| De overheid heeft naar
algemeen wordt aangenomen een voorwaarden scheppende taak op
het gebied van de media en de informatievoorziening. Daarin
staat de zorg voor de pluriformiteit centraal. Het belang van
de pluriformiteit heeft in het verleden geleid tot
mededingingsbeperkende maatregelen en het accepteren van
mededingingsbeperkende afspraken als 'de vaste boekenprijs'.
Wij stellen ons de vraag óf en in hoeverre de Mededingingswet
ruimte biedt om net als in het verleden rekening te houden met
het pluriformiteitsbelang.
Dit artikel heeft de volgende
opzet. De volgende twee paragrafen onderzoeken
overheidsonthouding en ingrijpen, bekeken vanuit de
uitingsvrijheid respectievelijk de
vrije mededinging.
De paragraaf
daarna gaat in op een aantal concreet benoemde spanningsvelden
tussen uitingsvrijheid en vrije mededinging. Vervolgens
gaat een aantal actuele kwesties voor het voetlicht:
toegang tot de kabel,
vaste boekenprijs,
prijsafspraken in
de dagbladsector, en
dagbladconcentraties. Op grond van het onderzoek is het
mogelijk een eerste antwoord te geven
over de verhouding tussen de Mededingingswet en pluriformiteit.
1. Uitingsvrijheid, zorgplicht,
pluriformiteit
Het recht op vrijheid van
meningsuiting is ontstaan als reactie op censuur en repressie
door de overheid. Het is als klassiek grondrecht een
afweerrecht, dat een onthoudingsplicht van de overheid
vastlegt. Het recht op vrijheid van meningsuiting en de
daarmee verbonden overheidsonthouding zijn volgens veel
schrijvers mede daarom zo belangrijk, omdat zij kunnen leiden
tot een ruime verscheidenheid aan meningen en informatie. Deze
'free market place of ideas' zorgt voor keuzemogelijkheden en
een levendige maatschappelijke en politieke discussie.[1]
In samenhang met de opkomst van de sociale grondrechten is het
besef gegroeid dat de overheid in het algemeen ook een meer
positieve rol kan spelen op het gebied van de uitingsvrijheid.
Zij kan binnen bepaalde grenzen een voorwaarden scheppend
beleid voeren. Onder omstandigheden is er zelfs een plicht om
in te grijpen. Zo heeft het Europese Hof er weinig twijfels
over laten bestaan dat de staat op grond van artikel 10 EVRM
de verplichting heeft 'het pluralisme' te garanderen.[2]
In Nederland wordt vanaf de
jaren zeventig de zorgplicht of zorgfunctie meestal verbonden
met de term 'pluriformiteit'. Hiermee wordt in de eerste
plaats gedoeld op de inhoud van de beschikbare informatie: een
rijk geschakeerd aanbod van mediaboodschappen.[3]
Krijgt de betekenis van de media voor de democratische
meningsvorming de meeste nadruk, dan dienen de media nieuws
van verschillende kanten te belichten en dient er plaats te
zijn voor afwijkende meningen en kritiek. Het verdwijnen van
met name veel levensbeschouwelijke en politiek georiënteerde
dagbladtitels wekte daarom de nodige zorg. Hier ligt de nadruk
op externe pluriformiteit. Interne pluriformiteit houdt er
rekening mee dat ook binnen één blad meer standpunten aan bod
kunnen komen. Dat betekent dat een vermindering van het aantal
zelfstandige titels niet zonder meer tot een vermindering van
'de pluriformiteit' van de media als geheel hoeft te leiden.
De term 'pluriformiteit' wordt overigens in toenemende mate
gebruikt voor zowel inhoud van het aanbod als aantal
aanbieders. Het spreekt ook voor zich dat er in een democratie
verschillende van elkaar onafhankelijke aanbieders zijn.
De media spelen niet alleen
een rol bij de maatschappelijke nieuwsvoorziening en
meningsvorming, zij zorgen ook voor cultuuroverdracht en
vormen bovendien zelf een belangrijk onderdeel van de cultuur.
Het mediabeleid is op onderdelen derhalve ook te beschouwen
als cultuurbeleid, dat mede op artikel 22 lid 3 Grondwet is te
baseren. Pluriformiteit als beleidsdoelstelling is dan nader
in te vullen als een cultureel verscheiden en kwalitatief
hoogstaand aanbod.[4]
Het bovenstaande maakt al
duidelijk dat consensus over het belang van de pluriformiteit
nog niet alle meningsverschillen wegneemt; de term krijgt niet
steeds dezelfde invulling. Bovendien is het niet duidelijk, op
welk moment ingrijpen gewenst en/of geboden is; met andere
woorden: zorgt onthouding niet voor een voldoende mate van
verscheidenheid? Daar komt nog bij dat overeenstemming over de
wenselijkheid of de noodzaak van ingrijpen niet automatisch
leidt tot een keuze uit beleidsinstrumenten, die wellicht ook
ongunstige neveneffecten sorteren. Ten slotte zijn met name de
financiële middelen van de overheid beperkt zodat ook een
afweging met het belang van beleidsdoelen op andere terreinen
plaats moet vinden.
Bij de invulling van de
zorgplicht gaat het dus om veelal beleidsmatige overwegingen.
De zorgplicht heeft naar haar aard een ander karakter dan de
onthoudingsplicht. Het grondrecht legt de onthoudingsplicht
namelijk eenduidige vast; onthouding kan ook maar op één
manier. Het is belangrijk op te merken dat het afweerrecht ook
een grens trekt voor de 'zorgende overheid'. Het idee dat het
bevorderen van de pluriformiteit geen beperking van de
uitingsvrijheid met zich mee zou kunnen brengen, en dus niet
aan het grondrecht getoetst hoeft te worden, is onjuist. Een
wettelijke regeling die kranten verplicht ieder dag 'alle
politieke partijen' aan het woord te laten, vergroot wellicht
de interne pluriformiteit, maar vormt tegelijkertijd een
onaanvaardbare beperking van de uitingsvrijheid.
2. Concurrentie,
pluriformiteit en pluraliteit
Voor de handhaving van de
vrije concurrentie bevat de Grondwet geen onthoudings- dan wel
zorgplicht voor de overheid. De ondernemersvrijheid is met
andere woorden een zwakke norm. Dat neemt niet weg dat de
mededingingswetgeving is te beschouwen als een instrument van
overheidszorg voor de vrije concurrentie. In de
mededingingswetgeving wordt de vrijheid van bepaalde
ondernemers beknot teneinde de materiële vrijheid van andere
ondernemers en consumenten te beschermen. Ondernemersvrijheid
wordt beknot als er sprake is van samenspanning tussen
ondernemers, misbruik van een machtspositie en beheersing van
de ene ondernemer door de andere. Het ingrijpen van
overheidswege in het ondernemershandelen kan vrij ver gaan.
