Pak
gemelde misstanden aan, niet de klokkenluider.
Gebreken in de rechtsgang bij gijzeling.
Honderd
en tachtig graden is de minister van justitie Hirsch
Ballin omgedraaid. Nog in juli van dit jaar verklaarde
hij dat een wettelijke regeling van het
verschoningsrecht voor journalisten geen meerwaarde
heeft ten opzichte van de rechtspraak van het Europese
Hof voor de mensenrechten en die van de Hoge Raad. Na de
uitspraak van het Hof in Straatsburg van vorige week wil
de minister plotseling een wet, terwijl er niets
veranderd is in de opvattingen van het Hof.
De
georganiseerde journalistiek is blij dat 'de politiek'
eindelijk om is, maar deze draai van de minister moet
ernstig worden gewantrouwd. Het zou wel eens een
vergiftigde pion kunnen zijn. Elke schaker weet, dat je
die niet moet aannemen. De justitiecommissie van de
Tweede kamer vergadert vandaag met de minister over het
verschoningsrecht voor journalisten.
Als
er één ding duidelijk is geworden door de uitspraak
van het Europese Hof, dan is het wel dat gerechtshof
Amsterdam in 2000 de journalist Voskuil niet had mogen
laten gijzelen. Dat had het kunnen weten, ook zonder
wet. Het had alleen de arresten van 1996 van het Hof in
Straatsburg en van onze eigen Hoge Raad beter tot zich
moeten laten doordringen. De door het Amsterdamse hof
aangevoerde redenen werden door Straatsburg tot
irrelevant en onvoldoende bestempeld.
Ook
volgens de minister was de bestaande rechtspraak
duidelijk genoeg, maar toch lijkt hij niet blij te zijn
met de uitspraak. Alles duidt erop dat hij het recht
eerder wil inperken. Zo vindt hij vindt bijvoorbeeld dat
de Belgische wet te weinig ruimte biedt voor
uitzonderingen, terwijl de Belgen nu juist zeer goed
hebben begrepen dat de Straatsburgse rechtspraak héél
weinig ruimte laat voor uitzonderingen.
De
minister lijkt ook plotseling bevangen door de vrees dat
nu de eerste de beste redacteur van een clubblad zich
gaat beroepen op het verschoningsrecht en 'aldus wordt
gevrijwaard van de bestaande wetgeving'. De minister
doelt kennelijk op de wetgeving in Nederland, die erop
gericht is iedere klokkenluider koste wat het kost te
kunnen opsporen en bestraffen en dat daar desnoods het
paardemiddel van de gijzeling van een journalist voor
kan worden ingezet. Nu dat bij journalisten niet of
moeilijk kan, wil de minister de kring kennelijk zo
klein mogelijk houden.
Het
Europese Hof zegt echter er verbaasd over te zijn hoe
ver men in Nederland bereid is te gaan om de identiteit
van een klokkenluider te achterhalen en de mogelijkheden
waarover de autoriteiten beschikken. Dat heeft niet
alleen een afschrikkend effect op de vrije
journalistiek, maar óók op iedereen die met misstanden
in zijn omgeving naar buiten wil komen door die ter
kennis van de media te brengen. Dat zijn exact zaken
waarover in een democratische rechtstaat het publiek het
recht heeft om geïnformeerd te worden.
Het
Hof in Straatsburg zegt eigenlijk: als er zo iets wordt
onthuld, richt je dan op het wegnemen van de misstand en
niet op het achterhalen van de bron, want dát
rechtvaardigt niet dat je een journalist dwingt zijn
bron te onthullen.
De
minister heeft ook nog gesproken over tuchtrechtelijke
waarborgen zoals bij advocaten en artsen. Het debat
dreigt dus vertroebeld te worden door de vraag wie zich
een nette en ordentelijke journalist mag noemen. Daarmee
gaat het wezenlijke belang volledig de mist in. Het gaat
namelijk niet om het belang van journalisten om niet in
het gevang opgesloten te worden, het gaat om het belang
van de samenleving niet van informatie over misstanden
verstoken te blijven. Daarom heeft het Hof in
Straatsburg zich niet erg verdiept in de vraag of
Voskuil wel 'echt' journalist is en of hij wel ervaren
en degelijk genoeg is. Het Hof kijkt naar de functie die
hij vervulde als publieke waakhond.
Ter
gerust stelling van de minister geruststellen: een
klokkenluider wendt zich heus niet tot de redacteur van
een clubblad. Hij zoekt zijn medium en zijn journalist
zeer zorgvuldig uit, want hij wil immers dat zijn
informatie de aandacht krijgt die het verdient.
Als
er een wettelijke regeling moet komen, dan moet die zich
richten op wat er mis is gegaan. Nederland heeft
ongenadig op zijn kop gekregen. Hoe is dat gekomen? In
dat verband wil ik graag wijzen op de concurring opinion
van de Nederlandse rechter in het Europese Hof,
Wilhelmina Thomassen, die het eens is met de unanieme
beslissing. Zij vindt het nogal eigenaardig dat het
gerechtshof in Amsterdam dat Voskuil liet gijzelen, zelf
besliste op het bezwaarschrift daartegen. Vervolgens
wijst zij er op dat er in Nederland geen mogelijkheid
bestaat tegen een dergelijke de beslissing in cassatie
te gaan, althans vanaf het moment dat de gijzeling is
opgeheven, want dan zou de gegijzelde geen belang meer
hebben. Voskuil moest dus rechtstreeks naar Straatsburg
en dat heeft bij het al zo overbelaste Hof zeven jaar
moeten duren, terwijl een afdoening op het nationale
niveau nog in 2000 of in elk geval in 2001 had kunnen
plaats vinden. Ik kan niet anders dan daarin ook lezen,
dat Thomassen (toen zij dat schreef niet, maar
tegenwoordig wel raadsheer in de Hoge Raad) er alle
vertrouwen in heeft dat de Hoge Raad in 2000 zou hebben
beslist zoals nu het Europese Hof.
Als
er dus een wet zou moeten komen, zou die zich moeten
richten op deze gebreken in de rechtsgang. Verder dient
een beslissing tot het doen gijzelen van een journalist
die zijn bron niet wil noemen, niet in handen te liggen
van een alleensprekende rechter-commissaris. Dat bleek
vorig jaar bij de gijzeling van de twee journalisten van
De Telegraaf. Twee dagen later moest de beslissing door
de (meervoudige) raadkamer van de rechtbank worden
teruggedraaid. Die rechters hadden de rechtspraak van
Hof en Hoge Raad wél goed begrepen, maar ondertussen
hadden de journalisten wel twee dagen vast gezeten.
Aan
een zo in de persvrijheid ingrijpende maatregel als
gijzeling van een journalist zou ten slotte geen
uitvoering moeten worden gegeven vóórdat door een
hogere instantie op het bezwaar is beslist. Deze simpele
wijzigingen in Strafvordering zouden pas recht doen aan
de les die we uit Straatsburg hebben gekregen. Al het
andere moet de minister maar uit zijn hoofd zetten.
(Gerard
Schuijt is oud-hoogleraar mediarecht aan de Universiteit
Leiden en oud-hoofdddocent aan het Instituut voor
Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam) |