|
Op
1 juni 2007 verzamelde zich een bont gezelschap van
journalisten, advocaten, professoren en Gerrit Jan
Wolffenspergers om het rapport 'Klachten over
mediapublicaties' van een levendig debat te voorzien. De
discussie vond plaats in het Trippenhuis, waar de
Koninklijke Academie voor Wetenschappen zijn belangrijke
werk doet. Het zaaltje was iets te klein voor het aantal
mensen en iets te statig voor de toon van het debat dat
volgde. De verzamelde academici bedienden zich
veelvuldig van tu quoque redeneringen. De NJV en
de Raad, bleven maar zeggen dat ze echt niet – heus
niet – defensief waren. Als beginnend cabaretier kom
ik wel eens in jongerencentra waar zich bordjes bevinden
met belangwekkende juridische mededelingen als 'verboden
hard drugs te gebruiken'.
Zo'n bordje hing niet in het Trippenhuis, maar ook daar
werkte al te veel – goed bedoelde – nadruk
averechts. Mensen met een gefundeerde klacht over
mediapublicaties hebben een vergelijkbaar probleem. Waar
rook is, is immers vuur. Het is niet altijd verstandig
om via een procedure nog wat extra mensen op die rook te
attenderen. De studiecommissie formuleert het wat minder
jolig, maar dat procederen tegen de media om tal van
redenen niet zo aantrekkelijk is, bleef in de discussie
wel overeind. Er bleek eveneens brede steun te zijn
voor: een droit de réponse, een ombudsman als
voorportaal van de Raad voor de Journalistiek en zelfs
voor een wettelijke regeling. De twistpunten lenen zich
niet voor een korte samenvatting.
Inleiding
Jan Kabel
prijst het rapport en constateert dat 10 jaar geleden
anders tegen dit onderwerp werd aangekeken. Daarnaast
ziet hij raakvlak met de discussie over de herziening
van het procesrecht.
Presentatie
Dommering
Dommering licht het rapport toe. Hij zal eerst de
structuur van het rapport behandelen en een korte
analyse geven van enkele van de meest relevante
onderwerpen. Tenslotte komen mogelijke oplossingen aan
bod. In de probleemstelling van de commissie zitten drie
actoren en een object. Er is een medium, een slachtoffer
en een publicatie. Is een journalist simpelweg iemand
die tegen vergoeding meewerkt aan een nieuwsmedium of is
er ook een kwalitatieve component? Mocht dat laatste het
geval zijn dan zou er een vorm van tuchtrecht moeten
zijn. De commissie heeft voor de tweede aanpak gekozen
en daardoor vallen bloggers buiten de scope. Dommering
noemt een aantal kenmerken van een professionele
journalist. Op het Internet is er sprake van een
extensie van 'oud' naar 'nieuw'. Redactionele controle
is, ook bij kwaliteitsmedia op Internet, lager. Nieuwe
media hebben echter net als de oude een eigen publiek, branding
en een herkenbare stijl. Leesbaarheid en beknoptheid
zijn steeds belangrijker aan het worden. Als voorbeeld
verwijst Dommering naar Opinio. De meest
ingewikkelde filosofische beschouwingen voor een paar
euro op het schermpje van uw mobiel.
Journalistieke
gedragingen behoren weliswaar in de sfeer van het
tuchtrecht, maar zijn buiten de studie gebleven. Gekeken
is naar publicaties. Het doorzoeken van koninklijk
vuilnis komt niet aan bod, maar wel als op basis daarvan
gepubliceerd wordt over het feit dat de koningin tot
2011 aanblijft. Voor iemand die overweegt op te treden
tegen mediapublicaties spelen een aantal elementen een
rol: de kosten in relatie tot de opbrengst, de mogelijke
winstkansen, de hoogte van toe te kennen
schadevergoeding en nieuwe negatieve publiciteit.
Daarbij spelen direct al een aantal problemen. De
commissie wijst op gebrekkige cassatie controle en
verwarring omtrent bewijsvoering. Rechters verkeren al
te vaak in verwarring over hoe om te gaan met
'waarde-oordelen' en de privacy van publieke figuren.
Recent bleek in de zaak van advocaat M. tegen journalist
K. wederom dat een en ander niet consequent wordt
doorgevoerd.
