Arrest in de zaak van:
1. Stichting Ostade Blade, gevestigd te Amsterdam,
2. Bart Eric Johannus Brugmans, wonende te Deventer,
3. Frederik Jan Kallenberg, wonende te Amsterdam,
eisers tot cassatie, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), gevestigd te 's-Gravenhage,
verweerder in cassatie, advocaat: mr. G. Snijders.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie verder afzonderlijk te noemen: Ostade Blade,
Brugmans en Kallenberg, dan wel gezamenlijk: Ostade Blade c.s. hebben
bij exploot van 15 november 1996 verweerder in cassatie verder te
noemen: de Staat gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en
gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat
te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te
wijzen vonnis, aan Ostade Blade te betalen een bedrag van ƒ 99.811,71, aan
Brugmans een bedrag van ƒ 2.500,- en aan Kallenberg een bedrag van ƒ 10.000,-,
te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in het petitum van de dagvaarding
is omschreven.
De Staat heeft de vorderingen bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 4 februari 1998 de vorderingen afgewezen.
Tegen dit vonnis hebben Ostade Blade c.s. hoger beroep ingesteld bij het
gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 11 december 2003 heeft het hof het vonnis waarvan hoger beroep
bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben Ostade Blade c.s. beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan
deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat
mede door mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging
van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
De advocaten van de Staat hebben bij brief van 4 maart 2005 op die conclusie
gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Ostade Blade is verantwoordelijk voor de uitgave van het blad 'Ravage',
dat eens in de twee weken verschijnt. Brugmans is abonnee van dat blad. Kallenberg
is als redacteur aan het blad verbonden.
(ii) Op 3 mei 1996 vanaf 15.35 uur is, met daartoe voorafgaand verleende
toestemming van de rechtbank te Arnhem, op het kantoor van Ravage in Amsterdam
huiszoeking ter inbeslagneming verricht onder leiding van een rechter-commissaris
in strafzaken. Deze huiszoeking vond plaats in het kader van een gerechtelijk
vooronderzoek tegen de daders van drie in oktober 1995, januari 1996 en april
1996 in Arnhem gepleegde bomaanslagen. De aanslag van 16 april 1996 was op
25 april 1996 opgeëist door het 'Earth Liberation Front' in een zogenoemde
'claimbrief', gericht aan Ravage.
(iii) Ravage heeft op 2 mei 1996 een persbericht uitgegeven waarin de aandacht
werd gevestigd op het op 3 mei 1996 verschijnende nummer van Ravage waarin
melding zou worden gemaakt van de claimbrief. Dit persbericht vormde de directe
aanleiding voor de huiszoeking. Noch Ostade Blade, noch een van de redacteuren
van het blad is door justitie als verdachte van de bomaanslagen aangemerkt.
(iv) Op 3 mei 1996 was Kallenberg op de redactie aanwezig. Voordat de huiszoeking
begon heeft de rechter-commissaris hem meegedeeld dat justitie naar de claimbrief
en naar mogelijke relaties tussen het Earth Liberation Front en Ravage zocht.
Kallenberg heeft toen gezegd dat de claimbrief er niet was. Deze brief was
naar later is gebleken direct na verwerking door de redactie
vernietigd, hetgeen de redactie altijd doet met brieven waarbij de kans bestaat
dat daarnaar later door justitie gezocht gaat worden. Kallenberg heeft ook,
in strijd met de waarheid, aan de rechter-commissaris gezegd dat de abonnee-administratie
niet op de redactie aanwezig was. Daarna is hij in de gelegenheid gesteld
telefonisch contact met zijn advocaat te hebben. Om 18.10 uur is zijn advocaat
in het pand aangekomen.
(v)Toen bleek dat het kopiëren van de geautomatiseerde bestanden geruime
tijd zou vergen heeft de rechter-commissaris Kallenberg voor de keuze gesteld
of het kopiëren ter plaatse zou worden afgemaakt dan wel de geautomatiseerde
bestanden zouden worden meegenomen teneinde deze elders te kopiëren.
Kallenberg heeft voor het laatste gekozen. Daarop heeft de rechter-commissaris
meegedeeld dat de geautomatiseerde bestanden op 6 mei 1996 zouden worden
teruggegeven. Met betrekking tot de overige inbeslaggenomen goederen is afgesproken
dat deze, voor zover niet relevant bevonden, uiterlijk 9 mei 1996 zouden
worden teruggegeven.
(vi) Bij de huiszoeking zijn onder meer vier computers (waaronder, naar
later bleek, die met het abonneebestand van Ravage), adreslijsten, een groot
aantal door nieuwe abonnees ingevulde aanmeldingsbonnen, adreswikkels, een
agenda, een telefoonklapper, een schrijfmachine, gegevens over contactpersonen
en ander redactiemateriaal en privé-gegevens van redacteuren meegenomen.
De huiszoeking is om 18.35 uur beëindigd.
(vii) Op het moment waarop de politie met de inbeslaggenomen goederen het
pand wilde verlaten was de voordeur op slot. Buiten waren mensen samengestroomd
die tegen de huiszoeking waren. Kallenberg kon naar zijn zeggen de sleutels
van de voordeur niet geven omdat hij deze nog moest zoeken. De voordeur is
toen ingetrapt. Bij het verlaten van het pand hebben de opsporingsambtenaren
niet weten te voorkomen dat hun een aantal inbeslaggenomen goederen afhandig
werd gemaakt. Dit heeft ertoe geleid dat op de lijst met inbeslaggenomen
goederen meermalen de vermelding 'ontbreekt' voorkomt.
(viii) Op 6 mei 1996 zijn de inbeslaggenomen computers teruggegeven. Op
10 mei 1996 zijn de inbeslaggenomen documenten en diskettes, voor zover niet
afhandig gemaakt, teruggegeven. Alle daarop voorkomende informatie was gekopieerd.
De inbeslaggenomen schrijfmachine is later teruggegeven. Begin juni 1996
heeft de rechter-commissaris het bevel gegeven alle bij de politie achtergebleven
kopieën te vernietigen. Volgens de politie is dat gebeurd.
