Net op de valreep: de Europese Unie stelt de Eurowob vast
Met
de Openbaarheidsverordening is een belangrijke stap vooruit gezet naar
meer openbaarheid en transparantie binnen de Unie. Een openhartiger
regeling was mogelijk geweest. De praktijk zal moeten leren of er
daadwerkelijk sprake is van wezenlijke verschillen tussen de Eurowob
en onze eigen Wob.
Naarmate de Europese Unie meer federale trekjes vertoont groeit de
wens om de kwaliteit van het bestuur te spiegelen aan de eisen van een
democratische rechtsstaat. Transparantie van besluitvorming is een van
de kenmerken van de democratische rechtsstaat en het behoeft dan ook
geen verbazing dat de roep om openbaarheid van EU-informatie steeds
sterker wordt. Met de recente totstandkoming van de Eurowob is op dit
vlak een grote stap voorwaarts gezet. In dit artikel worden de
gevolgen hiervan voor zowel de Unie als de lidstaten aan een
beschouwing onderworpen. Dat zal vooral gebeuren vanuit het
perspectief van onze Wob zonder deze overigens de (Europese) maat der
dingen te maken.
Tot voor kort kende de EU geen regelgeving over de toegang tot
informatie die berust onder instellingen van de Unie. Naar aanleiding
van de Verklaring bij de Slotakte van het Verdrag van Maastricht
hebben de Raad en de Commissie op 6 december 1993 de Gedragscode
inzake de toegang van het publiek tot documenten van de Raad en de
Commissie vastge steld.1
De Commissie heeft deze Gedragscode op 8 februari 1994 aanvaard.2
De Raad had dat al op 20 december 1993 gedaan.3
De Nederlandse Regering heeft destijds uitvoerig tegen de Gedragscode
geopponeerd. Daarbij richtte men zich niet tegen de Gedragscode als
zodanig, maar tegen het feit dat de Gedragscode niet meer was dan een
interne regeling. Het Hof van Justitie heeft de bezwaren van Nederland
verworpen en praktisch blijkt de beperkte status niet tot beperkingen
te leiden.4
Omdat aan de Gedragscode ook externe werking toekomt kan tegen
besluiten over de toepassing daarvan beroep worden ingesteld bij het
Gerecht in eerste aanleg en kunnen belanghebbenden hun uit de
Gedragscode voortvloeiende rechten ook geldend maken.5
Daarmee heeft de Gedragscode in de praktijk de status van een
rechtenscheppend verbindend voorschrift gekregen.
Artikel 255 EU, dat is ingevoerd bij het Verdrag van Amsterdam,
bepaalt dat iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke of
rechtspersoon met een verblijfplaats of statutaire zetel in een
lidstaat recht heeft op toegang tot documenten van het Europees
Parlement, de Raad en de Commissie 'volgens de beginselen en onder de
voorwaarden die overeenkomstig de leden 2 en 3 worden bepaald'. Het
tweede lid schrijft voor dat binnen twee jaar na inwerkingtreding van
het Verdrag van Amsterdam (1 mei 1999) in een Verordening van de Raad
en het Parlement de algemene beginselen en beperkingen op grond van
openbare of particuliere belangen worden neergelegd. Met één maand
vertraging is op 30 mei 2001 Verordening (EG) Nr 1049/2001 inzake de
toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de
Raad en de Commissie vastgesteld6
(hierna: de Openbaarheidverordening). Het totstandkomen van deze
verordening net over de valreep is op zichzelf al een markant feit in
de geschiedenis van de Unie. In de eerste plaats lopen de gedachten
binnen de Unie over de noodzaak en wenselijkheid van openbaarheid van
overheidsinformatie bepaald uiteen: ruw gezegd wordt naar mate men de
zuidelijk gelegen lidstaten betreedt de poort van de openbaarheid
harder dichtgedaan. Belangrijk is ook dat de Commissie zich
aanvankelijk weinig openbaarheidvriendelijk betoonde. Het voorstel van
de Commissie, zoals dat juni 2000 na eerdere voorlopige concepten werd
uitgebracht, ademde weinig gevoel voor openbaarheid uit.7
Vervolgens besloot het Comité van Permanente Vertegenwoordigers van
de Europese Unie op 26 juli 2000 op voorstel van Commissaris Solana
documenten die betrekking hebben op het Europese veiligheids- en
defensiebeleid van de werking van de Gedragscode uit te sluiten.8
Tegen dit besluit heeft de Nederlandse Regering een procedure bij het
HvJEG aanhangig gemaakt. Uiteindelijk bleek er zeer uitvoerig en
indringend overleg tussen vertegenwoordigers van lidstaten, de
Commissie en leden van het Parlement9
nodig om tot een compromis te komen. Het gaat om een overeenstemming
die door de Regering is aangemerkt als 'de beste haalbare (tekst)'.10
Voor Nederland is dit aanleiding om de procedure tegen het
Solana-besluit te beëindigen.
Doelstelling van openbaarheid van Unie-documenten
Men zou het met alle aandacht van journalisten voor het
consumptiepatroon van bewindspersonen en bestuurders niet zeggen, maar
de Wob heeft, zoals zijn considerans het uitdrukt, tot doel een goede
en democratische bestuursvoering te bevorderen. Artikel 110 Gw
verplicht de overheid bij de uitvoering van haar taak openbaarheid te
betrachten. Openbaarheid wordt gezien als een uitvloeisel van het
beginsel van democratie en wordt beschouwd als een hulpmiddel om de
burger in staat te stellen direct of indirect deel te nemen aan de
besluitvormingsprocessen van de overheid. Artikel 110 Gw beoogt geen
rechten aan burgers toe te kennen, doch slechts hen in staat te
stellen beter te participeren in het democratisch proces.11
Daarin zal verandering komen wanneer uitvoering wordt gegeven aan het,
door het Kabinet inmiddels overgenomen, voorstel van de Commissie
Grondrechten in het Digitale tijdperk om in de Grondwet een expliciet
recht op toegang tot bij de overheid berustende informatie op te
nemen.12
De Commissie motiveert haar voorstel met het argument dat openbaarheid
van overheidsinformatie van cruciaal belang is geworden voor de
politieke, sociale en juridische positie van de burgers. Nederland
sluit daarmee aan bij de ontwikkeling van vooral de Scandinavische
landen.
