| De verhouding
tussen werknemer en werkgever bij Internetgebruik is een hot
issue. Mag de 'baas' zomaar meelezen? Weten "ze" precies waar
ik heen gesurft ben? Er bestaat nogal wat onduidelijkheid over
de toelaatbaarheid van controle van email- en internetverkeer
door de werkgever.In dit artikel wordt onderzocht of en onder
welke voorwaarden de werkgever de bevoegdheid heeft kennis te
nemen van de inhoud van de door zijn werknemers verzonden
email. In het artikel worden concrete aanbevelingen gedaan te
komen tot een privacypiramide.
Inleiding
De verhouding tussen
werknemer en werkgever bij Internetgebruik is een hot issue.
Mag de 'baas' zomaar meelezen? Weten “ze” precies waar ik heen
gesurft ben? Er bestaat nogal wat onduidelijkheid over de
toelaatbaarheid van controle van email– en internetverkeer
door de werkgever.
In dit artikel onderzoeken
wij of en onder welke voorwaarden de werkgever de bevoegdheid
heeft kennis te nemen van de inhoud van de door zijn
werknemers verzonden email. Is een procedure denkbaar waarbij
privacybelangen van de werknemer gerespecteerd worden?
De eerste vraag is wat de
juridische betekenis van het grondrecht op bescherming van de
persoonlijke levenssfeer op de werkplek is. Hoewel
grondrechten in de eerste plaats als bescherming tegen de
overheid bedoeld zijn, wordt algemeen aangenomen dat de
werknemer ook niet rechteloos is tegenover de werkgever. Door
sommigen is wel gepleit voor directe werking van grondrechten
in de arbeidsverhouding in verband met de gezagsverhouding
tussen werkgever en werknemer. In ieder geval gelden de
grondrechten via de open normen van het civiele recht.
De tweede vraag is of
emailverkeer op dezelfde manier gecontroleerd mag worden als
bijvoorbeeld telefoonverkeer. Hieronder volgt eerst een
beschrijving van de bescherming van het emailgeheim als
onderdeel van het privacyrecht. Vervolgens gaan wij in op de
status van privacy op de werkplek. Tenslotte komen wij tot
enige aanbevelingen.
Emailprivacy: een
grondrecht
Het recht op privacy is
neergelegd in de Grondwet, in verdragen en in lagere
wettelijke regelingen.
Artikel 8 van het Europese
verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht
heeft op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en
gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In Klass
bepaalde het EHRM dat ook telefoonverkeer onder de bescherming
van artikel 8 valt. Het Hof kiest daarbij niet voor een
extensieve interpretatie van het begrip correspondentie maar
voor een combinatie van privé-leven en correspondentie.
[1] In Malone gaf
het Hof aan dat ook metering records en in het
bijzonder het gekozen telefoonnummer integraal deel uitmaken
van de beschermde communicatie.
[2]
Over nieuwere
communicatiemiddelen zijn nog geen uitspraken. Over het
algemeen wordt echter aangenomen dat het EHRM te zijner tijd
door een verdragsdynamische interpretatie ook email onder
artikel 8 zal brengen. [3]
In Niemitz
[4] bepaalde het EHRM
dat werknemers een gerechtvaardigd belang hebben om ook
gedurende het uitvoeren van bedrijfsmatige activiteiten
relaties met andere mensen aan te kunnen gaan. Een zekere mate
van vrijheid om met anderen al dan niet persoonlijk te kunnen
communiceren zonder inmenging door de werkgever is in dat
kader onontbeerlijk. Artikel 8 EVRM beschermt het individu
niet alleen tegen inbreuken door de overheid, maar tegen
inbreuken door particulieren, zoals werkgevers. In Halford
maakt het Hof duidelijk dat ook telefoongesprekken, gevoerd
met een zakelijk toestel, of onder een zakelijk nummer, onder
de bescherming van artikel 8 vallen.
[5] Mevrouw Halford was
Assistant Chief Constable bij een Engels politiekorps. In
verband met een rechtszaak tegen haar werkgever wegens
ongelijke behandeling had zij de beschikking over een tweede
telefoon die was uitgezonderd van de standaardcontrole van de
telefoons van het politiebureau. Uit het bewijs dat in de
rechtszaak was overlegd, kon worden afgeleid dat de werkgever
waarschijnlijk de gesprekken die via de speciale telefoon
waren gevoerd, had afgeluisterd. Het Hof overwoog dat 'the
right to private life and correspondence' zich ook uitstrekt
tot de werkplek. Omdat er geen waarschuwing was gegeven dat de
telefoongesprekken werden opgenomen, had zij een 'reasonable
expectation of privacy', hetgeen werd versterkt door
bijkomende factoren waaronder het feit dat de telefoon
specifiek ter beschikking was gesteld voor privé-gebruik. Het
enkele bekend zijn van de mogelijkheid tot meeluisteren of
opnemen rechtvaardigt op zichzelf het gebruik daarvan evenwel
niet. Kenbaarheid van de (mogelijkheid tot) controle is niet
meer dan een basisvoorwaarde voor de rechtmatigheid ervan.
In de zaak Edamse
Bijstandsmoeder [6]
heeft de Hoge Raad in 1987 expliciet erkend dat het recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer indirecte
horizontale werking heeft. Hierin heeft de Hoge Raad ten
aanzien van art. 8 EVRM aangenomen dat het ook werking heeft
tussen burgers onderling. Aangenomen mag derhalve worden dat
dit ook voor het in art. 8 EVRM opgesloten emailgeheim zal
gelden.
In Nederland beschermt
artikel 13 Grondwet het brief- telefoon- en telegraafgeheim.
De meningen verschillen over de vraag of een extensieve
interpretatie van artikel 13 Grondwet ook email onder het
bestaande artikel kan brengen. Als dat al zou kunnen, is nog
onduidelijk of email dan onder het eerste lid (briefgeheim) of
het tweede lid (telefoon -en telegraafgeheim) zou moeten
vallen. Dat maakt wel wat uit, aangezien het
beschermingsregime in het eerste lid sterker is dan dat in het
tweede.
