De bewijspositie van OPTA en de rechterlijke toetsing van besluiten inzake aanmerkelijke marktmacht
Verschenen in: Mediaforum, 2005-6, p. 221-229.

A.T. Ottow * 


De aanwijzingsbevoegdheid aanmerkelijke marktmacht vormt onder het nieuwe telecommunicatierecht een belangrijk reguleringsinstrument voor OPTA. De aanwijzing doet voor OPTA de bevoegdheid ontstaan tot het opleggen van specifieke ex ante verplichtingen. [1] In dit artikel wordt onderzocht wat de bewijspositie van OPTA bij dergelijke besluiten is en op welke wijze de rechterlijke toetsing van deze besluiten mogelijk gaat plaatsvinden.

Inleiding

Het leveren van bewijs ziet op het aanleveren van feiten en materiaal op grond waarvan een besluit door het bestuursorgaan kan worden gestaafd. Daarbij gaat het voor een belangrijk deel om de feitenvaststelling en beoordeling van deze feiten. In de systematiek van het bestuursrecht vindt de feitenvaststelling plaats door het bestuursorgaan. Artikel 3:2 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de feiten en de af te wegen belangen. Op het bestuursorgaan ligt een onderzoeksplicht alvorens het de feiten kan vaststellen. De bestuursrechter beoordeelt vervolgens of het bestuur heeft voldaan aan alle verplichtingen die voortvloeien uit artikel 3:2 Awb en de wijze waarop het bestuur met het bewijs is om gegaan. Bij de toetsing door de bestuursrechter ligt reeds een gezaghebbend oordeel van het bestuursorgaan over de feiten voor, die de rechter als uitgangspunt voor zijn rechterlijke toetsing neemt.[2] De bestuursrechter toetst de bestuurlijke feitenvaststelling slechts op rechtmatigheid. Dit vormt een belangrijk verschil met bijvoorbeeld het civiele recht, waarbij de marge om voor de burgerlijke rechter over de feiten te strijden dan ook veel breder is dan in het bestuursrecht. De bestuursrechter toetst binnen deze rechtmatigheidstoetsing het verrichte feitenonderzoek slechts marginaal indien bij deze feitenvaststelling en kwalificatie van de feiten sprake is van beoordelingsvrijheid [3] aan de zijde van het bestuursorgaan. In dat geval heeft het bestuursorgaan zelf de vrijheid om vast te stellen welke feiten het rechtsfeit opleveren. De aanwezigheid van beoordelingsvrijheid is in deze systematiek dus tevens van invloed op de omvang van het te leveren bewijs en daarmee op de bewijspositie van het betrokken bestuursorgaan. Aangezien in het geval van beoordelingsvrijheid het bestuursorgaan in belangrijke mate zelf bepaalt welke feiten het rechtsfeit opleveren, kan hij in een casus door de concrete invulling van deze feiten zelf zijn bewijspositie beïnvloeden.[4]

Nauw samenhangend met de vaststelling van de feiten en (de vergaring van) bewijs, betreft de verplichting van het bestuursorgaan tot motivering van het besluit (artikel 3:46 Awb). [5] Hoe ver de motiveringsplicht strekt, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen geldt voor besluiten dat ze moeten berusten op een deugdelijke motivering en dat die motivering moet worden vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Is een besluit genomen met toepassing van een beleidsregel, dan geldt een lichtere motiveringsplicht en kan worden volstaan met verwijzing naar die beleidsregel. In elk geval dient het besluit de wettelijke voorschriften te bevatten waarop de beschikkingsbevoegdheid berust en moeten deze op de juiste wijze zijn geïnterpreteerd en toegepast. De redenering die tot de conclusie leidt over de toepassing van de wettelijke bevoegdheden dient correct en overtuigend te zijn. [6] Het feitenonderzoek, (de) bewijs(last) en de motiveringsplicht zijn aspecten van de besluitvorming die dicht tegen elkaar aanliggen en in de praktijk niet altijd duidelijk worden onderscheiden. In sommige gevallen benadert de rechter de problematiek vanuit het motiveringsbeginsel, in andere gevallen wordt een bewijslast bij de toezichthouder gelegd, waarbij het bewijs – in de visie van de rechter - onvoldoende is geleverd. In andere zaken lopen deze aspecten in elkaar over, zonder dat zij expliciet worden onderscheiden. In de praktijk toetst de rechter veelal direct aan het motiveringsvereiste, zonder daarbij de onderliggende feiten inhoudelijk te toetsen. Indien het besluit niet wordt gedragen door de door het bestuursorgaan aangedragen feiten, zal het besluit alleen al om die reden sneuvelen, zonder dat daarbij de feiten separaat zijn onderzocht.

In dit artikel zal worden geanalyseerd op welke wijze de beoordelingsvrijheid, de bewijslast en het motiveringsbeginsel een rol spelen bij de rechterlijke toetsing van de aanwijzingsbesluiten van OPTA. Daarbij zal in de eerste plaats het (rechts)karakter van de aanwijzingsbesluiten aanmerkelijke marktmacht onder de loep worden genomen en de parallellen tussen deze besluiten en concentratiebesluiten worden geanalyseerd. Vervolgens worden de aspecten van beoordelingsvrijheid, bewijs en rechterlijke toetsing van deze besluiten besproken.

Het aanwijzingsinstrument

In de eerste plaats dient te worden vastgesteld uit welke onderdelen de besluitvorming van OPTA bestaat en welke (rechts)feiten daarbij door OPTA dienen te worden onderzocht. Het aanwijzingsbesluit is opgebouwd uit diverse beslismomenten, die in de Telecommunicatiewet worden onderscheiden:

(i) bepaling van de relevante markt: artikel 6a.1, lid 1 en lid 2 Tw;
(ii) onderzoek van de vastgestelde markten: artikel 6a.1, leden 3-5 Tw;
(iii) vaststelling aanmerkelijke marktmacht: artikel 6a.2, lid 1 Tw;
(iv) opleggen van specifieke verplichtingen: artikel 6a.3, lid 1 sub a-c Tw.

Onder de oude Telecommunicatiewet werden deze onderdelen in artikel 6.4 Tw (oud) niet onderscheiden. De aanwijzing kon slechts plaatsvinden conform reeds in de wet vastgelegde markten en de verplichtingen vloeiden reeds voort uit de wet nadat OPTA de betrokken onderneming had aangewezen.

Ad (i) Marktafbakening

Op basis van Aanbeveling van de Europese Commissie aangaande de product- en dienstenmarkten [7] (de Aanbeveling) en de beginselen van het Europese mededingingsrecht, door de Commissie neergelegd in de Richtsnoeren marktanalyse en marktmacht (de Richtsnoeren) [8], dient OPTA de relevante markten “te bepalen”. Deze marktvaststelling (afbakening) heeft belangrijke gevolgen voor de verdere besluitvorming van OPTA. De positie van de betrokken partijen wordt hierdoor rechtstreeks beïnvloed. Hun positie op de betrokken markt is in grote mate afhankelijk van de door OPTA vastgestelde reikwijdte van de markt.

Ad (ii) daadwerkelijk concurrerend

OPTA dient krachtens artikel 6a.1, lid 5 Tw te onderzoeken of de desbetreffende, geïdentificeerde markt “al dan niet daadwerkelijk concurrerend is en of hierop ondernemingen (…) actief zijn die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht”. De term “al dan niet daadwerkelijk concurrerend” wordt in de Telecommunicatiewet niet gedefinieerd en is afkomstig uit artikel 16, lid 4 Kaderrichtlijn. Niet duidelijk is of deze term nog een zelfstandige betekenis heeft naast de aanwezigheid van een aanmerkelijke marktmacht. Of anders gezegd: of slechts dient te worden onderzocht of op de betrokken markt sprake is van een aanmerkelijke marktmacht (lees: economische machtspositie) en indien dit het geval is of daarmee kan worden vastgesteld dat de markt niet daadwerkelijk concurrerend is. Lid 4 van artikel 16 Kaderrichtlijn luidt als volgt:

“Wanneer een nationale regelgevende instantie vaststelt dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, gaat zij na welke ondernemingen op die markt een aanmerkelijke marktmacht (…) hebben (…).”