Het is de vraag waar de Unie in de ontwikkeling van toegang tot
overheidsinformatie van een uit de democratische rechtsstaat
voortvloeiend beginsel naar een (afdwingbaar) recht voor het individu
staat. Artikel 255 EU staat in hoofdstuk 2 van Afdeling 2 van Deel V
van het Verdrag ('Bepalingen welke verscheidene instellingen gemeen
hebben'). Het artikel is dus niet opgenomen in de Gemeenschappelijke
Bepalingen van Titel 1, waarin de basisprincipes van de Unie zijn
vervat. Wel wordt in artikel 1 aangegeven dat de besluiten 'in zo
groot mogelijke openheid' worden genomen. Dat wijst erop dat het
openbaarheidbeginsel vooralsnog communautair als een meer procedurele
bepaling wordt gezien. In de rechtspraak over de Gedragscode wordt een
'recht op informatie' op zichzelf erkend, maar dan toch vooral als een
relevante factor bij de beoordeling van besluiten van Unie-organen en
niet als een subjectief recht voor burgers.13
In overweging (2) in de considerans spreekt de Openbaarheidverordening
uit dat de in artikel 1 EU genoemde openheid een betere deelneming van
burgers aan het besluitvormingsproces mogelijk maakt, waardoor een
grotere legitimiteit en meer doelmatigheid en verantwoordelijkheid van
de administratie ten opzichte van de burgers binnen een democratisch
systeem wordt gewaarborgd. Deze openheid, aldus de considerans, draagt
bij aan de versterking van de beginselen van democratie en de
eerbiediging van fundamentele rechten. In de volgende overweging wordt
naar de noodzaak van transparantie van besluitvorming verwezen.
Hieruit mag worden geconcludeerd dat de Unie in ieder geval achter
loopt bij een aantal van haar lidstaten, hetgeen, gelet op de binnen
de Unie wijd uiteenlopende visies op dit vraagstuk, ook niet
verwonderlijk is.14
Wat houdt de Openbaarheid-verordening in?
Reikwijdte van de Openbaarheid verordening
Artikel 2 Openbaarheidverordening vormt de basisbepaling van de
verordening. In dit artikel wordt aan 'iedere burger van de Unie en
iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire
zetel in een lidstaat' een recht van toegang toegekend tot documenten
van de instellingen, volgens de beginselen en onder de voorwaarden en
beperkingen in de verordening. De verordening stelt dus - buiten het
hebben van de nationaliteit van een van de lidstaat of het daar wonen
resp. gevestigd zijn - geen beperkingen aan de hoedanigheid van degene
die een verzoek kan doen.15
Artikel 6, eerste lid, laatste volzin, Openbaarheidverordening bepaalt
dat de verzoeker niet verplicht is de redenen van zijn verzoek te
vermelden. Dat impliceert dat het belang van degene die toegang tot
documenten vraagt niet relevant is.16
Een in de ogen van een instelling verkeerd belang kan dus geen grond
voor weigering opleveren, tenzij dit onder ook onder een van de
weigeringsgronden is te brengen.
Met de zinsnede 'documenten van de instellingen' wordt bedoeld
documenten die onder de instelling berusten. Art 2, derde lid,
Openbaarheidverordening verduidelijkt dit door te bepalen dat het
hierbij gaat om alle 'documenten die door een instelling zijn
opgesteld en zich in haar bezit bevinden. Onder instellingen worden in
elk geval verstaan de Raad, het Euro pees Parlement, de Commissie en
door deze orga nen ingestelde agentschappen (art. 1 onder a
Openbaarheidverordening).
Documenten
In artikel 3 Wob is bepaald dat de wet van toepassing is op
informatie vervat in documenten Dit wordt wel aangeduid met de term
'informatiestelsel: de verzoeker hoeft niet aan te geven in welke
documenten de informatie is vervat'. De Openbaarheidverordening gaat
minder ver en kiest voor een documentensysteem: de verzoeker moet in
zijn verzoek het document, dat hij wil ontvangen, be- of omschrijven
(art. 6, eerste lid). Document wordt in artikel 3 onder a omschreven
als 'iedere inhoud, ongeacht de drager ervan (op papier, in
elektronische vorm, als geluids-, beeld of audiovisuele opname)'.
Daarmee wordt beoogd alle gegevensdragers onder het bereik van de
verordening te brengen. Hierbij zal betekenis toekomen aan de
ontwikkelingen op het terrein van de informatie- en
communicatietechnologie.17
Vallen bijvoorbeeld e-mails onder deze definitie? Een interessante
vraag is ook of gewiste of verwijderde be - standen, die met moderne
technieken kunnen worden ge reconstrueerd, onder het bereik van deze
bepaling vallen.
Het nadeel van een documentstelsel is dat de burger niet altijd kan
weten óf er documenten over een bepaalde kwestie bestaan en zo ja
welke. In Nederland kan de verzoeker volstaan met het noemen van de
bestuurlijke aangelegenheid waarover de verzoeker informatie wil
ontvangen (art. 3 lid 2 Wob). Het bestuursorgaan moet vervolgens
onderzoeken of die informatie schriftelijk of in andere vorm is
vastgelegd. Dat kan overigens wel tot discussie leiden over de vraag
of een bestuursorgaan voldoende heeft gezocht.18
Het nadeel van een documentensysteem wordt in de
Openbaarheidverordening enigszins ondervangen door de bepaling dat de
instellingen een documentenregister moeten aanleggen, dat elektronisch
kan worden geraadpleegd. Op dit moment kennen de instellingen al een
dergelijk register, dat onder meer via internet aan een ieder ter
beschikking staat.
Van ieder in het register opgenomen document dient naast het
referentienummer het onderwerp en/of een korte beschrijving te worden
opgenomen (art. 11, tweede lid, Openbaarheidverordening). Met het
register is meteen een belangrijke beperking gegeven. De verordening
bepaalt niet welke documenten in het register moeten worden opgenomen,
zodat in ieder geval in potentie documenten buiten het register kunnen
blijven. Soms, zoals bij bepaalde z.g. gevoelige documenten, is
expliciet bepaald dat opneming in het register achterwege kan blijven
(vgl. art. 9, tweede en derde, lid).
