|
Op 28 oktober jl. heeft de Tweede
Kamer gestemd over het voorstel tot wijziging van de Telecommunicatiewet
(“Tw”). Het voorstel dat is aangenomen (“Tw (nieuw)”) [1]
bevat enkele opmerkelijke procedurele wijzigingen, die het
bespreken waard zijn.
Vervallen van bezwaar en
beroep
In de Derde Nota van Wijziging
[2] (1 oktober 2003) - op de valreep voor de plenaire kamerbehandeling
- heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat enkele wijzigingsvoorstellen
ingediend met betrekking tot de rechtsbeschermingsmogelijk-heden tegen besluiten
van OPTA: in één klap worden de bezwaarschrift- en beroepsprocedures
tegen een groot aantal besluiten van OPTA opgeheven:
Artikel 17.1
1. Tegen besluiten
die door het college zijn genomen op grond van hoofdstuk 6, 6A, 6B of 12,
kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het
bedrijfsleven.
2. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroep
tegen besluiten, niet zijnde besluiten als bedoeld in het eerste lid, de
rechtbank te Rotterdam bevoegd.
3.
Ten aanzien van besluiten die door het college zijn genomen op grond van
hoofdstuk 6, 6A, 6B of 12, blijft artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht
buiten toepassing.
Dit betekent in concreto een
beroep in één instantie bij het CBB (zonder voorafgaande bezwaarschriftprocedure)
tegen besluiten van OPTA met betrekking tot interoperabliteit (hoofdstuk
6), geschillen (hoofdstuk 12), aanwijzingen en de daaraan verbonden verplichtingen
(hoofdstukken 6A en 6B). Als gevolg van het Amendement Van Dam [3] is deze nieuwe regeling uitgebreid tot alle handhavingsbesluiten van
OPTA. Dit is slechts anders voor handhavingsbesluiten die punitieve sancties
inhouden. Als gevolg van verdragsbepalingen [4] dient in deze gevallen beroep in twee instanties open te staan.
De Minister beoogt met deze nieuwe
regeling een eind te maken aan de lange doorlooptijden van procedures in
de elektronische communicatiesector. [5] Deze doorlooptijden waren marktpartijen en OPTA reeds lang een doorn
in het oog. Uit het recent verschenen rapport van het Instituut voor Informatierecht
'Zes jaar Bestuur en Rechtspraak in de Telecommunicatiemarkt' [6] blijkt dat de doorlooptijden inderdaad onacceptabel lang zijn. Dit
geldt niet alleen voor de geschilprocedure bij OPTA zelf, maar ook voor de
bezwaar-, beroep- en hoger beroepsprocedures:

Bovendien waren op 1 augustus 2003 (de peildatum van het rapport) nog 170
bezwaarschriftprocedures bij OPTA aanhangig.
Reeds vele malen was gepleit maatregelen
te treffen ter versnelling van de besluitvorming van OPTA en de daaraan
verbonden juridische procedures. [7] Tot voor kort sorteerden deze pleidooien evenwel geen enkel effect
bij het Ministerie van Economische zaken (voorheen het Ministerie van Verkeer
en Waterstaat). Men was niet bereid tot invoering van een speciale, versnelde
procedure voor telecommunicatiezaken. Voortschrijdend inzicht heeft kennelijk
nu tot een koerswijziging geleid. In de toelichting op de gewijzigde TW wordt
opgemerkt [8] :
"Effectieve
geschillenbeslechting is een belangrijke doelstelling van het
nieuwe Europese regelgevingskader en draagt bij aan centrale uitgangspunten
van de nieuwe regelgeving zoals concurrentie-bevordering en een vitale en
flexibele elektronische communicatiesector."