De tekst lijkt op een separate toets te duiden. Eenzelfde conclusie lijkt te kunnen worden getrokken uit overweging 27 van de Kaderrichtlijn. In de Aanbeveling wordt echter verder geen aandacht meer aan dit criterium gegeven, hetgeen lijkt te veronderstellen dat na afbakening van de relevante markt, direct kan worden onderzocht of sprake is van een onderneming met aanmerkelijke marktmacht op de afgebakende markt. Indien dit het geval is, kan de conclusie niet anders zijn dan dat de betrokken markt niet daadwerkelijk concurrerend is. Dit onderdeel lijkt dus samen te vallen met het onderzoek naar de vraag of sprake is van een aanmerkelijke marktmacht. [9] Dit laatste criterium is krachtens artikel 14 Kaderrichtlijn en artikel 1.1, sub s Tw gelijkgesteld met het begrip economische machtspositie, zoals dit in het algemene mededingingsrecht wordt gehanteerd.

Ad (iii) aanwijzing aanmerkelijke marktmacht

Indien OPTA tot de conclusie komt dat een ondernemingen of meerdere ondernemingen beschikken over een aanmerkelijke marktmacht, dient zij de betrokken onderneming(en) als zodanig aan te wijzen: artikel 6a.2, lid 1 aanhef Tw. Gezien de tekst van dit wetsartikel is OPTA verplicht tot een aanwijzing over te gaan indien zij tot de conclusie komt dat sprake is van een aanmerkelijke marktmacht (lees: economische machtspositie). OPTA stelt door middel van de aanwijzing vast welke onderneming over een aanmerkelijke marktmacht beschikt.

Ad (iv) opleggen van de passende verplichtingen

Vervolgens dient OPTA krachtens artikel 6a.2, lid 1, sub a-c Tw te bepalen welke passende verplichtingen dienen te worden opgelegd. In artikel 6a.2, lid 3 Tw is bepaald wanneer sprake is van “passende verplichtingen”. Of deze aanwijzing automatisch leidt tot het opleggen van verplichtingen, is niet geheel duidelijk. Ten aanzien van deze bevoegdheid lijkt sprake te zijn van een kan-bepaling. Immers, OPTA legt deze verplichtingen op “voor zover passend” (artikel 6a.2, lid 1, sub a en 6a.2, lid 3 Tw). In de Richtsnoeren [10] geeft de Commissie aan dat de nationale toezichthouder ten minste één wettelijke verplichting oplegt. Het aanwijzen van een onderneming als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht op een bepaalde markt zonder wettelijke verplichtingen op te leggen acht de Commissie niet verenigbaar met de bepalingen van het nieuwe regelgevingskader, in het bijzonder artikel 16, lid 4 Kaderrichtlijn.

Aanwijzings- en concentratiebesluiten vergeleken

Beziet men deze vier onderdelen van het aawijzingsbesluit, dan vertoont dit besluit gelijkenissen met een besluit van de d-g NMa inzake concentraties. In de Memorie van Toelichting op de Telecommunicatiewet wordt eveneens een parallel getrokken met het toezicht op het tot stand brengen van concentraties. In de toelichting wordt aangegeven, dat nu OPTA de aanwijzingen dient te verrichten conform de regels van het generieke mededingingsrecht, de analyse van OPTA lijkt op de analyses die door de NMa dienen te worden uitgevoerd bij de toetsing van concentraties op grond van de Mededingingswet. [11] De toetsing bij aanmerkelijke marktmacht is er op gericht het bestaan van een economische machtspositie vast te stellen, bij het concentratietoezicht ziet de toetsing op het voorkomen van het ontstaan respectievelijk het versterken van een economische machtspositie. [12] De gelijkenis betreft niet alleen de wijze van marktanalyse en de vaststelling van een economische machtspositie (aanmerkelijke marktmacht), doch ook het opleggen van verplichtingen (in het kader van de concentratietoets de aan de vergunning verbonden voorschriften). [13] In beide gevallen is sprake van een zogenaamde prospectieve toetsing: voor beide besluiten geldt dat de betrokken autoriteit een inschatting moet maken van toekomstige marktverhoudingen, -omstandigheden en –ontwikkelingen. Hoewel in het geval van een concentratiebesluit de analyse van toekomstige ontwikkelingen in sterkere mate aanwezig is (er dient een inschatting te worden gemaakt van de effecten die een concentratie zou kunnen hebben op de markt), dient ook OPTA in het geval van het aanwijzingsbesluit te bezien welke ontwikkelingen zich mogelijk in de (nabije) toekomst voordoen om (met name) te kunnen beoordelen of een sterke positie van de betrokken onderneming wellicht onder (concurrentie)druk staat, waardoor deze onderneming zich niet onafhankelijk op de markt kan gedragen. In het geval van de aanwijzing aanmerkelijke marktmacht gaat het om een actuele analyse van de positie op de relevante markt, doch dient rekening te worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen. [14] Daarbij moet onder meer de vraag worden beantwoord in hoeverre het waarschijnlijk is dat ondernemingen die momenteel niet actief zijn op de relevante productmarkt, op middellange termijn kunnen besluiten tot die markt toe te treden, na een kleine, maar significante, duurzame prijsverhoging. [15] In de Richtsnoeren wijst de Europese Commissie op dit aspect van de besluitvorming:

75. (…), wordt het bestaan van een machtspositie aangetoond aan de hand van een aantal criteria en een dergelijke beoordeling is, (…) gebaseerd op een prospectieve marktanalyse uitgaande van de geldende marktvoorwaarden.” (cursivering toegevoegd, ATO)

De Commissie benadrukt verder dat de aanmerkelijke marktmacht-toetsing door dit prospectieve karakter dient te worden onderscheiden van de analyse die bij een misbruik van een economische machtspositie wordt gemaakt. In het geval van artikel 82 EG-verdrag (en in parallel daarmee artikel 24 Mw) vindt de toetsing achteraf (ex post) plaat. [16] In het geval van een concentratie gaat het om een voornemen, dus hypothetische analyse van de mogelijke effecten van de aangemelde transactie. Doch ook in het geval van het onderzoek naar het mogelijk bestaan van een aanmerkelijke marktmacht, is eveneens (gedeeltelijk) sprake van een hypothetische toetsing. Immers, een zogenaamde green field approach dient plaats te vinden. Bij de green field approach dient de nationale toezichthouder de vraag te stellen wat de mededingingssituatie op de betrokken markt zou zijn bij gebreke van de bestaande ex ante regulering:

“A green field analysis should examine whether the market conditions that would prevail in the absence of regulation would indeed reflect those characteristics of the existence of effective competition in the relevant market.” [17]

Indien zonder de bestaande ex ante regulering geen sprake zou zijn van daadwerkelijke concurrentie is dit een belangrijke indicatie dat de betrokken onderneming beschikt over een aanmerkelijke marktmacht.