Dat kan gaan om het opleggen van een bepaalde prijs, die moet
worden gehanteerd. Het kan ook gaan om het verplicht afstoten
van een bedrijfsonderdeel of de belofte zich niet te geven op
bepaalde productmarkten. De juridische grondslag van dit soort
voorwaarden is niet altijd even helder, maar zij worden vaak
opgelegd als onderdeel van een goedkeuring van een bepaalde
ondernemersgedraging.
Concurrentie in de
ideaaltypische vorm is een begrip dat uitgaat van oneindig
veel aanbieders die leveren wat de consument vraagt.
Aanbieders concurreren op prijs en kwaliteit. Zo laag
mogelijke prijzen en productdifferentiatie zijn
marktresultaten als gevolg van concurrentie. Pluriformiteit is
in het kader van marktwerking te beschouwen als een vorm van
marktresultaat zoals productdifferentiatie dat is. Pluraliteit
is in dit licht te beschouwen als het equivalent van de
aanname van veel aanbieders in het model van volledige
concurrentie.
Een belangrijk verschil
tussen het concurrentiemodel en het democratiemodel is wel dat
het concurrentiemodel indifferent is tegenover het
marktresultaat van productdifferentiatie. In het
democratiemodel is daarentegen pluriformiteit juist een
gewenst resultaat. Zonder een pluriform aanbod is in het
democratiemodel sprake van een slechte werking van de markt.
In het concurrentiemodel zegt een gebrek aan
productdifferentiatie niets. Dit kan ook een teken van van een
efficiënte productie zijn.
In het concurrentiemodel is
de afwezigheid van van veel aanbieders niet per se in strijd
met het model, maar het bestaan van een monopolie is wel
verdacht. Zo is het ook gesteld met de pluraliteit. Een gebrek
aan veel aanbieders in het democratiemodel is onwenselijk maar
dat kan tot op zekere hoogte worden gecompenseerd door de
zogenaamde interne pluraliteit van een organisatie.
Pluriformiteit/pluraliteit
enerzijds en monopolie anderzijds zijn op het eerste gezicht
volledig tegengesteld, omdat veelzijdigheid en diversiteit
haaks lijken te staan op het bestaan van een enkele aanbieder.
Dit ligt uiteraard genuanceerder. Een monopolist kan immers
zogenaamde interne pluriformiteit bieden. Een monopolist heeft
namelijk een goede reden voor een pluriform aanbod: hij wil
zijn afzetmarkt zo groot mogelijk maken en hij zal dus zo veel
mogelijk smaken en voorkeuren willen bedienen. Een
kanttekening hierbij is wel dat een monopolist zijn kosten wil
beperken waardoor hij ook goede redenen heeft om een aanbod te
leveren dat door een zo groot mogelijk aantal afnemers wordt
'geslikt' hoewel het voor velen niet hun eerste voorkeur
betreft. Economisch theoretisch onderzoek naar het marktaanbod
van monopolisten laat dit zien. Hetzelde geldt voor
oligopolies. Zij hebben een sterke neiging tot het leveren van
aanbod dat zich 'in het midden' bevindt.
3. Parallellie en
spanningsvelden
Vergelijken we onthouding en
ingrijpen bij media en mededinging, dan laat zich een matrix
van mogelijkheden opstellen. Motieven voor onthouding kunnen
elkaar soms versterken, net als motieven om in te grijpen.
Anderszins kunnen er zich meer problematische situaties
voordoen, waarbij motieven voor onthouding en ingrijpen
dooreen gaan lopen. Deze mogelijkheden hoeven hier niet alle
in abstracto uitgewerkt te worden. Het dunkt ons beter een
aantal voorbeelden ter verduidelijking te geven.
In 1814 werd de censuur uit
de Franse tijd afgeschaft. De reden was dat de
censuurbepalingen niet alleen de voortgang der Verlichting
beletten, maar ook nadelig waren voor het boekhandelsbedrijf.
In 1869 werd het dagbladzegel afgeschaft. Pleidooien daarvoor
hadden niet alleen gewezen op de betekenis van de pers voor de
parlementaire politiek en de verspreiding van de cultuur, maar
gebruikten ook economische argumenten. Bij beide
gebeurtenissen gaan persvrijheid en economische vrijheid als
resultante van overheidsonthouding hand in hand. Het is ook
mogelijk dat mededingingsbeleid en mediabeleid beide tot
ingrijpen nopen. Beide richten zich tegen monopolievorming en
een te ver gaande concentratie.[5]
Op het 'persfusiebeleid' komen wij hieronder nog terug.
De regeling die in 1958 tot
stand kwam en een vestigingsvergunning voor het
boekverkopersbedrijf eiste, is niet zo simpel te plaatsen. De
regeling vormde een inperking van de mededingingsvrijheid, die
in veel bedrijfstakken niet ongebruikelijk was. Zij was tot
stand gekomen onder druk van de erkende boekhandel, die het
plan om via allerlei winkels goedkope pockets te verspreiden,
wilde verhinderen. De overheid gaf aan de druk gehoor omdat
'een deskundig uitgeoefende en goed functionerende boekhandel
economisch, sociaal en cultureel een groot maatschappelijk
goed is'. De Hoge Raad achtte de regeling echter in strijd met
artikel 7 Grondwet.[6]
Juist omdat het verkopen van boeken een bij uitstek geschikt
middel is om drukpersproducten te verspreiden, is een algemeen
verlofstelsel ongeoorloofd. De vrijheid van mededinging is
hier dus een gevolg van de grondrechtelijke vrijheid van
meningsuiting.
Het steunbeleid voor de pers
is bij uitstek bedoeld ter bescherming van de pluriformiteit.
Het Bedrijfsfonds voor de Pers heeft sinds 1974 op
verschillende wijze steun verleend, en daarnaast overigens ook
onderzoek verricht en doen verrichten ten behoeve van de
perssector. De steunverlening is bedoeld om zwakkere titels
toch in de markt te houden, opdat de inhoudelijke concurrentie
(kwaliteitsconcurrentie) blijft bestaan. De steunverlening kan
daarmee op gespannen voet komen te staan met de uitgangspunten
van de vrije mededinging. Wel heeft de steunverlening in
beginsel een tijdelijk karakter en moet er uitzicht zijn op
een rendabele exploitatie binnen een redelijke periode
(individuele steun, art. 130 lid 2 Mediawet) of een
structurele verbetering van de exploitatie binnen een
redelijke termijn (compensatieregeling, art. 55 lid 1 sub d
Mediabesluit). De tijdelijkheid van de steun valt ons inziens
te beschouwen als een compromis tussen de
pluriformiteitsdoelstelling, die onder omstandigheden gediend
zou kunnen zijn met een meer permanente vorm van steun en de
eisen van de vrije mededinging. Overigens valt daarbij op te
merken dat uit de grondrechtelijke onthoudingsplicht ook
argumenten tegen een blijvende financiële afhankelijkheid zijn
te putten en dat een mogelijk nadelig effect op de dynamiek in
de dagbladsector de pluriformiteit van de mediasector als
geheel niet zonder meer ten goede hoeft te komen.