en even verderop
"Allereerst
merk ik op dat het bij de door Europa voorgeschreven beslechting van geschillen
gaat om beslechting van geschillen door een bestuursorgaan. Deze figuur waarbij
het bestuursorgaan naast de functie van bestuursorgaan feitelijk ook nog
functioneert als een "rechter",
is een voor Nederland ongebruikelijk figuur. De Algemene wet bestuursrecht is dan ook niet toegesneden
op deze situatie ".(onderstreping toegevoegd,
ATO)
De Minister wil het doen voorkomen alsof door de inwerkingtreding van de
nieuwe Europese ONP review richtlijnen [9] een nieuw tijdperk is ontstaan, waarnaar de Nederlandse wetgeving
zich dient te richten. Deze nieuwe richtlijnen wijken evenwel op dit punt
niet af van de "oude" richtlijnen. Ook onder het "oude"
recht bestond behoefte aan effectieve geschilbeslechting, mede ter bevordering
van concurrentiebevordering. [10] In het kader van de Tw vond de toenmalige Minister (en ook nadien)
het evenwel niet nodig de bestuursrechtelijke procedures in het licht van
deze specifieke doelstellingen aan te passen. Tijdens de evaluatie van OPTA,
die gedurende 2001 haar beslag heeft gekregen, is eveneens bij diverse aspecten
van het toezicht en rechtsbescherming stil gestaan. In het kabinetsstandpunt
over de evaluatie van OPTA erkende het kabinet het belang van een goede kwaliteit
van en efficiënte geschilbeslechtingsprocedures en klachtenbehandeling.
Opgemerkt wordt dat op dit terrein nog het nodige te verbeteren valt. Het
kabinet liet het aan nader overleg tussen het Ministerie van Verkeer en Waterstaat
en OPTA over om in het kader van de implementatie van de nieuwe ONP Review
richtlijnen de gesignaleerde knelpunten mee te nemen. Het kabinet gaf evenwel
uitdrukkelijk te kennen de procedurele tekortkomingen van de Tw en de OPTA-wet,
met name als gevolg van de algehele toepasselijkheid van de Awb, niet structureel
te zullen aanpakken. De wetgever is er te gemakkelijk van uitgegaan dat de
algemene regels van de Awb een voldoende procedurele kader vormen voor het
toezicht op de telecommunicatiemarkt. [11]
:
"Wel merkt het
kabinet in dit verband het volgende op. De beslissingen die het college als
bestuursorgaan neemt zijn voor de betrokken partijen vaak zeer ingrijpend.
Een goede rechtsbescherming is dan ook onontbeerlijk. De
Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het bijzonder het daarin vervatte recht
van bezwaar en beroep, biedt deze rechtsbescherming. Het, in afwijking van de Awb, in zijn algemeenheid
afzien van bijvoorbeeld
de bezwaarfase acht het
kabinet dan ook niet gewenst." (onderstreping toegevoegd, ATO)
De Minister heeft nu (5 jaar na de inwerkingtreding van de Tw) ingezien
dat meer op markttoezicht toegespitste procedureregels noodzakelijk zijn
om een liberaliseringsproces van een markt effectief te begeleiden.
Opgemerkt dient te worden dat voor
bepaalde besluiten van OPTA reeds was bepaald dat de bezwaarprocedure kon
vervallen, nu in die situaties OPTA de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure
van Afdeling 3.5 Awb dient te volgen (artikel 6b.1 Tw nieuw). Als gevolg
van artikel 7.1, lid 1, sub d Awb wordt de bezwaarfase na die procedure overgeslagen.
Deze uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure vormt de uitwerking van
artikel 6 Kaderrichtlijn: de consultatieverplichting. Daarnaast zal in sommige
gevallen nog een Europese coördinatieprocedure op grond van de artikelen
6b.2-6b.5 Tw nieuw moeten plaatsvinden. Al deze procedures zullen op zich
al de nodige (extra) tijd in beslag gaan nemen. [12]
Voor besluiten van OPTA, waarvoor
geen speciale regeling in de Tw nieuw is opgenomen, zijn de algemene regels
van de Awb van toepassing. In het wetsvoorstel tot wijzing van de Algemene
wet bestuursrecht inzake rechtstreeks beroep (“Awb nieuw”) [13] wordt in artikel 7.1a de mogelijkheid geboden de bezwaarschriftprocedure
met wederzijds goedvinden van belanghebbende(n) en het bestuursorgaan over
te slaan. Deze nieuwe regeling van de Awb zal dus ook gaan gelden voor besluiten
van OPTA, waarvoor de bezwaarschriftprocedure wèl van toepassing is.