3.2 Ostade Blade c.s. hebben gevorderd dat de Staat zal worden veroordeeld
tot betaling van schadevergoeding. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de Staat
onrechtmatig heeft gehandeld, aangezien
(a) de Staat inbreuk heeft gemaakt op het krachtens art. 10 EVRM aan hen
toekomende recht van vrije meningsuiting en vrije nieuwsgaring, waaronder
te begrijpen het vrijelijk ontvangen van informatie en het recht op journalistieke
bronbescherming;
(b) de Staat in strijd met art. 8 EVRM inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke
levenssfeer van [eiser 2] en Kallenberg en de reputatie van het blad Ravage
heeft geschaad;
(c) de Staat heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, in het
bijzonder de égalité devant les charges publiques, door de
toegebrachte schade niet aan hen te vergoeden.
De rechtbank heeft de vordering afgewezen en het hof heeft het vonnis van
de rechtbank bekrachtigd.
3.3.1 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.
3.3.2 Het recht van vrijheid van meningsuiting, zoals vervat in art. 10
EVRM, houdt tevens het recht van vrije nieuwsgaring in (vgl. onder meer:
Goodwin tegen Het Verenigd Koninkrijk, EHRM 27 maart 1996, no. 17488/90,
NJ 1996, 577 en Roemen en Schmit tegen Luxemburg, EHRM 25 februari
2003, no. 51772/99, EHRC 2003, 36).
Een inbreuk op het recht van vrije nieuwsgaring waaronder het belang
van de bescherming van de bron van een journalist kan ingevolge art.
10 lid 2 EVRM gerechtvaardigd zijn voor zover is voldaan aan de in die bepaling
omschreven voorwaarden. Dat wil in de eerste plaats zeggen dat de inbreuk
een basis moet hebben in het nationale recht en dat de desbetreffende nationale
bepalingen een zekere precisie moeten hebben. De inbreuk moet in de tweede
plaats een van de in art. 10 lid 2 EVRM genoemde doeleinden dienen. In de
derde plaats moet de inbreuk ter bereiking van zo'n doel in een democratische
samenleving noodzakelijk zijn. Daarbij spelen de beginselen van subsidiariteit
en proportionaliteit een rol. In dat kader zal moeten worden afgewogen of
de inbreuk noodzakelijk is om het betrokken belang te dienen en dus of er
geen andere, minder bezwarende wegen zijn te volgen waarlangs dit belang
in voldoende mate kan worden gediend. Wanneer het gaat om een strafrechtelijk
onderzoek zal voorts in de afweging moeten worden betrokken of de inbreuk
op het recht van vrije nieuwsgaring in redelijke verhouding staat tot het
te dienen belang van de waarheidsvinding. Bij die laatste afweging zal het
gewicht van de strafbare feiten waarnaar onderzoek wordt gedaan een rol spelen
(vgl. HR 8 april 2003, nr. 1022/01, NJ 2004, 188).
3.3.3 Een huiszoeking of doorzoeking bij een journalist ter inbeslagneming
van materiaal waardoor inbreuk zou kunnen worden gemaakt op het recht van
vrije nieuwsgaring vormt uit haar aard een ingrijpende maatregel, ingrijpender
dan bijvoorbeeld een bevel tot uitlevering van de desbetreffende gegevens,
mede omdat daardoor toegang kan worden verkregen tot andere, mogelijk door
art. 10 EVRM beschermde, gegevens waarover de journalist de beschikking heeft.
Zodanige maatregel vormt, ook indien inbeslagneming niet is gevolgd, een
ongeoorloofde inbreuk op de door art. 10 EVRM beschermde rechten, tenzij
deze is gerechtvaardigd door 'an overriding requirement in the public interest'
(zie onder meer de in 3.3.2 vermelde uitspraak van het EHRM in de zaak Goodwin,
§ 39). Dit brengt mee dat, wanneer de Staat wordt aangesproken uit onrechtmatige
daad wegens inbreuk op art. 10 EVRM, het in zodanig geval in beginsel aan
de Staat is die ook bij uitstek in de gelegenheid is duidelijk te
maken dat in het voorliggende geval niet met minder vergaande maatregelen
kon worden volstaan gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen
dat deze inbreuk noodzakelijk is, welke stelplicht en bewijslast mede omvat
dat de huiszoeking of doorzoeking in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit
en subsidiariteit heeft plaatsgevonden.
3.4 In cassatie is het oordeel van het hof dat de onderhavige huiszoeking
ter inbeslagneming een inbreuk inhield op de door art. 10 lid 1 EVRM beschermde
rechten van Ostade Blade en Kallenberg niet bestreden. Ook de vaststelling
van het hof dat deze inbreuk bij de wet is voorzien is in cassatie
terecht onbestreden gebleven. Het gaat in cassatie dan ook om de toetsing
door het hof van het handelen van de Staat aan de vereisten die het tweede
lid van art. 10 EVRM stelt.
3.5 Namens de Staat is in cassatie als verweer aangevoerd dat in de onderhavige
zaak hoe dan ook geen sprake kan zijn van journalistieke bronbescherming:
de door het blad Ravage ontvangen claimbrief is niet afkomstig van een journalistieke
bron aan wie geheimhouding of vertrouwelijkheid is beloofd of aan wie is
toegezegd dat de brief niet aan derden zal worden afgestaan, terwijl de onbekend
gebleven afzender de brief heeft toegezonden om publiciteit te verkrijgen
voor de motieven voor de bomaanslag. Waar het middel geheel erop berust dat
dit verschoningsrecht toepasselijk is, moet het, aldus de Staat, in zijn
geheel afstuiten op het oordeel dat dit recht hier niet van toepassing is.
Wat er zij van het antwoord op de vraag of aan Ostade Blade en Kallenberg
ter zake van de claimbrief een journalistiek verschoningsrecht toekomt, de
door de Staat aangevoerde omstandigheden wettigen niet reeds op voorhand
de gevolgtrekking dat de in cassatie tot uitgangspunt te nemen
inbreuk die de huiszoeking op de door het eerste lid van art. 10 EVRM gewaarborgde
rechten van Ostade Blade en Kallenberg maakt, noodzakelijk was en dat daarbij
de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn in acht genomen.
Dat hangt samen met het ingrijpende karakter van een huiszoeking als de onderhavige
waardoor ook toegang wordt verkregen tot andere, mogelijk door art. 10 EVRM
beschermde, gegevens. Het verweer kan daarom, ook indien het zou opgaan,
niet reeds tot verwerping van het beroep leiden, waar het middel niet uitsluitend
berust op de opvatting dat aan Ostade Blade en Kallenberg een journalistiek
verschoningsrecht ter zake van de claimbrief toekomt.