De vraag of email onder het
briefgeheim valt, kwam al in 1997 aan de orde in een
kamervraag aan toenmalig minister van Justitie Sorgdrager.
[7] Zij antwoordde
ontkennend en gaf zo het startsein van een constitutionele
discussie die sindsdien voortduurt.
Qua techniek lijkt email het
meest op de telegraaf. Email wordt namelijk pakketgeschakeld
via het store and forward -principe naar de plaats van
bestemming gestuurd. Het bericht wordt opgedeeld in
verscheidene pakketjes die vervolgens naar de plaats van
bestemming worden gerouteerd.
[8] Elk van deze pakketjes kan daarbij een andere route
volgen. De bij telegrafie gebruikte transporttechniek heet
message switching. Daarbij wordt een bericht eerst omgezet
in elektronische pulsen die vervolgens naar een tussenstation
worden verzonden. Daar wordt het bericht ontvangen, opgeslagen
en vervolgens naar het volgende station verzonden. Dit wordt
herhaald totdat het bericht op de plaats van bestemming is
aangekomen. Gezien de overeenkomsten in de transporttechniek
zou email wellicht met een extensieve interpretatie onder het
telefoon –en telegraafgeheim gebracht kunnen worden. Echter,
de techniekafhankelijkheid van artikel 13 en de verschillende
gradaties van bescherming, daarbij de uitspraak van de
minister in aanmerking genomen, zorgen ervoor dat voor de
bescherming van email niet veel van het huidige
grondwetsartikel te verwachten valt.
Het kabinet kwam later in
1997 met een voorstel tot wijziging van artikel 13 Grondwet
waarin email wel beschermd zou zijn. Als voorwaarde voor
bescherming gold dan wel dat de emailberichten versleuteld
moesten zijn. Dit voorstel werd dusdanig kritisch ontvangen
dat het moest worden ingetrokken. Voordat dat gebeurde was het
voorstel door de Tweede Kamer al grondig geamendeerd. Een
staatscommissie werd vervolgens verzocht advies uit te brengen
over de gehele problematiek van 'grondrechten in het digitale
tijdperk'. Deze commissie Franken bracht in 2000 advies uit
dat (althans op het punt van artikel 13) grotendeels werd
gevolgd door het kabinet.
In de voorstellen van het
kabinet wordt het briefgeheim vervangen door een recht op
vertrouwelijke communicatie. Uit de toelichting blijkt dat
email daar in beginsel ook onder valt.
[9] Daarnaast bevat het
voorstel een opdracht aan de wetgever om er voor te zorgen dat
het recht op vertrouwelijke communicatie ook in horizontale
verhoudingen wordt gegarandeerd. “Met de commissie is het
kabinet van oordeel dat er behoefte bestaat aan een sterkere
doorwerking van het communicatiegrondrecht in de verhoudingen
tussen burgers onderling.”
[10] Het kabinet geeft echter niet aan hoe die zorg moet
worden ingevuld.
Desgevraagd antwoordde het
kabinet aan de Tweede Kamer dat 'uit de arbeidsverhouding
voortvloeit dat een werknemer bepaalde aanspraken op
bijvoorbeeld respect voor zijn persoonlijke levenssfeer en
zijn recht op vertrouwelijke communicatie, opgeeft in een
arbeidsrelatie. Een werknemer levert deze aanspraken echter
niet volledig in. Ook tijdens werktijd moet een werknemer
relaties met anderen kunnen onderhouden, onder meer door
communicatie zonder inmenging door de werkgever.'
[11] Dit werkt het
kabinet niet verder uit.
Belangrijk is echter wel dat
het kabinet hier expliciet erkent dat een werknemer ook op de
werkplek een recht heeft privé te communiceren, zij het dat
dit recht beperkt kan worden. Dit is zoals we gezien hebben in
overeenstemming met de jurisprudentie van het EVRM.
Wel merkt het kabinet nog op
dat 'controlemaatregelen door de werkgever met betrekking tot
emailgebruik van werknemers […]overigens alleen
wederrechtelijk in de zin van deze bepalingen [zijn] wanneer
sprake is van kennelijk misbruik van de controlemiddelen door
de werkgever.'
Uit de jurisprudentie ten
aanzien van art. 8 EVRM en de discussie omtrent een nieuw
artikel 13 Grondwet kunnen twee voor dit artikel belangrijke
uitgangspunten gedestilleerd worden.
Het eerste uitgangspunt is
dat een werknemer een recht heeft in beperkte mate gebruik te
maken van de communicatiefaciliteiten op de werkplek. Een
tweede uitgangspunt is dat email in de nabije toekomst
aanspraak kan maken op grondwettelijke en verdragsrechtelijke
bescherming.
Een vraag die vervolgens
beantwoord moet worden is hoe het emailgeheim in verhoudingen
tussen burgers onderling zijn werking doet gelden. We zullen
dus moeten nagaan of email door wettelijke regelingen
beschermd wordt of dat de genoemde fundamentele rechten
doorwerken in de verhouding tussen werknemer en werkgever. Pas
bij een bevestigend antwoord op één van beide vragen zal
onderzocht kunnen worden in hoeverre het emailgeheim een
belemmering vormt voor controle door de werkgever.
Dat grondrechten in
verhoudingen tussen burgers onderling kunnen doorwerken, is
door de Grondwetgever expliciet erkend. De regering
introduceerde bij de Grondwetswijziging van 1983 een glijdende
schaal met verschillende gradaties van horizontale werking,
variërend van directe horizontale werking tot een opdracht aan
de wetgever of overheid om een nader geformuleerd belang ook
in particuliere verhoudingen te verwezenlijken.
[12] In hoeverre
individuele grondrechten in verhoudingen tussen burgers
onderling doorwerken, gaf zij echter niet aan.