Niet alle documenten vallen onder het bereik van de verordening: de
documenten moeten betrekking hebben op een materie die verband houdt
met 'beleidsmaatregelen, acties en besluiten die tot de bevoegdheid
van een instelling behoren' (art. 3 onder a Openbaarheidverordening).
Bij ons moeten de documenten betrekking hebben op een 'bestuurlijke
aangelegenheid' (art. 3 lid 1 jo. art. 1 onder c Wob). Het begrip
bestuurlijke aangelegenheid wordt zeer ruim uitgelegd: het omvat het
openbaar bestuur 'in al zijn facetten'. Het is de vraag of dat ook
geldt voor de verordening. De verordening noemt alleen actieve
handelingen van instellingen. Daarom kan men zich voorstellen dat
stukken die betrekking hebben op personeelsaangelegenheden, informatie
over interne aangelegenheden van een instelling of documenten die
betrekking hebben op individuele bestuurders of ambtenaren niet onder
het bereik van de verordening vallen.
Uitzonderingen
Uitzonderingen op het uitgangspunt van openbaarheid kunnen absoluut
of relatief zijn (vgl. art. 10 Wob). Doet een absolute
uitzonderingsgrond zich voor dan wordt de gevraagde informatie zonder
meer geweigerd. Wanneer er sprake is van een relatieve
uitzonderingsgrond wordt het met de betreffende grond gemoeide belang
afgewogen tegen het belang van de openbaarmaking. In Nederland wordt
het belang, dat door een relatieve uitzonderingsgrond wordt beschermd,
afgewogen tegen het belang van de publieke informatieverstrekking. De
Gedragscode kent een aanzienlijk aantal uitzonderingsgronden, die
bijna allemaal absoluut zijn. Bovendien zijn de gronden ruim
geformuleerd. Zo wordt geen informatie verstrekt als verstrekking zich
niet met het 'algemeen belang' verdraagt (art. 4 Gedragscode). Daarbij
wordt een aantal voorbeelden van wat het algemeen belang kan inhouden
genoemd, maar dat is geen limitatieve opsomming.19
Hierdoor is de mogelijkheid een verzoek te weigeren aanzienlijk. De
Openbaarheidverordening sluit meer dan de Verdragscode bij de
benadering van de Wob aan. Art, 4, eerste lid, somt een aantal
belangen op. Zou openbaarmaking deze belangen ondermijnen dan weigert
de instelling de toegang tot de gevraagde documenten. Artikel 4 lid 2
van de verordening noemt vervolgens drie andere gevallen. Doet een van
die gevallen zich voor dan wordt de toegang ook geweigerd, tenzij een
'hoger openbaar belang' openbaarmaking gebiedt. In deze regeling toont
zich een aantal kwetsbaarheden van de Openbaarheidverordening. In de
eerste plaats is het aantal absolute uitzonderingsgronden, in ieder
geval bezien vanuit het perspectief van de Wob, nogal groot. Het
eerste lid van artikel 4 noemt het openbaar belang wat betreft (a) de
openbare veiligheid, (b) defensie en militaire aangelegenheden, (c)
internationale betrekkingen en (de) het financieel, monetair en
economisch beleid van de Unie of van een lidstaat en daarnaast de
persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu. In de Wob
zijn dit steeds relatieve uitzonderingsgronden, behalve wanneer de
veiligheid van de Staat aan de orde is of wanneer de informatie
betrekking heeft op bepaalde persoonsgegevens. Overigens moet worden
aangenomen dat deze uitzonderingen restrictief moeten worden
uitgelegd, net zoals dat bij vergelijkbare beperkingen in de
Gedragscode het geval is.20
Als relatieve uitzonderingsgronden noemt de verordening: de
commerciële belangen van natuurlijke en rechtspersonen, met inbegrip
van intellectuele eigendom, gerechtelijke procedures21
en juridisch advies en het doel van inspecties, onderzoeken en audits.
Dat artikel 4 lid 2 voorop stelt dat ook in deze gevallen de toegang
tot documenten wordt geweigerd en daarop (pas) een uitzondering wordt
gemaakt als een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt lijkt
meer een kwestie van woordkeus. Het ligt voor de hand om er van uit te
gaan dat in de in het tweede lid genoemde gevallen een
belangenafweging plaatsvindt. Artikel 10, eerste lid, onder c Wob kent
voor bedrijfs- en fabricagegegevens een absolute uitzonderingsgrond.
In zoverre is er bij de verordening sprake van meer openbaarheid dan
in Nederland. Dat is opvallend omdat bijvoorbeeld bij de
totstandkoming van de Mededingingswet, die met de Europese
mededingingspraktijk voor ogen is vormgegeven, veel aandacht is
besteed aan de wens te voorkomen dat bedrijfsgegevens onnodig openbaar
zouden worden gemaakt.22
Zouden door Nederland dergelijke gegevens aan een instelling worden
verstrekt (bijvoorbeeld in het kader van de samenwerking tussen de NMa
en de Commissie) dan zouden dergelijke gegevens daardoor mogelijk
openbaar worden.
Interne documenten
Naast de genoemde uitzonderingsgronden kent artikel 4, derde lid,
Openbaarheidverordening een bijzondere regeling voor interne
documenten. Stukken opgesteld voor intern gebruik of stukken ontvangen
van derden waarover nog geen besluit is genomen behoeven niet openbaar
te worden gemaakt als daardoor het besluitvormingsproces van de
instelling ernstig zou worden ondermijnd. Dit is anders wanneer een
hoger openbaar belang openbaarmaking verbiedt. Hierdoor wordt
bewerkstelligd dat het interne besluitvormingsproces binnen een
instelling in beginsel in vertrouwelijkheid kan plaatsvinden.