3.6.1 Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen rov. 5.2 van de bestreden
uitspraak. Deze overweging van het hof luidt:
5.2 Het betoog van Ostade Blade c.s. dat geen andere zaken of bescheiden
in beslag hadden mogen worden genomen dan (het origineel van) de claimbrief
zelf, moet worden verworpen. Nadat de rechter-commissaris duidelijk was geworden
dat (het origineel van) de claimbrief niet zou worden geproduceerd, stond
het hem vrij om in overeenstemming met het door de rechtbank verleende verlof,
dat niet tot het zoeken naar en inbeslagneming van (het origineel van) de
claimbrief beperkt was, tot huiszoeking en inbeslagneming over te gaan. Daarbij
kon hij andere zaken en bescheiden in beslag nemen dan de bewuste claimbrief,
voor zover deze zaken en bescheiden naar zijn oordeel zouden kunnen leiden
tot de opsporing van de daders van de bomaanslagen, hetzij doordat de claimbrief
aan de hand daarvan alsnog zou kunnen worden achterhaald, hetzij langs andere
weg.
3.6.2 Dit onderdeel behelst onder meer de rechtsklacht dat het hof heeft
miskend dat in een geval als het onderhavige de in art. 10 lid 2 EVRM bedoelde
noodzakelijkheid van de inbreuk is beperkt tot het voorkomen van strafbare
feiten en niet enkel betrekking mag hebben op het opsporen van strafbare
feiten. Deze klacht faalt. Het hof heeft in rov. 10.4 in cassatie
niet bestreden vastgesteld dat de onderhavige inbreuk een legitiem
doel diende, te weten de bescherming van de openbare veiligheid en het voorkomen
van strafbare feiten. Het hof heeft voorts geoordeeld dat in de desbetreffende
claimbrief de verantwoordelijkheid werd opgeëist voor een zeer ernstig
delict: een kort daarvoor gepleegde bomaanslag, de derde in een reeks van
bomaanslagen (rov. 10.6). Tegen die achtergrond en in aanmerking genomen
dat de opsporing van reeds gepleegde strafbare feiten kan dienen tot het
voorkomen van andere misdrijven en dat de grens tussen beide vloeiend is,
getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent
de belangen die in het verband van de bij de in art. 10 lid 2 EVRM vereiste
afweging in het onderhavige geval in aanmerking komen.
3.6.3 Aan de overige klachten van onderdeel 1 ligt de veronderstelling ten
grondslag dat het hof in de bestreden overweging heeft geoordeeld dat de
huiszoeking naar andere zaken en bescheiden dan de claimbrief een noodzakelijke
inbreuk maakt op het recht van bronbescherming. Daarvan uitgaande, wordt
geklaagd dat het hof heeft miskend dat een dergelijke inbreuk in overeenstemming
moet zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, althans dat
zijn oordeel dat zulks het geval is, onbegrijpelijk is. De veronderstelling
waarvan die klachten uitgaan is echter niet juist. In de bedoelde overweging
heeft het hof uitsluitend gereageerd op het betoog van Ostade Blade c.s.
dat geen andere zaken of bescheiden in beslag hadden mogen worden genomen
dan (het origineel van) de claimbrief zelf. Daarbij heeft het hof het betoog
aldus opgevat welke uitleg van de gedingstukken aan het hof is voorbehouden
dat dit de vraag aan de orde stelt of de rechter-commissaris daartoe
op zichzelf bevoegd was en binnen de grenzen van het hem verleende verlof
is gebleven, en heeft het deze vragen bevestigend beantwoord. Op de vraag
of de inbreuk die deze huiszoeking en inbeslagneming maken op het recht op
vrije nieuwsgaring noodzakelijk is in een democratische samenleving en in
overeenstemming is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit,
is het hof in het vervolg van zijn overwegingen ingegaan. De bedoelde klachten
van onderdeel 1 missen feitelijke grondslag. Zij kunnen dus niet tot cassatie
leiden.
3.7 Onderdeel 2 behelst de klacht dat het hof in rov. 10.2, waarin het hof
voorop stelt dat het de onderhavige huiszoeking zal toetsen aan de criteria
die in het, hiervoor in 3.3.2 aangehaalde, arrest Roemen en Schmit van het
EHRM zijn ontwikkeld, ten onrechte tot uitdrukking heeft gebracht dat in
voormeld arrest 'zou zijn beslist dat voor een doorzoeking hetzelfde criterium
geldt als bij een bevel uitlevering'. Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Een oordeel als het onderdeel veronderstelt, valt in deze overweging van
het hof niet te lezen.
3.8.1 Onderdeel 3 betreft in de eerste plaats rov. 10.5 van het hof. Daarin
heeft het hof overwogen dat onderzocht moet worden of de inbreuk wordt gerechtvaardigd
'door een onloochenbare behoefte in het algemeen belang (an overriding
requirement in the public interest)'. Het onderdeel behelst de rechtsklacht
dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, omdat met 'een onloochenbare
behoefte in het algemeen belang' niet de vereiste mate van zwaarwegendheid
van de rechtvaardiging van de inbreuk tot uitdrukking is gebracht. De klacht
mist feitelijke grondslag. In de overweging van het hof ligt onmiskenbaar
besloten dat het bij zijn toetsing het door het EHRM geformuleerde vereiste
voor ogen heeft gehad.
3.8.2 In de tweede plaats komt onderdeel 3 met een rechts- en motiveringsklacht
op tegen rov. 10.6. Die overweging komt erop neer dat de noodzaak om de daders
van de desbetreffende zeer ernstige delicten op te sporen een zodanig zwaarwegend
algemeen belang is, dat daardoor in dit geval de inbreuk op de vrijheid van
meningsuiting wordt gerechtvaardigd. Aan de klachten ligt de opvatting ten
grondslag dat enkel in het geval door de onderhavige huiszoeking een nieuwe
bomaanslag nog had kunnen worden voorkomen aan het vereiste zwaarwegende
karakter van de rechtvaardiging van de inbreuk is voldaan. Die opvatting
houdt in haar algemeenheid te ver gaande eisen in en is daarom onjuist. De
beginselen van proportionaliteit zijn niet eerst in acht genomen indien aannemelijk
is dat de onderhavige huiszoeking een nieuwe bomaanslag zou hebben voorkomen.
