Annotatie bij Rb. Den Haag 17 maart 2004 (TPG / Staat en TPG / OPTA)
Verschenen in: Mediaforum, 2004-5, p. 182-188.

A.T. Ottow en V. Textor


Mr. V.A. Textor is advocaat bij Houthoff Buruma te Amsterdam

In deze uitspraken oordeelt de civiele rechter (Rechtbank Den Haag) over de vraag of OPTA belastingaangiftebiljetten tot 100 gram terecht als drukwerk en niet als brief heeft aangemerkt. De relevantie van deze vraag houdt verband met de toetreding van concurrenten van TPG op de postmarkt. Concurrenten van TPG zijn vrij om drukwerken te vervoeren, terwijl het vervoer van brieven tot 100 gram exclusief is voorbehouden aan TPG. In deze noot wordt achtereenvolgens ingegaan op het systeem van de Postwet, de achtergrond van de uitspraken, de beoordeling door de Rechtbank en de door OPTA gevolgde werkwijze.

Systeem van de Postwet

Met de Europese Postrichtlijn van 1997 (Richtlijn 97/67/EG) werd vanuit de Europese Unie de liberalisering van de Postmarkt verder ingezet. Deze Europese Richtlijn heeft geresulteerd in de huidige Postwet, die sinds 1 juni 2000 in werking is getreden. De Postwet gaat uit van een driedeling: aan TPG voorbehouden diensten (“concessie”), aan TPG overige opgedragen diensten (tezamen met de concessie "de opdracht") en de vrije diensten (“vrije deel”).

De concessie bevat het wettelijke monopolie van TPG. Dit exclusieve recht houdt in de plicht om het briefverkeer van brieven tot en met honderd gram, waaronder begrepen binnenkomende internationale brievenpost tot 100 gram, te verzorgen tegen een in het Postbesluit gereguleerd tarief. Voor derden is het derhalve niet toegestaan om brieven onder de honderd gram te vervoeren. Voor onderhavige casus is relevant dat drukwerken vallen onder de overige opgedragen diensten. TPG is verplicht drukwerken te vervoeren, terwijl derden ook drukwerken mogen vervoeren. De diensten die vallen onder deze opdracht worden derhalve gereguleerd door OPTA. Het "vrije deel" (van de postmarkt) is niet gereguleerd. Concurrenten van TPG kunnen deze vrije diensten vanzelfsprekend ook aanbieden.

De Postwet geeft in artikel 1, sub b, een definitie van het begrip “brieven”: “bescheiden en schriftelijke mededelingen, al dan niet verpakt, met uitzondering van die welke door toepassing of andere vermenigvuldigingstechnieken in een aantal geheel met elkaar overeenstemmende exemplaren ter verspreiding zijn vervaardigd en waarin, behoudens de adressering, geen bijvoegingen, doorhalingen of aanduidingen zijn aangebracht” In artikel 1, sub c, van het Postbesluit is "drukwerken" gedefinieerd als: “bescheiden en schriftelijke mededelingen, al dan niet verpakt, die door toepassing van druk- of andere vermenigvuldigingstechnieken in een aantal geheel met elkaar overeenstemmende exemplaren zijn vervaardigd en waarin, behoudens de adressering, geen bijvoegingen, doorhalingen of aanduidingen zijn aangebracht."

Verloop van de procedure

Door OPTA is meermalen aangegeven dat het vervoeren van geadresseerde drukwerken "een interessante en groeiende markt is voor marktpartijen". [1]
OPTA constateerde ook meerdere malen dat in de markt onduidelijkheid bestaat over het onderscheid tussen drukwerken en brieven. OPTA identificeerde deze onduidelijkheid als een knelpunt voor toetreding tot de postmarkt. Volgens OPTA zou nieuwe wetgeving aan de onduidelijkheid een einde moeten maken, aangezien deze onduidelijkheid in haar visie concurrentiebelemmerend werkt. Voor het jaar 2003 had OPTA zich - bij gebrek aan nieuwe wetgeving - voorgenomen om deze onduidelijkheid weg te nemen. [2] Dit voornemen heeft echter niet geresulteerd in algemene beleidsregels over de interpretatie van het begrip drukwerk. Wel speelden enkele klachten van concurrenten van TPG over deze materie. [3]

Ook de Belastingdienst legde aan OPTA een vraag voor over de kwalificatie van belastingaangiftebiljetten tot 100 gram. Indien deze biljetten als brief zouden kwalificeren heeft TPG het exclusieve recht tot vervoer van de aangiftebiljetten. Indien deze als drukwerk zijn aan te merken, staat het ook concurrenten van TPG de aangifte- biljetten te vervoeren. Voor de Belastingdienst is het vervoer van de belastingaangiftebiljetten in het laatste geval aanbestedingsplichtig.