De sectorspecifieke wetgeving
voor de omroep is altijd gebaseerd geweest op het streven naar
een pluriform aanbod. Voor de omroep was het in Europa
gebruikelijk om een monopolie als enig middel voor een
pluriform aanbod te beschouwen. Het was geen particulier
monopolie, maar een publiekrechtelijk dan wel een sterk van
overheidswege gecontroleerd monopolie. Wat de omroepwetgeving
altijd heeft gedaan, is zich richten op de output van de
aanbieder. De wetgeving was gericht op het bewerkstelligen van
een pluriform aanbod in plaats van een diversiteit aan
aanbieders. Dat heeft te maken met de schaarse
distributiemiddelen (etherfrequenties zijn schaars) die
onvermijdelijk een oligopolistische marktstructuur teweeg
hadden gebracht. Een publiekrechtelijke opzet van de omroep
was bedoeld voor een intern plurale opzet. Enerzijds stond de
omroepwetgeving op gespannen voet met het concurrentiemodel
omdat het een monopolie introduceerde, anderzijds was de
omroepwetgeving juist bedoeld om vormen van marktbeheersing en
misbruik van een machtspositie, die zouden optreden als gevolg
van schaarse etherfrequenties, tegen te gaan. Stond het
publiekrechtelijke omroepmonopolie altijd al ter discussie,
ook in de tijd van schaarste van distributiemiddelen, na de
introductie van satelliet en kabel werd dit echt onhoudbaar in
het licht van het concurrentiemodel.
In het kader van
mediawetgeving heeft de overheid altijd met name ingegrepen op
het gebied van institutionele vrijheid. De overheid wilde
altijd bepalen wie mag omroepen. De onthoudingsplicht
beperkte zich tot wat wordt omgeroepen. Dit gold en
geldt voor de publieke omroep. Voor de commerciële omroep
heeft de overheid met name regels voor cross-ownership
opgesteld. Hier gaan pluriformiteit en volledige mededinging
in ideaaltypische zin hand in hand. Pers en omroep mogen niet
in handen komen van (te) weinig marktpartijen en daarom worden
er restricties gesteld aan de eigendom.
Met de stabilisering van de
commerciële omroep zien we overigens wel initiatieven om de
zorgplicht te verschuiven naar het wat. Van de Ploeg,
de staatssecretaris van OCenW, laat bijvoorbeeld wel eens een
proefballonnetje op voor programmavoorschriften voor de
commerciële omroep.
4. Vaste boekenprijs
De Koninklijke Vereniging ter
Bevordering van de Belangen des Boekhandels (KVB; voorheen
VBBB), die de belangen behartigt van onder meer de uitgeverij
en de boekhandel, reguleert de Nederlandse boekenmarkt. De
meeste boekhandelaren zijn lid en als zodanig verplicht zich
aan het Reglement voor het handelsverkeer van boeken in
Nederland te houden. Dat verplicht in Nederland uitgegeven
boeken te verkopen tegen een door de uitgever vastgestelde
prijs. Tot enkele jaren geleden gold een dergelijk systeem van
vaste boekenprijzen ook voor importboeken. In het verleden
heeft bovendien een overeenkomst met de Vlaamse
zusterorganisatie bestaan.
De collectieve verticale
prijsbinding beperkt uiteraard de mededinging, met name die
tussen boekverkopers. De KBV verdedigt de afspraken door te
wijzen op de positieve effecten. Ze zouden in de eerste plaats
meehelpen aan het bestaan van een ruim aantal goed gesorteerde
boekhandels. Het ontbreken van prijsconcurrentie biedt enige
bedrijfszekerheid en de marge op goed lopende titels maakt het
mogelijk ook minder goed lopende boeken in voorraad te nemen.
In de tweede plaats zouden ze het mogelijk maken dat een
uitgever aan een bestseller goed kan verdienen en zodoende
andere uitgaven kan bekostigen. Zonder al te veel moeite kan
men hier een vorm van het 'pluriformiteitsargument' in
ontdekken: een 'rijk' aanbod aan interessante boeken, waaruit
de consument een keuze kan maken.
Er valt te onderscheiden
tussen 'grensoverschrijdende prijsafspraken', prijsafspraken
die het handelsverkeer tussen de Lid-staten van de EG
anderszins ongunstig be‹nvloeden, en prijsafspraken met een
louter nationale invloed. Een voorbeeld van de eerste soort is
de overeenkomst tussen de KVB en haar Vlaamse
zusterorganisatie, die diende om de vaste boekenprijs ook over
de grens heen te garanderen. Deze overeenkomst werd in 1962
aangemeld bij de Europese Commissie.[7]
In 1981 verbood de Commissie de grensoverschijdende
prijsafspraken als strijdig met art. 81 (85) EG-Verdrag. De
belangrijkste reden was dat de afspraak vrijwel elke
prijsconcurrentie uitsloot, zodat bijvoorbeeld een
boekverkoper besparingen door vergroting van de efficiëntie
niet kon doorberekenen aan de klant. Het collectieve stelsel
van wederverkoopprijzen was volgens de Commissie niet
onmisbaar om tot het uitgeven en verdelen van de betrokken
boeken te komen.
Het Hof van Justitie verwierp
het beroep tegen de beschikking van de Commissie.[8]
In de procedure voor het Hof legden organisaties van uitgevers
en boekverkopers onder meer de nadruk op het gunstige gevolg
dat de regeling naar hun mening heeft op de veelzijdigheid van
het assortiment titels; zo waarborgt de regeling ook de
uitgave van poëzie. Meer in het algemeen zou de afschaffing
tot 'een beperking van de vrijheid van meningsuiting' leiden.
Het Hof is niet onder de indruk van deze redenering. Voorzover
artikel 10 EVRM al een waarborg in zou houden voor het
rendabel uitgeven van boeken, is een daadwerkelijk verband
tussen verdwijnen van de prijsafspraken en een beperking van
de vrijheid van meninsgsuiting in casu niet aangetoond. Het
waarborgen van het vrije handelsverkeer is niet een factor die
de publicatievrijheid kan beperken. Deze blijft naar niet is
betwist zowel op het niveau van de uitgevers als op dat van de
distributiebedrijven in stand. Met andere woorden: de overheid
verhindert niet het vrij kunnen publiceren. Aan de andere kant
staat dat zelfs als de specifieke aard van het boek bijzondere
voorwaarden zou kunnen rechtvaardigen, de beperking van het
handels verkeer in casu voldoende is om de beslissing van de
Commissie te kunnen dragen. Als er al sprake is van een
systeem van interne subsidiëring dan rechtvaardigt de
bescherming daarvan niet deze transnationale beperking.