Op
dit moment volgt er geen sanctie bij de overtreding van
een beroepsnorm én is er geen gezamenlijk standpunt van
de branche als het gaat om kwaliteitsnormen.
Complicerende factor bij mogelijke zelfregulering is dat
er op dit moment branchevervaging plaats vindt. In
Zweden is er een op de wet gebaseerde Raad voor de
Journalistiek. In het Verenigd Koninkrijk en in België
is er een flink opgetuigde tuchtrechtspraak. Belangrijk
om het oog te houden is dat deze zelfregulering alleen
tot stand kwam om een wettelijke regeling buiten de deur
te houden. Ook de reclame-code commissie is bij het
onderzoek betrokken. De mediawet kent een zogenaamde
aansluitingsplicht. Het is opvallend dat een dergelijke
verplichting ontbreekt als het gaat om de Raad voor de
Journalistiek. Eveneens is de trend in het bedrijfsleven
om veel gebruik te maken van geschillencommissies
relevant.
Een
mogelijke oplosrichting is dat de Raad van de
Journalistiek geschillen oplost en beroepsnormen
toepast. Er zou dan echt tuchtrecht plaats moeten
vinden. De NVJ zou zich niet zozeer op
belangenbehartiging, maar op kwaliteitsnormering moeten
richten. Het werkterrein zou zich bovendien moeten
verbreden naar de nieuwe media. Daar is een verzwakking
van de redactionele controle, die logischerwijs tot meer
fouten zou moeten leiden. Eveneens is onduidelijk hoe
onjuiste publicaties op Internet moeten worden
verwijderd. De constitutionele argumenten tegen elke
vorm van geschillenbeslechting bij de pers worden door
de commissie te licht bevonden. Teveel worden zij
gebruikt als schild tegen kritiek. Er zou een ombudsman
moeten komen en geschillenbeslechting. Op dat vlak loopt
de journalistiek achter bij andere bedrijfstakken.
Commentaar:
Gerard Schuijt (emeritus hoogleraar)
Gerard Schuijt valt met de deur in huis en vindt het
geen goed rapport. Rapporten van de RMO en WRR worden
nagepraat met weinig onderbouwing. Schuijt had hoge
verwachtingen en is daarom misschien extra
teleurgesteld. Hij waardeert het harde werk, maar als
geheel heeft het rapport te weinig samenhang. Het
rapport draagt ook niet de eigen voorstellen. De
commissie haalt zijn eigen wensen door de war met
uitgangspunten voor wetenschappelijk onderzoek. De
belangen van de klagers zijn vergeten. Er moet een
betere bescherming komen van mediaslachtoffers. De Raad
moet op de snijtafel. Daar kan Schuijt zich wel in
vinden, maar hij kan dat ook onderbouwen. Enerzijds is
de Raad nuttig, maar anderzijds kan en moet het gewoon
veel beter.
De
gang naar de rechter is inderdaad kostbaar en andere
bezwaren zijn misschien waar, maar vervullen in het
rapport geen noodzakelijke functie. Een ombudsman zou
zelf naar de rechter moeten stappen. Harinxma c.s
oordelen gelijkluidend. Terecht ziet de commissie grote
weerstand tegen kwaliteitsnormen, maar stapt daar
vervolgens zonder veel argumenten overheen. Als de NVJ
niet naar de commissie wil luisteren, moet er maar een
andere vereniging komen. Jumping to conclusions
volgens Schuijt. Het fundamentele probleem van de Raad
wordt niet opgelost. In 1957 wees Drees erop dat
maatregelen tegen een journalist niet konden wachten op
een oordeel van een tuchtcommissie, omdat het opzeggen
van lidmaatschap al genoeg is om een uitspraak te
ontlopen. De studiecommissie weet niet waarover ze praat
als ze zegt dat de Raad terugmoet naar zijn 'oude'
tuchtfunctie. Voorzienbaar is de kritiek 'Komen ze aan
de NVJ dan komen ze aan Schuijt'. Dat is geen terecht
verwijt, wel kan gezegd worden dat Schuijt weet waar hij
over spreekt in tegenstelling tot de commissie. Het kan
en moet veel beter, maar de commissie doet alsof er
niets is bereikt de afgelopen tijd en dat is gewoon niet
waar. Er zijn grote stappen gezet. Teruggaan naar 'de
oude' tuchtfunctie zou achteruitgang betekenen.