Bij brief van 28 november 2002 laat OPTA de Belastingdienst weten dat belastingaangiftebiljetten tot 100 gram als drukwerken dienen te worden aangemerkt. Blijkens de onderhavige uitspraak had OPTA TPG niet geconsulteerd noch ingelicht over de brief van 28 november 2002 aan de Belastingdienst. TPG moest de visie van OPTA via de Belastingdienst vernemen. TPG ageerde in december 2002 meermalen tegen deze handelswijze door OPTA, hetgeen OPTA heeft doen besluiten haar oordeel aan de markt voor te leggen via een consultatie. Op 16 januari 2003 heeft OPTA op haar website het consultatiedocument - in de vorm van de aan de Belastingdienst en de marktpartij verstuurde oordelen - gepubliceerd. Deze consultatie bevatte tevens een vraag van een (geanonimiseerde) marktpartij op de postmarkt over de kwalificatie van oproepingskaarten voor verkiezingen als brief of drukwerk. Overigens had OPTA ook deze vraag al voorafgaand aan de consultatie en zonder TPG in te lichten of te consulteren beantwoord.

Na de consultatie, waarbij naast TPG ook concurrenten van TPG hun visie hadden gegeven, heeft OPTA bij brief van 25 april 2003 haar oorspronkelijk oordeel opnieuw kenbaar gemaakt en deze later eveneens gepubliceerd op haar website. OPTA heeft daarbij aangegeven dat geen rechten kunnen worden ontleend aan haar standpunten.

De Belastingdienst is vervolgens een Europese aanbestedingsprocedure gestart. TPG heeft vervolgens de Belastingdienst in juni 2003 zowel in voorlopige voorzieningenprocedure, als in een bodemprocedure gedagvaard. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft bij kort geding-vonnis van 10 september 2003 de Belastingdienst (de Staat) geboden om de gestarte aanbesteding te beëindigen in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure [4] . Tevens is OPTA door TPG gedagvaard in een civiele bodemprocedure, teneinde OPTA te bewegen haar oordeel in te trekken en te rectificeren. Het voeren van een bestuursrechtelijke procedure bij de in dezen exclusief bevoegde bestuursrechter in Rotterdam was niet mogelijk, aangezien (de publicatie van) het oordeel van OPTA geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is, maar feitelijk handelen van OPTA. In de visie van TPG had OPTA onrechtmatig gehandeld door een onjuist, misleidend, met de Postwet strijdig oordeel te publiceren, waarbij OPTA haar wettelijke bevoegdheden had overschreden.

Standpunt OPTA

OPTA oordeelde ten aanzien van het belastingaangiftebiljet en de oproepkaart dat sprake is van een bescheid of schriftelijke mededeling die door toepassing van druk- of andere vermenigvuldigingstechnieken in een aantal met elkaar overeenstemmende exemplaren zijn vervaardigd. Om te bepalen of de documenten als drukwerk of brief kwalificeren, was volgens OPTA van belang of sprake is van (behoudens voor de adressering) aangebrachte bijvoegingen, doorhalingen of aanduidingen in de zin van de Postwet en het Postbesluit. Ten aanzien van de belastingaangiftebiljetten ging het om de vraag of het door de Belastingdienst aangebrachte gegevens (sofi-nummer, bankrekeningnummer, geboortedatum en een streepjescode, waarin voornoemde gegevens waren verwerkt) een bijvoeging, doorhaling of aanduiding in de zin van de Postwet en het Postbesluit was. Ten aanzien van de oproepingskaarten ging het om de vraag of de naam van de gemeente, het nummer van de kieskring, het adres van het stembureau en het nummer van het stemdistrict, een volgnummer en de geboortedatum van de geadresseerde een bijvoeging, doorhaling of aanduiding in de zin van de Postwet en het Postbesluit was.

Ten aanzien van de op het belastingaangiftebiljet aangebrachte toevoegingen oordeelde OPTA - met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis - dat de toevoegingen weliswaar waren toegesneden op de individu, maar ten doel hadden om de belastingplichtige in administratieve zin nader aan te duiden. Bovendien veranderden de toevoegingen de inhoud van de boodschap (een oproep tot het doen van belastingaangifte) niet. OPTA concludeerde dat de belastingaangiftebiljetten derhalve kwalificeren als drukwerk.