Dat neemt overigens niet weg dat bij de afweging of de in aanmerking komende
belangen van zo zwaarwegende aard zijn dat zij de inbreuk op de vrijheid
van meningsuiting in het voorliggende geval rechtvaardigen, betekenis toekomt,
niet alleen aan de ernst van de te voorkomen strafbare feiten en de ernst
van het gevaar voor de openbare veiligheid, maar ook aan de mate waarin het
gevaar voor het plegen van strafbare feiten en voor de openbare veiligheid
in concreto aannemelijk is: naarmate die dreiging concreter is, kan te eerder
de inbreuk noodzakelijk zijn te achten.
3.8.3 Onderdeel 3 faalt derhalve.
3.9.1 Onderdeel 4 komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen rov.
10.7 van het hof.
3.9.2 Deze overweging van het hof luidt, voor zover hier van belang:
10.7 Dit laatste zou anders kunnen zijn indien justitie het nagestreefde
doel ook met minder ver gaande middelen had kunnen bereiken, maar daarvan
is onvoldoende gebleken. Vast staat dat Kallenberg door de rechter-commissaris
naar de claimbrief is gevraagd maar dat dit niet heeft geleid tot overgave
van de brief. De door de Staat betwiste stelling van Ostade Blade c.s. dat
Kallenberg bij die gelegenheid aan de rechter-commissaris heeft meegedeeld
dat die brief vernietigd was doet daaraan geen afbreuk aangezien, ook indien
vast zou staan dat Kallenberg dat gezegd heeft, de rechter-commissaris er
niet van hoefde uit te gaan dat Kallenberg daarmee de waarheid sprak. Ostade
Blade c.s. hebben ook niet aangevoerd dat justitie over voldoende andere
middelen beschikte waarmee de daders van de bomaanslagen konden worden opgespoord,
zodat de vraag of het, gelet op het belang van de vrije nieuwsgaring, niet
op de weg van de Staat ligt om dit laatste in dit geding gemotiveerd te betwisten,
niet behoeft te worden beantwoord. Evenmin kan worden gezegd dat de wijze
waarop de huiszoeking en de inbeslagneming hebben plaatsgevonden disproportioneel
was. De computers zijn, naar Ostade Blade c.s. niet betwisten, eerst in beslag
genomen nadat Kallenberg, voor de keuze gesteld, er de voorkeur aan had gegeven
dat de computers zouden worden meegenomen, in plaats dat de daarop voorkomende
bestanden op de redactie zouden worden gekopieerd. Van het overige in beslag
genomen materiaal kan niet worden gezegd dat op 3 mei 1996 reeds voor de
rechter-commissaris duidelijk had moeten zijn dat inbeslagneming daarvan
onnodig was. Het hof acht het begrijpelijk dat werd besloten zoveel mogelijk
materiaal veilig te stellen teneinde dit op het politiebureau aan een onderzoek
te onderwerpen. Het oordeel van de rechter-commissaris over de wijze waarop
de huiszoeking en de inbeslagneming dienden plaats te vinden kan in dit geding
niet verder worden getoetst. Het inbeslaggenomen materiaal is bovendien op
vrij korte termijn teruggegeven (...).
3.9.3 Onderdeel 4 houdt in de
eerste plaats de klacht in dat het hof heeft miskend dat de stelplicht en
bewijslast ten aanzien van de vraag of aan het vereiste van subsidiariteit
is voldaan op de Staat rusten. De klacht is gegrond. Hetgeen het hof in rov.
10.7 heeft overwogen geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu het
in de eerste zin van die overweging klaarblijkelijk ervan is uitgegaan dat
de stelplicht en bewijslast met betrekking tot het bestaan van minder ingrijpende
middelen dan de huiszoeking en inbeslagneming in het onderhavige geval zonder
meer op Ostade Blade c.s. rusten. Verwezen zij naar hetgeen daartoe in 3.3.3
is overwogen.
3.9.4 Onderdeel 4 bevat voorts de klacht dat het hof ten onrechte heeft
geoordeeld dat van disproportioneel optreden geen sprake was omdat Kallenberg
zelf de voorkeur eraan heeft gegeven dat de computers zouden worden meegenomen,
aangezien het daarbij heeft miskend dat de disproportionaliteit van het justitieel
optreden is gelegen in de inbeslagneming van de gegevens in die computer.
Deze klacht is gegrond. Het hof had niet slechts te onderzoeken of de inbeslagneming
door de wijze waarop deze is uitgevoerd, te weten door het feitelijk meenemen
van de computers in plaats van het ter plaatse kopiëren van de bestanden,
op de minst bezwarende wijze heeft plaatsgevonden, maar diende eerst en vooral
de door Ostade Blade c.s. naar voren gebrachte stellingen te beoordelen,
dat de huiszoeking en de inbeslagneming van (de gegevens in) die computers
niet noodzakelijk waren en dat de Staat niet aannemelijk heeft gemaakt dat
zulks niet disproportioneel was. Omtrent die essentiële stellingen houdt
de gewraakte overweging evenwel niets in. In zoverre is het oordeel van het
hof dat deze inbeslagneming niet disproportioneel was niet naar de eis der
wet met redenen omkleed.
3.9.5 Ten slotte houdt onderdeel 4 de klacht in dat het hof, waar het overweegt
dat niet gezegd kan worden dat het de rechter-commissaris duidelijk had moeten
zijn dat inbeslagneming van het overige materiaal onnodig was, heeft miskend
dat de huiszoeking en de inbeslagneming van het overige materiaal enkel zijn
toegestaan indien daartoe de noodzaak aanwezig is.
De klacht is terecht voorgesteld. In de desbetreffende overweging heeft
het hof wel antwoord gegeven op de vraag of de wijze waarop de huiszoeking
in dit opzicht feitelijk werd uitgevoerd onevenredig belastend was, maar
de daaraan voorafgaande vraag of de Staat voldoende aannemelijk heeft
gemaakt dat de huiszoeking en de inbeslagneming van het overige materiaal
noodzakelijk waren, onbesproken gelaten. Aldus heeft het hof zijn verwerping
van de stellingen van Ostade Blade c.s. dat de inbeslagneming van het overige
materiaal disproportioneel was en dat de Staat het tegendeel niet aannemelijk
heeft gemaakt, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.10 Onderdeel 5 richt zich tegen rov. 10.9, waarin het hof heeft geoordeeld
dat, voorzover sprake is van inmenging in de persoonlijke levenssfeer, deze
inmenging geoorloofd was op grond van art. 8 lid 2 EVRM. Het betoogt dat
bij het slagen van de in de voorafgaande onderdelen voorgedragen klachten
ook deze overweging niet in stand kan blijven. Het hof heeft immers, aldus
het onderdeel, dit oordeel gegrond op dezelfde overwegingen die aanleiding
gaven voor zijn oordeel dat geen ongeoorloofde inbreuk op het recht van vrijheid
van meningsuiting heeft plaatsgevonden.