Voor de Tw is de nieuwe situatie (wat de bezwaarfase betreft) dan als volgt
samen te vatten:
(i) besluiten waarvoor
de bezwaarfase in zijn geheel is uitgesloten (artikel 17.1 Tw)
(ii) besluiten waarbij een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is voorgeschreven
en geen bezwaarfase meer dient te worden gevolgd (artikel 6b.1 Tw jo Afdeling
3.5 Awb jo artikel 7.1, lid 1, sub d Awb)
(iii) alle overige besluiten van OPTA, met de mogelijkheid van rechtstreeks beroep
(artikel 7.1a Awb nieuw).
Geschillenbeslechting OPTA
In de Tw (nieuw) beschikt OPTA
over een ruimere bevoegdheid tot het beslechten van geschillen (zie artikel
12.2, leden 1 en 2) dan in de huidige Tw. In het voorstel is nu een algemene
regeling voor alle geschillen die opgenomen ziet op de nakoming van wettelijke
verplichtingen. De reeds besproken vereiste snelheid van procedures ziet
ook op de doorlooptijden bij de besluitvorming van OPTA zelf. Als gevolg
van artikel 20, lid 1 Kaderrichtlijn, is nu in artikel 12.5, lid 1 Tw (nieuw)
bepaald dat OPTA geschillen binnen 17 weken na ontvangst van de aanvraag
dient te beslissen. In lid 3 wordt (in navolging van artikel 20, lid 1 Kaderrichtlijn)
bepaald dat OPTA deze termijn in “uitzonderlijke gevallen” kan verlengen.
Naar mijn mening behoort tot deze categorie van gevallen niet de situatie,
waarbij OPTA de termijnberekening stilzet voor het vergaren van informatie
bij marktpartijen (hetgeen nu de standaardpraktijk is). [14] Het is niet aannemelijk dat een dergelijke situatie in de Kaderrichtlijn
bedoeld is. De nationale procesregels worden hier door een direct werkende
bepaling van Europees recht opzij gezet.
Motiveringsplicht OPTA
De nieuwe regeling zal dus
de nodige druk op OPTA leggen bij de voorbereiding van haar besluiten. OPTA
dient niet alleen binnen een relatief korte termijn te beslissen, maar bovendien
heeft zij geen herkansing meer in bezwaar. OPTA doet er dan ook verstandig
aan de nodige (juridische) zorg aan haar besluitvorming te besteden. Uit
de analyse van het IViR blijkt dat de rechter de besluiten van OPTA kritisch
toetst aan het motiverings-, zorgvuldigheids- en proportionaliteitsbeginsel.
[15] OPTA kan hier nog het nodige aan verbeteren. Besluiten waarbij de
feitelijke en economische onderbouwing onder de maat is, zullen de rechterlijke
toetsing niet kunnen doorstaan. In dit verband is interessant wat het effect
zal zijn van het Amendement Blok [16] tot invoering van het nieuwe artikel 1.3, lid 4:
"In artikel
I, onderdeel B, wordt aan artikel 1.3 een lid toegevoegd,
luidende:
4 Indien het college een besluit
neemt, dat aanzienlijke gevolgen voor de desbetreffende markt heeft, onderbouwt
het college, onder andere op basis van een verantwoording van de voorzienbare
relevante gevolgen, zowel in kwalitatieve, als voor zover rederlijkerwijs
mogelijk in kwantitatieve, zin dat de maatregel noodzakelijk is voor het
bereiken van de in het eerste lid genoemde doelstellingen en dat een ander
minder ingrijpende maatregel niet effectief [is]”
Volgens de toelichting
op dit door de Tweede Kamer aanvaarde amendement dient de toezichthouder
iedere ingreep die een merkbare invloed heeft op de markt te baseren op een
"uitgebreide kwaliteit en kwantitatieve motivering die aantoont dat
de ingreep inderdaad evenredig is en bijdraagt aan het behalen van de overheidsdoelstellingen".