Gezien de gelijkenissen die bestaan tussen de besluitvorming inzake aanmerkelijke marktmacht en concentraties, ligt een vergelijking tussen beide soorten besluiten dan ook voor de hand. Bij de analyse van de beoordelingsvrijheid, de bewijspositie van OPTA en de rechterlijke toetsing van de aanwijzingsbesluiten zal een belangrijke parallel worden getrokken met de concentratiebesluiten. Bij deze werkwijze dient evenwel twee kanttekeningen te worden geplaatst. In de eerste plaats is het doel van beide reguleringsinstrumenten een andere. Bovendien vindt het toezicht binnen een andere institutionele context plaats. Bij de beoordeling van een aanmerkelijk marktmacht-besluit ziet de toetsing op een besluit van een nationale toezichthouder op grond van Nederlands recht (waarbij wel sprake is van onderliggende Europese richtlijnen), bij een Nederlands concentratiebesluit is eveneens sprake van een Nederlandse toezichthouder doch het besluit is gebaseerd op Nederlandse recht (wat wel enige gelijkenissen bevat doch geen implementatie vormt van het Europese recht) en bij een Europees concentratiebesluit is sprake van een Europese toezichthouder die een besluit neemt direct op grond van het Europese recht (een verordening). Deze institutionele verschillen kunnen van invloed zijn op de wijze waarop de beoordeling van de diverse nationale en Europese besluiten geschiedt, ondanks de materieelrechtelijke gelijkenissen. De beoordeling van de aanwijzingsbesluiten van OPTA vindt plaats binnen de nationale context en niet op Europees niveau. In hoeverre de Nederlandse bestuursrechter met de wijze van beoordeling door de Europese rechter van Europese besluiten en de Nederlandse jurisprudentie over Nederlandse concentratiebesluiten (zij het van dezelfde bestuursrechter) rekening zal houden, valt dus te bezien. [18] In dit artikel wordt ervoor gepleit dat gezien de materiële gelijkenissen tussen beide besluiten en het feit dat in het geval van een aanwijzingsbesluit in de toepasselijke richtlijnen sprake is van een directe koppeling met het Europese mededingingsrecht, de Nederlandse rechter met de Europese jurisprudentie rekening dient te houden, zonder daarbij evenwel de verschillen tussen beide reguleringsinstrumenten uit het oog te verliezen.

Beoordelingsvrijheid

Zoals aangegeven, is in het bestuursrecht de aanwezigheid van beoordelingsvrijheid van invloed op de omvang van het te leveren bewijs door het betrokken bestuursorgaan en bepaalt het de intensiteit van de rechterlijke toetsing. In het geval van aanwijzingsbesluiten aanmerkelijke marktmacht dient dan ook te worden onderzocht of sprake is van (een zekere mate van) beoordelingsvrijheid aan de zijde van OPTA. In de Memorie van Toelichting op de gewijzigde Telecommunicatiewet komt dit aspect niet aan de orde. De wetgever gaat niet op dit aspect van de bevoegdheden van OPTA in. Dit in tegenstelling tot de Commissie, die hier uitdrukkelijk op wijst. In de Richtsnoeren merkt de Commissie over deze bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties op:

22. Bij de uitoefening van hun regelgevingstaken uit hoofde van de artikel 15 en 16 van de Kaderrichtlijn genieten de NRI's een aanzienlijke discretionaire bevoegdheid die de complexiteit van het geheel van onderling verband houdende (economische, feitelijke en juridische) factoren weerspiegelt voor het aanwijzen van de relevante markten en eventueel de ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht. Deze discretionaire bevoegdheden blijven evenwel onderworpen aan de procedures van de artikelen 6 en 7 van de Kaderrichtlijn.” (cursivering toegevoegd ATO)

De Commissie gaat uit van “aanzienlijke discretionaire bevoegdheden” van de nationale toezichthouders. Op welke wijze dient deze kwalificatie te worden vertaald naar termen van het Nederlandse bestuursrecht? Nu – zoals is geconstateerd - de aanwijzings- en concentratiebesluiten belangrijke gelijkenissen vertonen, kan voor de beantwoording van deze vraag in de eerste plaats te rade te worden gegaan bij jurisprudentie ten aanzien van de bevoegdheden van de d-g NMa bij zijn besluitvorming inzake concentraties. De bestuursrechter heeft zich in het kader van de Mededingingswet reeds verschillende malen uitgelaten over de vraag of de d-g NMa bij de totstandkoming van concentratiebesluiten over (een zekere mate van) beoordelingsvrijheid beschikt en de wijze van rechterlijke toetsing. De bestuursrechter van de rechtbank Rotterdam en het CBB hebben in hun uitspraken een oordeel gegeven over de volgende onderdelen van een concentratiebesluit van de d-g NMa: (i) de afbakening van de relevante markt (de zaak Wegener), (ii) de beoordeling van de concentratie (de zaak Essent) en (iii) de aan de vergunning verbonden voorschriften (de zaak Wegener). [19] In de zaak Wegener geeft de rechtbank, [20] aan dat de d-g NMa over een “zekere beoordelingsruimte” [21] beschikt. Hoewel dit niet expliciet wordt gesteld, lijkt het CBB [22] zich bij de toetsing van de afbakening de relevante markt terughoudender op te stellen dan de rechtbank, hetgeen lijkt te duiden op een grotere mate van beoordelingsvrijheid van de d-g NMa ten aanzien van de marktafbakening. Ten aanzien van de op te leggen verplichtingen (de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen) is de beoordelingsmarge van de d-g NMa mogelijk beperkter. Hierbij zou sprake zijn van een “gebonden beschikkingsbevoegdheid”, waarbij wel enige discretionaire ruimte is, zij het beperkt. [23] In de zaak Essent [24] komen de marktafbakening noch de voorschriften aan de orde, doch de vraag of de d-g NMa terecht had geoordeeld dat sprake was van een “significante belemmering van de mededinging” in de zin van artikel 41, lid 2 Mw. Het CBB gaat echter in deze zaak niet specifiek op dit aspect in, doch geeft in meer algemene zin aan dat de d-g NMa een “zekere beoordelingsvrijheid heeft bij de waardering van de economische feiten en omstandigheden in het licht van de bepalingen van de Mw”. De overwegingen van het CBB in de zaak Essent sluiten aan bij de arresten van het Gerecht van Eerste Aanleg [25] en het Hof van Justitie [26] in de zaak Tetra Laval aangaande een toetsing van een concentratiebesluit van de Commissie op grond van Verordening139/2004 [27] . Zowel het Gerecht van Eerste Aanleg als het Hof van Justitie erkennen dat de Commissie over een zekere discretionaire bevoegdheid beschikt, met name op het punt van de economische beoordelingen, en geven aan dat de rechter bij zijn beoordeling van het besluit rekening dient te houden met de “beoordelingsmarge” [28] die in de economische normen van de concentratieregulering besloten ligt. [29]

Welke conclusies zouden uit deze uitspraken kunnen worden getrokken ten aanzien van de beoordelingsvrijheid van OPTA in het geval van aanwijzingsbesluiten aanmerkelijke marktmacht? Indien de Nederlandse rechter bij de toetsing van deze besluiten van OPTA de Nederlandse en Europese jurisprudentie ten aanzien van concentratiebesluiten als uitgangspunt zou nemen, dan beschikt OPTA voor de verschillende onderdelen van de besluitvorming over een zekere mate van beoordelings vrijheid. [30] Hoe ver deze vrijheid precies reikt, valt evenwel moeilijk uit deze zaken af te leiden. De beoordelingsvrijheid lijkt groter bij de afbakening van de relevante markt en de vaststelling van een economische machtspositie dan bij het opleggen van de verplichtingen. Indien OPTA evenwel bij deze beoordeling tot de conclusie komt dat sprake is van een aanmerkelijke marktmacht, is OPTA krachtens de wettekst verplicht tot een aanwijzing over te gaan en tenminste één verplichting op te leggen. Hierbij is derhalve sprake van een gebonden bevoegdheid. Bij de beantwoording van de vraag welke verplichtingen in het concrete geval als passend dienen te worden beschouwd, beschikt OPTA over een zekere mate van beoordelingsvrijheid. De vraag is evenwel welke juridische deze conclusie hieraan moet worden verbonden. Op deze vraag zal in de volgende paragrafen een antwoord worden gezocht.

Toepasselijke bewijsregels

Nu de aanwijzingsbevoegdheid van OPTA een ambtshalve bevoegdheid betreft en geen besluit op aanvraag is, rust de bewijslast in beginsel op het bestuursorgaan zelf. [31] OPTA dient aan te tonen wat de relevante markt is, dat de betrokken onderneming over een aanmerkelijke marktmacht beschikt en wat in dezen de passende verplichtingen [32] zijn. Indien OPTA de verplichting tot kostenoriëntatie aan de betrokken onderneming oplegt, is het vervolgens aan deze onderneming om aan te tonen dat haar tarieven “werkelijk kostengeoriënteerd zijn” (zie artikel 6a.7, lid 3 Tw). In dat laatste geval vindt een omkering van de bewijslast plaats.