Het hof heeft niet nader omschreven welke de inbreuk is die de huiszoeking
en inbeslagneming zouden hebben gemaakt op het door art. 8 EVRM gewaarborgde
recht op respect voor het privéleven en de correspondentie van onderscheidenlijk
Ostade Blade, Brugmans en Kallenberg en het heeft niet onderscheiden dat
het hierbij op zichzelf gaat om andere belangen dan die van de vrije nieuwsgaring,
welke in het kader van art. 10 EVRM aan de orde waren, maar zijn oordeel
omtrent de gerechtvaardigdheid van de gestelde inbreuk op art. 8 EVRM zonder
meer gebaseerd op zijn eerdere overwegingen. Waar blijkens het hiervoor in
3.9.3 - 3.9.5 overwogene het oordeel van het hof dat onvoldoende is gebleken
dat justitie het nagestreefde doel ook met minder ver gaande middelen had
kunnen bereiken en zijn oordeel dat de huiszoeking en inbeslagneming niet
disproportioneel waren, niet in stand kunnen blijven en de conclusie dat
geen ongeoorloofde inbreuk is gemaakt op het recht van vrije meningsuiting
dus nog niet kan worden getrokken, slaagt onderdeel 5.
3.11.1 Onderdeel 6 richt zich met vier klachten tegen rov. 11.3. Daarin
beoordeelt het hof of de onderhavige huiszoeking onevenredige, dat wil zeggen
buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico
vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende, schade
aan Ostade Blade c.s. heeft toegebracht.
3.11.2 De desbetreffende overwegingen van het hof komen op het volgende
neer. Indien Ostade Blade meent dat haar ten aanzien van de claimbrief een
journalistiek verschoningsrecht toekomt, dient zij daarop een beroep te doen.
Zodanig verschoningsrecht houdt niet in dat Ostade Blade de bevoegdheid heeft
de onderhavige claimbrief te vernietigen en deze aldus definitief aan het
bereik van justitie te onttrekken, nog voordat de rechter heeft beslist of
de claimbrief onder het verschoningsrecht viel. In het onderhavige geval
heeft Ostade Blade dat rechterlijk oordeel niet afgewacht en de claimbrief
op voorhand vernietigd, in plaats van de beschikking over de claimbrief te
behouden en zich te dien aanzien tegenover de rechter-commissaris te beroepen
op haar journalistieke verschoningsrecht. Dan zou de zaak zich hebben toegespitst
op de vraag of het beroep op het verschoningsrecht terecht werd gedaan. Het
is aannemelijk dat, zou Ostade Blade hebben gehandeld zoals zij had moeten
doen, de huiszoeking en inbeslagneming niet, dan wel op wezenlijk andere
en minder belastende wijze, zouden hebben plaatsgevonden. Daarom hebben Ostade
Blade en Kallenberg het in overwegende mate aan zichzelf te wijten dat de
huiszoeking en de inbeslagneming hebben plaatsgevonden op de wijze waarop
een en ander is geschied, zodat van onevenredige schade geen sprake is geweest.
3.11.3 De eerste klacht van het onderdeel bestrijdt als onjuist, althans
onbegrijpelijk de overweging van het hof dat Ostade Blade ten onrechte in
de veronderstelling verkeerde dat de claimbrief onder het journalistiek verschoningsrecht
viel. De klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat zij zich richt tegen
een passage die het oordeel van het hof niet draagt.
3.11.4 De tweede klacht betoogt dat het hof in rov. 11.3 ten onrechte, althans
onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de inbreuk op het verschoningsrecht in
een democratische samenleving noodzakelijk was. De klacht kan niet tot cassatie
leiden, omdat zij feitelijke grondslag mist. In de onderhavige overwegingen
heeft het hof niet geoordeeld dat de huiszoeking en inbeslagneming gerechtvaardigd
waren in de zin van art. 10 lid 2 EVRM wegens het bewust vernietigen van
de claimbrief, doch alleen beoordeeld of de bedoelde omstandigheid kan worden
aangemerkt als een die aan Ostade Blade kan worden toegerekend en meebrengt
dat van onevenredige schade geen sprake is. De enkele, ten overvloede gegeven,
verwijzing naar wat de rechter achteraf zou hebben geoordeeld indien de zaak
zich wel zou hebben toegespitst op het beroep op het verschoningsrecht, is
daarbij niet relevant.
3.11.5 De derde klacht gaat uit van de veronderstelling dat het hof heeft
geoordeeld dat het niet de journalist is die in eerste instantie beslist
of de claimbrief onder het journalistieke verschoningsrecht valt. Die veronderstelling
is niet juist. Het hof is ervan uitgegaan dat het Ostade Blade is die beslist
of zij een beroep doet op het verschoningsrecht, waarna het aan de rechter
is te oordelen of op grond van art. 10 lid 2 EVRM de inbreuk op de daardoor
gewaarborgde vrijheden gerechtvaardigd is. De klacht mist feitelijke grondslag.
3.11.6 De vierde klacht neemt tot uitgangspunt dat het hof heeft geoordeeld
'dat journalisten ook uit eigen beweging een rol in de opsporing hebben te
spelen en een soort medewerkings- of mededelingsplicht tegenover de politie
zouden hebben met betrekking tot zaken die de politie zouden kunnen interesseren'.
De klacht mist feitelijke grondslag. Zodanige algemene regel is in de overwegingen
van het hof niet te lezen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 11
december 2003;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere
behandeling en beslissing;
veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot
op deze uitspraak aan de zijde van Ostade Blade c.s. begroot op € 4.281,58
in totaal, waarvan € 4.137,58 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan
de Griffier, en € 144,- aan Ostade Blade c.s.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en
de raadsheren D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en
W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president
P. Neleman op 2 september 2005. Annotatie
De verhouding tussen doel en middelen
is nogal uit het oog verloren, vond de president van de rechtbank in 1996.