Vormt dat amendement niet meer dan een bevestiging van de huidige toepassing
door de bestuursrechter van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
[17] of wordt hiermee beoogt een verdergaande bewijslast en motiveringsverplichting
aan OPTA op te leggen? Uit de toelichting lijkt te volgen dat aan de OPTA
strengere criteria worden opgelegd dan die uit het algemene motiveringsbeginsel
voortvloeien. Het is de vraag of dit zou stroken met de eisen die de Kaderichtlijn
aan de besluitvorming door de nationaal rechtelijke instanties stelt. Ook
de Minister van Economische zaken is van mening dat deze nieuwe eisen te
ver gaan. In zijn reactie aan de Tweede kamer op de diverse amendementen
merkt hij op [18] :
“Doordat het
amendement een veel zwaardere, bijna onuitvoerbare, verplichting oplegt aan
OPTA, is het amendement in strijd met de Kaderichtlijn. Ik ontraad het amendement
dan ook ten zeerste.”
Het is afwachten hoe
het CBB, als enige bevoegde rechtelijke instantie, met deze verplichting
van OPTA om zal gaan. In elk geval dient het CBB deze nieuwe bepaling uit
de Tw richtlijnconform uit te leggen. Ook uit de toelichting op het amendement
volgt dat aansluiting wordt gezocht bij de doelstellingen van artikel 8,
lid 1 Kaderrichtlijn. Tot op heden heeft het CBB zich nog maar in 7 uitspraken
over de Tw gebogen, welke uitspraken vooralsnog maar weinig houvast bieden.
[19] Gezien de huidige lange doorlooptijden bij het CBB met een
gemiddelde van 344 dagen (met een minimum van 132 dagen tot een maximum van
504 dagen) [20] - zal het wel even duren voordat hierover duidelijkheid zal ontstaan.
De opmerking van de Minister dat van de nieuwe regeling geen "noemenswaardige
gevolgen" zijn te verwachten bij de rechterlijke macht [21]
, lijkt wat al te optimistisch. De doorlooptijden zullen bij het CBB
naar verwachting in elk geval niet korter, maar eerder langer worden. Een
toename van het aantal zaken bij het CBB ligt immers voor de hand, nu het
college als enige beroepsinstantie gaat fungeren.
NMa en DTe
Opvallend is dat voor de procedures
bij de NMa en DTe de bezwaarschriftprocedure niet (voor bepaalde besluiten)
wordt geschrapt. Zowel bij de NMa als de DTe is de bezwaarschriftprocedure
op dit moment een verplichte fase (met uitzondering van de concentratiebesluiten
van de NMa), waarbij bij de DTe slechts beroep in een instantie (het CBB)
openstaat (met uitzondering van de punitieve besluiten) en de besluiten van
de NMa in twee rechterlijke instanties kunnen worden getoetst. [22] Hoewel het systeem wordt aangepast [23]
, wordt daarbij zonder nadere motivering evenwel niet
geheel aangesloten bij de voor OPTA gekozen systematiek, maar bij de reeds
besproken voorstellen tot wijziging van de Awb. Daarmee komt voor de Mededingingswet
de aanvankelijk voorgestelde regeling, waarbij een belanghebbende rechtstreeks
beroep bij de rechtbank Rotterdam kan indienen, met de mogelijkheid de zaak
alsnog voor bezwaar terug te verwijzen naar het bestuursorgaan, in zijn geheel
te vervallen. [24] Deze regeling zal worden vervangen door de mogelijkheid van rechtstreeks
beroep op basis van artikel 7.1b Awb nieuw. Vooralsnog blijven dus verschillen
in rechtsbescherming bestaan tussen de diverse bestuursorganen. Van volledige
uniformering (zoals in de toelichting wordt gesuggereerd [25]
) is vooralsnog geen sprake.
Initiatiefrecht OPTA
Vermeldingswaardig is de nieuwe
regeling die is ingevoerd dankzij het Amendement Atsma [26] , waarbij de bevoegdheid van OPTA om op eigen initiatief in
concrete gevallen maatregelen te nemen, aanzienlijk is uitgebreid. Een nieuw
artikel 3.13 is toegevoegd:
“Onverminderd
artikel 3.12 is het college bevoegd op eigen initiatief in concrete gevallen
maatregelen te nemen die gericht zijn op de verwezenlijking van de in artikel
8, tweede, derde of vierde lid, van Richtlijn 2002/21/EG genoemde doelstellingen.