De
Raad heeft verstandige uitspraken gedaan in algemene
zin, maar komt niet met effectieve sancties. Er zijn
convenanten gesloten, er is een leidraad. Behoorlijke
vooruitgang, maar er zijn teveel kinderachtige
journalisten. Een oordeel zelf is wel degelijk een goede
sanctie. Laat de journalist maar merken dat het
vervelend is om publiekelijk ergens van beschuldigd te
worden. Schuijt bestrijdt dat de functie van de Raad
niet duidelijk is. Statuten zijn helder, als de Raad
niet doet wat de commissie wil, is dat nog niet
onduidelijk. Het oprichten van een aparte stichting is
malloot. Er is een verdeelde journalistiek in Frankrijk
en daar is nooit wat van terecht gekomen. Hoe ziet de
commissie het schorsen van journalisten praktisch voor
zich? Moeten ze dan hun vergunning inleveren? Hoe kan de
NVJ nu tegelijk onderhandelen namens journalisten voor
een betere CAO om vervolgens zich tegen zijn eigen
achterban te keren? Zo'n ombudsman moet draagvlak
hebben. Dat begint niet door alles wat de NVJ bereikt
heeft, maar eventjes weg te gooien. De naam ombudsman is
ook niet belangrijk. Het zou ook een bindend arbiter of
adviseur kunnen zijn. Waarom is dat niet besproken?
De
commissie behandelt een conflict tussen klager en medium
als consumentengeschil. Dat is onbegrijpelijk. Er is
immers geen contractuele relatie tussen medium en
slachtoffer. Een krant heeft maar één consument en dat
is de lezer. Elke civilist zou dat moeten begrijpen.
Schuijt mist ook overzicht in het rapport. Het zou
moeten gaan om de spanning tussen het voeren van het
publieke debat en het nastreven van een commercieel
doel. Ook de roddelpers kan zich in Nederland beroepen
op 10 EVRM. Is dat wenselijk? In China, Cuba en Rusland
is geen roddelpers. Wij hebben dat wel. De inbreuk die
gepleegd wordt op de privacy van sterren is natuurlijk
reëel. Vastgesteld moet eveneens worden dat juist de
'sterren' geld zat hebben om een kort geding te betalen.
Vergeet geschillencommissie en vergeet de
consumentenbond. De Raad is geen substituut voor de
rechter. Als het gaat om sancties, moet je ook niet
zomaar de rechter buiten willen sluiten. Sommige
gevallen zijn nu eenmaal beter geschikt voor de rechter.
In andere situaties is een oordeel van de Raad
voldoende. Het zou inderdaad goed zijn als een
onafhankelijke arbiter eerst zich met de zaak bemoeit en
dan adviseert om eventueel naar de rechter of naar de
Raad te gaan.
Te
weinig is gekeken naar de mogelijkheden om tot
verbetering te komen binnen de bestaande kaders.
Daardoor getuigt het rapport van te weinig
realiteitszin. Het hele rapport lijkt wel een
verzameling minderheidsstandpunten van de commissie.
Gesuggereerde oplosrichtingen worden al te vrijblijvend
geformuleerd. Schuijt kan zich niet aansluiten bij
Harinxma en Barendrecht als ze zeggen dat dit rapport no
nonsense is 'bij de tijd' en 'inspirerend'. Wel bij
hun slotvraag: “Hoe nu verder?”.
Commentaar:
Hans Mentink (Promoveerde op de Raad voor de
Journalistiek)
Mentink beperkt zich tot de inhoud over de
reportage. Ook Mentink valt met de deur in huis. Hij is
het hartgrondig eens met de commissie dat de Raad anders
moet. Tweemaal eerder is al een ombudsman voorgesteld.
Met een glimlach en een pistool bereik je meer. Dreigen
met een wet, was ook in België genoeg om verbeteringen
te forceren. Een aantal problemen die aan het procederen
bij de Raad vastzitten, worden niet besproken.