Vervolgens is evenwel de vraag wat de omvang van de bewijslast is of anders gezegd wat is het vereiste bewijsniveau (in de Engelse literatuur aangeduid als de standard of proof [33]) dat door OPTA dient te worden aangeleverd ter staving van haar besluitvorming? Het aspect van de prospectieve toetsing vormt hierbij een lastig aspect, zowel voor de d-g NMa als de Commissie bij concentratiebesluiten, als voor OPTA bij de besluiten aanmerkelijke marktmacht. Voor al deze besluiten geldt dat een inschatting dient te worden gemaakt van toekomstige marktomstandigheden en –ontwikkelingen. In de Richtsnoeren wijst de Commissie op dit aspect van de bewijsvoering. Daarbij merkt de Commissie op dat voor de aanmerkelijke marktmacht-analyse in beginsel van andere uitgangspunten en verwachtingen dient te worden uitgegaan dan die waarvan een mededingingsautoriteit gebruik maakt bij de toepassing – achteraf (ex post)– van artikel 82 EG-Verdrag in de context van een vermoeden van misbruik van een economische machtspositie: [34]

70. (…) Vaak zal het ontbreken van bewijsmateriaal of informatie over gedragingen of optreden in het verleden betekenen dat de marktanalyse hoofdzakelijk moeten worden gebaseerd op een prospectieve beoordeling. De nauwkeurigheid van de door de NRI's uitgevoerde marktanalyse zal dus worden beïnvloed door de informatie en gegevens die voorhanden zijn op het tijdstip dat het betrokken besluit wordt genomen. (…)

71. Het feit dat de oorspronkelijke prognoses van een NRI in een bepaalde zaak uiteindelijk niet uitkomen, betekent niet noodzakelijk dat haar besluit ten tijde van de vaststelling ervan niet in overeenstemming met de richtlijn was. De NRI's moeten bij de voorafgaande toepassing van het begrip ”machtspositie” discretionaire bevoegdheden krijgen die evenredig zijn aan de complexiteit van de economische, feitelijke en juridische situaties die moeten worden beoordeeld. 

De Commissie zet in deze richtsnoeren de bewijsvoering inzake aanmerkelijke marktmacht af tegen de bewijsvoering inzake misbruik van economische machtspositie, maar verzuimt een vergelijking te maken met de bewijsvoering en motivering inzake concentratiebesluiten en de daaraan door het Gerecht van Eerste Aanleg en het Hof van Justitie gestelde vereisten. Zowel het Gerecht van Eerste Aanleg als het Hof van Justitie stellen zware eisen aan de bewijsvoering door de Commissie inzake concentratiebesluiten op grond van Verordening 139/2004. Uit de recente arresten in de zaak Tetra Laval volgt dat deze zware eisen juist volgen uit het prospectieve karakter van (onderdelen [35] van) concentratiebesluiten. Ondanks het bestaan van de geconstateerde beoordelingsvrijheid toetst het Gerecht van Eerste Aanleg het concentratiebesluit van de Commissie zeer kritisch. Naar aanleiding van deze uitspraak van het gerecht stelde de Commissie dat de door het gerecht aan de bewijsvoering gestelde eisen onverenigbaar zijn met haar ruime beoordelingsbevoegdheid in economische kwesties. De Commissie is van oordeel dat het gerecht “imposed a disproportionate standard of proof for merger prohibition decisions”. [36] Het Hof van Justitie verwerpt echter dit argument van de Commissie in hoger beroep en legt in dit arrest voor concentratiezaken een hoge bewijsstandaard (door het Hof van Justitie aangeduid als het “vereiste bewijsniveau”) aan. Daarbij benadrukt het Hof van Justitie het prospectieve karakter van het concentratiebesluit. Een toetsing van het door de Commissie geleverde bewijs is volgens het Hof van Justitie des te noodzakelijker in geval bij het onderzoek sprake is van een uit te voeren prospectieve analyse (overweging 39). Over het te leveren bewijs overweegt het hof vervolgens als volgt:

41. Hoewel het gerecht in punt 155 ook heeft gepreciseerd dat de bewijsvoering inzake mededingingsbeperkende conglomeraateffecten van een concentratie van het type dat is aangemeld, een nauwkeurig en met deugdelijk bewijs (“convincing evidence”) gestaafd onderzoek vergt van de omstandigheden welke die effecten teweeg zou brengen, heeft het volstrekt geen voorwaarde inzake het vereiste bewijsniveau toegevoegd, maar enkel herinnerd aan de kernfunctie van bewijs, namelijk de overtuiging doen ontstaan dat een zienswijze, of zoals in het onderhavige geval, een concentratiebeschikking, gegrond is.

42. Een prospectieve analyse, zoals die welke vereist is op grond van de controle van concentraties, moet zeer zorgvuldig worden uitgevoerd, aangezien het er niet om gaat gebeurtenissen uit het verleden te onderzoeken, waarvoor talrijke gegevens voorhanden zijn die toelaten de oorzaken ervan te begrijpen, en evenmin om actuele gebeurtenissen te onderzoeken, maar wel om in te schatten hoe waarschijnlijk toekomstige gebeurtenissen zijn indien een beschikking achterwege blijft waarbij de geplande concentratie wordt verboden of daaraan voorwaarden worden verbonden.

43. Derhalve bestaat de prospectieve analyse in het onderzoek van de veranderingen die een concentratie kan teweegbrengen in de factoren die de mededingingssituatie op een bepaalde markt bepalen, om na te gaan of die veranderingen kunnen leiden tot een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging. Bij een dergelijke analyse moet worden onderzocht welke oorzaken welke gevolgen kunnen hebben, om uit te maken welke de meest waarschijnlijke scenario's zijn.

44. De analyse van een concentratie van het “conglomeraat”-type is een prospectieve analyse waarbij vanwege het ruime tijdsbestek waarop de vooruitzichten betrekking hebben, en de voor een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging vereiste hefboomwerking, moeilijk waarneembaar, onzeker en moeilijk aan te tonen is welke oorzaken welke gevolgen gaan teweegbrengen. In dat verband is de kwaliteit van de door de Commissie overgelegde bewijselementen ten bewijze van de noodzaak van een beschikking die de concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaart, bijzonder belangrijk, aangezien die elementen grond dienen te leveren voor de beoordeling van de Commissie, dat de economische ontwikkelingen die zij verwacht indien een dergelijke beschikking achterwege blijft, realistisch zijn. (cursivering toegevoegd, ATO)

Uit dit arrest volgt dat de Europese rechter kritisch ingaat op de interpretatie van de economische feiten door de Commissie en hoge eisen stelt aan de analyse en bewijsvoering van de Commissie. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de materiële juistheid, betrouwbaarheid en samenhang van het door de Commissie geleverde bewijsmateriaal, maar ook wordt nagegaan of het geleverde bewijs een afdoende feitelijke kader biedt en of het aangeleverde materiaal de door de Commissie getrokken conclusie kan dragen. Hoewel het arrest zich met name toespitst op de prospectieve kenmerken van de in deze zaak relevante aspecten van het conglomeraat-effect en de hefboomwerking van de concentratie, valt uit het arrest af te leiden dat hoge eisen aan de bewijsvoering dienen te worden gesteld in het geval van besluiten met een prospectief karakter.