'Het heeft er meer van weg dat de claimbrief een aanleiding vormde om maar
eens een kijkje bij Ravage te nemen', overwoog hij. Dat was het begin van
deze zaak, die in dit blad op de voet is gevolgd. Bij het blad Ravage
eiser Ostade Blade is uitgever was in 1996 een brief binnen gekomen
waarin de actiegroep ELF (Earth Liberation Front) de verantwoordelijkheid
opeiste voor drie bomaanslagen in Arnhem in dat jaar en het jaar ervoor.
Het blad publiceerde dat via een persbericht, waarin het de publicatie in
het eerstvolgende nummer aankondigde. Kort daarop werd bij het blad met toestemming
van de rechtbank huiszoeking ter inbeslagneming verricht onder leiding van
de rechter-commissaris in strafzaken. De redactie of leden van de redactie
van het blad waren geen verdachten in de zaak van de bomaanslagen. Het was
het OM te doen om de claimbrief, maar die was inmiddels door de redactie
vernietigd. Bij de huiszoeking werden vier computers (waarop het abonneebestand,
adreslijsten en tal van andere redactiebescheiden), een telefoonklapper,
een schrijfmachine en andere zaken meegenomen. In een kort geding tegen de
Staat besliste de president van de rechtbank Den Haag dat de Staat onrechtmatig
had gehandeld. Hij wees een voorschot van 10.000 gulden op de schadevergoeding
toe. (Pres. Rb. Den Haag 4 december 1996, Mediaforum 1997-2, p. B31-B32).
Ravage begon ook een bodemprocedure
waarin het een schadevergoeding van ƒ 100.000 eiste. Deze eis werd afgewezen.
Volgens de Rb. Den Haag had de Staat niet onrechtmatig gehandeld: Rb. Den
Haag 4 februari 1998, Mediaforum 1998-7/8, nr. 37. Dat vonnis werd
door het hof bekrachtigd: Hof Den Haag 11 december 2003, Mediaforum
2004-2, nr. 3 en dat wordt nu door de Hoge Raad gecasseerd en de zaak wordt
verwezen naar Hof Amsterdam.
Huiszoeking en/of inbeslagneming van
journalistiek materiaal op redacties kunnen voorkomen op grond van drie verschillende
doeleinden, die ook worden onderscheiden in de Aanwijzing Toepassing dwangmiddelen
bij journalisten van de Procureurs-Generaal van 15 januari 2002, Stcrt.
2002, 46.
– In de eerste plaats kan justitie op zoek zijn naar een bron die de redactie
geheim wil houden op grond van het journalistiek verschoningsrecht. Het EHRM
heeft in de zaak-Goodwin geoordeeld dat het in strijd is met de informatievrijheid
als men een journalist dwingt zijn bron te onthullen tenzij er 'an overriding
requirement in the public interest' is (EHRM 27 maart 1996, NJ 1996,
577; Mediaforum 1996-5B69-B76). Dan moet men dat uiteraard niet kunnen
omzeilen door de bron in de stukken in het redactielokaal te willen achterhalen.
Het EHRM heeft in twee zaken beslist dat bescherming tegen huiszoeking met
dit doel uiteraard ook onder het brongeheim valt: EHRM 25 februari 2003,
Mediaforum 2003-4 nr. 20 (Roemen & Schmit); EHRM 15 juli
2003, nr. 33400/96 (Ernst) en onze eigen Hoge Raad ging ereveneens
vanuit in de zaak van de zipschijf bij De Telegraaf waarop gegevens
over de informanten van de krant stonden (HR 8 april 2003, Mediaforum
2003-6, nr. 29). Op de vraag of de claimbrief bij Ravage hier ook onder valt,
kom ik terug. Voorts is het de vraag of de andere inbeslaggenomen redactiebescheiden
onder deze noemer gebracht kunnen worden.
– In de tweede plaats kan justitie op zoek zijn naar materiaal waarover
een redactie beschikt dat kan bijdragen tot het opsporen van daders van strafbare
feiten. Dat is bijvoorbeeld het geval als justitie de beschikking wil krijgen
over videobanden die een redactie gemaakt heeft van rellen of andere ongeregeldheden.
De Hoge Raad vindt dat een dergelijke inbeslagneming weliswaar geen inbreuk
maakt op het journalistiek verschoningsrecht, maar dat de inbeslagneming
niettemin beoordeeld moet worden in het licht van de beperkingsclausules
van artikel 10 EVRM. Artikel 10 lid 1 van het EVRM strekt er volgens de Hoge
Raad toe de vrije nieuwsgaring door de pers te beschermen, maar de inbeslagneming
van de videobanden (in dat geval niet via een huiszoeking maar via een bevel
tot afgifte tot stand gekomen) vormt hooguit een indirecte inmenging in de
vrijheid van nieuwsgaring: HR 9 november 1999, Mediaforum 2000-1,
nr. 1. In de BBC-zaak heeft de voormalige Europese Commissie voor
de Rechten van de Mens evenmin de inbeslagneming van dergelijke videobanden
in strijd geoordeeld met artikel 10 (ECRM 18 januari 1996, D&R
1996, 84b, p. 129-134. Recent werden bij Omroep Brabant na huiszoeking ter
redactie videobanden in beslag genomen. Als de claimbrief en de andere redactiebescheiden
niet onder de bronbescherming vallen, dan horen zij thuis in deze categorie
waarin het gaat om materiaal voor het opsporingsonderzoek.
– Dan is er een derde mogelijkheid: Justitie verdenkt een journalist van
strafbare feiten en acht huiszoeking en inbeslagneming noodzakelijk (uiteraard
indien dat op grond van Strafvordering is toegestaan). Ik doel hier op strafbare
feiten die zijn begaan in het kader van de nieuwsgaring en de informatievoorziening.
Een voorbeeld is de zaak-Bluf! die leidde tot HR 17 november 1987,
NJ 1988, 394, HR 18 september 1989, NJ 1990, 94 en EHRM 9 februari
1995, Mediaforum 1995-3, p. B30-B34. Bij de inbeslagneming van videobanden
van rellen bij Omroep Brabant werd óók een band inbeslaggenomen
waarin de redactie opnamen van de huiszoeking zélf maakte! Men kan
zich afvragen of dat een strafbaar feit was. Ik laat hier uiteraard delicten
buiten beschouwing die geen enkel verband hebben met de informatievoorziening
of de nieuwsgaring (bijvoorbeeld een journalist die zijn vrouw vermoord heeft).