Mentink
is tegen een nieuw op te richten geschillencommissie. Er
bestaat meestal geen contractuele relatie tussen klager
en medium. Het uit elkaar halen van beroepsnorm en
geschil is onmogelijk. Via geschillenbeslechting komen
juist beroepsnormen tot stand. Ze zijn derhalve
onlosmakelijk met elkaar verbonden. Tussen een suggestie
voor genoegdoening en een oordeel over de beroepsnorm
kan wel duidelijker onderscheid gemaakt worden. Mentink
ziet de NVJ niet als de beste partij om beroepsnormen in
te voeren. De Raad zelf zou beter geschikt zijn om een
code te formuleren zoals ook in Duitsland en in het
Verenigd Koninkrijk is gebeurd. De leidraad durfde de
Raad geen code te noemen, maar daarom is het nog wel een
code. Die code zou snel een plaats moeten krijgen in de
statuten. Mentink ziet dezelfde tegenstelling als
Schuijt tussen belangenbehartiging en
kwaliteitscontrole. Daardoor wordt de NVJ
onaantrekkelijker juist voor de journalisten waar het om
gaat.
Mentink
komt terug op de Raad. 'Maatschappelijk aanvaardbaar' en
'maatschappelijk betamelijk' zijn moeilijk te
onderscheiden. De code bespreekt alleen wat de Raad in
eerdere zaken heeft gedaan en ziet niet op nieuwe
gevallen. Al te vaak weigert de Raad uitspraak te doen.
Mentink betreurt dat de commissie niet ingaat op die
rechtsweigering; een serieus probleem.
Voor
de Raad was er alleen tuchtrecht binnen de voorgangster
van NVJ. Volgens Mentink stelde dat 'oude tuchtrecht'
weinig voor. Weinig uitspraken en weinig impact. Weinig
draagvlak onder de beroepsgroep; al met al weinig
realistisch. Weinig is het sleutelwoord. De ombudsman
via de rechter beslissingen van de Raad laten afdwingen,
is een slag in de lucht.
Volgens
de Raad is het niet opnemen van een uitspraak niet
klachtwaardig. De rechter vindt een en ander ook niet
afdwingbaar. Aan dat punt gaat de commissie voorbij. Qua
financiën en instrumentarium zou de branche meer moeten
doen. De Stichting Reclame Code Commissie bestaat voor
een gedeelte uit dezelfde partijen. Toch wordt daar veel
minder laconiek omgegaan met de uitspraken.
Mentink
mist een aantal belangrijke onderwerpen. Ten opzichte
van 10 EVRM wijkt de Raad veel af van de jurisprudentie
van het Hof. Het ontvankelijkheidvereiste wordt te
lichtvaardig gebruikt om klagers naar huis te sturen.
Het ontbreken van een verschijningsplicht is wel
degelijk een probleem. In dertig procent verscheen de
branche niet ter zitting. Als een klager al naar de
rechter is gegaan, zou de Raad geen uitspraak meer
moeten doen. Het rapport vraagt om een vervolg.
Commentaar:
Folkert Jensma (oud-hoofdredacteur NRC Handelsblad)
Jensma heeft getobd over zijn bijdrage aan de
discussie nu er zoveel deskundige mensen aanwezig zijn.
Jensma valt als enige niet met de deur in huis. Hij wil
wel graag heel hard 'boe' roepen in eigen kring. Hij
heeft de gelegenheidsargumenten tegen kwaliteitsnormen
nu wel vaak genoeg gehoord. De grondwet en de vrijheid
van meningsuiting zijn de favoriete dooddoeners. Praat
iemand nog even dan komt onmiddellijk de Raad voor de
Journalistiek ten tonele. Even zo gemakkelijk wordt de
Raad weer in de coulissen gezet als dat zo uitkomt. In
een lege zaal maanden na een grote rel, maakt het niet
meer zo uit wat de rechter uiteindelijk zegt.
Journalisten
winkelen selectief met de eigen deur op slot. We zijn
toe aan een wettelijke regeling voor dit urgente
probleem. Iedereen mag zich journalist noemen, zo
herhaalde gisteren de NVJ in een digitale nieuwsbrief.
Gaan we daar aan tornen dan komt onmiddellijk de
vrijheid van meningsuiting om de hoek. De
zelfgenoegzaamheid op dit punt is werkelijk verstikkend.
Meteen wordt de teloorgang van de democratie aangevoerd.
Er zijn a-,b,-c en misschien zelfs d journalisten. Er
zijn ook pseudo-journalisten. Er zijn rommelaars en
poseurs en iedereen weet het. Het is verboden om dat
hardop te zeggen. Stel je voor dat minister Donner het
hoort.