Daarnaast bepaalt artikel 4 , derde lid, dat documenten met
standpunten voor intern gebruik in het kader van beraadslagingen en
voorafgaand overleg binnen een instelling ook nadat een besluit is
genomen mogen worden geweigerd wanneer openbaarmaking het
besluitvormingsproces van een instelling ernstig zou ondermijnen,
tenzij een hoger belang openbaarmaking gebiedt. Met deze bepaling
wordt kennelijk beoogd de vrije meningsvorming binnen een instelling
zo ongestoord mogelijk te laten plaatsvinden. De Wob gaat van
eenzelfde gedachte uit, zij het dat alleen documenten met persoonlijke
beleidsopvattingen van bestuurders of ambtenaren niet openbaar worden
gemaakt en dat daarmee van eenzelfde gedachtegang uitgaat. Dat is dus
beperkter dan in de in artikel 4, lid 3. van de verordening genoemde
gevallen. Niettemin zal door deze bepaling de controle op de interne
besluitvorming van een instelling moeilijker wordt. Nu de Nederlandse
wetgever van een zelfde gedachte is uitgegaan is dat evenwel zeker te
billijken.
Tijdsverloop
De uitzonderingen gelden, behalve bij de persoonlijke levenssfeer,
bedrijfsinformatie en gevoelige documenten, voor de duur dat de
bescherming nodig is en maximaal gedurende dertig jaar (art. 4,
zevende lid). Nu de Openbaarheidverordening geen overgangsregels kent,
betekent dit dat documenten die ouder dan dertig jaar zijn, die niet
behoren tot een van de in artikel 4 lid 7 genoemde categorieën valt,
op dit moment zonder voorbehoud openbaar zijn. Wel is het nog de vraag
wanneer de periode van 30 jaar gaat lopen. Naar men mag aannemen is
dit het moment waarop het document is opgesteld, hetgeen als regel zal
blijken uit de datering.
Verhouding tot andere openbaarmakingsregels
In Nederland geldt als uitgangspunt dat de algemene
openbaarmakingregeling van de Wob wijkt wanneer in een andere wet in
formele zin in een uitputtende openbaarmakingregeling is voorzien.23
De Openbaarheidverordening kent geen voorziening voor een dergelijk
geval. Dat kan problemen opleveren in de gevallen waarin in een andere
regeling een beperktere of ruimere voorziening over openbaarmaking is
opgenomen. Zo bevat Richtlijn 90/313/EG inzake vrije toegang tot
milieu-informatie voor de lidstaten regels over de openbaarmaking van
dergelijke informatie, die er toe leiden dat nationale
openbaarmakingregels daarvoor moeten wijken.24
Nu is een richtlijn van een andere orde dan een verordening en richt
deze zich formeel niet tot de instellingen van de Unie, maar niettemin
rijst de vraag naar de rechtvaardiging voor de stelling dat dergelijke
informatie door een lidstaat bekend moet worden gemaakt, terwijl de
Openbaarheidverordening voor de instellingen van de Unie een
tegengestelde handelwijze voorschrijft. Dezelfde problematiek speelt
bij de samenloop van de bepalingen van de Openbaarheidverordening en
de procedureregels van het Gerecht en het Hof. Aangenomen mag in ieder
geval worden dat documenten van een instelling die betrekking hebben
op een lopende procedure bij de Europese rechter niet openbaar gemaakt
behoeven te worden.25
Gevoelige documenten
Zoals hiervoor al werd aangegeven kent de Openbaarheidverordening
speciale regels voor de zgn. gevoelige documenten Artikel 9, eerste
lid, Openbaarheidverordening omschrijft deze als documenten afkomstig
van instellingen of agentschappen, lid - staten, derde landen of
internationale organisaties die 'op grond van de regels van de
betrokken instelling ter bescherming van de wezenlijke belangen van de
Europese Unie, of één of meer van haar lidstaten, op de gebieden van
artikel 4, lid 1, onder a - in het bijzonder openbare veiligheid -
'TRES SECRET/TOP SECRET', 'SECRET' of 'CONFIDENTIEL' zijn
gerubriceerd'. Van particulieren of ondernemingen afkomstige
documenten kunnen derhalve niet de status van gevoelig document
krijgen. Deze bepaling is in het bijzonder ingegeven door het feit dat
de Unie intensiever is gaan samenwerken met de Navo en ook overigens
steeds meer taken op het gebied van justitie en openbare veiligheid
aan zich trekt. Dat rechtvaardigt, zo is de gedachtegang, een ander
regiem voor deze categorie van documenten. Deze bepaling is ook de
weerslag van de discussie over de noodzaak van het Solana-besluit en
vormt het daarbij bereikte compromis. Gevoelige documenten worden niet
zonder meer in een register opgenomen. Dat gebeurt eerst na een
beoordeling op geschiktheid daartoe (art. 9 lid 2
Openbaarheidverordening). Verstrekking van gevoelige documenten vindt
slechts plaats na verkregen instemming van de opsteller ervan (art. 9
lid 3 Openbaarheidverordening). Opgemerkt zij dat in Nederland de
classificatie van een document voor de vertrouwelijkheid ervan niet
relevant is. In de benoeming van de verordening dreigt het geven van
'Etikettenschwindel'.
De status van gevoelige documenten is enigszins onhelder. Enerzijds
komen deze documenten minder snel voor openbaarmaking in aanmerking.
Dat ligt ook voor de hand omdat bij dergelijke documenten de in
artikel 4 lid 1 onder a genoemde belangen en in het bijzonder het
belang van de openbare veiligheid steeds in het geding is. Aan de
andere kant kunnen gevoelige documenten op verzoek wel openbaar worden
gemaakt. Aan een beslissing op een dergelijk verzoek gaat een toetsing
aan artikel 4 Openbaarheidverordening vooraf. Het ligt voor de hand
dat ten aanzien van gevoelige documenten een andere vorm van afweging
plaats zal gaan vinden. Waar bij normale documenten het beginsel
'openbaarheid, tenzij' op de achtergrond een rol zal spelen bij de
vraag of een van de in de verordening genoemde belangen zich voordoet,
ligt het voor de hand om bij gevoelige documenten uit te gaan van
'vertrouwelijk, tenzij'. Daarvoor zal de beschikkingenpraktijk en met
name de rechtspraak over deze categorie van documenten duidelijkheid
moeten brengen.