Een voorbeeld van een
prijsafspraak, die zelf niet grensoverschrijdend is, maar wel
invloed op de tussenstaatse handel heeft, was het onderdeel
van het Reglement van de KBV dat zag op ge‹mporteerde boeken.
De importeur of de KVB zelf stelde een verkoopprijs vast, waar
de leden-boekverkopers aan gebonden waren. Dit element is op
aandringen van de Europese Commissie, die een onderzoek was
begonnen naar het Nederlandse stelsel van vaste boekenprijzen,
in 1997 uit het Reglement verwijderd. Nu het Reglement zich
beperkt tot de verkoop van het Nederlandse boek in Nederland,
meent de Europese Commissie dat 'niet meer kan worden
aangetoond dat het de handel tussen de lidstaten ongunstig kan
be‹nvloeden'. Daarom valt het niet langer onder het
toepassingsgebied van art. 81 EG-Verdrag. Dat zou overigens
weer kunnen veranderen wanneer de Commissie ervan op de hoogte
zou worden gebracht 'dat de toepassing van het reglement toch
tot een beperking van de (her)invoer leidt'.[9]
Deze mededeling strookt tot
op zekere hoogte met de meer algemene beschikkingspraktijk van
de Commissie.[10]
Weliswaar kunnen ook zuiver nationale kartels onder art. 81 EG
vallen (Cementhandelaren?), dat geldt minder voor verticale
prijsbinding.[11]
Uit het oordeel van de Europese Commissie mag dus niet
afgeleid worden dat de boekenbranche een bijzondere positie
toegekend krijgt. Er valt slechts uit op te maken dat de
prijsafspraken onder het nationale mededingingsrecht vallen.
De Nederlandse rechter is er overigens in het verleden ook
vanuit gegaan dat een puur nationale regeling geen effect op
de tussenstaatse handel had.[12]
Onderzoeken we dus de positie
van de vaste boekenprijs in het nationale mededingingsrecht.
De KBV heeft in 1997 onder het regime van de WEM een
ontheffing gekregen voorzover de prijsafspraken niet in strijd
zijn met het gemeenschapsrecht. Deze ontheffing loopt tot
2005.[13]
Aan deze ontheffing ligt niet zozeer een inhoudelijke
beoordeling ten grondslag als wel het voldoen aan eerder door
bewindslieden aan de Kamer gedane toezeggingen.[14]
Op grond daarvan zal de 'vaste boekenprijs' tot 2005 kunnen
blijven gelden. Omdat aan de ontheffing geen inhoudelijke
beoordeling ten grondslag ligt, is voorzien in een evaluatie
in 2000. Die zal betrekking hebben op effectiviteit en
efficiëntie. Bezien moet worden 'in hoeverre en in welke mate
de vaste boekenprijs leidt tot realisatie van de
achterliggende culturele doelstellingen, het brede aanbod en
het fijnmazig distributienetwerk'.
Ingevolge artikel 102 Mw
blijft de ontheffing ook onder het regime van de
Mededingingswet geldig voor de aangegegven duur, en is tot die
tijd aan te merken als een ontheffing in de zin van art. 17
Mw. Na afloop van de genoemde termijn zal de NMa de
prijsafspraken in de boekenbranche inhoudelijk moeten
beoordelen.[15]
Het is de vraag of de NMa positief zal staan tegenover het
systeem van vaste boekenprijzen. De NMa heeft namelijk al een
oordeel gegeven over -individuele- verticale prijsbinding in
de boekensector. Het betrof een tweetal ontheffingsverzoeken
voor een prijsbinding ten aanzien van geïmporteerde boeken.[16]
De NMa stelt vast dat de
vrije prijsvorming verhinderd wordt en eventuele
kostenvoordelen dus niet aan de eindgebruikers zijn door te
geven. De NMa wijst het argument van verzoekster dat een vaste
prijs van het buitenlandse boek bijdraagt aan de
instandhouding van een fijnmazig distributienet van boeken in
Nederland, expliciet van de hand. Het verlenen van een
ontheffing zou leiden tot inefficiënties, en zou het bestaande
distributiestelsel bevoordelen ten opzichte van andere
mogelijke stelsels als internet. Bovendien is de vaste
boekenprijs geen effectieve remedie gebleken om de daling van
het aantal boekhandels in Nederland tot staan te brengen. De
NMa haalt daarbij in opdracht van de Europese Commissie
opgestelde statistieken aan waaruit blijkt dat er geen verband
bestaat tussen het bestaan van een vaste boekenprijs in een
lidstaat en de mate waarin kleinere gemeentes nog een
boekhandel kennen. Vooralsnog stelt de NMa zich dus afwijzend
op; wel zij gezegd dat het argument van interne subsidiëring
binnen de uitgeverij bij deze prijsafspraken over
geïmporteerde boeken geen rol speelde.
5. Prijsafspraken
dagbladsector
Vanaf de oprichting van de
Nederlandse Dagpladpers (NDP) in 1908 bestaan er meer of
minder vergaande afspraken in de dagbladsector. We
onderscheiden hier tussen de horizontale afspraken die de bij
de NDP aangesloten uitgevers met elkaar aangaan, en die de
concurrentie tussen deze uitgevers op een aantal punten
beperken, en de verticale prijsafspraken die prijsconcurrentie
tussen detailverkopers onmogelijk maken.
Sinds 1970 bestaat er een
werkelijk collectief prijsbeleid van de bij de NDP aangesloten
uitgevers van dagbladen. Het gaat met name om afspraken
omtrent collectieve abonnmentsprijsverhogingen, collectieve
advertentietariefverhogingen, en gratis en gereduceerde
abonnementen. Dze zijn bedoeld om prijsonderbieding te
voorkomen. De overheid heeft deze afspraken in het verleden
altijd welwillend bejegend. Zo gaf minister Brinkman in 1983
aan dat het prijsbeleid van de overheid ten aanzien van de
pers een dubbele functie had. Enerzijds betaalbaarheid voor
eenieder, anderzijds een 'bodemprijs' opdat sterke kranten
geen prijsoorlog beginnen en de pluriformiteit afneemt.[17]
De door de overheid gedoogde collectieve prijsbinding heeft
relatief frequente prijsverhogingen mogelijk gemaakt.[18]
De welwillendheid van de
overheid lijkt de laatste jaren minder groot geworden. De
Minister van Economische Zaken heeft eind 1997, nog onder het
regime van het op de WEM gebaseerde Besluit horizontale
prijsbinding, een verzoek om ontheffing deels afgewezen.[19]
Dit Besluit maakte een ontheffing mogelijk 'indien het
algemeen belang dit vereist'. De nota van toelichting gaf aan
dat een toets moest geschieden aan de voorwaarden genoemd in
art. 81 (ex 85) EG. De NDP had daarom keurig aangegeven dat de
afspraken in het algemeen belang zijn omdat zij de
pluriformiteit dienen, dat zij bijdragen aan de economische en
technische vooruitgang omdat zij de bedrijfstak gezond houden,
zodat er innovaties mogelijk zijn, dat een billijk aandeel van
deze voordelen aan de gebruikers toekomt, en dat zwakkere
titels zo op de been kunnen blijven.