De glijdende schaal komt
voort uit de definitie die de regering met betrekking tot
horizontale werking hanteert. Van horizontale werking is
sprake in alle gevallen waarin grondrechten rechtens relevant
zijn. Verhey komt tot de conclusie dat de glijdende schaal in
de praktijk niet zo functioneert. In plaats daarvan kan men
een driedeling in de jurisprudentie constateren: uitspraken
waarin directe werking wordt aangenomen, die waarin sprake is
van indirecte werking en tenslotte uitspraken waarin van
doorwerking van grondrechten op het eerste gezicht niets
blijkt, maar waarin het grondrechtelijk gezichtspunt impliciet
wel een rol speelt in de privaatrechtelijke rechtsvinding.
[13] Directe werking
betekent dat grondrechten op dezelfde manier in horizontale
verhoudingen doorwerken als in verticale verhoudingen. Over
het algemeen wordt deze vorm afgewezen, onder meer omdat
beperkingen op het grondrecht herleidbaar tot de
grondwettelijke bijzondere beperkingsclausules moeten zijn, nu
bij de grondwetsherziening de leer van de algemene beperkingen
is afgewezen. [14] Sinds
1983 blijkt dat wetgever en rechter ongeschreven beperkingen
aanvaarden of hun toevlucht zoeken in een restrictieve
interpretatie. In plaats van strikte toepassing van het
grondwettelijke systeem wordt steeds meer een belangenafweging
in concreto toegepast.
[15] Daarmee ontwikkelt de grondrechtelijke
beperkingsmethodiek zich in de richting van een
noodzakelijkheidstoetsing à la het EVRM.
[16] Zet deze
ontwikkeling door, dan ontvalt bovengenoemd argument tegen
directe horizontale werking alle grond.
Ook voor het emailgeheim zal
dus in beginsel horizontale werking kunnen worden aangenomen.
Wanneer wettelijke regelingen voldoende bescherming aan het
emailgeheim bieden, zal doorwerking van het emailgeheim echter
minder noodzakelijk zijn. Zijn er in het arbeidsrecht echter
specifieke wettelijke regelingen te vinden waarop de werknemer
zich kan beroepen ter bescherming van zijn privacy-aanspraken
tijdens werktijd? Dat is de vraag die we in de volgende
paragrafen willen beantwoorden. Het eerst komen voor
bespreking in aanmerking de wettelijke regeling van de
arbeidsovereenkomst en de Wet op de ondernemingsraden. In
hoeverre bieden deze de werknemer bescherming?
Arbeidsrechtelijke
regelingen
In boek 7 titel 10 BW wordt
de arbeidsovereenkomst geregeld. Een bepaling die de privacy
van de werknemer op de werkvloer beschermt, komt daarin niet
voor. Wel is een algemene instructiebevoegdheid van de
werkgever opgenomen. De werkgever is gerechtigd tot het geven
van voorschriften voor het verrichten van de arbeid en het
nemen van maatregelen ter bevordering van de goede orde in de
onderneming, aldus art. 7: 660 BW. Op basis hiervan mag hij in
beginsel ook het gebruik van email en Internet reguleren en
controleren. Deze bevoegdheid kan echter niet ongelimiteerd
zijn. Dat verdraagt zich niet met de hierboven door ons
geschetste uitgangspunten. Het recht op privacy en het
communicatiegeheim zullen aan deze werknemersbevoegdheid
grenzen stellen.
De ondernemer heeft op grond
van art. 27 lid 1 sub k en l WOR toestemming van de
ondernemingsraad nodig voor een voorgenomen besluit tot
vaststelling, wijziging of intrekking van regelingen ten
aanzien van registratie van en omgang met persoonsgegevens en
regelingen ten aanzien van personeelsvolgsystemen. Onder
personeelsvolgsystemen verstaat de wet voorzieningen die
gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of
controle op aanwezigheid, gedrag, prestaties van de in de
onderneming werkzame personen; een en ander voorzover
betrekking hebbende op alle of een groep van de in onderneming
werkzame personen. Ook een intranet is geschikt voor
registratie en observatie van het personeel en als zodanig een
personeelsvolgsysteem. Als een dergelijk systeem eenmaal met
toestemming van de ondernemingsraad is ingevoerd, houdt de
inspraak van de OR op. Dit artikel ziet niet op het gebruik
van de met behulp van het systeem verkregen gegevens. Veel
waarborgen voor de privacy of het communicatiegeheim biedt het
artikel dus niet. Overigens bindt de instemming van de
ondernemingsraad de individuele werknemers niet.
Voorts kan nog gewezen worden
op art. 25 lid 1 k WOR dat de ondernemer verplicht de
ondernemingsraad tijdig om advies te vragen in aangelegenheden
die belangrijke technologische vernieuwingen impliceren.
Een arbeidsrechtelijke
regeling die op een adequate manier de privacy-aanspraken van
de werknemer beschermt, is er op dit moment dus niet. Wellicht
bieden algemene wettelijke regelingen de werknemer soelaas.
Algemene wettelijke
regelingen
De bescherming van de privacy
en het communicatiegeheim bij computergebruik is uitgewerkt in
het Wetboek van Strafrecht.
[17] Als deze artikelen al van toepassing zijn op de
maatregelen die een werkgever neemt ter controle van email -en
internetgebruik van werknemers, geldt dat de controle door de
werkgever niet wederrechtelijk is, aangezien hij de
gerechtigde tot de aansluiting is. Dit is alleen anders
wanneer sprake is van kennelijk misbruik van de
controlemiddelen door de werkgever.
De informationele privacy
wordt beschermd in de Wet Bescherming Persoonsgegevens, die op
1 september 2001 in werking is getreden. Gegevens met
betrekking tot email -en internetgebruik van de werknemers
zijn in veel gevallen te kwalificeren als persoonsgegevens.
Immers, ze zijn meestal tot de persoon herleidbaar. Artikel 7
WBP bepaalt dat het verzamelen van dergelijke gegevens
uitsluitend is toegestaan ten behoeve van een welbepaald
uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel. Emailgebruik
leidt tot een verzameling persoonsgegevens, aangezien deze
gegevens gedurende enige tijd zullen worden bewaard. In de
praktijk komt art. 7 Wbp erop neer, dat de werkgever vooraf
doel en omvang van een controle zal moeten vaststellen.