(…)”
In het aanvankelijke
voorstel was het recht om op eigen initiatief (ambtshalve) in artikel 6.2,
lid 2 beperkt tot uitzonderlijke gevallen voor het tot stand brengen van
zogenaamde eind-tot-eindverbindingen. [27] In de toelichting op het Amendement wordt terecht opgemerkt dat artikel
6.2, lid 2 een onvolledige implementatie vormt van artikel 5, lid 4 Toegangsrichtlijn.
[28] Dit artikel van de Toegangsrichtlijn ziet op het initiatiefrecht van
de toezichthouder in verband met “toegang en interconnectie”. Op grand van
dit richtlijnartikel dient de toezichthouder derhalve over de bevoegdheid
te beschikken op eigen initiatief in te grijpen in al die gevallen die zien
op de schending van wettelijke normen ten aanzien van toegang en interconnectie.
In feite vormt deze richtlijnbepaling niet meer dan de bevestiging van de
algemene bevoegdheid die OPTA heeft tot het treffen van handhavingsmaatregelen
op grond van artikel 15.2, lid 2 Tw jo. Artikel 15.1, lid 3 Tw. In het geval
van overtredingen van wettelijke normen is OPTA bevoegd tot het treffen van
bestuursdwang. [29] Uit de recente zaak KPN vs. OPTA en MCI WorldCom en Versatel
[30] dient te worden aangenomen dat deze handhavingsbevoegdheid bestaat
naast de geschilbeslechtende bevoegdheid van OPTA. Deze algemene handhavingsbevoegdheid
stelt OPTA in staat op te treden buiten een geschil om, waarbij zij in het
geval van overtreding van een wettelijke norm bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen
kan treffen. [31] Het nieuwe artikel 3.13 Tw (nieuw) legt dit nu expliciet vast voor
toegang tot masten en antennesystemen (Hoofdstuk 3 en in het bijzonder art.
3.12 Tw zien op deze voorzieningen), doch dit neemt niet weg dat OPTA deze
bevoegdheid ook bezit ten aanzien van andere toegangsvoorzieningen en interconnectie.
Boetes OPTA
Ten slotte kan worden vermeld
dat OPTA hogere boetes zal kunnen opleggen dan nu het geval is. Op grond
van artikel 15.4, lid 2 Tw kan OPTA nu maximaal een boete van 450.000 euro
vaststellen. Dit bedrag wordt nu in de Tw (nieuw) voor sommige categorieën
gevallen 450.000 euro of, indien dat meer is, 10% van de relevante omzet
van de onderneming in Nederland (artikel 15.4, lid 2). De hoogte van de boete
dient in ieder geval te worden afgestemd op de ernst en de duur van de overtreding,
alsmede op de mate waarin de overtreder daarvan een verwijt kan worden gemaakt
(artikel 15.4, lid 5). Tot op heden heeft OPTA nog maar eenmaal van haar
boetebevoegdheid gebruik gemaakt. [32] Het is de vraag of de verhoging van de boetes zal leiden tot een strengere
handhaving door OPTA aan de hand van hogere boetes.
Conclusie
De nieuwe Tw zal belangrijke
verbeteringen bevatten op procedureel gebied. Zowel wat de bepalingen van
de doorlooptijden als de regelingen voor geschillen zijn nu althans
op papier meer toegespitst op de dynamische telecommunicatiemarkt.
Het zal moeten blijken in hoeverre de weerbarstige praktijk op de theorie
zal aansluiten. Met name de nationale en Europese consultatieprocedures zullen
nog de nodige tijd in beslag gaan nemen.
Noten
[1]
* Mr. A.T. Ottow
is gastonderzoeker bij het Instituut voor Informatierecht (IV
i R) en advocaat-adviseur bij Houthoff Buruma en
tevens redacteur van dit blad. Met dank aan Ricarda Oudejans voor haar bijdrage
aan dit artikel.