In
de underdog rol maken we graag van alle journalisten
helden van het vrije woord. Anders komt het chilling
effect om de hoek. Journalisten krijgen het al snel
koud. Daarom geen makkelijke toegang tot de rechter,
betere schadevergoedingen of verplicht gehoor geven aan
uitspraken. Wij zitten reuze fijn op onze goed
beschermde plek in het maatschappelijke krachtenveld.
Worden we daar beter van als journalist? Waarom kunnen
we onrechtmatig gedrag niet zelf bestrijden? Dat zou de
journalistiek beschermen. Onder de mantel der liefde kan
het behoorlijk gaan schimmelen als het te warm wordt.
Kunnen we niet zelf het kaft van het koren scheiden? Het
is een dure plicht om het eigen huis op orde te houden.
Lof
voor de praktische benadering van de commissie. Een
vergelijking met de geschilbeslechting in de reisbranche
én de reclame-wereld heeft een ontnuchterend effect.
Correcties
zijn op zichzelf waardevol. Sancties zijn pijnlijk, maar
leerzaam. Zij dienen de vrijheid van meningsuiting. Die
procedures moeten voor alle media hetzelfde zijn en voor
alle media verplichtend. Het rapport is te smal als het
gaat om zijn keuze voor kwaliteitsmedia. Bloggers
weglaten is wereldvreemd. Hun snelheid, bereik en
vermogen om schade aan te richten, is daarvoor te zeer
gegroeid. Het rapport laat een rampgebied van formaat
liggen.
Beroepserkenning
is gevoelig. Rijkserkende journalisten met een pas van
de overheid is inderdaad een eng beeld. In tal van
andere branches zijn vergelijkbare problemen echter
opgelost en bestaan functionerende stelsels van
erkenning en kwaliteitscontrole. Het is voor echte
juristen misschien verbazingwekkend, maar veel
journalisten denken al dat de Raad een tuchtrechter is.
De Raad kan beter. Alles kan beter. De verschillen
tussen de Raad en de Rechter zijn erg interessant. Ook
dat de Raad zich niets aan het EHRM gelegen laat liggen,
is een interessante constatering van Mentink. Graag een
Raad met tanden naar Scandinavisch model!
Dommering
De Raad is nooit een tuchtrechter geweest. Daar ligt
de verwarring. Men heeft er een Raad van opinie van
gemaakt zonder enige sanctie. In feite was het een Raad
die uitspraken doet en oordelen geeft over beroepsmatig
handelen. Dat is een tuchtrechtelijke functie.
Tuchtrechters spreken vaak een oordeel uit zonder
maatregel.
De
commissie behandelt hoe de geschilfunctie en de
tuchtfunctie langs privaatrechtelijke manier geregeld
kunnen worden. Schuijt concludeert dat het nooit zal
lukken, omdat er geen draagvlak voor is. Daarom zou een
wettelijke regeling voor een ombudsman opgelegd moeten
worden. De ombudsman zou zich niet moeten beperken tot
de traditionele media. Daarbij is een ingewikkeld
afbakeningsprobleem met betrekking tot weblogs.
Dommering is verrast dat er zo'n brede steun is voor een
wettelijke regeling. Laat die dan maar meteen komen.
Debat
Algemeen secretaris Thomas Bruning van de NVJ wijst
erop dat er niet namens de journalisten gesproken is
vanmiddag door Jensma. Hij is geen hoofdredacteur meer
van het NRC. Misschien is dat even wennen. Vanuit de NRC
bezien, zijn er inderdaad a,b,c en d journalisten. Wie
zou dat landelijk kunnen bepalen en op basis van welke
criteria? Jensma onderschat het chilling effect.
Er gaat veel geld ook naar hier aanwezigen om zich te
weren tegen aanvallen van bedrijven en publiek. Kleine
journalisten hebben weinig oorlogskas om zich te
verweren.
Thom
Meens is ombudsman van de Volkskrant. Hij is beledigd
door de commissie. Meens meent dat hij wel degelijk
onafhankelijk is en beroept zich daarbij op zijn eigen
statuut.
Gerrit
Jan Wolffensperger is lid van Raad voor de Journalistiek
en is daar trots op. Net als democratie is er nog steeds
niet beters bedacht en daar moeten we het maar meedoen.
Wolffensperger hoort weinig kritiek op de Raad. De Raad
heeft een constante jurisprudentie en is laagdrempelig.