Het pluriformiteitsargument
is het belangrijkste. De redenering is gebaseerd op het feit
dat de krantenmarkt een rijpe markt is. Groei van de een gaat
ten koste van de ander. Scherpe prijsconcurrentie zou derhalve
leiden tot verdringing, waarbij de zwakkere titels uiteraard
het eerste slachtoffer zijn. Ergo: de prijsafspraken vormen
volgens de NDP een waarborg voor de pluriformiteit. De NDP kon
zich in bepaalde opzichten beroepen op een advies van het
Bedrijfsfonds voor de Pers dat in opdracht van de Minister al
een onderzoek naar de mogelijke effecten van het loslaten van
de prijsafspraken had verricht: er zou mogelijkerwijs geen
onmiddellijk effect zijn, maar als één krant met
prijsconcurrentie begint, zullen de anderen mee gaan doen, en
dat zal uiteindelijk leiden tot een versnelling van het
concentratieproces.[20]
In het betreffende advies
wordt overigens ook het standpunt van Van Neerven aangehaald,
die er zeker van is dat de prijsafspraken in de periode
1965-1990 een substantiële bijdrage hebben geleverd aan de
pluriformiteit, en bovendien een belangrijk aandeel hebben
gehad in de financiering van innovaties in de bedrijfstak.
Over de huidige periode is zijn oordeel anders. De hoge
concentratiegraad, de financieel sterke concerns, de vergrote
concurrentie op de advertentiemarkt hebben het nut van
dergelijke afspraken volgens hem verminderd.
De Commissie Economische
Mededinging geeft de Minister een advies bij het concrete
ontheffingsverzoek.[21]
De Commissie achtte niet aangetoond dat zou zijn voldaan aan
de ontheffingscriteria uit artikel 81 (ex 85) lid 3 EG. Het
aanvaarden van de argumenten van de NDP zou iedere
mededingingstoets zinloos maken. Het uitgangspunt moet echter
vrije prijsvorming zijn; deze zorgt voor efficiëntie en
kostenbewaking. De Commissie zet de nodige vraagtekens bij de
redenering van de NDP: zo is het maar de vraag of er in
werkelijkheid wel sprake is van kwaliteitsconcurrentie;
marginale bladen hebben waarschijnlijk te weinig inkomsten om
de kwaliteit te verhogen; in ieder geval is niet aangetoond
dat de beperking van de prijsconcurrentie een noodzakelijke
voorwaarde vormt om op kwaliteit te kunnen concurreren. De
Commissie acht de kans op een desastreuze prijsoorlog klein;
een concern zou daarmee namelijk ook de eigen zwakkere titels
uit de markt drukken. Bij de weinige bladen die niet in
concernverband worden uitgegeven -zoals het Reformatorisch
Dagblad- bestaat bovendien een grote mate van lezerstrouw. Het
is bovendien niet de dag- en weekbladsector alleen die voor
een bepaalde mate van pluriformiteit zorgt; er zijn nog wel
meer media. Zijn er toch maatregelen nodig ten behoeve van de
pers, dan ziet de Commissie meer in bijvoorbeeld een verlaagd
BTW-tarief.
De Minister besluit
uiteindelijk voor de collectieve abonnementsprijsverhogingen
een overgangsperiode tot 1 juli 1999 te creëren, hoewel naar
zijn mening niet aannemelijk is gemaakt dat de prijsafspraken
bijdragen aan en onmisbaar zijn voor de pluriformiteit van de
pers. Voor de regeling inzake gratis en gereduceerde
abonnenten en de advertentiereglingen wordt geen ontheffing
verleend. De tijdelijke ontheffing is bedoeld om voor
overgangsperiode te zorgen zodat het risico van schokeffecten
wordt voorkomen.[22]
Het pluriformiteitsargument lijkt dus als zodanig onvoldoende
gewicht te hebben, maar leidt wel tot een grotere mate van
voorzichtigheid dan in een willekeurig andere sector.
De dagbladbranche kent ook
verticale prijsafspraken. Deze zorgen ervoor dat een bepaalde
krant in de losse verkoop bij ieder verkooppunt dezelfde prijs
heeft. Tijdens de totstandkoming van de Mededingingswet komt
de vraag op welk lot deze prijsafspraken beschoren zijn. Onder
druk van de Kamer zegt de Minister toe aan deze afspraken een
bijzondere status te verlenen.[23]
Op voordracht van de Minister komt het Tijdelijk besluit
vrijstelling prijsbinding dagbladen tot stand.[24]
Daarin is bepaald dat art. 6 van de Mededingingswet niet geldt
voor verticale prijsbinding voor dagbladen; de uitgever mag de
prijs vaststellen mits deze voor alle eindgebruikers gelijk
is. De ontheffing geldt tot 1 januari 2003.
Als reden voor het besluit
geldt wederom dat schokeffecten bij de pers, anders dan in
andere bedrijfstakken op bezwaren kunnen stuiten, gezien 'de
bijzondere waarde, die zij hebben als middel tot de dagelijkse
voorziening van nieuws, opinies en achtergronden. Als zodanig
spelen zij een belangrijke rol in de samenleving' en zijn
'unieke producten'. Bovendien heeft de overheid vanouds een
bepaalde verantwoordelijkheid gevoeld. Door -te abrupte-
afschaffing van de verticale prijsbinding kunnen de marges in
de bedrijfskolom onder druk komen te staan, 'wat gevolgen kan
hebben voor de brede distributie van dagbladen in de losse
verkoop. Deze brede verkrijgbaarheid is ook van belang voor de
consument; hij kan dan kiezen uit verschillende dagbladtitels
met nieuws, opinies, en achtergronden'.
Na afloop van de
ontheffingsperiode zal het woord wellicht aan de NMa zijn. De
NMa heeft overigens al moeten oordelen over een afspraak in de
dagbladsector. Het ging om een aanvraag van de NDP om
ontheffing van branche-afspraken ten aanzien van cadeaus, dus
geen prijsbinding in enge zin. De NDP betoogde dat deze
afspraak verspilling tegenging, en middelen doet vrijkomen
voor investering in kwaliteit; de consument krijgt een grotere
keuze en de kans op behoud van pluriformiteit is maximaal;
daarbij komt dat de afspraak in geen enkel opzicht de
concurrentie op kwaliteit vermindert.