Documenten afkomstig van derden
In de Gedragscode is in afdeling 3 de zgn. auteursregel opgenomen:
verzoeken om informatie over andere Unie-organen of welke derde dan
ook moeten rechtstreeks naar de opsteller van het betreffende document
worden gezonden. De Openbaarheidverordening bepaalt dat ook door een
instelling ontvangen documenten voor openbaarmaking in aanmerking
komen. Voor van derden afkomstige documenten kent de verordening een
aantal specifieke regels. Op grond van artikel 4 lid 4
Openbaarheidverordening bestaat de verplichting om de betrokken derde
te raadplegen, tenzij er geen twijfel bestaat of het al dan niet
openbaar maken van het document. Dat kan derhalve ook een particulier
of een onderneming zijn. In dit verband is opvallend dat bij de
discussies over de Openbaarheidverordening weinig tot geen aandacht is
besteed aan de vraag of de reden waarom een instelling over een
document van een derde beschikt bij verzoeken om toegang een rol zou
moeten of kunnen spelen. In andere stelsels, zoals bijvoorbeeld in de
Verenigde Staten, wordt een verschil gemaakt tussen van derden
afkomstig documenten die vrijwillig aan de overheid zijn verstrekt en
documenten die langs andere weg onder de overheid zijn komen te
berusten.26
Het maakt bijvoorbeeld nogal verschil of vertrouwelijke documenten
vrijwillig of noodgedwongen, zoals bijvoorbeeld als gevolg van een
onderzoek of een inval onder een instelling zijn komen te berusten.
Daar kan tegenover worden gesteld dat vrijwilligheid in zo'n geval
relatief is: zo zal een aanmelding overeenkomstig Verordening 17/62
van een voorgenomen concentratie vergezeld moeten worden van veel
(vertrouwelijke) bedrijfsgegevens. In theorie is er dan sprake van
vrijwilligheid (de fusie hoeft niet plaats te vinden), maar de facto
natuurlijk niet. Toch zou een dergelijk onderscheid wel eens nuttig
kunnen zijn, zeker wanneer aan een beslissing op een verzoek een
afweging van belangen vooraf moet gaan, zoals bijvoorbeeld bij
bedrijfsgegevens.
De verordening kent geen regels over de wijze waarop een instelling
met de opvatting van de betrokken derde moet omgaan. De opvatting van
de derde zal in ieder geval ook bij de beoordeling van de
uitzonderingsgronden van artikel 4 worden betrokken. Naar verwachting
zal een besluit dat afwijkt van de opvatting van die derde in ieder
geval beter moeten worden gemotiveerd. Lidstaten kunnen bij het
verstrekken van een document aan de instelling verzoeken om het
betreffende document niet openbaar te maken zonder instemming van die
lidstaat. Daardoor krijgt een lidstaat in dat geval feitelijk een
vetorecht.
Enkele procedurele bepalingen
Verzoeken moeten schriftelijk, daaronder mede te verstaan
elektronisch, worden gedaan (art. 6, eerste lid,
Openbaarheidverordening). Wanneer het verzoek omvangrijke documenten
betreft of het om een zeer groot aantal documenten gaat kan de
instelling informeel met de aanvrager overleg plegen over een
'billijke oplossing' (art. 7 lid 3). Verzoeken worden via een
tweetrapsraket gedaan. Binnen vijftien werkdagen beslist de instelling
of toegang tot het gevraagde wordt verleend. Deze termijn kan bij
uitzonderlijke verzoeken, bijvoorbeeld als het gaat om een zeer
omvangrijk document of een zeer groot aantal documenten, met vijftien
werkdagen worden verlengd (art. 7 lid 3). Is de beslissing negatief
dan wordt dit gemotiveerd (art. 7 lid 1 Openbaarheidverordening). In
dat geval kan de aanvrager binnen vijftien dagen na ontvangst van de
beslissing van de instelling een confirmatief verzoek indienen, in
wezen een verzoek om heroverweging (art. 7 lid 2). Een confirmatief
verzoek kan ook worden gedaan als de in de verordening voorgeschreven
termijn is verstreken (art. 7 lid 4). Voor de behandeling van een
confirmatief verzoek gelden dezelfde termijnen en wijze van
behandeling als voor het oorspronkelijk verzoek (art. 8
Openbaarheidverordening). Wanneer de instelling opnieuw besluit tot
afwijzing van het verzoek kan de aanvrager beroep instellen bij het
Gerecht in eerste aanleg en/of een klacht indienen bij de Europese
Ombudsman). Die mogelijkheid bestaat ook wanneer de instelling de in
de verordening opgenomen termijn niet in acht neemt (art. 8 lid 3). In
dat geval zal overigens aan de rechter slechts ter beoordeling staan
of de instelling met recht het nemen van een beslissing achterwege
heeft gelaten: het niet (tijdig) nemen van een beslissing wordt door
het Hof van Justitie, net zoals overigens door de Afdeling
bestuursrechtspraak, niet met een afwijzende beslissing gelijk
gesteld.27
Dat betekent dat de rechter bij gegrondverklaring van het beroep geen
oordeel kan geven over de vraag of er een recht op toegang tot de
betreffende documenten bestaat. Valt een document slechts gedeeltelijk
onder een of meer uitzonderingen dan worden de overige delen van het
document wel verstrekt (art. 4 lid 6).
Artikel 10 Openbaarheidverordening bepaalt dat toegang wordt
verleend overeenkomstig de voorkeur van de aanvrager, door het geven
van inzage of het maken van een (al dan niet elektronische) kopie.
Gevolgen voor onze Wob
In considerans par. 15 van de Openbaarheidverordening wordt
uitgesproken dat de verordening niet beoogt nationale regels te
wijzigen, maar dat het 'vanzelf spreekt' dat de lidstaten erop zullen
toezien dat aan de goede toepassing van de verordening geen afbreuk
wordt gedaan én dat de veiligheidsregels van de instellingen zullen
worden geëerbiedigd. Artikel 5 van de Openbaarheidverordening bepaalt
met het oog daarop dat wanneer een lidstaat, die een document van een
instelling van de Unie in haar bezit heeft, om informatie daarover
wordt gevraagd de betrokken instelling moet raadplegen 'om een besluit
te kunnen nemen waardoor het doel van deze verordening niet in gevaar
komt'. Deze verplichting bestaat niet in 'duidelijke gevallen'. Dit
rechtvaardigt de vraag of deze bepaling tot aanpassing van de Wob
noopt. Vooralsnog lijkt daartoe geen reden te bestaan. Daarbij is van
belang dat de Wob zich niet verzet tegen het raadplegingsvereiste.
