onjuiste publicaties zijn, alleen omdat er meer publicaties zijn. Het Caroline-arrest is een belangrijke tegen-ontwikkeling. Een verhoging van de toegewezen vergoedingen ook. Het ontbreken van een wettelijke regeling op het gebied van bronbescherming is een waardevoller probleem. Ingeseind door Germ Kemper roept Dommering dat het misschien goed is als Volgenant even aangeeft wat hij met de zaak Melchers van doen heeft. Volgenant geeft toe inderdaad procedures tegen Melchers verloren te hebben. Dat doet niet af aan het feit dat hij betwijfelt dat er steeds meer onrechtmatig gepubliceerd wordt.

Kabel vraagt Dommering om een reactie. Die heeft daar weinig behoefte aan. Het is duidelijk uit welke hoek de bezwaren komen. Als er meer verkeer is, zijn er als vanzelf meer ongelukken. Dat behoeft verder geen onderbouwing. Schuijt vindt dat Dommering zich er vanaf maakt en dat Volgenant serieuze kritiek heeft gegeven. Dommering zegt dat de commissie zich baseert op de cijfers uit het proefschrift dat Schuijt zelf heeft begeleid. Volgens Schuijt zijn de cijfers van Mentink correct, maar dat betekent nog niet dat daarmee de punten van Volgenant zijn weersproken. Volgens Harinxma bewijzen zijn eigen cijfers en die van Mentink dat er een toename is van publicaties. Het aantal klachten bij de Raad groeit al jaren explosief.

Een journalist van het Parool betoogt dat dit exclusief te wijten is aan de opkomst van de klaagcultuur. Mensen moeten niet zo zeuren. Een journaliste van het Financiële dagblad heeft bij vele werkgevers gewerkt en wijst op het belang van de praktijk. De heer Frank Kuitenbrouwer wordt geprezen, maar numeriek was de journalistieke inbreng in het rapport te gering. Macht van geld en geweld neemt toe. Steeds meer journalisten worden bedreigd of omgekocht. Free-lance journalisten zijn gevoelig voor omkoperij. Ook de overheid zet journalisten gerust onder druk.

Bruning van de NVJ zet vraagtekens bij de hoge drempel bij het klagen. Waar zitten nu de grote kosten van een kort geding? Hier in de zaal. Bij de advocaten. Een advocaat loopt naar voren en geeft aan tussen de 0 en de 400 euro per uur te vragen. Kabel rept van het officium nobile. Barendrecht wijst erop dat geďnterviewden banger zijn voor journalisten andersom. Dommering suggereert dat klagers voorafgaand aan een interview kunnen bedingen dat er bemiddeld wordt. Het is wel degelijk een contractuele relatie. Een aanwezige advocaat pleit voor een soort digitaal droit de réponse, omdat achterhaalde berichten op het net zo lang blijven circuleren. Hij constateert vooral dat veel mensen onterecht worden beschuldigd in de media, zonder effectief iets aan een onjuiste indruk te kunnen doen.

Kabel bedankt alle aanwezigen voor het levendige debat en wijst erop dat er nog ruimte is om informeel wat door te kletsen, waarvan vervolgens gebruik wordt gemaakt. Van de borrelpraat zal ik maar wijselijk geen verslag doen. Het was al met al een gedenkwaardige middag 'onder professoren', voor de verschenen journalisten, voor advocaten en zeker ook voor de student die dacht wel eventjes een verslag te kunnen schrijven.


Noten

[*] Ewout Jansen is cabaretier en heeft een onderzoeksstage bij het IViR afgerond. Daarvoor zat hij o.a. als student-lid in het bestuur van de rechtenfaculteit van de UvA.

 

Geplaatst 09.08.2007