Bovendien moet de controle proportioneel zijn.
[18]
In de artikelen 33 en 34 WBP
is een informatieplicht opgenomen die vereist dat de werkgever
zijn werknemers, zowel individueel als collectief, van de
controle op de hoogte stelt. Een dergelijke kennisgeving zou
bijvoorbeeld op het moment van inloggen op het bedrijfsnetwerk
kunnen plaatsvinden. [19]
Daarnaast heeft de werknemer het recht de over hem verzamelde
gegevens in te zien en te corrigeren. De werkgever is
bovendien verplicht de verwerking van persoonsgegevens te
melden bij het College Bescherming Persoonsgegevens, indien
hij van plan is de inhoud van email te gaan controleren.
[20]
De Wbp is een kaderwet: de
wettelijke bepalingen zijn algemeen omschreven. Omdat zij niet
steeds concrete gedragsvoorschriften bevatten, maar een
belangenafweging op grond van bepaalde criteria voorschrijven,
zal de werkgever, als verantwoordelijke voor de
gegevensverwerking, deze in het concrete geval moeten maken.
Tot een adequate belangenafweging zal hij echter niet in staat
zijn, wanneer het hem aan het benodigde inzicht in de materie
ontbreekt.
Tenslotte is de
Telecommunicatiewet van belang als lagere regeling waarin het
emailgeheim beschermd wordt. In artikel 18.13 Tw wordt
aanbieders verplicht ook in horizontale verhoudingen het
emailgeheim te respecteren. Dit artikel geldt echter alleen
voor aanbieders van openbare telecommunicatiediensten en
–netwerken.
Algemene wettelijke
regelingen bieden zoals is gebleken de werknemer in de
praktijk slechts een beperkte bescherming. De Wbp kan daarin
verandering brengen, de werkgever moet immers in het kader van
de Wbp nagaan of zijn belang bij controle een beperking van
het emailgeheim rechtvaardigt. In dat verband is het
belangrijk na te gaan of het emailgeheim doorwerkt in de
arbeidsovereenkomst.
Horizontale werking van
het emailgeheim
In de arbeidsrechtelijke
literatuur wordt gepleit voor betere waarborgen ten aanzien
van de grondwettelijke vrijheden van de werknemer.
[21] De reden is dat de
verhouding van de werknemer tot de werkgever verticaal getint
is. [22] De werknemer is
in sterke mate afhankelijk van de werkgever, zowel in
financieel-economisch als in sociaal opzicht. Daarnaast heeft
de werkgever een instructiebevoegdheid ten opzichte van de
werknemer. Een gezagsverhouding is immers bepalend voor het
bestaan van een arbeidsovereenkomst.
[23] Verhulp pleit mede
daarom voor directe werking van grondrechten in het
arbeidsrecht. [24]
De werknemer kan in de
uitoefening van zijn grondwettelijke vrijheden op
verschillende wijzen beperkt worden. Allereerst kan de
werkgever de uitoefening eenzijdig beperken door bijvoorbeeld
gegevens uit de persoonlijke levenssfeer van de werknemer te
registreren. Ook kan uitoefening van een grondrecht beperkt
worden doordat een werknemer daarmee instemt. Ten aanzien van
het laatste moet echter de nodige terughoudendheid betracht
worden. De werknemer zal in veel gevallen immers niet in staat
zijn vooraf geheel te overzien hoever een grondrechtsbeperking
kan gaan.
Wij gaan ervan uit dat het
recht op privacy en het communicatiegeheim in elk geval
indirect tussen burgers onderling werken, doordat zij zich in
de open normen van het privaatrecht als af te wegen belangen
manifesteren. Op grond van art. 3:12 BW moet de rechter bij
uitleg van de open normen van het BW teruggrijpen op algemeen
erkende rechtsbeginselen.
[25] Grondrechten vormen een directe uitdrukking van
dergelijke rechtsbeginselen en dienen als zodanig zwaar te
wegen in een rechterlijke belangenafweging. Bij de
rechterlijke oordeelsvorming kunnen de aard van het
grondrecht, de aard van de rechtsbetrekking en de
evenredigheidstoets een rol spelen. De aard van het grondrecht
is van belang voor de doorwerking. Het ene grondrecht leent
zich nu eenmaal beter voor doorwerking in een
civielrechtelijke verhouding dan het andere.
[26] Ten aanzien van het
brief-, telefoon- en telegraafgeheim en dus ook het
emailgeheim als daarvan afgeleide vorm kan worden aangenomen
dat het ook in de relatie werkgever-werknemer kan worden
toegepast. Van oudsher ziet het geheim op privé-communicatie
die ter transport aan een derde wordt toevertrouwd.
Vroeger was dat het Staatsbedrijf der PTT, tegenwoordig zijn
dat particuliere partijen. De ratio van het grondrecht blijft
echter onverminderd geldig.
De aard van de
rechtsbetrekking is mede van belang om te bepalen of de
beperking van het grondrecht geoorloofd is. De werknemer dient
rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de
werkgever en vice versa. In de evenredigheidstoets komt de
belangenafweging tot uitdrukking. Beperkingen moeten geschikt
zijn om een bepaald doel te bereiken, proportioneel zijn en
mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is. Dit geldt
ook voor beperkingen op het emailgeheim.
Goed werkgeverschap
In boek 7 titel 10 BW is een
aantal open normen te vinden. Het ontslagrecht kent
bijvoorbeeld beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens een
dringende reden. Een andere open norm is het goed
werkgeverschap van art. 7: 611 BW. De werkgever en de
werknemer zijn over en weer verplicht zich als een goed
werkgever en een goed werknemer te gedragen.
Art. 7: 611 BW beslaat de
meest uiteenlopende verplichtingen van de werkgever, van
minimale tot uiterst zwaarwichtige, zoals het eerbiedigen van
de grondrechten van zijn werknemers.
[27] Indirecte werking
werd door de rechter in een aantal gevallen gehonoreerd.
Een voorbeeld biedt de zaak
Agfa/Schoonderman.