De NMa erkent dat de
concentratiegraad op de dagbladmarkt de laatste decennia sterk
gestegen is. Dat doet echter niet af aan haar afwijzend
oordeel. Het geven van cadeaus is namelijk gangbaar
commercieel marktgedrag en bedrijfseconomisch niet als
verspilling te kwalificeren. De NDP heeft bovendien het
verband tussen deze afspraak en innovaties op geen enkele
wijze aannemelijk gemaakt; datzelfde geldt voor het verband
met de pluriformiteit. Daarbij komt nog dat de interne
pluriformiteit van de dagbladen de laatste decennia is
toegenomen; en andere media ook een rol kunnen spelen bij een
beoordeling van de mate van pluriformiteit.[25]
Het bezwaarschrift van de NDP
benadrukt nog eens het pluriformiteitsbelang. De NDP acht het
besluit van de NMa gebaseerd op een te sterk economische
afweging, terwijl art. 17 Mw ook andere dan economische
gronden kent. De NMa oordeelt het bezwaar ongegrond.[26]
Zij merkt op dat een ontheffing op grond van art. 17 omwege
van het belang van de pluriformiteit nog steeds aan de in art.
81 EG-Verdrag genoemde criteria moet voldoen. Dagbladen mogen
in Nederland tot de goedkoopste in Europa behoren, het is
echter maar de vraag of dat het effect van de gewraakte
regeling is. Enig verband met een hoge
prijs-kwaliteit-verhouding is evenmin aannemelijk gemaakt.
6. Verticale prijsafspraken
tijdschriftenbranche</font>
Het Nederlandse
Uitgeversverbond (NUV) heeft bij de NMa om een ontheffing
gevraagd voor verticale prijsafspraken voor publieks-en
opinietijdschriften, omroepbladen, vaktijdschriften, alsmede
buitenlandse tijdschriften. Volgens het NUV houden die
prijsafspraken een fijnmazig distributiestelsel in stand, en
bieden ze ook ruimte voor bladen over kunst en cultuur met een
kleine oplagen. En dat komt de pluriformiteit ten goede.
Het ontheffingsverzoek wordt
afgewezen.[27]
De NMa geeft weliswaar expliciet aan dat artikel 17 Mw de
mogelijkheid biedt rekening te houden met het belang van de
pluriformiteit, maar zij bespeurt inefficiënties, en deze
verticale prijsbinding kan juist de handelaren bevoordelen die
zich alleen op goedlopende titels concentreren. Bovendien is
niet aan de ontheffingsvoorwaarden voldaan. Niet alleen is het
behoud van een bestaande distributievorm niet doorslaggevend,
het NUV heeft helemaal niet de noodzaak van de regeling voor
de instandhouding daarvan aangetoond. Ook is er geen billijk
aandeel voor de gebruikers te constateren.
De NMa gaat eveneens kort in
op het verschil in positie tussen tijdschriften, kranten en
boeken. De overwegingen van de Nederlandse regering bij de
vrijstelling voor dagbladen en de ontheffing voor boeken
hoeven niet van toepassing te zijn op tijdschriften. De
Minister van Economische Zaken noemde dagbladen unieke
producten en de overheid heeft vanouds een zekere
verantwoordelijkheid gevoeld ten aanzien van verkrijgbaarheid
en pluriformiteit van de dagbladen. Niet elk in Nederland
verschijnend tijdschrift is onmisbaar voor wat betreft de
vrije opinie en meningsuiting. Het is een totaal andere markt,
die op zijn eigen merites bekeken moet worden.[28]
Ten aanzien van de boekenprijsontheffing geeft de NMa aan dat
er nog geen sprake geweest is van een inhoudelijk oordeel over
nut, men wachte de evaluatie in 2000 af.
7. Persfusiecontrole
Over de invoering van een
persfusieregeling is in Nederland decennia lang gesteggeld,
zonder dat één van de vele voorstellen de meet haalde.
Voorstellen voor een persfusiecontroleregeling zijn grofweg in
twee typen te verdelen. Het ene type wil -bepaalde-
concentraties ook expliciet toetsen aan het gevolg voor de
pluriformiteit (Persraad 1968: 'afbreuk aan de verscheidenheid
van het perswezen', waardoor 'de publieke voorlichting in
ernstige mate zou worden geschaad'; Persraad 1983; Mediaraad
1988: 'schadelijkheid voor de verscheidenheid en opinievorming
door de dagbladpers'). Het andere type concentreert zich op
economische criteria (Bedrijfsfonds 1988: 'te verwachten
economische machtspositie'). Wel is nog onderscheid mogelijk
in de mate van gebondenheid van een vergunning. Zo geeft een
regeling waarin een hard marktpercentage is opgenomen de
minste beoordelingsvrijheid.
De voorstellen zijn steeds
mede beoordeeld op grond van de onthoudingsplicht van de
overheid op grond van artikel 7 lid 1 Grondwet.[29]
Juist die onthoudingsplicht belette volgens de meeste
schrijvers een vergunningenstelsel dat gekoppeld was aan een
beoordeling van de inhoud van de betrokken bladen, dus een
directe pluriformiteitstoets. Een nog strikter uitgangspunt
leidde tot het afwijzen van iedere beoordelings- en
beleidsvrijheid op dit heikele terrein; de Grondwet zou alleen
een strikt marktpercentage toestaan. De overheid zou een
dergelijke vrijheid immers altijd kunnen misbruiken om
inhoudelijke voorkeuren te doen gelden.
Het is duidelijk dat de
regeling in de Mededingingswet naar haar aard in beginsel
aansluit bij het op ecomomische criteria georiënteerde type.[30]
De regering heeft na een verzoek van de Raad van State daartoe
in de memorie van toelichting bij de Mededingingswet
uitdrukkelijk aangegeven dat een vergunning niet zal worden
geweigerd wegens de inhoud van de door de betrokken
persorganen geopenbaarde gedachten en gevoelens. Het
toetsingscriterium is de economische machtspositie.[31]
Daarnaast zullen aan een beschikking van de Minister, die
bevoegd is alnog een vergunning te geven in het algemeen
belang, 'nimmer overwegingen met betrekking tot de inhoud van
persorganen ten grondslag liggen'.[32]
Dat brengt de vraag met zich
mee of en in hoeverre het belang van de pluriformiteit alsnog
een zelfstandige rol kan of mag spelen bij toepassing van de
Mededingingswet op een fusie van persbedrijven. Deze vraag is
te meer van belang nu er wel op gewezen wordt dat de
Mededingingswet een fraai instrument biedt om de
pluriformiteit van de media te beschermen. Zo pleitte de door
de regering ingestelde Commissie Mediaconcentraties ervoor dat
de NMa blijvend aandacht besteedt aan de pluriformiteit.[33]
Inmiddels heeft de directeur
NMa besloten dat een tweetal aangemelde concentraties in de
dagbladsector vergunningsplichtig is.[34]
Het gaat om de overname van de VNU-dagbladen (minus de
Limburger) door het Wegener-concern en om de overname van De
Limburger door het Telegraaf-concern. In deze besluiten speelt
een zelfstandig 'pluriformiteitsbelang' op het eerste gezicht
geen rol van betekenis.