Welke bewijsstandaard (“standard of proof”) wordt daarbij door het Hof van Justitie gehanteerd? Het Gerecht van Eerste Aanleg had in zijn arrest overwogen dat de aangevoerde gegevens de Commissie in staat moeten stellen “met de ter rechtvaardiging van een concentratieverbod vereiste zekerheid” (“convincing evidence”) [37] vast te stellen dat een situatie zal ontstaan waarbij de betrokken onderneming “zich meer nog dan vroeger onafhankelijk ten opzichte van haar concurrenten kan opstellen” [38] (in casu of de concentratie een versterking van een bestaande machtspositie oplevert). In rechtsoverweging 41 geeft het Hof van Justitie aan dat het Gerecht van Eerste Aanleg met de term “convincing evidence” een nauwkeurig en met deugdelijk bewijs gestaafd onderzoek heeft aangeduid, doch geen voorwaarde inzake het vereiste bewijsniveau heeft toegevoegd. Volgens het Hof van Justitie heeft het Gerecht van Eerste Aanleg slechts willen wijzen op de kernfunctie van bewijs, namelijk dat de Commissie met dit bewijs de overtuiging kan doen ontstaan dat de concentratiebeschikking gegrond is. Maar wat is nu juist het vereiste bewijsniveau? Uit de geciteerde overwegingen 42-44 blijkt dat vanwege de prospectieve analyse de “kwaliteit van de door de Commissie overgelegde bewijselementen bijzonder belangrijk” is, aangezien deze elementen grond dienen op te leveren dat de economische ontwikkelingen die zij verwacht “realistisch” zijn. Deze bewoordingen lijken te duiden op een hoge bewijsstanddaard. Naar aanleiding van het arrest van het Gerecht van Eerste Aanleg in de Tetra Laval zaak, meent Bailey in zijn overzichtsartikel [39] dat het gerecht in feite een nieuwe bewijsstandaard heeft geïntroduceerd door het gebruik van de term “convincing evidence”. Ging het Hof van Justitie in de zaak Frankrijk vs. Commissie [40] nog uit van de term “met voldoende waarschijnlijkheid” (a sufficient degree of probability), in de Tetra Laval zaak hanteert het gerecht de term de “vereiste zekerheid”, hetgeen naar zijn mening is te duiden op een hoger bewijsniveau. In overweging 41 geeft het Hof van Justitie echter expliciet te kennen dat van een aanscherping van de norm geen sprake is. Feit blijft echter dat zowel het Gerecht van Eerste Aanleg als het Hof van Justitie zware eisen stellen aan de bewijsvoering van de Commissie. Om welke standaard het hier precies gaat, valt moeilijk te duiden. Ook laat het hof zich daarbij niet uit over de daarbij te gebruiken bewijsmiddelen.

Hoe verhouden deze door de Europese rechters gestelde vereisten met de eisen die de Nederlandse bestuursrechters aanleggen in concentratiezaken? Legt men deze Europese bewijsvereisten naast de overwegingen van het CBB in de zaak Essent, dan lijken deze vereisten niet gelijk te lopen. In de zaak Essent overweegt het CBB dat de d-g NMa “aannemelijk dient te maken” dat (al dan niet) sprake is van mededingingsrechterlijke problemen als genoemd in de Mededingingswet. Deze term sluit eerder aan bij de term 'met voldoende waarschijnlijkheid' van de zaak Frankrijk vs. Commissie. De vraag is dan ook of het CBB de bewijsstandaard inzake concentratiebesluit van de d-g NMa nog zal aan scherpen naar aanleiding van de door de Europese rechters gestelde vereisten in de zaak Tetra Laval. Hiertoe is de Nederlandse bestuursrechter echter niet verplicht [41] , aangezien het daarbij gaat om Nederlandse concentratiezaken op grond van de Mededingingswet, zonder dat daarbij sprake is van implementatie van Europees recht. Dit ligt echter anders in het geval van de aanwijzingen aanmerkelijke marktmacht. Voor deze laatste besluiten geldt dat de Telecommunicatiewet op dit punt een implementatie vormt van de Kaderrichtlijn, waarbij direct aansluiting is gezocht bij het Europese mededingingsrecht. De doorwerking van het Europese recht doet zich voor deze besluiten dus in versterkte mate voor. De vraag is echter of daarbij de eisen die de Europese rechters in concentratiezaken hebben gesteld ook één op één van toepassing zullen worden verklaard op de aanwijzingsbesluiten. Het begrip aanmerkelijke marktmacht is gelijk gesteld aan het begrip economische machtspositie ex artikel 82 EG-Verdrag, doch een directe verwijzing naar concentratiebesluiten ontbreekt. Dit neemt niet weg dat gezien de genoemde gelijkenissen tussen beide categorieën besluiten ook bij aanmerkelijke marktmacht-besluitenzware eisen aan de bewijsvoering dienen te worden gesteld. Dit betekent evenwel niet automatisch dat de standaard voor beide besluiten dezelfde dient te zijn. Vanzelfsprekend dient daarbij rekening te worden gehouden met de verschillen tussen beide reguleringsinstrumenten en de specifieke doelstellingen van de telecommunicatieregulering [42] .

Reeds onder de oude Telecommunicatiewet toetste met name de rechtbank Rotterdam de aanwijzingsbesluiten van OPTA kritisch ten aanzien van de motivering van het besluit en de daarop betrekking hebbende gegevens. [43] In de eerste aanwijzingszaak Libertel [44] wijst de voorzieningenrechter op het belang van het door OPTA te verrichten marktonderzoek en het inzichtelijk maken van de resultaten van dit onderzoek in het betrokken besluit:

“Het voorgaande is alleen mogelijk als een toereikend marktonderzoek wordt gedaan, waarbij tenminste de feitelijke verhoudingen en ontwikkelingen op de desbetreffende markt en de positie daarop van de eventueel aan te wijzen marktpartij in essentie inzichtelijk worden.”

Daarbij geeft de voorzieningenrechter aan de invulling van het begrip aanmerkelijke marktmacht sterk afhankelijk is van de “specifieke – en allerminst statische – feitelijke marktomstandigheden”. Het aanwijzingsbesluit werd door de voorzieningenrechter geschorst met name vanwege het feit dat noch uit het bestreden besluit noch uit de ter voorbereiding van het besluit overgelegde stukken was gebleken van een analyse van de betrokken markt en, meer in het bijzonder, van de positie van Libertel op die markt. Ook uit de latere uitspraken van de rechtbank en het CBB inzake de aanwijzing van KPN Telecom met betrekking tot de markt(en) voor huurlijnen [45] volgt dat de bewijsvoering van OPTA een cruciaal element in de besluitvorming vormt. In de uitspraak van de rechtbank wordt dienaangaande als volgt overwogen:

(…) evenwel heeft nagelaten de resultaten van het door hem ingestelde nadere onderzoek inzichtelijk te maken. Bovendien heeft verweerder geenszins kenbaar gemaakt op welke gronden en op basis van welke gegevens hij zijn aanwijzing dienaangaande heeft gebaseerd. (…)

Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte nagelaten een adequaat onderzoek in te stellen terzake van differentiatie van de PVC[permanent virtual circuit]-productmarkt. Verweerders mening dat er slechts sprake is van één productmarkt, (…) acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en volgt ook niet uit een door verweerder ingesteld feitelijk onderzoek. (…)

Verweerder heeft zich bij de bepaling van de geografische markt beperkt tot een puur theoretische analyse, terwijl overeenkomstig de bekendmaking er in dit geval na de werkhypothese tevens een feitelijk onderzoek dient plaats te vinden. Het vaststellen van een geografische markt is immers geen abstract proces, maar vereist een analyse van al het beschikbare bewijsmateriaal, eventueel over gedragingen in het verleden en een inzicht in de mechanismen in een bepaalde sector. (…) Eerst op grond van het verzamelde bewijsmateriaal wordt de geografische markt bepaald.” [46]

Uit deze jurisprudentie volgt dat OPTA een uitgebreid marktonderzoek dient te verrichten en haar conclusies niet alleen zal kunnen baseren op een theoretisch werkmodel. Zij dient de nodige gegevens te verzamelen en op basis van deze gegevens haar besluit dienen te onderbouwen en de positie van de betrokken partij(en) inzichtelijk dienen te maken. Ter voorbereiding op de door haar te nemen aanwijzingsbesluiten op grond van de nieuwe Telecommunicatiewet heeft OPTA medio 2004 honderden, zeer gedetailleerde vragen aan alle marktpartijen toegezonden. Opvallend is dat in de eerste twee ontwerp-aanwijzingsbesluiten betreffende mobiele telefonie weinig van deze concrete marktgegevens is terug te vinden. Bovendien betreft het algemene besluiten, die niet per individuele aanbieder nader worden gespecificeerd danwel op de specifieke aanbieder zijn toegesneden. [47] In het licht van de besproken jurisprudentie is het de vraag of OPTA met een dergelijke algemene benadering kan volstaan, zeker nu OPTA beschikt over een aanzienlijke hoeveelheid marktgegevens.