[28] In deze zaak ging het om een oproepkracht die op
uurloonbasis betaald werd en al jarenlang bijna de volledige
werktijd voor Agfa gewerkt had. Zij vond dat ze er recht op
had op dezelfde manier behandeld te worden als het personeel
in vaste dienst. Agfa voerde in cassatie aan dat het
gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in art. 1 Gw niet
horizontaal werkte. De Hoge Raad oordeelde dat dit middel niet
tot cassatie kon leiden, omdat de Rechtbank slechts het
algemene rechtsbeginsel dat gelijke arbeid in gelijke
omstandigheden op gelijke wijze moet worden beloond, in
aanmerking heeft genomen. Hiertoe was de Rechtbank op grond
van art. 3: 12 BW zelfs verplicht, aldus de Hoge Raad.
Ten aanzien van het recht op
privacy kan gewezen worden op de Koma -zaak.
[29] Het bedrijf Koma had
camera's laten monteren die praktisch het hele bedrijf konden
gadeslaan. Deze observatie had tot doel om bij technische
problemen direct in te kunnen grijpen en ook om de kwaliteit
van eindproducten te bewaken. Later in de procedure werd als
reden voor de camerabewaking aangevoerd dat af en toe een
productieoverzicht beschikbaar zou komen. De rechter overwoog
dat een belang van de werkgever dat duidelijk opwoog tegen dat
van de werknemers bij bescherming van hun persoonlijke
levenssfeer niet aanwezig was. In hoger beroep kwam het Hof
Den Bosch tot hetzelfde resultaat.
[30] Het Hof toetste
echter niet aan het recht op privacy, maar enkel aan het goed
werkgeverschap.
Grondrechten kunnen dus via
het goed werkgeverschap doorwerken in het arbeidsrecht. Dat is
ook in de jurisprudentie erkend. Inmiddels zijn ook een aantal
zaken met betrekking tot email- en internetgebruik op de
werkplek gepubliceerd. We zullen deze hieronder bespreken om
na te gaan in hoeverre het emailgeheim in rechte wordt
gerespecteerd.
Jurisprudentie
Een interessante uitspraak is
KLM/Reinders. [31]
Werknemer Reinders had privé-email vanaf zijn werk verstuurd
waaronder ook pornografische email. Daarnaast had hij
06-lijnen gebeld en daarbij een 06-blokkade omzeild. KLM
verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Reinders stelt
dat de bewijsgaring onrechtmatig was, omdat zijn bureau was
doorzocht, terwijl hij er niet was, zijn computer gekraakt en
een als privé gelabelde diskette gelezen. De Kantonrechter
overweegt dat een zekere privétesering in de huidige tijd op
de werkplek plaatsvindt. Een werkgever heeft daarom binnen
zekere grenzen te aanvaarden dat onder werktijd
privé-contacten worden onderhouden, waarvan hij de privacy
dient te waarborgen. Dat ligt anders bij afbeeldingen van
gewelddadige en pornografische aard, die de werknemer met zijn
email meestuurt. De werknemer had moeten begrijpen dat een
bedrijfsnetwerk daarvoor niet is bedoeld. Op dit soort gebruik
mag de werkgever zijn netwerk onderzoeken. Dit geldt ook voor
onderzoek naar het onrechtmatig gebruik van telefoon en fax
door een uitdraai van de eigen gegevens te maken.
In deze zaak wordt expliciet
erkend dat de werkgever tot op zekere hoogte het recht op
privacy van de werknemer dient te respecteren. Ietwat vreemd
is wel dat de kantonrechter stelt dat de privacy niet geldt
voor afbeeldingen met pornografische of gewelddadige inhoud.
Dat bij pornografische email controle wellicht toelaatbaar is,
wil niet zeggen dat deze controle geen beperking van het recht
op privacy is. Over het communicatiegeheim zegt de rechter
niets.
In een Amsterdamse zaak werd
ontbinding geweigerd na het verzenden en ontvangen van
pornografische emails. Het ging om een klein aantal emails die
de werknemer uitwisselde met zijn collega annex minnares. De
werkgever kon niet elk privé-gebruik van email verbieden.
[32]
Ook de Rechtbank Rotterdam
sprak zich uit over emailmisbruik.
[33] Naar aanleiding van
klachten over seksuele intimidatie binnen het politiekorps was
een intern onderzoek ingesteld. Daaruit kwam naar voren dat
van email in dat kader misbruik was gemaakt. Dit lekte uit en
in televisieprogramma Barend & Witteman werden emails
van betrokkene in de openbaarheid gebracht. Naar aanleiding
hiervan rees het vermoeden dat betrokkene zich ook in de niet
reeds openbare email schuldig had gemaakt aan buitensporig
seksistisch, deels pornografisch getint emailgebruik. Na
weigering van betrokkene inzage in haar email te geven, gaf de
korpschef toestemming de email te openen. De rechtbank was van
oordeel dat onder de gegeven omstandigheden de korpschef
gerechtigd was tot deze inbreuk.
Hoewel grondrechten in het
ambtenarenrecht anders, namelijk verticaal, werken dan in het
arbeidsovereenkomstenrecht, biedt deze zaak interessante
aanknopingspunten. In tegenstelling tot in KLM/Reinders
wordt hier wel een rechtstreeks beroep gedaan op art. 10, 13
Gw en art. 8 EVRM. De Rechtbank overweegt dat er sprake is van
een discussie omtrent de status van email onder art. 13 Gw,
maar is van mening dat wat daarvan ook zij, in dit geval de
Grondwet de beperking toelaat, aangezien art. 13 lid 1 Gw
beperkingen in de gevallen bij wet bepaald toelaat.