De Raad zou een zinnige verkenning kunnen geven over hoe
om te gaan met bijvoorbeeld het weblog GeenStijl. Er is
een verschil tussen een column en een ingezonden stuk.
Een scheiding tussen tuchtrecht en geschilbeslechting is
geen onzin, maar er is geen dwingende behoefte aan.
Klagers willen alleen rectificatie én vooral 'gelijk
krijgen'. De laagdrempeligheid zou leiden onder een
schadevergoeding, want als die te hoog wordt, lopen de
aanwezige advocaten straks de zittingen plat. Er zit een
grote witte plek in het rapport. De ombudsman komt als
een wettelijk konijn uit de hoge hoed. Hoe kun je nu
zeggen dat de ombudsman in de wet opgenomen moet worden
voor een niet-in-de-wet-geregelde Raad voor de
Journalistiek? Moet de wetgever nu de Raad ook in de wet
op gaan nemen? Dan komen al de onoplosbare problemen
(wie is een journalist, enz.) van de commissie op het
bord van de wetgever. De leidraad is een indicatie en
zou absoluut niet in de statuten opgenomen moeten
worden, althans niet materieel. Anders komt de Raad
onmiddellijk in de problemen vanwege de zich immer
vernieuwende praktijk.
Dommering
licht toe dat gekeken is naar het Zweedse model. De Raad
is daar een soort hoger beroepsinstantie. Bindende
beslissingen kan de ombudsman niet nemen, want dat zou
de weg naar de rechter blokkeren.
Mentink
maakt duidelijk dat hij geen voorstander is van het
opnemen van de leidraad in de statuten. Dat staat ook in
zijn proefschrift. Het blijkt maar weer dat
Wolffensperger dat niet echt heeft gelezen. De leidraad
zou als bron kunnen dienen voor de uitspraken, maar is
niet bindend. De Raad isoleert zich van de
werkelijkheid. Mentink hoort wel degelijk veel
commentaar op de Raad. Belangrijk kritiekpunt is de
onevenwichtige afweging tussen privacy tegen
persvrijheid. Het primaat voor hoor en wederhoor is
nergens op gebaseerd. De defensieve houding van
Wolffensperger c.s. maakt dit soort middagen niet
nuttig.
Wolffensperger
zegt dat hij niet defensief is. Hij is zich bewust van
de mankementen van de Raad en heeft het proefschrift wel
degelijk gelezen.
Dirk
Voorhoof komt niet als bemiddelaar. Hij wijst erop dat
er in Vlaanderen een ombudsman is en dat die ook
aanwezig is en aangeraakt kan worden. Waarom dan toch
steeds Zweden aanhalen? Het functioneert dichterbij (in
België) én zonder wettelijke regeling. Waarom heeft
niemand toch aandacht voor een andere makkelijke
oplossing voor dit probleem? Het zogenaamde Droit de
réponse zoals ze het in Nederland noemen. Media
zijn verplicht de reactie van betrokkenen op te nemen.
Dit biedt op korte termijn genoegdoening. Wat is nu
precies het argument om dat in Nederland onbespreekbaar
te maken?
Thomas
Bruning maakt nog even duidelijk dat de NVJ (en hij in
het bijzonder) helemaal niet defensief is. Ze zijn juist
gekomen om kritiek te horen. Waarom wordt er steeds naar
de Zweedse ombudsman verwezen? Bruning heeft regelmatig
met deze ombudsman gesproken in tegenstelling tot de
wetenschappers in de zaal. Bruning herhaalt dat de
Belgische ombudsman gewoon in de zaal aanwezig is. In
Zweden is het allemaal pure klachtenafhandeling en dat
staat volgens Bruning haaks op wat de commissie
voorstaat. De NVJ wil een empirisch onderzoek naar de
buitenlandse praktijk met de nadrukkelijke bedoeling om
de positie van klagers en media te verbeteren.
Dommering
vindt dat buitengewoon, maar wijst erop dat er nooit
empirisch onderzoek gedaan is naar wat de klagers
vinden. De Raad roept dat dit onderzoek ook niet door
Dommering c.s. is uitgevoerd. De NVJ roept dat het onzin
is om te onderzoeken wat klagers vinden van de Raad en
rechterlijke uitspraken. Dat correspondeert 1 op 1 met
winst en verlies in eventueel gevoerde procedures.