Rechterlijke toetsing

Door een hoge bewijsstandaard op te leggen en zware eisen te stellen aan de motivering van het besluit, vindt een indringende toetsing door de Europese rechter plaats in Europese concentratiezaken. Daarbij bekommert hij zich in feite niet om de geconstateerde beoordelingsvrijheid van de toezichthouder. De aan de bewijsvoering en motivering gestelde vereisten worden als zelfstandig te toetsen onderdelen van het besluit beschouwd, waarop de geconstateerde beoordelingsvrijheid van het bestuursorgaan weinig invloed lijkt te hebben. Ook in de genoemde Nederlandse concentratiezaken volgt de Nederlandse bestuursrechter eenzelfde benadering, waarbij is aangegeven dat het bestaan van beoordelingsvrijheid aan de zijde van de d-g NMa niet zonder meer met zich meebrengt dat de rechterlijke toetsing marginaal dient te blijven. [48] Het CBB overweegt in de zaak Essent uitdrukkelijk dat het bestaan van een zekere beoordelingsvrijheid niet wegneemt dat de rechter dient te bezien of het besluit op een zorgvuldige wijze is totstandgekomen en of het op een deugdelijke motivering berust, maar ook of de toezichthouder op juiste wijze invulling heeft gegeven aan de wettelijke begrippen en aannemelijk heeft gemaakt dat de feiten en omstandigheden aan de wettelijke voorwaarden voldoen. De preadviseurs Verhey/Verheij merken in hun recente preadvies [49] op dat de rechter bij zijn toetsing van besluiten van economische toezichthouders “iets doet wat tussen volle en marginale toetsing inzit”. Dit heeft ook consequenties voor de bewijspositie van het betrokken bestuursorgaan. De aanwezigheid van beoordelingsvrijheid lijkt geen directe relatie te hebben met de omvang van het te leveren bewijs. Uit de besproken zaken kan de conclusie worden betrokken dat deze twee aspecten – beoordelingsvrijheid en bewijspositie – anders dan in het gewone bestuursrecht als twee separate aspecten worden behandeld door de Europese en Nederlandse rechters in economische kwesties. De bewijslat ligt voor zowel de Europese als de nationale toezichthouder in elk geval hoog. Voor de aanwijzingsbesluiten van OPTA onder de nieuwe Telecommunicatiewet ligt een parallelle conclusie voor de hand.

In aanwijzingszaken speelt onder de nieuwe Telecommunicatiewet evenwel nog een ander aspect een rol: de oordelen danwel besluiten van de Europese Commissie in het kader van de notificatieprocedure van artikel 7 Kaderrichtlijn. [50] De vraag is in hoeverre het standpunt van de Commissie over een ontwerp-aanwijzingsbesluit van OPTA van invloed zal zijn bij de toetsing door de Nederlandse bestuursrechter. [51] Met andere woorden: is het “groene licht” van de Commissie voldoende bewijs dat het besluit van de nationale toezichthouder aan de gestelde bewijs- en motiveringsvereisten voldoet? De praktijkervaring leert dat in veel gevallen de nationale rechter de nodige waarde hecht aan standpunten van de Commissie. Hoe dient de nationale rechter in aanwijzingszaken nu om te gaan met oordelen van de Commissie in het kader van de artikel 7-procedure? De nationale rechter zal zich daarbij de vraag dienen te stellen wat de Commissie nu precies heeft onderzocht en getoetst. Uit de gepubliceerde veto-besluiten [52] en oordelen [53] blijkt dat ook de Commissie in het kader van deze toetsing het door de nationale toezichthouder aangeleverde bewijsmateriaal en de onderliggende motivering kritisch beziet. Dit gebeurt echter met name in die gevallen, waarbij de nationale toezichthouder afwijkt van de door de Commissie zelf gepubliceerde richtsnoeren en aanbevelingen. Bovendien valt uit de oordelen van de Commissie niet af te leiden welke bewijsstandaard wordt gehanteerd. Uit de systematiek van de richtlijnen [54] lijkt evenwel te kunnen worden afgeleid dat het nodige gewicht aan de Aanbeveling van de Commissie toekomt. De door de Commissie gepubliceerde aanbevelingen en richtsnoeren en de in het kader van de artikel 7-procedure gemaakte opmerkingen zijn tegelijkertijd niet bindend [55] voor de Europese en nationale rechters. De nationale rechter dient zelfstandig te toetsen of het aanwijzingsbesluit van OPTA aan de vereisten van zorgvuldig onderzoek, feitelijke grondslag en motivering voldoet. Dit neemt niet weg dat de bewijspositie van de nationale toezichthouder aanzienlijk gunstiger zal zijn, indien hij zich kan beroepen op de afbakening in de Aanbeveling en een positief oordeel van de Commissie. Een zeker bewijsvermoeden is wellicht op zijn plaats, waarbij het vervolgens aan de onder toezicht gestelde onderneming is om aan te tonen dat het besluit is gebaseerd op onjuiste feiten.

De rol van artikel 1.3, lid 4 Tw

Als gevolg van het Amendement Blok [56] is een nieuwe bepaling, artikel 1.3, lid 4, in de Telecommunicatiewet opgenomen, waarin voor besluiten met aanzienlijke gevolgen voor de desbetreffende markt, een zwaardere motiveringsplicht c.q. bewijslast is opgenomen. De geconstateerde hoge bewijsstandaard voor aanwijzingsbesluiten lijkt grotendeels overeen te stemmen met de uit artikel 1.3, lid 4 Tw voortvloeiende vereisten. Dit artikel lijkt – in elk geval wat de aanwijzingsbesluiten en de daaraan gekoppelde verplichtingen betreft – geen toegevoegde waarde te hebben. Of anders gezegd: de in artikel 1.3, lid 4 Tw neergelegde zware bewijslast voor OPTA is in overeenstemming met de uit het Europese recht af te leiden bewijsstandaard voor aanwijzingsbesluiten. [57]

Conclusie

Door een directe koppeling te maken tussen de begrippen aanmerkelijke marktmacht en economische machtspositie is er in de Europese telecommunicatierichtlijnen voor gekozen een hoge drempel op te werpen voor het ingrijpen door de nationale toezichthouders. De door de Europese wetgever gemaakte keuze dient gevolgen te hebben voor de bewijspositie van de nationale toezichthouders. Bij het bepalen van de aan de toezichthouder op te leggen bewijsstandaard dient in navolging van de Europese jurisprudentie voor Europese concentratiebesluiten rekening te worden gehouden met het prospectieve karakter van de door de toezichthouders te maken analyse. Tegelijkertijd dient te worden erkend dat een te zware bewijslast de uitvoering van de aan de nationale telecommunicatietoezichthouders opgelegde taken aanzienlijk zou kunnen bemoeilijken en daarmee mogelijk in strijd zou kunnen komen met de doelstellingen van het aanwijzingsinstrument, zoals dat in de nieuwe Europese telecommunicatierichtlijnen is vastgelegd.


Noten

*  Mr A.T. Ottow is als gastonderzoeker verbonden aan het Instituut voor Informatierecht (IViR) van de Universiteit van Amsterdam, advocaat-adviseur bij Houthoff Buruma en redacteur van dit blad. De auteur is Camila Borba Lefèvre en Ricarda Oudejans erkentelijk voor hun commentaar bij de totstandkoming van dit artikel. 