Ten aanzien van de oproepingskaarten voor verkiezingen oordeelde OPTA, met verwijzing naar de Kieswet 1989, anders. Uit de krachtens deze wet te volgen stemprocedure meent OPTA op te maken dat de oproepingskaart een dusdanig geďndividualiseerd karakter heeft - er wordt slechts een exemplaar voor een kiezer vervaardigd aan de hand waarvan op het stembureau een controle wordt uitgevoerd - dat de oproepingskaart kwalificeert als brief.

Beoordeling Rechtbank

In de hierboven weergegeven uitspraken oordeelde de Rechtbank op basis van de definities van brieven en drukwerken in de Postwet en het Postbesluit dat de belastingaangiftebiljetten wčl kwalificeren als brief. De Rechtbank oordeelde dat de door de Belastingdienst op de belastingaangiftebiljetten aangebrachte andere gegevens dan NAW-gegevens, te weten het sofi-nummer of aangiftenummer, de geboortedatum, het rekeningnummer voor teruggave en een streepjescode, waarin voornoemde gegevens waren gecodeerd, niet noodzakelijk zijn voor een adequate postbezorging. Dit wordt benadrukt door het feit dat de gegevens pas bij opening van de envelop zichtbaar zijn en het (deels) privacy gevoelige informatie betreft, aldus de Rechtbank. Het door OPTA gegeven oordeel over de status van belastingaangiftebiljetten is derhalve, in de visie van de Rechtbank, onjuist. De Rechtbank is echter van mening dat OPTA niet onrechtmatig heeft gehandeld, aangezien het gaat over de uitleg van wetsartikelen, waarbij meerdere interpretaties verdedigbaar zijn en OPTA op haar website heeft aangegeven dat aan haar visie geen rechten kunnen worden ontleend.

De Rechtbank oordeelt vervolgens dat OPTA ook haar wettelijke bevoegdheden niet heeft overschreden. Hoewel de wettelijke bevoegdheden van OPTA beperkt zijn tot toezicht, mag OPTA in het verlengde daarvan wel een maatschappelijke discussie entameren c.q. voeren en standpunten innemen, aldus de Rechtbank. De Rechtbank acht de door OPTA aanvankelijk gevolgde werkwijze, waarbij aan de Belastingdienst een oordeel werd verzonden, zonder consultatie van TPG, wel onrechtmatig, maar tijdig hersteld. OPTA dient haar (onjuist gebleken) standpunt door middel van publicatie op haar website, alsmede in het huisblad van OPTA, "Connecties", te rectificeren.

Toetsing door de civiele rechter

Het uiteindelijk gepubliceerde oordeel van OPTA wordt door de civiele rechter in volle omvang getoetst. Bij deze toetsing betrekt de civiele rechter niet doel en strekking van de Postwet, maar legt de wet restrictief uit. De bestuursrechter oordeelde in een eerdere postzaak anders. In de Otto-zaak oordeelde het CBB:

“4.5 Op grond van het vorenstaande moet naar het oordeel van het College de interpretatie van de Postwet en de daarop gebaseerde bepalingen, (…) plaatsvinden tegen de achtergrond van het met die wet nagestreefde evenwicht in de concurrentieverhoudingen op de markt voor postdiensten. [5]

In de standaardzaak voor telecommunicatie, de zaak Dutchtone, werd deze visie van het CBB bevestigd. Het CBB overwoog dat bij de uitleg van de Tw de reikwijdte van een wettelijke verplichting dient te worden vastgesteld met inachtneming van de bedoeling ervan [6] .

In een zaak over zelfbezorging van post door de gemeente Oss kende de Rotterdamse bestuursrechter eveneens betekenis toe aan doel en strekking van de wet:

“Met eiser is de rechtbank van oordeel dat artikel 12, eerste lid, van de Postwet geen verbod inhoudt op het door een rechtspersoon zelf, in eigen beheer, vervoeren van de eigen post, ook niet als dat vervoer plaatsvindt door eigen – betaalde – medewerkers. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij het vaststellen van de omvang van het monopolie de concessiehouder zich uitdrukkelijk rekenschap heeft gegeven van het feit dat binnen (de omvang van) het wettelijke monopolie “[s]“-ubstitutie-mogelijkheden" bestaan en dat "zelfbezorging (…) door grootverbruikers. (…) zeer wel denkbaar is" (Tweede Kamer, 1987/1988, 20 371, nr. 5, blz. 6) (memorie van antwoord). In de nota naar aanleiding van het eindverslag (Tweede Kamer, 1987/1988, 20 371, nr. 10 blz. 3) wordt bevestigd dat "er binnen dit exclusieve vervoer nog aanmerkelijke uitzonderingsmogelijkheden, zoals bijvoorbeeld zelfbezorging" zijn [7]