Kamerstukken II , vergaderjaar
2003-2004, 28 851, nr. 50.
[2]
Kamerstukken II , vergaderjaar
2003-2004, 28 851, nr. 22.
[3]
Kamerstukken II, vergaderjaar
2003-2004, 28 851, nr. 36.
[4]
Art. 14, lid 5 IVBPR.
[5]
Toelichting
pag. 4, onderdeel B (inleiding).
[6]
E.J.
Dommering e.a., 'Zes Jaar Bestuur en Rechtspraak in de Telecommunicatiemarkt',
Instituut voor Informatierecht (IViR), Amsterdam, oktober 2003. Dit rapport
is uitgevoerd in opdracht van OPTA en zal in boekvorm verschijnen. De grafiek
is overgenomen uit het rapport, Hoofdstuk 2 (Kwantitatieve analyse).
[7]
Zie
bijvoorbeeld: 'De procedures bij OPTA: geen sinecure',
Markt & Mededinging 2000/nr. 1, p. 3
10 en A.T. Ottow, 'Het verschil tussen duivenhokken en telecommunicatie.
De bestuurs(proces)rechtelijke obstakels bij het toezicht op de telecommunicatiemarkt',
preadvies VAR Vereniging voor Bestuursrecht, In: B.M.J.
van der Meulen & A.T. Ottow, 'Toezicht op markten', Den Haag, Boom Juridische
uitgevers, 2003 en OPTA Jaarverslag 2002, 'Visie op
de Markt', p. 8.
[8]
Kamerstukken
II , vergaderjaar 2003-2004, 28 852, nr. 22, p.
5.
[9]
Richtlijn 2002/19/EG van het Europese parlement en de Raad van 7 maart 2002
inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische communicatienetwerken
en bijbehorende faciliteiten ("Toegangsrichtlijn"), Richtlijn 2002/20/EG
van het Europese Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging
voor elektronische communicatienetwerken en -diensten ("Machtigingsrichtlijn"),
Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002
inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken
en -diensten ("Kaderrichtlijn") en Richtlijn 2002/22/EG van het
Europees parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst
en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische communicatienetwerken
en -diensten ("Universele Dienstrichtlijn"), alle gepubliceerd
in Pb 2002, L 108.
[10]
Het verschil tussen duivenhokken en telecommunicatie. De bestuurs(proces)rechtelijke
obstakels bij het toezicht op de telecommunicatiemarkt', preadvies VAR Vereniging
voor Bestuursrecht, In: B.M.J. van der Meulen & A.T. Ottow, 'Toezicht
op markten', Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2003, Hoofdstuk 2.
[11]
Brief van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat aan de Voorzitter
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 juli 2001,
Kamerstukken II 2000-2001, 21 693, nr. 56, p.
26.
[12]
Zie
voor een uitgebreide bespreking van deze procedures: A.T. Ottow, 'Review
van het toezicht', Computerrecht 2003/1. p. 16-17.
[13]
Kamerstukken I , vergaderjaar
2002-2003, 27 563, nr. 236 en nr. B, Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht
en enige andere wetten in verband met de mogelijkheid om de bezwaarschriftprocedure
met wederzijds goedvinden buiten toepassing te laten (rechtstreeks beroep).
[14]
Vgl. 'Review van het toezicht', Computerrecht
2003/1, p. 17 en Rapport IViR, paragraaf 6.3.
[15]
Zie
Rapport IViR, paragraaf 4.5.
[16]
Kamerstukken
II , vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 44. Dit
amendement werd door Blok ingediend ter vervanging van een eerder amendement
(nr. 38) dat een verdergaande motiveringsverplichting inhield.
[17]
Zie
bijvoorbeeld de volgende zaken: Vz. Rb.Rotterdam 24
december 1999, Libertel/OPTA, reg. nr. VTELEC 99/2547-SIMO,
Mediaforum 2000-2, Jur. nr. 13, m.nt. E. Loozen
& K. Mortelmans en UPC vs. OPTA,
Mediaforum 2002-10, p. 337, nr. 40, m.nt. ATO
en Vz. Rb. Rotterdam 29 november 2002, O2 e.a. vs OPTA, reg. nr.: VTELEC
02/2675 RIP, http://www.rechtspraak.nl.