[1] Zie voor een algemene bespreking van deze aanwijzingsbevoegdheid: P . Kuipers & G.J. Zwenne, 'Marktafbakening ten behoeve van ex ante -regulering in de e-communicatiesector', Mediaforum 2003/1, p. 2-10 en C. Wolberink & S. Steinhauser, 'De Europese Commissie en het nieuwe telecommunicatierecht: procedurele waakhond of embryonale Europese toezichthouder?', Mediaforum 2004-7/8, p. 238-245.
[2] Y.E. Schuurmans, 'Bewijslastverdeling in een bestuursrechtelijke context', NTB 2004, p. 7.
[3] In het bestuursrecht wordt niet consequent dezelfde begrippen gehanteerd om dezelfde inhoud aan te duiden. In het onderhavige artikel wordt de term beoordelingsvrijheid gebruikt dat ziet op de aan het bestuursorgaan verleende vrijheid om wettelijke normen uit te leggen, de feiten vast te stellen en te kwalificeren. Zie nader over de begrippen beoordelingsruimte en beoordelingsvrijheid: H.D. Van Wijk/W. Konijnenbelt & R.M. van Male, ' Hoofdstukken van bestuursrecht ', Den Haag: Elsevier juridisch 2002, p.147.
[4] Vgl. Schuurmans 2004, a.w. , p. 7-8.
[5] Zie voor een bespreking van deze verplichting o.a.: Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2002, p. 300-304 en Damen e.a. 2003, p. 446-448.
[6] Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2002, p. 300.
[7] Aanbeveling van de Commissie van 11 februari 2003 betreffende relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronische communicatiesector die overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen, Pb 2003, L 114/45.
[8] Richtsnoeren van de Commissie voor de marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht in het bestek van het gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en –diensten, Pb 2002/C 165/03.
[9] Zie in dezelfde zin: Richtsnoeren marktanalyse en marktmacht, paragraaf 112, Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, 28 851, nr. 3, p. 20 en 113 en ontwerp-besluit OPTA 17 maart 2005, De markt voor toegang en gespreksopbouw op openbare mobiele telefoonnetwerken, p. 17, randnummer 59 (en de verwijzingen aldaar), http://www.opta.nl.
[10] Richtsnoeren paragraaf 114.
[11] Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, 28 851, nr. 3, p. 21-22.
[12] In de Mededingingswet is het relevante criterium: of een economische machtspositie kan ontstaan
of worden versterkt die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd (artikelen 37, lid 2 en 41, lid 2 Mw). Wat het Europese concentratietoezicht door de Europese Commissie betreft is het relevant criterium krachtens artikel 2 Vo 139/2004 of de daadwerkelijke mededinging op significante wijze wordt belemmerd.
[13] Krachtens artikel 8 Vo 139/2004 kan de Commissie aan de beschikking, waarbij een concentratie verenigbaar net de gemeenschappelijke markt wordt verklaard, voorwaarden en verplichtingen verbinden.
[14] Zie overweging 27 van de Kaderrichtlijn, waarin wordt aangegeven dat bij een analyse van daadwerkelijke mededinging onder meer moet worden onderzocht of de markt in de toekomst concurrerend zal zijn en dus of een eventueel gebrek aan daadwerkelijke mededinging blijvend is.
[15] Richtsnoeren marktanalyse en marktmacht, paragraaf 74.
[16] Richtsnoeren marktanalyse en marktmacht, paragraaf 70.
[17] Commissie 20 augustus 2004, case AT/2004/0090 (Transit services in the fixed public telephone network), opening of Phase II investigation pursuant to Article 7 (4) of Directive 2002/21/EC, paragraaf 26.
[18] Zie bijvoorbeeld over de beïnvloeding van het Europese recht op Nederlandse concentratiebesluiten: M.R. Mok, 'Kartelrecht I. Nederland', Kluwer 2004, p. 68-69.
[19] Voor een uitgebreidere bespreking van deze uitspraken zie onder meer: S.A.C.M. Lavrijssen, 'De rol van de Nederlandse administratieve rechter bij het toezicht op de mededinging', SEW 1 (2004) januari, p. 22-23.
[20] Rb. Rotterdam 20 september 2000, Wegener vs. d-g NMa, Mediaforum 2001-1, Jur. nr. 14, p. 20-33, m.nt. F. Leeflang & K. Mortelmans.
[21] Door de rechtbank in deze zaak wordt de term “beoordelingsruimte” gebruikt als synoniem voor beoordelingsvrijheid.
[22] CBB 5 december 2001, d-g NMa en Wegener, Mediaforum 2002-4, Jur. nr.15, p. 131-145, m.nt. F. Leeflang & K. Mortelmans.
[23] Volgens de annotator YdM in Actualiteiten Mededingingsrecht onder deze uitspraak: AM 2001, nr. 2, p. 33-34. Ook Leeflang & Mortelmans gaan er van uit dat de beoordelingsmarge van de d-g NMa ten aanzien van de op te leggen voorschriften beperkter is: Mediaforum 2002-4, Jur. Nr. 15, p. 144.
[24] CBB 27 september 2002, Essent vs. D-g NMa, Actualiteiten Mededingingsrecht 2002, nr. 9, p. 171-176, m. nt. F. J. Leeflang.
[25] GvEA 25 oktober 2002, Tetra Laval vs. Commissie, zaak T-5/02, Jur.II- 2002, p. 4381. Zie tevens de zaak GvEA 22 oktober 2002, Schneider vs. Commissie, zaak T-310/01, Jur. II-2002, p. 4071, waar het Gerecht van Eerste Aanleg zich eveneens kritisch uitlaat over een concentratiebesluit van de Commissie. Zie voor een bespreking van dit arrest: S. O'Keeffe, 'Gerecht laatdunkend over concentratieanalyse Commissie. Enige beschouwingen over de zaken Schneider/Legrand en Tetra laval/Sidel', SEW 6 2003, p. 212-220 en D. Bailey, 'Standard of proof in EC merger proceedings: a common law perspective', Common Market Law Review 40: 845-888, 2003.
[26] HJEG 15 februari 2005, Commissie vs. Tetra Laval, zaak C-12/03 P, http://www.curia.eu.int.
[27] Verordening (EG) Nr. 139/2004 EG-Concentratieverordening, verordening van 20 januari 2004, Pb. 2004, L 24/1.
[28] Naar termen van het Nederlandse bestuursrecht lijkt deze term uit de Europese jurisprudentie te moeten worden vertaald naar “beoordelingsvrijheid”. De verschillende terminologie kan evenwel verwarring veroorzaken: zie J.H. Jans e.a. 'Inleiding tot het Europees bestuursrecht', Nijmegen: Ars Aequi Libri, 2002, p. 99.
[29] Rechtsoverweging 119, onder verwijzing naar onder meer HJEG 31 maart 1998, Frankrijk e.a. vs. Commissie, “Kali & Salz”, C-68/94 en C-30/95, Jur. I -1375, o.v. 223-224.
[30] Zie in dit verband het recente preadvies van L.F.M. Verhey/N. Verheij, 'De macht van de marktmeesters', Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging, 135e jaargang/2005-1, p. 204-206. Beoordelingsvrijheid wordt door de preadviseurs omschreven als: “Beoordelingsvrijheid behelst de ruimte van het bestuursorgaan om een algemeen verbindend voorschrift te interpreteren. Hoe meer vage normen de wet bevat, hoe groter de beoordelingsvrijheid.” Als voorbeeld van een dergelijke beoordelingsvrijheid wordt onder meer genoemd de aanwijzingsbevoegdheid van OPTA (p. 205).
[31] Zie voor een bespreking van de bewijslast van de d-g NMa bij concentratiebesluiten: de annotatie van Leeflang & Mortelmans onder de rechtbank uitspraak in de zaak Wegener: Mediaforum 2001-1, p. 30, paragraaf 6.
[32] Voor het antwoord op de vraag wat als “passende” verplichtingen dienen te worden beschouwd wordt zowel door de ERG (ERG Common position on the approach to appropriate remedies in the new regulatory framework, ERG (03) 30rev.1, p. 58) als OPTA (Afwegingskader