De Rechtbank Rotterdam constateerde in de zaak Oss dat OPTA had nagelaten doel en strekking van de wet bij de beoordeling te betrekken, door te oordelen dat OPTA artikel 12, eerste lid van de Postwet, te restrictief had uitgelegd. De Rechtbank droeg OPTA vervolgens op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van doel en strekking van de wet.

In een meer recente uitspraak over de voorschriften die OPTA bij de goedkeuring van het door TPG gehanteerde kostentoerekeningssysteem had opgelegd, oordeelde het CBB dat (het systeem) van de relevante postwetgeving - het Besluit algemene richtlijnen post (BARP) - geen ruimte voor beoordelingsvrijheid aan OPTA biedt. [8] De bepalingen in het BARP waren voldoende duidelijk, aldus het CBB. Deze zaak wijkt daarmee af van de onderhavige zaak en de Otto-zaak, alsmede de zaak Oss. In deze laatste zaken waren de wetsbepalingen voor meerdere uitleg vatbaar en lieten derhalve beoordelingsruimte voor OPTA. In een dergelijk geval past een "doelstelling-interpretatie" en een meer terughoudende toetsing door de rechter. [9] Naar onze mening is het onwenselijk, indien de civiele rechter op een andere wijze toetst dan de bestuursrechter. Daarenboven is het in strijd met de liberaliseringsgedachte, indien het exclusieve recht van TPG te ruim wordt uitgelegd. [10] Indien de Rechtbank wel naar doel en strekking van de wet had gekeken, was zij wellicht tot een ander oordeel gekomen. Uit de toelichting bij het Postbesluit valt immers op te maken dat het bij het onderscheid tussen brief en drukwerk bepalend is of de mededeling in het te verzenden stuk een geďndividualiseerd karakter kent. [11] Eerst dan is sprake van een brief. De mededeling is in casu een oproep tot het doen van belastingaangifte. Het karakter van deze mededeling kan worden aangemerkt als van algemene aard. Het is ook uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever geweest met het oog op de liberalisering van de postmarkt van geval tot geval te bezien of sprake is van een brief of drukwerk. [12] Het is tevens de bedoeling van de Postwet om het monopolie van TPG door middel van een restrictieve uitleg van het begrip "brief" zo beperkt mogelijk te houden in het belang van het bevorderen van de concurrentie. [13] Op basis van een "doelstelling-interpretatie" zou naar onze mening de mededeling derhalve doorslaggevend moeten zijn. Het belastingaangiftebiljet dient om die reden te worden aangemerkt als een drukwerk. Dat de Rechtbank OPTA niet heeft gevolgd, is wellicht te wijten aan het feit dat OPTA niet consistent is geweest in de wijze van interpretatie van de relevante wetsbepalingen in beide oordelen. Ook de oproepingskaart had moeten worden aangemerkt als drukwerk, indien OPTA naar doel en strekking van de Postwet had gekeken. De mededeling in de oproepingskaart kent immers eveneens een algemeen karakter. De mededeling is een uitnodiging voor kiesgerechtigden tot het uitbrengen van hun stem. Het is niet duidelijk waarom OPTA in het ene geval (de aangiftebiljetten) het administratief doel van de toevoegingen opvat als een nadere aanduiding van de adressering, in wezen een vorm van identificatie, en in het andere geval (de oproepingskaarten) de toevoegingen niet als een nadere wijze van adressering aanmerkt. Deze inconsistentie is in ieder geval in de uitspraak van 10 september 2003 aan OPTA tegengeworpen door de Voorzieningenrechter.

Handelswijze OPTA

De Rechtbank diende zich eveneens te buigen over de vraag of het OPTA vrij staat dergelijke oordelen te geven en vervolgens op haar website te publiceren. Reeds eerder kwam soortgelijke problematiek aan de orde in de zaak KPN/OPTA [14] betreffende de voorlichtingscampagne van OPTA via haar website over de beltarieven. KPN stelde zich - eveneens bij de civiele rechter - op het standpunt dat OPTA niet bevoegd was tot het houden van dergelijke voorlichtingscampagnes, aangezien uit artikel 15 OPTA-wet zou blijken dat de taken van OPT