[18]
Brief van de Minister van Economische Zaken van 27 oktober 2003
, Kamerstukken II , vergaderjaar 2003-2004, 28
851, nr. 48, p. 3.
[19]
Zie
het Rapport IViR, Hoofdstuk 2.
[20]
Zie het Rapport IViR, Hoofdstuk 2.
[21]
Kamerstukken II ,
vergaderjaar 2003-2004, 28 852, nr. 22, p. 7.
[22]
Zie voor de diverse procedurele verschillen tussen de NMa, DTe en OPTA: A.T. Ottow & I.M. Schong, 'De sectorspecifieke
toezichthouders en het kamermodel NMa', M&M 2002/nr. 4, p. 128 134 en
B.M.J.
van der Meulen, 'Onoverkomelijk bezwaar. Drie soorten prorogatie: maatwerk
of wetgevingsvandalisme?', NTB
2002/4-5, p. 90.
[23]
Derde Nota van Wijziging, Kamerstukken II
, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 22, artikel XXXIIC.
[24]
Zie art. 93 gewijzigde Mededingingswet: Wijziging
van de Mededingingswet in verband met het omvormen van het bestuursorgaan
van de Nederlandse mededingingsautoriteit tot zelfstandig bestuursorgaan
(gewijzigd voorstel van wet d.d. 5 februari 2002),
Kamerstukken I 2001/02, 27 639, nr. 228. Deze
wijziging van de Mw was voorlopig aangehouden, maar de Minister van Economische
Zaken heeft onlangs de Eerste Kamer alsnog verzocht dit wetsontwerp in behandeling
te nemen: brief van de Minister van Economische Zaken van 7 november 2003, Kamerstukken I , vergaderjaar
2003-2004, 27 639, nr. A. Artikel 93, derde t/m zesde lid van dit de gewijzigde
Mededingingswet zal - als gevolg van artikel XXXIIc TW (nieuw) - komen te
vervallen zodra de algemene regeling van de Awb in werking treedt. Dit geldt
eveneens voor de artikel 82, leden 5 en 5 Elektriciteitswet en artikel 61,
leden 4 en 5 Gaswet.
[25]
Kamerstukken II ,
vergaderjaar 2003-2004, 28 852, nr. 22, p. 8.
[26]
Gewijzigd amendement van het lid Atsma ter vervanging van dat gedrukt
onder nr. 33 , Kamerstukken II
, vergaderjaar 2003-2004, 28 851, nr. 47.
[27]
Zie: Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003,
nrs. 1-2.
[28]
Zie A.T. Ottow, 'Review van het toezicht', Computerrecht
2003/1, p. 15.
[29]
Hoofdstuk
5 (handhaving) Awb. Zie voor enkele aspecten van handhaving op grond van
de Tw: A.T. Ottow, 'Het verschil tussen duivenhokken en telecommunicatie.
De bestuursrechtelijke obstakels bij het toezicht op de telecommunicatiemarkt',
In: B.M.J. van der Meulen en A.T. Ottow, 'Toezicht
op markten' , preadviezen voor de VAR 2003, Boom
Juridische Uitgevers, Den Haag 2003,, hoofdstuk 5.
[30]
Vz.
Rb. Rotterdam 29 juli 2003 (VTELEC 03/1803-MES en VTELEC 03/1804-MES), niet
gepubliceerd.
[31]
A.T. Ottow & A. Prompers, 'De wisselwerking tussen het telecom- en
mededingingsrecht'. In: A.T. Ottow & A.F. Eeken (red.),
'De rol van het mededingingsrecht in gereguleerde markten'
, Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2001, p. 37 en Dommering e.a.
, 'Handboek Telecommunicatierecht. Inleiding tot
het recht en de techniek van de telecommunicatie.
', Den Haag: Sdu Uitgevers 1999 , p. 697.
[32]
Persbericht
van 20 maart 2003, boeteoplegging aan KPN Telecom inzake de levering van
ontbundelde toegang, http://www.opta.nl
(besluit is nog niet gepubliceerd).
|