proportionaliteit van verplichtingen, p. 7, http://www.opta.nl) als in de literatuur (A. de Streel, 'Remedies in the electronic communications sector', In: D. Geradin (ed.), 'Remedies in network industries: EC competition law vs. sector-specific reguletaion', p. 113) verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak FEDESA (HJEG 13 november 1990, FEDESA, zaak C-331/88, Jur. 1990, p. I-4023. Vgl. tevens: HJEG 17 juli 1997, Affish BV vs. Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, zaak C-183/95, Jur. 1997, I-4315, ro.v. 30.'. Op het aspect van de verplichtingen (remedies) en de passendheid van deze verplichtingen wordt in dit artikel niet verder ingegaan.
[33] Vgl. Bailey a.w.
[34] Pargaraaf 70 van de Richtsnoeren marktanalyse en marktmacht.
[35] In de zaak Tetra Laval betrof het specifiek het prospectieve karakter van het zogenaamde conglomeraat-effect en de hefboomwerking van de concentratie. Met de term conglomeraat-effect wordt kort gezegd geduid op de situatie, waarbij de concentratie resulteert in de vorming van een conglomeraat, dat wil zeggen dat zij plaatsvindt tussen ondernemingen die voordien in wezen niet in mededinging met elkaar stonden. Van dergelijke concentraties wordt in het algemeen aangenomen dat zij geen mededingingsbeperkende gevolgen hebben, maar in bepaalde gevallen kunnen deze zich wel voordoen. In dat laatste geval spreekt men van een (mededingingsbeperkend) conglomeraat-effect (zie de overwegingen 142-144 van het gerecht van eerste Aanleg). Van een hefboomwerking wordt gesproken indien een onderneming met een economische machtspositie op een specifieke markt, ook kan worden aangemerkt als onderneming met een economische machtspositie op een nauw verwante markt als de koppelingen tussen beide markten van die aard zijn dat de machtspositie op de een markt op de andere markt zo kan worden gebruikt dat de machtspositie van de onderneming kan worden vergroot (vgl. Richtsnoeren marktanalyse en marktmacht, paragraaf 83).
[36] Persbericht van de Commissie van 20 december 2002, IP/02/1952.
[37] Rechtsoverweging 324.
[38] Idem.
[39] Bailey a.w., p. 860-864.
[40] HJEG 31 maart 1998, Frankrijk vs. Commissie, gevoegde zaken C-68/94 en C-30/95, Jur I-1375, Ov. 246.
[41] HJEG 17 juli 1997, A. Leur-Bloem vs. Inspecteur der Belastingdienst/Ondernemingen Amsterdam 2 , zaak C-28/95, Jur. I—4161. In hun annotatie onder de rechtbank uitspraak in de zaak Wegener wijzen Leeflang en Mortelmans er op dat de rechtbank in zijn uitspraak expliciet naar Europese jurisprudentie verwijst daar waar de rechtbank ingaat op de wijze van beoordeling van concentratiebesluiten, zonder evenwel concreet aan te geven om welke jurisprudentie het hierbij gaat: Mediaforum 2001-1, p. 30, paragraaf 5.
[42] Zie A.T. Ottow, 'Het verschil tussen duivenhokken en telecommunicatie. De bestuurs(proces)rechtelijke obstakels bij het toezicht op de telecommunicatiemarkt', preadvies voor de VAR, 2003, hoofdstuk 2, p. 141-148.
[43] Zie voor en algemene analyse van de jurisprudentie ten aanzien van de motivering van besluiten door OPTA: E.J. Dommering, N.A.N.M. Van Eijk, A.T. Ottow en O.L. van Daalen, Zes jaar bestuur en rechtspraak in de telecommunicatiemarkt, IViR, Universiteit van Amsterdam: 2003, p. 43-50.
[44] Vz. Rb. Rotterdam 24 december 1999, Libertel vs. OPTA, Mediaforum 2000-1, Jur. nr. 13, p. [..], m.nt. E. Loozen & K. Mortelmans.
[45] Zie onder andere: Rb. Rotterdam 9 december 2003, KPN Telecom vs. OPTA, TJ 202 en Vz. CBB 19 maart 2004, KPN Telecom vs. OPTA, LJN: AO7841.
[46] Rb. Rotterdam 9 december 2003, KPN Telecom vs. OPTA, LJN: AN9799, TJ 202. Deze uitspraak van de rechtbank is in hoger beroep door het CBB bevestigd: CBB 8 juli 2004, OPTA vs. KPN Telecom, LJN: AR1296.
[47] Ontwerpbesluit 17 maart 2005, De markt voor toegang en gespreksopbouw op openbare telefoonnetwerken en ontwerpbesluit 17 maart 2005, De markt voor gespeksafgifte op afzonderlijke mobiele netwerken, beide http://www.opta.nl.
[48] Lavrijssen (a.w., p. 34) merkt terecht op dat de toetsing door het CBB in deze zaak niet meer als marginaal valt aan te duiden.
[49] Verhey & Verheij, a.w., p. 315.
[50] Vgl. artikel 6b.2 Tw: OPTA is verplicht ontwerp-aanwijzingsbesluiten ter toetsing aan de Commissie voor te leggen.
[51] Zie over de procedurele aspecten van deze procedure: A.T. Ottow, 'De Europese dimensie van nationale telecomprocedures', Mediaforum 2005-3, p. 91.
[52] Zie: Besluit van 20 februari 2004, zaken FI/2003/0024 en FI/2003/0027 (publicy available international telephone services provided at a fixed location for residential and non-residential customers), Besluit van 5 oktober 2004, zaak FI/2004/0082 (access and call origination on public mobile telephone networks in Finland), Besluit van 20 oktober 2004, zaak AT/2004/0090 (transit services in the fixed public telephone network) en Oordeel van 11 maart 2005, zaak DE/2005/0144 (call termination on individual public telephone networks provided at a fixed location), waarin de tweede fase van de artikel 7-procedure wordt ingeleid tegen de Duitse toezichthouder.
[53] Zie bijvoorbeeld: Opmerkingen van 29 augustus 2003, case UK/2003/0001 (Mobile network access and call origination).
[54] Zie artikel 15, lid 3 Toegangsrichtlijn.
[55] In de door de Commissie gepubliceerde aanbeveling en richtsnoeren wordt dit expliciet vermeld ten aanzien van de toetsing door de Europese rechter. Doch ook de nationale rechter dient hierover zijn eigen oordeel te vormen en in geval van twijfel over de uitleg van het gemeenschaprecht dienen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te worden voorgelegd. Uiteindelijk kan slechts het Hof van Justitie uitsluitsel geven over deze rechtsvragen. De feitelijke beoordeling wordt echter aan de nationale rechter overgelaten. Het oordeel van de Commissie in het kader van de artikel 7-procedure vormt daarbij een belangrijk uitgangspunt, doch is niet bindend. Dit in tegenstelling tot een door de Commissie op grond van artikel 7, lid 4 Kaderrichtlijn genomen veto-besluit, dat ter toetsing aan de Europese rechter kan worden voorgelegd. In het geval van een onherroepelijk veto-besluit zijn zowel de nationale toezichthouder als de nationale rechter hieraan gebonden.
[56] Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 44. Dit amendement werd door Blok ingediend ter vervanging van een eerder amendement (nr. 38) dat een verdergaande motiveringsverplichting inhield.
[57] De Minister van Economische zaken was aanvankelijk van mening dat deze nieuwe eisen, zoals neergelegd in artikel 1.3, lid 4 Tw, te ver gaan en strijd met de Kaderrichtlijn opleveren (Brief van de Minister van Economische Zaken van 27 oktober 2003, Kamerstukken II, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 48, p. 3). Bij de behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer komt de Minister echter op dit standpunt terug (Kamerstukken I, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, C, p. 6 – p. 11). De Minister plaatst het vereiste van artikel 1.3, lid 4 Tw vervolgens in het licht van het proportionaliteitsvereiste, zoals dat is neergelegd in de artikelen 6.4 en 6a.2, lid 3 Tw en voortvloeit uit de artikelen 5, lid 3 en artikel 8, lid 4 Toegangsrichtlijn, doch gaat daarbij niet in op de bewijsstandaard voor aanwijzingsbesluiten.
 


Geplaatst 23.06.2006