Artikel 4:8 Awb biedt de basis voor een dergelijke raadpleging. We zal
het hierdoor niet eenvoudiger worden de korte beslistermijn van
veertien dagen in artikel 6 Wob, die éénmaal met een zelfde periode
kan worden verlengd, steeds te halen. De opvatting van de betrokken
instelling is niet bindend voor het betrokken bestuursorgaan, al zal
daarvan een sterke werking voor de inhoud van het te nemen besluit
uitgaan.
Artikel 5, laatste volzin, Openbaarheidverordening bepaalt dat een
lidstaat aan wie informatie wordt gevraagd over een van een instelling
afkomstig document het verzoek ook mag doorgeleiden aan de betrokken
instelling. Artikel 2:3 lid 1 Awb bevat een doorzendverplichting voor
geschriften, waaronder verzoeken, 'tot behandeling waarvan kennelijk
een ander bestuursorgaan bevoegd is'. Die situatie doet zich echter
niet voor wanneer aan een (Nederlands) bestuursorgaan informatie wordt
gevraagd over een document afkomstig van een EU-instelling. Het
bestuursorgaan blijft immers bevoegd om op het verzoek een besluit te
nemen. Artikel 5, laatste volzin, legt aan een lidstaat geen
verplichting tot doorzending op. Dat zou er voor kunnen pleiten om
geen gebruik van de mogelijkheid van doorzending te maken. Onder
omstandigheden kan dit onbevredigend zijn, bijvoorbeeld wanneer er een
duidelijke voorkeur bestaat om een instelling zelf over de
openbaarmaking van het door haar vervaardigde document een beslissing
te laten nemen. Er lijken, zelfs met de verordening in de hand, weinig
mogelijkheden te bestaan om door middel van doorzending het nemen van
een besluit over het verzoek achterwege te laten als de verzoeker
daarbij persisteert en het is twijfelachtig of de bestuursrechter een
dergelijke weigering een besluit op het Wob-verzoek te nemen
rechtmatig zal achten. Daarom lijkt aanpassing van de Wob,
bijvoorbeeld in het kader van de in de Vierde Tranche voorziene
opneming in Afdeling 2.3 van de Awb, op dit punt wenselijk.
De Afdeling bestuursrechtspraak betrekt de belangen van de Unie en
haar instellingen nadrukkelijk in haar beoordeling van Wob-besluiten.
Dat blijkt uit de uitspraak van de Afdeling in de zaak Metten. Deze
vroeg, als lid van het Europarlement, met een beroep op de Wob de
notulen van de Ecofin-raad bij de Minister van Financiën op. In een
overigens veel bekritiseerde uitspraak28
heeft de Afdeling beslist dat de bepaling in het Reglement van Orde
van de Raad, waar de geheimhouding van notulen was geregeld, weliswaar
is aan te merken als een niet-bindende verdragsbepaling, maar dat het
buiten toepassing laten van die bepaling afbreuk zou doen aan de
nuttige werking daarvan. Daarom, aldus de Afdeling, was er sprake van
een bijzondere, de Wob uitsluitende, regeling.29
Artikel 10, lid 2, onder d, Wob bepaalt dat het verstrekken van
informatie achterwege blijft als het belang van de publieke
informatieverstrekking niet opweegt tegen 'het belang van de
betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale
organisaties'. Voor een beroep op deze uitzonderingsgrond is het niet
nodig dat openbaarmaking tot een verslechtering van de relaties met
andere staten of internationale organisaties zal leiden: voldoende is
dat toekomstige contacten hierdoor in de toekomst stroever kunnen gaan
lopen, bijvoorbeeld omdat de bereidheid tot overleg afneemt of
bepaalde documenten niet meer worden verstrekt.30
In een uitspraak uit 1992 heeft de Afdeling beslist dat dit artikel
ook de betrekkingen met de (organen van de) Europese Unie op het oog
heeft.31
Aan het standpunt dat een ander land of internationale organisatie
over de wenselijkheid van openbaarmaking inneemt mag een
bestuursorgaan volgens de Afdeling belangrijke betekenis toekennen.
Wanneer de Commissie er gemotiveerd blijk van geeft aan
vertrouwelijkheid te hechten zal dat dan ook als regel voldoende basis
zijn voor een geslaagd beroep op artikel 10, lid 2, onder d, Wob.32
Aannemelijk is dat de Afdeling zich door de verordening in deze lijn
gesterkt zal voelen. Denkbaar is wel dat de opvatting van een
instelling over de wenselijkheid van het openbaar maken van een van
haar afkomstig document in dat geval naast de uitzonderingsgronden in
artikel 4 Openbaarheidverordening wordt gelegd. Het standpunt van de
betrokken instelling zal evenwel naar mijn oordeel ook voor de
Nederlandse rechter een gegeven moeten vormen, behalve wanneer de
opvatting klaarblijkelijk in strijd is met de verordening. Het gaat om
de uitleg van die instelling van de betekenis van de
Openbaarheidverordening voor de openbaarheid van een door deze
instelling opgesteld document. Het ligt voor de hand het standpunt van
de instelling op dezelfde manier te benaderen als een beslissing van
een orgaan van de Unie in het algemeen. Volgens vaste rechtspraak
geldt immers dat de nationale rechter in beginsel van de
rechtmatigheid en verbindendheid van een dergelijk besluit moet
uitgaan.33
Een probleem zou zich nog wel kunnen voordoen bij de gevoelige
documenten. Deze categorie van documenten mag niet zonder toestemming
openbaar worden gemaakt, althans daartoe lijkt artikel 9, derde lid,
Openbaarheidverordening te strekken. Vervolgens bepaalt artikel 9,
vijfde lid, dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen om de
beginselen van onder meer artikel 9 te eerbiedigen, Dat betekent dat
het verstrekken van gevoelige documenten afkomstig van een instelling
van de Unie zonder diens toestemming in strijd met de verordening zou
zijn. In die gevallen zal artikel 10, tweede lid, onder d Wob
verdragsconform moeten worden uitgelegd. Praktisch betekent dit dat
een afweging van het door dit artikel beschermde belang en het
publieke belang van de informatieverstrekking in dat geval niet meer
zal mogen plaatsvinden
Afsluiting
Met de Openbaarheidverordening is een belangrijke stap vooruit
gezet naar meer openbaarheid en transparantie binnen de Unie.