In de onderhavige procedure bestreed
de Staat dat de claimbrief onder de bronbescherming viel. Inderdaad zou men
kunnen stellen dat bronbescherming alleen geldt als een journalist aan een
bron vertrouwelijkheid heeft toegezegd en niet in het geval men anoniem,
ongevraagd en zonder vertrouwelijkheid te bedingen aan een redactie iets
toestuurt. Ik denk hierbij ook aan de ongevraagd aan Weekend toegespeelde
foto's van Karin Bloemen, ten aanzien waarvan de redactie volgens Hof Amsterdam
(5 augustus 2004, Mediaforum 2004-10, nr 35) geen bronbescherming
toekomt en waartegen cassatie is ingesteld. Het hof ging er in de onderhavige
zaak vanuit dat het brongeheim aan de orde was en stelde de huiszoeking te
zullen toetsen aan de criteria die het EHRM in de zaak-Roemen & Schmit
had ontwikkeld. De A-G vindt dat de bronbescherming niet kan worden beperkt
tot het geval dat de informant geheimhouding is toegezegd. Dat verdraagt
zich niet met de abstracte inschatting waarop de rechtspraak van het EHRM
is gebouwd, namelijk dat informanten van de journalist zullen worden afgeschrikt,
wanneer zij niet op vertrouwelijkheid kunnen rekenen, in de Straatsburgse
terminologie het potentially chilling effect . Ook dat met het toezenden
van de claimbrief de publiciteit werd beoogd, is volgens de A-G niet van
belang; 'het bronbeschermingsrecht is er niet in het belang van de bron zelf:
het beschermt de relatie tussen de journalist en zijn bronnen en de, in beginsel
door de journalist te beoordelen, nieuwswaarde van de informatie' (par. 3.2
en 3.3). De Hoge Raad laat het in het midden of hier het verschoningsrecht
aan de orde is. Volgens de Hoge Raad wettigen de door de Staat aangevoerde
omstandigheden niet reeds op voorhand dat de inbreuk op de vrijheid van nieuwsgaring
noodzakelijk was in een democratische samenleving. Anders gezegd, ook in
ándere gevallen maakt huiszoeking ter redactie inbreuk op de vrijheid
van nieuwsgaring. Dat hangt volgens de Hoge Raad samen met het ingrijpende
karakter van een huiszoeking (tegenwoordig 'doorzoeking') als de onderhavige,
waardoor toegang wordt verkregen tot andere, mogelijk door artikel 10 EVRM
beschermde, gegevens (r.o. 3.5). Dit is geheel overeenkomstig het standpunt
van het EHRM, dat in de zaak-Roemen & Schmit had overwogen, dat
huiszoekingen een zwaardere inmenging opleveren dan een journalist dwingen
zijn bron te noemen, omdat de huiszoeking toegang geeft tot alle zich onder
de journalisten bevindende documenten. Daarmee geeft de Hoge Raad in elk
geval aan net als de A-G de bronbescherming en het redactiegeheim niet te
willen beperken tot het geval geheimhouding beloofd is. Huiszoeking is een
veel ingrijpender maatregel dan bijvoorbeeld een bevel tot uitlevering van
bepaalde gegevens (of gegevensdragers). Daarmee is niet de vraag beantwoord
of de redactie zich met succes op het brongeheim had kunnen beroepen als
volstaan was met een bevel tot uitlevering van de claimbrief. Evenzeer blijft
de vraag onbeantwoord of in dat geval het verschoningsrecht uitzondering
zou moeten lijden vanwege de ernst van de feiten, dat wil zeggen dat het
doel, de opsporing van daders van bomaanslagen, an overriding requirement
in the public interest zou opleveren.
De overwegingen van de Hoge Raad over
het ingrijpende karakter van een huiszoeking ter redactie kunnen zo in de
eerstvolgende editie van de Aanwijzing Toepassing dwangmiddelen bij journalisten
worden overgenomen. Want de consequentie zal zijn dat justitie eerst moet
nagaan of er andere opsporingsmogelijkheden zijn en, als dat niet het geval
is, bij de desbetreffende redactie eerst een bevel tot uitlevering zal moeten
proberen. Bovendien bestaat dan de mogelijkheid op verzoek van de redactie
de desbetreffende gegevensdrager te verzegelen, zodat eerst een mogelijk
beklag tegen de inbeslagneming op grond van de vrijheid van nieuwsgaring
kan worden afgewacht. In vervolg op genoemde Aanwijzing hebben de Procureurs-Generaal
overigens reeds in 2002 in een brief aangegeven, dat bij inbeslagneming van
journalistiek materiaal in beginsel het medium in de gelegenheid wordt gesteld
het materiaal verzegeld over te dragen. In afwachting van een rechterlijke
uitspraak op een beklag, zal dat materiaal niet door het OM worden onderzocht.
Waar dit nog niet overal beleid was omroep Brabant? zal dat
voortaan toch haast onontkoombaar zijn.
Reeds vanwege de hierboven vermelde
overwegingen van de Hoge Raad is dit een belangrijk arrest. Maar het arrest
is ook om andere redenen van belang. In de eerste plaats herhaalt de Hoge
Raad, wat hij reeds in het arrest inzake de videobanden had gesteld maar
hij doet het thans nog duidelijker, namelijk dat artikel 10 lid 1 EVRM óók
de vrijheid van nieuwsgaring beschermt en dus een inbreuk op die vrijheid
net als een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting slechts gerechtvaardigd
kan zijn als voldaan is aan de beperkingsclausules van artikel 10 lid 2 EVRM.
Daarbij wordt de vrijheid van nieuwsgaring niet beperkt tot de bronbescherming
van de journalist (r.o. 3.3.2). Voorzover er nog twijfels waren over de vrijheid
van nieuwsgaring omdat artikel 10 lid 1 EVRM wél het 'ontvangen' noemt,
maar niet het 'garen', zijn die nu niet alleen door het EHRM weggenomen,
maar ook door onze eigen Hoge Raad.