Dommering bedankt voor de weinig defensieve houding.
Jan
de Meij roept dat hij als commissie-lid wel degelijk
gesproken heeft met de Zweedse ombudsman. Deze
functioneert vooral als zeef. Veel wordt daardoor snel
afgehandeld. De Meij wijst erop dat er soms echt
bemiddeld wordt. Nu het woord hem nog steeds niet
ontnomen is, meldt de Meij nog dat een studiecommissie
van de VMC geen pasklare oplossingen hoeft te bieden.
Denemarken is een goed voorbeeld. Een korte wet in de
jaren negentig en dat werkt. Iedereen is er gelukkig.
Professor
Barendrecht wijst erop dat de Raad volgens de statuten
wel degelijk een bemiddelende functie heeft. De
voorzitter van de stichting geeft aan dat de klagers
veelal de bemiddeling afwijzen, maar dat het altijd
wordt aangeraden. Een oud-lid van de Raad constateert
een strijd tussen het standpunt van Mentink dat het EVRM
onvoldoende in acht wordt genomen en dat er strenger
opgetreden moet worden.
Mentink
wijst erop dat uitspraken van de Raad onderwerp kunnen
zijn van een rechterlijke procedure. Rechters zijn
gehouden te oordelen dat zij uitspraken moeten toetsen
aan 10 EVRM. Daar is gewoon een uitspraak van het EHRM
over. Andere standpunten zijn daarmee simpelweg
achterhaald. Kabel vraagt om in te gaan op de spanning
tussen beide standpunten. Mentink geeft toe dat er een chilling
effect uit kan gaan van de Raad. Het EHRM vindt dat
ook.
Dommering
vindt dat de Raad teveel het gedrag van de journalist
centraal stelt. Jensma vult aan dat de Raad wel degelijk
een groot gezag heeft. Dat gezag slaat echter alleen op
de uitspraken in het voordeel van de journalist.
Andersom niet. Jensma heeft vaak moeten uitleggen waarom
'de NRC' mee doet aan de procedure. Journalisten
schrijven kennelijk hun bijdrages zonder zich bewust te
zijn dat hun handelswijze getoetst kan worden door de
Raad. De gesprekken naar aanleiding van een klacht zijn
vaak interessant. Ze zijn concreter dan menig
functioneringsgesprek. Vaak volgt een leerzame middag
bij de Raad. Jensma had op meer repliek van de NVJ
gerekend dan een jij-bak die zich concentreert op het
feit dat hij geen hoofdredacteur van de NRC meer is.
Volgens
Bruning is de NVJ wel degelijk voorstander van een
daadkrachtige, snelle Raad. De beroepsgroep kijkt
positief naar de Raad.
Nora
Salomons heeft jarenlang ervaring als ombudsman. Zij
bestrijdt de 1 op 1 relatie tussen winst en een positief
oordeel over klachtenafhandeling. Het gaat vooral om de
motivatie. Ze erkent dat de Raad zich soms wat
formalistisch opstelt vooral bij het niet-ontvankelijk
verklaren. Bemiddeling is iets heel anders dan een
oordeel van de Raad.
Herman
Doeleman is advocaat en oud-deken. Hij kreeg ongeveer
600 klachten te verwerken en iedere deken wil die
oplossen. Iedere advocaat moet alle vragen van de deken
beantwoorden. Het nieuwe voorpoortaal (bijvoorbeeld een
ombudsman) van de Raad moet ook bepaalde bevoegdheden
krijgen. Journalisten moeten ook verplicht zijn te
komen. Anders zijn het de kleren van de keizer. De
huidige voorzitter zou al in ruime mate aan
conflictbeslechting kunnen doen.
Barendrecht
ziet wel degelijk vooruitgang. De achterban reageert wat
kritisch, maar voormannen zijn wel degelijk positief
over een betere geschilbeslechting. De leidraad zou een
groeimodel kunnen zijn. Journalisten gaan heus niet
meteen achter slot en grendel. Klagers zijn volkomen
geďmponeerd door hun procedure en vinden al snel dat ze
aardig worden behandeld. We hoeven dat niet te
onderzoeken. De problemen zijn voldoende in kaart
gebracht. Barendrecht constateert breed draagvlak voor
het rapport, waarop Schuijt roept dat hij dan eerder had
moeten komen. Een behoorlijk functionerende neutrale
geschilinstantie moet ook geld hebben om normaal te
functioneren. Meer reputatie prikkels in een eigen
publicatie is een oplossing.