Natuurlijk was een openhartiger regeling denkbaar geweest. De praktijk
zal moeten leren of er daadwerkelijk sprake is van wezenlijke
verschillen tussen de Eurowob en onze Wob. Vooral door de Europese
rechter zal duidelijkheid over de reikwijdte en betekenis van de
Openbaarheidverordening worden gegeven. Met deze constatering is
evenwel tegelijk een probleem gegeven. De uitspraken van het Hof van
Justitie en het Gerecht zijn in aantal beperkt. De lange duur van de
procedure ontmoedigt verzoekers van informatie kennelijk van het
voorleggen van afwijzende beslissingen aan de bevoegde rechter.
Bovendien zijn de uitspraken die tot op heden door met name het
Gerecht gedaan meestal weinig inhoudelijk. Zij beperken zich veelal
tot formele kwesties, zoals de wijze van behandeling en de motivering
van de afwijzende beslissing. Een inhoudelijk oordeel over de
gegrondheid van een weigering toegang tot documenten te verlenen wordt
zelden gegeven. Mogelijk is dat ook een gevolg van het feit dat de
Europese rechters in dit soort voor zover kan worden nagaan nooit
vertrouwelijk van de documenten waar het om gaat kennis nemen. In
Nederland is dat volstrekt gebruikelijk: de rechter die een besluit op
grond van de Wob ter beoordeling krijgt voorgelegd zal als regel34
op voet van artikel 8:29 Awb vertrouwelijk van het gevraagde document
kennis nemen. Hierdoor is hij in staat om zich ook een materieel
oordeel te vormen over de aan een besluit ten grondslag liggende
overwegingen. Dat is bijvoorbeeld ook de praktijk in de Verenigde
Staten.35
In andere landen wordt soms wel eens vreemd aangekeken tegen een
dergelijke in camera-inspection. Men beschouwt dit als een inbreuk op
het beginsel dat een rechter niet op grond van voor partijen niet
kenbare stukken recht mag spreken. Een dergelijke ongelijkheid van
partijen is evenwel inherent aan de aard van het aan de rechter
voorgelegde geschil en daarom steeds door de Afdeling
bestuursrechtspraak aanvaard en in overeenstemming met artikel 6 EVRM
geoordeeld.36
De aan de rechter voorgelegde vraag is immers of de ene partij recht
heeft om kennis te nemen van een document dat onder een andere
(overheids)partij berust. De regels van procesrecht bij de Europese
rechter voorzien op zichzelf in het beperken van de kennisneming door
een partij van een aan de rechter overgelegd document37,
zolang de eis van een goede rechtsbedeling maar geen geweld wordt
aangedaan. In de zaken over de Gedragscode is hier echter geen gebruik
van gemaakt: men beslist zonder kennisneming van de inhoud van het
stuk.38
De mogelijkheid van in camera-inspection door de rechter zal de
rechten van aanvragers kunnen versterken en biedt alle betrokkenen,
waaronder zeker ook de instellingen van de Unie, een grotere kans op
een eenduidige uitleg van de bepalingen van de
Openbaarheidverordening.
Een andere vraag is op welke wijze het Hof en het Gerecht een
afwijzende beslissing van een instelling zullen gaan toetsen. Denkbaar
is dat dit integraal gebeurt: de rechter stelt in dat geval zijn eigen
oordeel volledig in plaats van dat van de instelling en laat de
instelling geen beoordelingsruimte. In Nederland heeft de Afdeling
bestuursrechtspraak een tweedeling in de toetsing van besluit naar
aanleiding van een Wob-verzoek ontwikkeld: de vraag of er bij een
document sprake is van een of meer uitzonderingsgronden wordt min of
meer integraal getoetst, terwijl de wijze van beoordeling van de
belangenafweging van het bestuursorgaan dezelfde toets als bij artikel
3:4 lid 2 Awb (de 'niet onredelijkheidstoets') wordt aangelegd.39
Ook de Amerikaanse rechter pleegt zich bij de toetsing enigszins
terughoudend op te stellen. Het ligt naar mijn mening niet voor de
hand dat het Hof en het Gerecht, in ieder geval in het begin van de
uitvoering van de Openbaarheidverordening, voorbij zullen gaan aan de
beoordelingsvrijheid van de instellingen. Dat is in ieder geval tot
dusverre de praktijk, waarbij centraal staat de vraag of een
instelling een 'kennelijke beoordelingsfout' heeft ge maakt40
Mr E.J. Daalder
Eric Daalder is advocaat te Den Haag.
NOTEN
1. Terug
Besluit 93/730/EG, PbEG 1993, L 340/ 41.
2. Terug
Besluit 94/90/EGKS, EG, Euratom, PbEG 1994, L 46/58.
3. Terug
Besluit 93/731/EG, PbEG 1993, L 340/43, gewijzigd bij Besluit
96/705/EG, EGKS, PbEG 1996, L 325/19.
4. Terug
HvJ EG 30 april 1996, zaak C-58/94 (Nederland/Raad), AB 1997, 116 m.n.
FHvdB, die zich kritisch toont ten opzichte van de door Nederlandse
Regering gekozen benadering.
5. Terug
Vaste jurisprudentie sinds GvEA 19 oktober 1995, zaak T-194/94 (Carvel
c.s.), AB 1997, 118 m.n. A.A.L. Beers.
6. Terug
PbEG 31 mei 2001, L 145/43.