De NMa begint met een
afbakening van de markt. Dagbladen onderscheiden zich door een
groot aantal karakteristieken van andere media: de prijs, de
hoeveelheid informatie, de aard van de informatie, de
actualiteit, de zesdagelijkse verschijningsfrequentie, de
functie in het dagelijks leven, de presentatiewijze (papier),
de wijze van verspreiding, en de vormgeving en het formaat.
Daarom zijn ze in geringe mate substitueerbaar door andere
media. Er is dus een aparte dagbladmarkt, waarbij
onderscheiden kan worden in lezers- en advertentiemarkt. In
hoeverre de markt voor landelijke dagbladen te onderscheiden
is van de markt voor regionale dagbladen blijft vooralsnog in
het midden. Wel vermoedt de NMa een zekere mate van
substitueerbaarheid. Regionale dagbladen die in verschillende
regio's worden verspreid behoren daarentegen in elk geval niet
tot dezelfde geografische markt.[35]
Daarom is het aannemelijk dat de relevante markten in casu
regionaal moeten worden afgebakend.
De NMa stelt vast dat de
overname door Wegener leidt tot een marktaandeel van 32,5% op
de Nederlandse dagbladmarkt, en op bepaalde deelmarkten als
Arnhem en Terneuzen tot een monopoliepositie op de markt voor
regionale dagbladen. Onder meer deze gegevens zijn voldoende
om de overname binnen de werkingssfeer van hoofdstuk 5 van de
Mededingingswet te brengen. De overname door de Telegraaf, die
zelf al het Limburgs Dagblad uitgeeft, leidt tot een zeer hoog
marktaandeel op de markt voor dagbladen in Limburg, mede omdat
de landelijke dagbladen in Limburg een betrekkelijk klein
marktaandeel hebben. Daarnaast leidt de overname tot een
monopoliepositie op de markt voor regionale bladen in
bijvoorbeeld Sittard-Geleen. Deze overname valt ook binnen de
werkingssfeer.
Deze besluiten kenmerken zich
door het toepassen van economische criteria (relevante
markt-marktaandeel) op de dagbladmarkt. De NMa hanteert
algemene uitgangspunten en het levert weinig problemen op deze
op de betrokken bladen toe te passen. Daarbij kunnen ook
elementen uit de concentratie-pluriformiteitsdiscussie een rol
spelen, wanneer die te vertalen zijn in betrekkelijk objectief
te hanteren en relevante economische criteria. Zo kan de
'failing company defense' (art. 37 lid 2 Mw) die er op neer
komt dat een bepaalde machtspositie ook zou zijn ontstaan
zonder de concentratie, omdat de zwakkere partij toch de markt
verlaten zou hebben, een 'vertaling' zijn van het idee dat het
voor een zwak blad beter is om overgenomen te worden omdat het
in een sterker concern een grotere overlevingskans heeft. De
NMa acht deze 'failing company defense' overigens niet van
toepassing op de overname van De Limburger. Hier wordt
opmerkelijk genoeg juist de gezonde krant overgenomen. Zelfs
als dat onder genoemde 'defense' zou kunnen vallen, is niet
aan de drie voorwaarden voldaan: dat de ene krant op korte
termijn uit de markt zou gaan, dat de andere zonder
concentratie het martaandeel zou verwerven, en dat er geen
andere transactiemogelijkheden zijn.
Enkele algemene opmerkingen
van de NMa laten de mogelijkheid bestaan dat 'pluriformiteit'
en inhoud van de betrokken bladen direct van betekenis zouden
kunnen worden. Er bestaat een mogelijk onderscheid tussen
kwaliteitskranten en niet-kwaliteitskranten, en kranten
verschillen naar 'diepgang' en politieke, levensbeschouwelijke
en culturele oriëntatie, die ervoor kan zorgen dat de mate
waarin kranten onderling concurreren uiteen loopt. 'Bij de
beoordeling van de concentratie kan tot op zekere hoogte
rekening worden gehouden met verschillen tussen kranten, ook
als ze tot dezelfde produktmarkt worden gerekend'.[36]
Het is de vraag wat bedoeld wordt. Mogen bladen met een
tegengestelde politieke oriëntatie eerder fuseren omdat de
onderlinge concurrentie niet zo groot is? Mogen bladen die in
sterke mate substitueerbaar zijn omdat ze min of meer
hetzelfde karakter hebben, juist niet samengaan? Dat zouden
-ook uit oogpunt van pluriformiteit- opmerkelijke uitkomsten
zijn.
Wat men daarvan uit
mededingingsrechtelijke invalshoek moge denken, het komt ons
voor dat de grondwettelijke onthoudingsplicht in zulk een
geval met voeten getreden zou worden. Wat wel geoorloofd is,
is een onderscheid met behulp van min of meer objectieve
criteria, die niet op een beoordeling van de redactionele
inhoud terechtkomen. Acceptabel is derhalve bijvoorbeeld de
overweging dat betrokken bladen een bepaalde positie innemen
op markt voor advertenties voor de ziekenhuis- en zorgsector.
Een beoordeling van de redactionele inhoud gekoppeld aan het
al dan niet verlenen van een vergunning is echter strijdig met
het verbod van voorafgaand verlof uit art. 7 Grondwet. Dat zou
-voorzover mogelijk- nog erger worden door inhoudelijke
voorschriften aan een vergunning te verbinden. Men vergelijke
wat hieronder wordt beschreven ten aanzien van de
HMG-concentratie.
8. Toegang tot de kabel
In 1996-1997 heeft minister
Wijers van Economische Zaken een aantal malen de toenmalige
Wet Economische Mededinging toegepast op de toegang van
programma-aanbieders op de kabel. In de eerste beschikkingen
van 17 december 1996 geeft de minister een algemene
uiteenzetting over zijn beleid inzake het misbruik van een
machtspositie door kabelexploitanten terzake van toegang.