[34] De rechtbank is
blijkbaar van mening dat bepalingen in de Ambtenarenwet in
casu een afdoende wettelijke basis bieden. Zij geeft echter
niet aan welke bepalingen dat zouden moeten zijn, noch
onderkent zij dat in art. 13 lid 1 en 2 ook nog andere eisen
aan beperkingen op het geheim gesteld worden. Wel toetst de
rechtbank de beperking uitvoerig aan subsidiariteit en
proportionaliteit. Daarin speelt onder meer een rol dat de
reeds openbaar gemaakte berichten seksistisch en pornografisch
getint waren, dat de integriteit van de politie in het geding
is, en dat niet volstaan had kunnen worden met een lichter
middel. Je kunt je daarbij wel afvragen of de werkgever nog
een belang had bij controle, nu reeds uit de openbare email
gebleken was dat de werknemer zich schuldig gemaakt had aan
ontoelaatbaar emailgebruik.
In de jurisprudentie lijkt
een trend waarneembaar dat wanneer het gaat om het constateren
van strafbare feiten gepleegd door werknemers, en als de
mogelijkheid van controle (vooraf) kenbaar is, controle niet
onredelijk wordt geacht. [35]
Permanente controle zal slechts bij hoge uitzondering
toegestaan zijn. Zo oordeelde het Hof Den Bosch in het eerder
besproken Koma -arrest dat het permanent controleren
van werknemers door middel van een gesloten TV-circuit in de
werkruimte uit het oogpunt van normale menselijke bejegening -
behoudens gevallen van duidelijke noodzaak - niet aanvaardbaar
is.
In beginsel is het
afluisteren van de telefoon niet toegestaan, tenzij het gaat
om het beoordelen van het functioneren van de desbetreffende
werknemer. [36] Het
afluisteren zal eerder mogen plaatsvinden als de taak van
werknemer bestaat uit het plegen van telefoontjes. Voor email
geldt in beginsel hetzelfde. De werknemer dient (vooraf) op de
hoogte te worden gesteld van een controle. Een permanente
registratie van gesprekken ter beoordeling van de
werkprestaties is in elk geval niet toegestaan.
[37]
Goed werken in netwerken
In de jurisprudentie over
emailprivacy op de werkplek wordt opvallend genoeg het recht
op privacy in veel gevallen niet expliciet als af te wegen
belang genoemd. Voor het communicatiegeheim geldt dit nog
sterker. Rechters zijn blijkbaar nog relatief onbekend met het
emailgeheim. De rechterlijke erkenning van het feit dat sprake
is van privétesering van de werkplek en de daaruit getrokken
consequentie dat de werkgever de plicht heeft een beperkte
mate van privé-gebruik van email te respecteren en zelfs te
waarborgen, moet als positief gezien worden. Duidelijk is
echter dat met betrekking tot de reikwijdte van het
emailgeheim op de werkplek nog onduidelijkheid bestaat. Onder
welke omstandigheden mag de werkgever nu de emails van zijn
werknemers controleren? Deze vraag heeft de Registratiekamer
in zijn
rapport 'Goed werken in
netwerken' geprobeerd te beantwoorden. In dit rapport is een
aantal vuistregels voor een zorgvuldig beleid met betrekking
tot Internet en emailgebruik opgenomen.
[38] Dat controle van
computergebruik een bedreiging voor de privacy van de
werknemer betekent, erkent de Registratiekamer uitdrukkelijk.
Een aantal legitieme werkgeversbelangen kan echter controle
vereisen. Deze controle moet volgens de Registratiekamer
voldoende kenbaar zijn voor de werknemer en aan eisen van
proportionaliteit en subsidiariteit voldoen. Wij zullen
hieronder weergeven tot welke conclusies en aanbevelingen de
Registratiekamer op grond van bovengenoemde uitgangspunten
komt.
In beginsel dient de
werkgever onder raadpleging van de OR heldere en eenduidige
gedragsregels op te stellen en te publiceren, zodat de
werknemer weet of en welk privé-gebruik toegestaan is. Bij een
controle op verboden gebruik verdienen softwarematige
maatregelen de voorkeur. Deze vereisen geen actieve of
continue controle en zijn derhalve minder belastend dan
permanente monitoring. Een softwarematige aanpak zal vooral
ten behoeve van systeem –en netwerkbeveiliging toegepast
kunnen worden. Echter, ook om het uitlekken van
bedrijfsgeheimen tegen te gaan en negatieve publiciteit te
voorkomen heeft automatische content-filtering de
voorkeur van de Registratiekamer. Emails die bepaalde woorden
bevatten die op een ongewenste inhoud duiden, kunnen opzij
gezet worden, zodat de werkgever er later kennis van kan
nemen. Content-filtering kan feitelijk echter vrij gemakkelijk
omzeild worden. Daarom heeft de werkgever naar de mening van
de Registratiekamer het recht na een gerezen verdenking
steekproefsgewijs de inhoud van email controleren.
Als aan de hand van de
verkregen gegevens algemene rapportages worden opgesteld,
dienen deze gegevens volgens de Registratiekamer zoveel
mogelijk geanonimiseerd te worden. Een uitzondering kan
gemaakt worden als tegen een werknemer een concrete verdenking
bestaat.
Als blijkt dat werknemers
zich niet aan de regels houden, moeten zij zo spoedig mogelijk
op hun gedrag te worden aangesproken. De Registratiekamer
overweegt dat de werkgever zich zoveel mogelijk dient te
onthouden van het inzien van privé-mail. Hij zal niet alle
privé-email mogen controleren. Alleen als er een gewichtige
reden is, zal hij kennis mogen nemen van een specifiek
bericht.
Voor beoordeling en
begeleiding van individuele werknemers kan volgens de
Registratiekamer controle van de inhoud van zakelijke email
rechtens toegestaan zijn. Zij stelt dan wel als voorwaarde dat
er een rechtstreeks verband met de taken van de werknemer moet
bestaan.
De Registratiekamer acht
controle van de inhoud niet toegestaan wanneer zij slechts
dient om de kosten van communicatiefaciliteiten te beperken.
Kennisname van de verkeersgegevens is immers voldoende om de
werknemer op zijn gedrag aan te spreken, zo stelt zij.
In elk geval moet volgens de
Registratiekamer de omvang van de controle zo beperkt mogelijk
worden gehouden qua tijdsduur, frequentie en de gecontroleerde
personen. Het emailgebruik van geprivilegieerden zoals
bedrijfsartsen en OR-leden mag überhaupt niet inhoudelijk
gecontroleerd worden.