7. Terug
PbEG C 177E van 27 juni 2000, p. 70. Zie over eerdere voorstellen van
de Commissie de kritiek van Mireille van Eechoud, Nader tot U -
Brussel verordent openbaarheid van EU-documenten, Mediaforum 2003-3,
p. 73 - 79 en D.M. Curtin, Citizens' fundamental right of access to EU
information: An evolving digital passepartout, 37 CML Rev. 2000, p.
7-41 met daar aangehaalde literatuur.
8. Terug
Besluit van de Raad van 14 augustus 2000 tot wijziging van Besluit
93/731/EG, PbEG L 212/9 van 23 augustus 2000.
9. Terug
Zie voor een overzicht de website van Statewatch (www.statewatch.org),
een kritische organisatie die de discussie op de voet volgt en veel
relevante documenten op haar site plaatst.
10. Terug
Brief Minister van BZK aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 24
april 2001 (Kamerstukken II 2000/01, nr. 381, p. 7). Deze brief bevat
een summiere beschrijving van de Openbaarheidverordening en een
vergelijking met de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
11. Terug
Zie Koekkoek (red.), de Grondwet, aantekening 1 op art. 110 Gw. en
daar geciteerde vindplaatsen uit de wetsgeschiedenis.
12. Terug
Bescherming van grondrechten in het digitale tijdperk, KUB, Tilburg
2000, p. 86 en het Kabinetsstandpunt over dit rapport, Kamerstukken II
2000/01, 27 460, nr. 1, p. 30-39. Daarover onder meer J.M. de Meij,
Grondrechten in het Digitale tijdperk, NJCMBulletin 2001, p. 292-293,
die zich van oudsher een criticaster van een beperkte benadering van
dit leerstuk betoont.
13. Terug
Zie bijv. GvEA 6 april 2000, T-188/98, Jur. 2000, p. II-1959, par. 54,
waar het recht op informatie in een adem met het
evenredigheidsbeginsel wordt genoemd.
14. Terug
Zie over deze problematiek meer fundamenteel Curtin, t.a.p. , p. 11
e.v.
15. Terug
Zo ook de Gedragscode: zie GvEA 12 juli 2001, T-204/99 (Mattila), rov.
106.
16. Terug
Zo ook de Wob: vgl. ABRvS 25 april 2000, JB 2000/142 en ABRvS 20 maart
1995, JB 1995/143.
17. Terug
Zie bijvoorbeeld J.P.R. Bergfeld e.a., Wob & ICT, Amsterdam 2000,
besproken door dezelfden in NJB 2001, p. 571 e.v.
18. Terug
Geen onderzoek hoeft te worden gedaan naar informatie die is vervat is
een in beginsel onbegrensde hoeveelheid documenten: vgl. Ar 20 mei
1994, AB 1995, 52.
19. Terug
GvEA 3 maart 1998, T-610/97 (Carlsen).
20. Terug
Vgl. GvEA 5 maart 1997, zaak T-105/95 (WWF UK), CLMR 1998, p. 189 e.v.
21. Terug
Zie daarover bijvoorbeeld HvJEG 11 januari 2000, NJ 2000, 301 (Van der
Wal).
22. Terug
Zie PG Mededingingswet, p. 717 e.v.
23. Terug
Vgl. bijvoorbeeld Ar 21 juli 1986, AB 1987, 517.
24. Terug
Zie ABRvS 15 juli 1999, JB 1999/225.
25. Terug
Vgl. HvJ EG 17 december 1998, C-185/95, Jur. 1998, p. I-8417
(Baustahlgewebe GmbH).
26. Terug
Zie 975 F.2d 871 (D.C. Cir. 1992) en daarover voorts Justice
Department Guide to the Freedom of Information Act, ook te vinden op
www.usdoj.gov/foia, onder Exemption 4.
27. Terug
Zie K. Lennaerts en D. Arts, Europees procesrecht, 1999, nrs. 365 e.v.
en daar aangehaalde rechtspraak en ABRvS 3 december 1998, AB 1999,
107.
28. Terug
Zie bijvoorbeeld L.F. Besselink, De zaak-Metten: de Grondwet voorbij,
NJB 1996, p. 165 - 172.
29. Terug
ABRvS 7 juli 1995, AB 1997, 117 m.n. A.A.L. Beers.
30. Terug
MvT, Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 34.
31. Terug
ABRvS 9 maart 1992, S01.92 0054. Het ging in die zaak om een brief van
minister-president Lubbers aan de Voorzitter van de Commissie.
Uiteindelijk was de Afdeling van oordeel dat openbaarmaking van deze
brief geen schade toebracht aan de betrekkingen tussen Nederland en de
Unie.
32. Terug
Vgl. ABRvS 7 juli 2000, JB 2000/244.
33. Terug
Vgl HvJEG 21 febr. 1991, AB 1991, 328 m.nt. FHvdB (Zuckerfabrik) en
HvJEG 17 juli 1997, C-334/95 , Jur. 1997, p. I-4517 (Kruger).
34. Terug
Zie voor de enige uitzondering ABRvS 25 nov. 1999, JB 2000/24 m.nt.
AWH (correspondentie binnen de Kroon).
35. Terug
De mogeljkheid is expliciet in de wet opgenomen: zie 5 U.S.C. $
552(a)(4)(B). Daarover Justice Department Guide to the Freedom of
Information Act, onderdeel In Camera Inspection.
36. Terug
Meest recent ABRvS 13 juni 2001, AB-kort 2001, nrs 378 en 379.
37. Terug
Zie art. 5 lid 4 van de Instructies aan de Griffier en art. 67, lid 3,
derde volzin jo. art. 64 lid 3 onder d Reglement voor de procesvoering
van het Gerecht. Vgl daarover R.Barents, Procedures en procesvoering
voor het HvJ en het GvEA, p. 315 e.v..
38. Terug
Zie bijvoorbeeld GvEA 12 juli 2001, T-204/99 (Matilla), rov. 110.
39. Terug
ABRvS 18 febr. 1999, JB 1999/68 en ABRvS 6 jan. 2000, JB 2000/48. De
Afdeling zegt daarbij wel dat bij Wob-verzoeken openbaarmaking de
regel is en dat daarmee bij de toetsing rekening moet worden gehouden.
40. Terug
Zie vorige noot, rov. 59.