Wijers gaat uit van de paralliteit van pluriformiteit en vrije
concurrentie als overheidsdoelstellingen. In de oude
mededingingswet gold een misbruikstelsel, wat betekent dat een
ondernemersgedraging slechts wordt verboden als er sprake is
van strijd met het algemeen belang. Wijers wijst op het belang
van de uitingsvrijheid voor de Nederlandse samenleving wat
zowel het uiten als het ontvangen van meningen en denkbeelden
omvat. Hij acht het in het algemeen belang dat er wordt
gewaarborgd dat de informatie via de kabel, die een
belangrijke rol speelt in de informatievoorziening, een zo
groot mogelijke omvang en diversiteit heeft. Na deze zin wijst
hij erop dat het essentieel is voor een goede marktwerking dat
programma-aanbieders toegang hebben tot de kabel.[37]
Wijers gaat ervan uit dat het ideaal van de volledige
mededinging van veel verschillende aanbieders resulteert in
een pluriform aanbod. Dit is voor hem een belangrijke reden om
het gedrag van kabelexploitanten inzake toegang aan nadere
voorwaarden te onderwerpen.
Overigens moet deze
redenering worden gezien tegen de achtergrond van een
competentiestrijd tussen de 'cultuurpauzen' en de 'economen'.
Het ging erom onder welk regime en onder welke toezichthouder
de toegang tot de kabel zou komen te vallen: Mediawet met het
Commissariaat voor de Media of de Mededingingswet met de
Minister van EZ c.q. de NMa. Uiteindelijk is de OPTA er met
dit afgekloven been vandoor gegaan, maar ten tijde van
bovengenoemd besluit was de Minister van EZ er veel aan
gelegen om iedereen ervan te overtuigen dat met
mededingingsrecht ook niet-economische belangen zoals
pluriformiteit gewaarborgd kunnen worden.
Dat het streven naar
pluriformiteit riskant kan zijn voor een
mededingingsautoriteit blijkt uit de Alkmaarse zaak, waar een
aanbieder van een kabelkrant de toegang werd ontzegd door de
kabelexploitant met als argument dat er reeds een kabelkrant
op het kabelnet werd aangeboden.[38]
De kabelexploitant voerde aan dat hij diversiteit in zijn
aanbod wilde hebben en daarom geen extra kabelkrant wilde
toelaten. Voor de kabelexploitant was het een lastig te
verdedigen argument omdat nog niet alle capaciteit van het
kabelnet in gebruik was. De Minister gebruikt dit gegeven
uiteraard. Doordat er nog capaciteit is kan hij de redenering
van de kabelexploitant niet honoreren, maar hij laat niet na
om te zeggen dat een tweede kabelkrant de diversiteit juist
vergroot. Het was interessant geweest om te vernemen hoe het
besluit had geluid als er geen capaciteit meer over was
geweest. Dan had de Minister zich moeten uitlaten over de
invulling van het begrip pluriformiteit.
8.1 Gelijkheid versus
pluriformiteit
De systematiek, die Wijers
heeft ontwikkeld voor het bepalen van redelijke tarieven voor
de toegang tot de kabel, lijkt op het eerste gezicht een
parallellie tussen pluriformiteit/uitingsvrijheid en vrije
mededinging te bevatten (deze systematiek is door de OPTA
overigens overgenomen in het richtsnoer 'Toegang tot de
kabel'). Dit is echter schijn, wanneer de tweede-orde-effecten
in ogenschouw worden genomen. Iedere programma-aanbieder moet
in deze systematiek in beginsel hetzelfde betalen voor de
toegang. Dat is gebaseerd op de gedachte een kabelkanaal een
prijs heeft die voor iedereen gelijk is. Dat betekent dat de
kleine programma-aanbieder hetzelfde voor zijn distributie
moet betalen als de grote programma-aanbieder. Dat is niet
bevorderlijk voor de marktkansen van de kleine aanbieders die
zich in niche-markten begeven en juist de diversiteit
vergroten. Het is zelfs nog erger, want de systematiek staat
wél prijsdifferentiatie toe op basis van de waarde die een
programma toevoegt aan het aanbod van de kabelexploitant. Dat
komt erop neer dat een programma met hoge kijkcijfers een
lagere doorgiftevergoeding in rekening gebracht mag krijgen
dan een programma met lage kijkcijfers. Dit, omdat een
populair programma meer waarde toevoegt aan het aanbod van de
kabelexploitant aan de consument.[39]
Het bovenstaande over de
kabeltoegang laat zien dat het concept van pluriformiteit en
het concept van volledige mededinging een one-night-stand
verhouding hebben: op het eerste gezicht lijkt het wel aardig
maar daarna blijkt dat de karakters van beide begrippen te
veel verschillen. Als een mededingingsautoriteit of een
telecomtoezichthouder pluriformiteit tot zijn
beleidsdoelstellingen moet rekenen, moet hij in korte tijd
allerlei uitspraken doen over de inhoud van de aanbieders.
Pluraliteit en volledige mededinging zijn veel meer geschikt
voor het huwelijksbootje.
9.
Omroep
Bij gebrek aan Nederlandse
jurisprudentie maken wij een uitstapje naar het EG
mededingingsrecht. In de toepassing van het kartelverbod van
het EG mededingingsrecht op de omroepsector staat
exclusiviteit, of liever het voorkomen daarvan, centraal. Dit
is niet verwonderlijk omdat de omroepsector bestaat bij de
gratie van exclusiviteit. De exclusieve beschikking over de
uitzendrechten van een film, een voetbalwedstrijd of een
tv-ster maakt een omroep uniek en zorgt voor kijkers. In het
mededingingsrecht wordt paal en perk gesteld aan vormen van
exclusiviteit door de toegang tot uitzendrechten 'open' te
houden. Dat kan bijvoorbeeld door de duur van de exclusiviteit
te beperken[40]
of door de toegang tot rechten open te stellen voor meer
partijen.[41]
Deze beperking van
exclusiviteit draagt bij aan de pluraliteit omdat meer
partijen kunnen beschikken over de schaarse uitzendrechten en
dus gemakkelijker tot de markt kunnen toetreden. Aan de
pluriformiteit van het aanbod lijkt echter niet speciaal te
worden bijgedragen. Immers, of een programma nu door de ene
programma-aanbieder of door de andere wordt uitgezonden, het
aanbod verandert er niet door. Dit kan overigens anders liggen
wanneer een meer open toegang tot uitzendrechten leidt tot een
intensiever of veelvuldiger gebruik van de rechten waardoor
het aanbod toeneemt en wellicht ook de pluriformiteit van het
aanbod. De vraag zou ook gesteld kunnen worden of het
ingrijpen in de exclusiviteit van uitzendrechten een beperking
vormt van de uitingsvrijheid van de omroep. Dat is nogal een
long shot. Het gaat namelijk niet om de inhoud van het
object van de uitzendrechten.
9.1 HMG beschikking
Een interessante zaak is de
beschikking van de Europese Commissie over de fusie van RTL en
Veronic
|