Een ander belangrijk punt dat
de Registratiekamer aanroert, is de positie van de
systeembeheerder. Daarover stelt zij dat de positie van
systeembeheerder met de nodige waarborgen omgeven moet worden,
aangezien hij in beginsel toegang heeft tot alle gegevens in
het computernetwerk. Dat betekent dat de systeembeheerder een
bepaalde mate van onafhankelijkheid tegenover het management
moet hebben, omdat hij in zekere zin een vertrouwensfunctie
bekleedt.
Het rapport biedt een aantal
geschikte aanknopingspunten en aanbevelingen. Wel had de
Registratiekamer ons inziens meer duidelijkheid kunnen creëren
met betrekking tot wanneer welke vorm van controle
toegestaan is.
Analyse van emailcontrole
Er zijn aanwijzingen dat de
jurisprudentie en afspraken over telefoongebruik op de
werkplek niet een op een kunnen worden vertaald naar het
gebruik van email. De verschillen tussen email en telefonie op
de werkplek zitten enerzijds in de andere functionaliteit van
email en anderzijds in de andere (grotere) mogelijkheden tot
controle.
Email wordt anders gebruikt
dan telefonie. Het kostenargument gaat niet of nauwelijks op.
Tenzij er buitengewoon veel verkeer wordt gegenereerd, kan
niet worden gezegd dat het voor de werkgever duurder is als
zijn werknemer af en toe een privé-mailtje verstuurt. De
werknemer heeft er recht op in beperkte mate van de
emailfaciliteit gebruik te maken voor privé-doeleinden. Dit
vormt een onderdeel van het recht van de werknemer relaties
met anderen te onderhouden.
[39]
Email is technisch veel
gemakkelijker te controleren dan telefonie. Bij telefonie zijn
er in beginsel twee mogelijkheden voor controle. De werkgever
kan de verkeersgegevens controleren of hij kan een gesprek
afluisteren. Bij email zijn er veel meer
controlemogelijkheden. Naast het feit dat emailgebruik sporen
achterlaat in de computer van verzender en ontvanger, kan
email ook nog eens vrij gemakkelijk onderschept worden wanneer
een boodschap via een bedrijfsintern netwerk wordt verstuurd.
Vaak is een dergelijk netwerk slechts op een punt met het
Internet verbonden en dient het verkeer een firewall te
passeren alvorens het echt de digitale snelweg opdraait. Op
dat punt kan in beginsel, voorzover geen gebruik wordt gemaakt
van encryptie, al het op IP/TCP gebaseerde verkeer worden
opgevangen en doorgelicht. Email kan onderzocht worden op het
gebruik van bepaalde woorden of andere inhoudselementen. Dit
maakt dat controle op emailgebruik in beginsel voor de privacy
bedreigender is dan controle van telefonie. Gezien deze
grotere bedreiging zou wellicht een sterkere bescherming van
email ten opzichte van telefonie op zijn plaats zijn. Naar
huidig recht is dit echter niet het geval.
De voornaamste argumenten
voor controle op emailgebruik zijn het voorkomen van schade
aan het bedrijf en het controleren van de productiviteit van
een werknemer.
Bij schade aan het bedrijf
kan worden gedacht aan het verzenden van beledigende mailtjes
of het ophalen en doorsturen van pornografische post. Daarbij
moet wel worden opgemerkt dat de schade veroorzaakt door
pornografische mail door de werkgever zal moeten worden
aangetoond. De in de jurisprudentie heersende trend dat indien
er sprake is van porno, het ontslag zonder meer
gerechtvaardigd is, steunt o.i. niet op een juiste
interpretatie van het recht. Voorkomen van schade kan een
gerechtvaardigde inbreuk op het communicatiegeheim van de
werknemer opleveren. Dat laat onverlet dat proportionaliteit
en subsidiariteit voorop moeten blijven staan.
Een ander voorbeeld van
schade die het bedrijf kan worden berokkend via email is de
verspreiding van bedrijfsgeheimen. Controle van email is
alleen rechtmatig op die grond indien er een sterke verdenking
bestaat van een dergelijke vorm van misbruik.
Anders dan bij telefonie is
het voor veel werknemers gebruikelijk hetzelfde adres te
voeren als werk- en als privé-emailadres. Dat betekent dat het
ontvangen van privé-email niet altijd een misbruikelement in
zich heeft. Gaat het om het controleren van de
arbeidsproductiviteit van een werknemer, dan is het
controleren van diens email, een betrekkelijk zwaar middel dat
enkel bij zware verdenking mag worden ingezet. Overigens is
niet ondenkbaar dat wanneer (in de toekomst) het opstellen en
verzenden van email een hoofdbestanddeel van de taak van de
werknemer is, de werkgever in beginsel een gerechtvaardigd
belang heeft steekproefsgewijs de inhoud van emails te
controleren. Dit dient echter wel zoveel mogelijk te gebeuren
na voorafgaande notificatie van de werknemer.
Indien de werkgever voldoende
aanleiding heeft de email van de werknemer te controleren,
staan hem verschillende niveaus van controle ten dienst. Zo
kan hij de hoeveelheid capaciteit bekijken die zijn werknemer
verstuurt en downloadt. Pas als die controle wijst op
onregelmatig gebruik kan hij verder gaan. Daarnaast kan hij
filteren op gebruik van bepaalde woorden in de subject line,
kan hij de inhoud van de mails zelf filteren op gebruik van
bepaalde woorden en kan hij de verzonden attachments
controleren. De meest ingrijpende vorm van controle is het
inzien van de door zijn werknemer verstuurde en ontvangen
emails. Het inzien van de inhoud komt dus pas als allerlaatste
controlemiddel in aanmerking.
Een extra complicatie doet
zich voor bij telewerken. Wanneer de werknemer vanaf thuis
inlogt en met een door de werkgever ter beschikking gestelde
Internetverbinding contact houdt met de werkvloer, dient de
werkgever nog meer de privacybelangen van zijn werknemer in
acht te nemen. [40] De
werkgever dient zich te realiseren dat ook huisgenoten van de
werknemer van de dienst gebruik kunnen maken. Email van
huisgenoten mag hij niet inzien.
