Misstanden moeten aan het licht komen: een wet op het verschoningsrecht van journalisten is niet nodig.
Trouw, 28 november 2007, p. 8.

G.A.I. Schuijt


Pak gemelde misstanden aan, niet de klokkenluider. Gebreken in de rechtsgang bij gijzeling.

Honderd en tachtig graden is de minister van justitie Hirsch Ballin omgedraaid. Nog in juli van dit jaar verklaarde hij dat een wettelijke regeling van het verschoningsrecht voor journalisten geen meerwaarde heeft ten opzichte van de rechtspraak van het Europese Hof voor de mensenrechten en die van de Hoge Raad. Na de uitspraak van het Hof in Straatsburg van vorige week wil de minister plotseling een wet, terwijl er niets veranderd is in de opvattingen van het Hof.

De georganiseerde journalistiek is blij dat 'de politiek' eindelijk om is, maar deze draai van de minister moet ernstig worden gewantrouwd. Het zou wel eens een vergiftigde pion kunnen zijn. Elke schaker weet, dat je die niet moet aannemen. De justitiecommissie van de Tweede kamer vergadert vandaag met de minister over het verschoningsrecht voor journalisten.

Als er één ding duidelijk is geworden door de uitspraak van het Europese Hof, dan is het wel dat gerechtshof Amsterdam in 2000 de journalist Voskuil niet had mogen laten gijzelen. Dat had het kunnen weten, ook zonder wet. Het had alleen de arresten van 1996 van het Hof in Straatsburg en van onze eigen Hoge Raad beter tot zich moeten laten doordringen. De door het Amsterdamse hof aangevoerde redenen werden door Straatsburg tot irrelevant en onvoldoende bestempeld.

Ook volgens de minister was de bestaande rechtspraak duidelijk genoeg, maar toch lijkt hij niet blij te zijn met de uitspraak. Alles duidt erop dat hij het recht eerder wil inperken. Zo vindt hij vindt bijvoorbeeld dat de Belgische wet te weinig ruimte biedt voor uitzonderingen, terwijl de Belgen nu juist zeer goed hebben begrepen dat de Straatsburgse rechtspraak héél weinig ruimte laat voor uitzonderingen.

De minister lijkt ook plotseling bevangen door de vrees dat nu de eerste de beste redacteur van een clubblad zich gaat beroepen op het verschoningsrecht en 'aldus wordt gevrijwaard van de bestaande wetgeving'. De minister doelt kennelijk op de wetgeving in Nederland, die erop gericht is iedere klokkenluider koste wat het kost te kunnen opsporen en bestraffen en dat daar desnoods het paardemiddel van de gijzeling van een journalist voor kan worden ingezet. Nu dat bij journalisten niet of moeilijk kan, wil de minister de kring kennelijk zo klein mogelijk houden.

Het Europese Hof zegt echter er verbaasd over te zijn hoe ver men in Nederland bereid is te gaan om de identiteit van een klokkenluider te achterhalen en de mogelijkheden waarover de autoriteiten beschikken. Dat heeft niet alleen een afschrikkend effect op de vrije journalistiek, maar óók op iedereen die met misstanden in zijn omgeving naar buiten wil komen door die ter kennis van de media te brengen. Dat zijn exact zaken waarover in een democratische rechtstaat het publiek het recht heeft om geïnformeerd te worden.

Het Hof in Straatsburg zegt eigenlijk: als er zo iets wordt onthuld, richt je dan op het wegnemen van de misstand en niet op het achterhalen van de bron, want dát rechtvaardigt niet dat je een journalist dwingt zijn bron te onthullen.

De minister heeft ook nog gesproken over tuchtrechtelijke waarborgen zoals bij advocaten en artsen. Het debat dreigt dus vertroebeld te worden door de vraag wie zich een nette en ordentelijke journalist mag noemen. Daarmee gaat het wezenlijke belang volledig de mist in. Het gaat namelijk niet om het belang van journalisten om niet in het gevang opgesloten te worden, het gaat om het belang van de samenleving niet van informatie over misstanden verstoken te blijven. Daarom heeft het Hof in Straatsburg zich niet erg verdiept in de vraag of Voskuil wel 'echt' journalist is en of hij wel ervaren en degelijk genoeg is. Het Hof kijkt naar de functie die hij vervulde als publieke waakhond.

Ter gerust stelling van de minister geruststellen: een klokkenluider wendt zich heus niet tot de redacteur van een clubblad. Hij zoekt zijn medium en zijn journalist zeer zorgvuldig uit, want hij wil immers dat zijn informatie de aandacht krijgt die het verdient.

Als er een wettelijke regeling moet komen, dan moet die zich richten op wat er mis is gegaan. Nederland heeft ongenadig op zijn kop gekregen. Hoe is dat gekomen? In dat verband wil ik graag wijzen op de concurring opinion van de Nederlandse rechter in het Europese Hof, Wilhelmina Thomassen, die het eens is met de unanieme beslissing. Zij vindt het nogal eigenaardig dat het gerechtshof in Amsterdam dat Voskuil liet gijzelen, zelf besliste op het bezwaarschrift daartegen. Vervolgens wijst zij er op dat er in Nederland geen mogelijkheid bestaat tegen een dergelijke de beslissing in cassatie te gaan, althans vanaf het moment dat de gijzeling is opgeheven, want dan zou de gegijzelde geen belang meer hebben. Voskuil moest dus rechtstreeks naar Straatsburg en dat heeft bij het al zo overbelaste Hof zeven jaar moeten duren, terwijl een afdoening op het nationale niveau nog in 2000 of in elk geval in 2001 had kunnen plaats vinden. Ik kan niet anders dan daarin ook lezen, dat Thomassen (toen zij dat schreef niet, maar tegenwoordig wel raadsheer in de Hoge Raad) er alle vertrouwen in heeft dat de Hoge Raad in 2000 zou hebben beslist zoals nu het Europese Hof.

Als er dus een wet zou moeten komen, zou die zich moeten richten op deze gebreken in de rechtsgang. Verder dient een beslissing tot het doen gijzelen van een journalist die zijn bron niet wil noemen, niet in handen te liggen van een alleensprekende rechter-commissaris. Dat bleek vorig jaar bij de gijzeling van de twee journalisten van De Telegraaf. Twee dagen later moest de beslissing door de (meervoudige) raadkamer van de rechtbank worden teruggedraaid. Die rechters hadden de rechtspraak van Hof en Hoge Raad wél goed begrepen, maar ondertussen hadden de journalisten wel twee dagen vast gezeten.

Aan een zo in de persvrijheid ingrijpende maatregel als gijzeling van een journalist zou ten slotte geen uitvoering moeten worden gegeven vóórdat door een hogere instantie op het bezwaar is beslist. Deze simpele wijzigingen in Strafvordering zouden pas recht doen aan de les die we uit Straatsburg hebben gekregen. Al het andere moet de minister maar uit zijn hoofd zetten.

(Gerard Schuijt is oud-hoogleraar mediarecht aan de Universiteit Leiden en oud-hoofdddocent aan het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam)


Geplaatst 29.11.2007