De Hoge Raad gaat in de onderhavige
zaak uit van de niet in cassatie bestreden constatering van
het hof dat de inslagneming een inbreuk inhield op de door artikel 10 lid
1 ERVRM beschermde rechten. Dit arrest is niet vanwege die vaststelling van
belang maar omdat de Hoge Raad opnieuw na de zaak van de zipschijf
de toets aan artikel 10 lid 2 zeer serieus blijkt te nemen. Men kan
niet zoals nog in de zaak-Bluf! volstaan met te stellen
dat de bevoegdheid in het Wetboek van Strafvordering gegeven is, men zal
de noodzakelijkheid van de maatregel moeten stellen en bewijzen. Dat wil
zeggen dat men moet aantonen dat de maatregel in verhouding staat tot het
te bereiken doel (proportionaliteit) en dat er geen andere, minder ver gaande
mogelijkheden waren om het doel te bereiken (subsidiariteit). In de zipschijfzaak
had het Openbaar Ministerie gesteld, dat de rechter er van moest uitgaan
dat het Openbaar Ministerie moet worden geacht te hebben gehandeld in overeenstemming
met het subsidiariteitsbeginsel. Anders gezegd: als het OM stelt dat inbeslagneming
nodig is, dan is dat ook zo. Daar was de rechtbank volgens de Hoge Raad terecht
niet in meegegaan. Het OM moest de noodzaak aannemelijk maken. Nu zegt de
Hoge Raad hetzelfde ten aanzien van de beslissing van de rechter-commissaris
die, toen de claimbrief niet op de redactie aanwezig bleek, het nodig vond
om het overige ter redactie aanwezige materiaal te doorzoeken en voor verder
onderzoek mee te nemen. Volgens de Hoge Raad is het hof ten onrechte van
de veronderstelling uitgegaan dat de stelplicht en bewijslast met betrekking
tot het bestaan van minder ingrijpende middelen dan de huiszoeking en inbeslagneming
zonder meer op Ostade Blade rusten (r.o. 3.9.2 - 3.9.5 in samenhang met het
in r.o. 3.3.3 neergezette uitgangspunt). De Staat zal de zaak is terugverwezen
naar Hof Amsterdam moeten aantonen dat de maatregelen nodig waren
in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM.
Een van de cassatiemiddelen richt
zich tegen de overweging van het hof dat de inbreuk op de vrijheid van nieuwsgaring
gerechtvaardigd moet zijn 'door een onloochenbare behoefte in het algemeen
belang', hetgeen niet de zwaarwegendheid zou aangeven die het EHRM eist met
de woorden 'an overriding requirement in the public interest'. De Hoge Raad
wuift dit weg: 'In de overweging van het hof ligt onmiskenbaar besloten dat
het hof bij zijn toetsing het door het EHRM geformuleerde vereiste voor ogen
heeft gehad' (r.o. 3.8.1). Dat is een vriendelijke manier om te zeggen dat
het hof een wel erg vrije vertaling hanteerde. Zie daaromtrent ook de conclusie
van de A-G: Onloochenbaar betekent: niet te ontkennen of ontegenzeggelijk.
De term overriding requirement geeft een gradatie aan en duidt op
een uitermate zwaarwegend belang' (par. 3.16)
Tot de doelcriteria van artikel 10
lid 2 EVRM behoren de openbare veiligheid en het voorkomen van strafbare
feiten. Niet het opsporen van strafbare feiten. De Hoge Raad is hier m.i.
terecht geen letterknecht. Het opsporen van (de daders van) bomaanslagen
dient de openbare veiligheid en het voorkomen van andere strafbare feiten.
De Hoge Raad noemt de grens tussen opsporen en voorkomen een vloeiende.
Moet een journalist die een claimbrief
als de onderhavige krijgt, niet eigenlijk als coöperatief burger naar
de politie stappen en de brief overhandigen? Had de redactie niet in elk
geval de brief moeten bewaren in afwachting van een rechterlijk oordeel over
de vraag of de bronbescherming in casu van toepassing was? Deze vragen zijn
aan de orde bij de overwegingen van het hof of de redactie van Ravage de
mogelijke schade niet eigenlijk aan zichzelf te wijten heeft (r.o. 3.11.1
e.v.). De vragen worden echter niet beantwoord omdat de desbetreffende cassatiemiddelen
worden verworpen vanwege onjuiste lezing van wat het hof heeft uitgesproken.
De kwestie van de schadevergoeding komt opnieuw aan de orde als het hof waarnaar
verwezen is, tot de conclusie komt dat de huiszoeking en inbeslagneming in
strijd waren met artikel 10 lid 2 EVRM. Los daarvan vind ik dat een journalist
die kennis heeft van voorgenomen zware geweldsmisdrijven en zeker van terroristische
aanslagen niet alleen als burger maar ook op grond van zijn beroepsethiek
de politie moet verwittigen. Het ontvangen van een claimbrief is iets anders.
Het zegt iets over een gepleegd misdrijf en de brief aan de politie overhandigen
kan niet direct nieuwe aanslagen voorkomen, hooguit de opsporing helpen.
Een journalist die met een claimbrief naar de politie stapt handelt mijns
inziens niet in strijd met zijn beroepsnormen, al kan ik mij ter onderbouwing
van dit standpunt niet beroepen op een of ander document of gezaghebbende
uitspraak van de Raad voor de Journalistiek. (Zie hierover ook E. Prakken,
'Justitiële versus journalistieke waarheidsvinding. Over bronbescherming
en non-bescherming van journalistiek materiaal', NJB 2004-12, p. 620-626).
Het ANP liet zich in 1989 de uitlevering van een dergelijke claimbrief bevelen
(Rb. Den Haag 15 oktober 1989, Mediaforum 1990-1, p. 9-10). Wil echter
een journalist een claimbrief niet zo maar afgeven (bijvoorbeeld omdat hij
denkt daardoor afgesloten te worden van potentiële bronnen van informatie)
dan wil dat nog niet zeggen dat hij de samenleving op ongeoorloofde wijze
blootstelt aan groot gevaar en dat men een dergelijke redactie met een huiszoeking
en inbeslagneming van het redactiemateriaal kan bestoken.
Zijn we nu weer terug bij AF, ik
bedoel het eerste kort-gedingvonnis waarbij de president vond dat de verhouding
tussen doel en middelen uit het oog waren verloren? Nee, zover is het nog
niet. De Staat krijgt een nieuwe kans om de noodzaak (in het licht van de
eisen van proportionaliteit en subsidiariteit) tot genoegen van de feitenrechter
aan te tonen. Ik ben benieuwd of het zal lukken te voldoen aan de strenge
eis die de Hoge Raad in navolging van het EHRM nu heeft neergezet. Voorlopig
heb ik nog geen omstandigheden aangevoerd gezien die mijn instemming met
het oordeel van de kortgedingrechter hebben doen wijzigen.
|