Uit het voorgaande moge
blijken dat de werkgever zich bij controle moet houden aan
vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat wil dus
zeggen dat altijd de lichtste, minst inbreukmakende vorm van
controle moet worden gekozen. Daarbij dient de werkgever
rekening te houden met het bijzondere karakter van
emailcorrespondentie.
Conclusie: de
privacypiramide
Het voorgaande leidt tot de
conclusie dat de werkgever onder slechts omstandigheden
gerechtigd is inbreuk te maken op het communicatiegeheim van
de werknemer. De onderstaande eisen moeten daarbij in acht
worden genomen.
Volgens vaste jurisprudentie
moet de controle kenbaar zijn. Dat betekent concreet dat een
gedragscode moet worden opgesteld waarin beschreven wordt
welke vormen van privé-gebruik door de werkgever als
ontoelaatbaar worden aangemerkt. Deze gedragscode moet aan de
Ondernemingsraad ter instemming voorgelegd worden. In de
gedragscode zal expliciet moeten worden vastgelegd dat de
werkgever de bevoegdheid heeft bij een verdenking van
ontoelaatbaar gebruik tot controle over te gaan.
Een dergelijke controle zal
alleen rechtmatig zijn wanneer de eisen van proportionaliteit
en subsidiariteit in acht worden genomen. De
subsidiariteitseis brengt met zich mee dat in ieder geval het
minst inbreukmakende middel het eerst moet worden toegepast.
Voor de werkgever is het niet altijd duidelijk wat de minst
inbreukmakende methode is. Juist bij email kan echter ons
inziens een rangorde van de ernst van de inbreukmakende
maatregel worden aangegeven. Deze uitgangspunten zouden
bijvoorbeeld kunnen leiden tot de volgende piramide.
Privacypiramide
|
|
Inhoud |
|
|
|
|
Scan op
taal |
|
|
|
|
Scan op
plaatjes |
|
|
|
|
Subject
line |
|
|
| |
Attachment |
|
|
Volume |
Hierboven is weergegeven hoe
de verschillende controlemogelijkheden van de werkgever in
ernst toenemen. Bovenstaande figuur heeft de vorm van een
piramide, omdat het ons inziens mogelijk is door de
verschillende trappen af te werken, de groep gecontroleerden
steeds verder te verkleinen. Ons inziens is de meest
eenvoudige en minst inbreukmakende controlemogelijkheid de
analyse van het volume van verkeer voor alle werknemers
afgezet tegen het gemiddelde volume. Als daaruit niets vreemds
naar voren komt, zal het ook wel goed zitten met de
individuele werknemers. Een verdergaande controle is in dat
geval niet toegestaan.
Als de werkgever op basis van
de analyse wel wat verdachts ontdekt, kan hij een verdergaande
controle uitvoeren. Dan zou hij kunnen scannen op het
voorkomen van ontoelaatbare attachments. Hij kan dan
bijvoorbeeld bekijken wat voor attachments verstuurd worden.
Dat is te zien aan de extensie. Word-documenten hebben
bijvoorbeeld de extensie .doc, muziekbestanden .mp3, plaatjes
.jpg etc. [41] Op basis
hiervan kan een verdenking toenemen of afnemen. Ontdekt de
werkgever niets vreemds, dan houdt het hier op. Neemt de
verdenking toe, dan kan hij verder gaan. Zo kunnen alle
bovengenoemde trappen worden afgegaan. Op deze wijze wordt de
groep gecontroleerden steeds kleiner, want de onschuldigen
kunnen al vrij snel worden uitgesplitst. Bij de vierde trap
kan worden gekeken of de emails zogenaamde 'vleeskleur'
bevatten, een bekende methode om te kijken of er wellicht
porno wordt verstuurd.
Het verst gaat het inzien van
emails van een individuele werknemer. Daartoe zal de werkgever
pas gerechtigd zijn bij zeer ernstige verdenkingen en nadat
hij de eerdere trappen reeds heeft afgewerkt. Het voordeel van
dit afwegingsmechanisme is dat de inbreuk op de privacy van
werknemers tot een minimum beperkt blijft. Van onschuldige
werknemers kan reeds in een vroeg stadium worden vastgesteld
dat zij onschuldig zijn. Deze hoeven verder niet gecontroleerd
te worden. Uiteindelijk wordt alleen bij de werknemers waarop
een ernstige verdenking rust, de meest vergaande controle
toegepast.
Het voordeel van de hier
voorgestelde piramide is, dat een controle door de werkgever
sneller in overeenstemming zal zijn met het
subsidiariteitsbeginsel. Natuurlijk kan de werkgever besluiten
om niet de verschillende trappen af te gaan. In dat geval zal
hij de subsidiariteit van de controle echter moeilijker kunnen
aantonen.
Bij elke vorm van controle
zal de werkgever echter moeten nagaan of de controle
proportioneel is, met andere woorden of het doel waarvoor
controle plaatsvindt, de concrete maatregel rechtvaardigt. Ook
hier heeft de bovenstaande privacypiramide een toegevoegde
waarde, omdat het de werkgever de gelegenheid biedt zich na
elke trap te bezinnen en te bezien of een verdergaande
maatregel nog noodzakelijk zal zijn. Het inzien van
privé-email door de werkgever zal op deze manier tot een
minimum beperkt blijven. De laatste, maar zeker niet
onbelangrijke eis voor de toelaatbaarheid van de controle is
dat de werknemer zo spoedig mogelijk, nadat controle heeft
plaatsgevonden, van de controle op de hoogte dient te worden
gesteld. Immers, alleen indien de werknemer van de controle in
kennis is gesteld, kan hij de rechtmatigheid daarvan (laten)
beoordelen.
Volgt de werkgever de hier
voorgestelde benadering, dan kan aan zijn belangen tegemoet
worden gekomen, zonder dat het emailgeheim meer dan
noodzakelijk wordt geschonden. |