Otto
Volgenant werkt sinds 1993 bij Kennedy van der Laan. Hij
meent dat de studiecommissie ten onrechte de aanname
doet dat er een probleem is. Er is geen financieel
probleem, want Melchers heeft een miljoen euro ter
beschikking gesteld. Volgens Volgenant is het onzinnig
om ervan uit te gaan dat er steeds meer onjuiste
publicaties zijn, alleen omdat er meer publicaties zijn.
Het Caroline-arrest is een belangrijke
tegen-ontwikkeling. Een verhoging van de toegewezen
vergoedingen ook. Het ontbreken van een wettelijke
regeling op het gebied van bronbescherming is een
waardevoller probleem. Ingeseind door Germ Kemper roept
Dommering dat het misschien goed is als Volgenant even
aangeeft wat hij met de zaak Melchers van doen heeft.
Volgenant geeft toe inderdaad procedures tegen Melchers
verloren te hebben. Dat doet niet af aan het feit dat
hij betwijfelt dat er steeds meer onrechtmatig
gepubliceerd wordt.
Kabel
vraagt Dommering om een reactie. Die heeft daar weinig
behoefte aan. Het is duidelijk uit welke hoek de
bezwaren komen. Als er meer verkeer is, zijn er als
vanzelf meer ongelukken. Dat behoeft verder geen
onderbouwing. Schuijt vindt dat Dommering zich er vanaf
maakt en dat Volgenant serieuze kritiek heeft gegeven.
Dommering zegt dat de commissie zich baseert op de
cijfers uit het proefschrift dat Schuijt zelf heeft
begeleid. Volgens Schuijt zijn de cijfers van Mentink
correct, maar dat betekent nog niet dat daarmee de
punten van Volgenant zijn weersproken. Volgens Harinxma
bewijzen zijn eigen cijfers en die van Mentink dat er
een toename is van publicaties. Het aantal klachten bij
de Raad groeit al jaren explosief.
Een
journalist van het Parool betoogt dat dit exclusief te
wijten is aan de opkomst van de klaagcultuur. Mensen
moeten niet zo zeuren. Een journaliste van het
Financiële dagblad heeft bij vele werkgevers gewerkt en
wijst op het belang van de praktijk. De heer Frank
Kuitenbrouwer wordt geprezen, maar numeriek was de
journalistieke inbreng in het rapport te gering. Macht
van geld en geweld neemt toe. Steeds meer journalisten
worden bedreigd of omgekocht. Free-lance journalisten
zijn gevoelig voor omkoperij. Ook de overheid zet
journalisten gerust onder druk.
Bruning
van de NVJ zet vraagtekens bij de hoge drempel bij het
klagen. Waar zitten nu de grote kosten van een kort
geding? Hier in de zaal. Bij de advocaten. Een advocaat
loopt naar voren en geeft aan tussen de 0 en de 400 euro
per uur te vragen. Kabel rept van het officium
nobile. Barendrecht wijst erop dat geďnterviewden
banger zijn voor journalisten andersom. Dommering
suggereert dat klagers voorafgaand aan een interview
kunnen bedingen dat er bemiddeld wordt. Het is wel
degelijk een contractuele relatie. Een aanwezige
advocaat pleit voor een soort digitaal droit de
réponse, omdat achterhaalde berichten op het net zo
lang blijven circuleren. Hij constateert vooral dat veel
mensen onterecht worden beschuldigd in de media, zonder
effectief iets aan een onjuiste indruk te kunnen doen.
Kabel
bedankt alle aanwezigen voor het levendige debat en
wijst erop dat er nog ruimte is om informeel wat door te
kletsen, waarvan vervolgens gebruik wordt gemaakt. Van
de borrelpraat zal ik maar wijselijk geen verslag doen.
Het was al met al een gedenkwaardige middag 'onder
professoren', voor de verschenen journalisten, voor
advocaten en zeker ook voor de student die dacht wel
eventjes een verslag te kunnen schrijven.
Noten
[*]
Ewout Jansen is cabaretier en heeft een onderzoeksstage
bij het IViR afgerond. Daarvoor zat hij o.a. als
student-lid in het bestuur van de rechtenfaculteit van
de UvA. |