Raad, gezag en open deuren
Verschenen in Mediaforum 2000-10

A.J. Nieuwenhuis


 
De Raad voor de Journalistiek heeft een interessante bijdrage geleverd aan de discussie over de Raad voor de Journalistiek. Zo zou men althans de uitspraak van de Raad van 1 augustus jongstleden (Raad voor de Journalistiek 1 augustus 2000, Officier van Justitie / RTL Nieuws, gepubliceerd in Mediaforum 2000-11/12) en de reacties daarop kunnen kwalificeren.

Het begon allemaal op de eerste zittingsdag van het proces tegen Mink K. De zitting vond achter gesloten deuren plaats, maar een ‘major-league asshole’ liet de geluidsverbinding met de perskamer openstaan. RTL Nieuws nam een deel van de verklaring van de ook als politie-informant werkzame verdachte op, en zond deze dezelfde dag uit. De Raad voor de Journalistiek moest zoals de statuten voorschrijven, beoordelen ‘of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is’. De Raad acht de klacht gegrond. In dit geval is het natuurlijk wel opmerkelijk dat de zaak bij de Raad aanhangig is gemaakt door hoofdofficier van Justitie Vrakking en ook de Raad voor een juridische invalshoek kiest. Het verschil met een rechtszaak kan dan erg klein lijken, al is de uitspraak niet bindend en kan de Raad geen sancties in eigenlijke zin opleggen. RTL Nieuws acht op zijn beurt de uitspraak van de Raad onaanvaardbaar en zal niet op het verzoek van de Raad ingaan om er aandacht aan te besteden in een uitzending. RTL Nieuws heeft laten weten haar steun aan de stichting Raad voor de Journalistiek te beëindigen.

Daarmee is een nieuwe schakel toegevoegd aan de schier eindeloze discussie over aard en functie van de Raad (vgl. de discussie tussen Jurgens en Oppenoorth in de kolommen van Mediaforum 1995-9; 1995-11/12; 1996-3). Enerzijds wil hij gezaghebbend beoordelen of in een bepaald geval een journalist niet de journalistieke ethiek heeft geschonden. Die beoordeling laat de journalist over het algemeen minder ruimte dan een oordeel van de rechter. En om klagers genoegdoening te kunnen geven, schuwt de Raad het geheven vingertje niet altijd. Anderzijds wil de Raad, zoals veelal naar voren wordt gebracht, een bijdrage leveren aan de discussie over journalistieke ethiek. Deze twee functies zijn niet breukloos te combineren. Een deelnemer aan een discussie, die tegelijkertijd met gezag meningsverschillen beslecht, neemt al snel een vreemde positie in. Bovendien bestaat de vrees dat de Raad door het aantrekken van ‘gezaghebbende ex-ministers’ het contact met de in de journalistieke praktijk gevoelde normen verliest.

De zaak van de open microfoon zelf doet in zeker opzicht denken aan een casus uit de Amerikaanse jurisprudentie. De politie hing in een voor de pers toegankelijke ruimte een politiebericht op waarin abusievelijk en in strijd met de regels de naam van het slachtoffer van een verkrachting was vermeld. Een krant die in strijd met de wetgeving van de betreffende staat de naam publiceerde, werd aangesproken door het slachtoffer. De zaak bereikt uiteindelijk het Supreme Court (Florida Star v. B.J.F., 491 U.S. 524 (1989)). De opinie van het Supreme Court komt erop neer dat het First Amendment zich verzet tegen een veroordeling, mede omdat de eerste fout is begaan door de overheid. De persvrijheid weegt zwaarder dan de aanwijsbare nadelige gevolgen van de publicatie, ondanks het feit dat de naam nauwelijks nieuwswaarde had. De ‘dissenting opinion’ neemt dit betoog op de korrel, juist nu de betreffende journalisten wel degelijk wisten dat de politie een ernstige vergissing had begaan. Men hoeft het niet met de meerderheid eens te zijn, en er zijn grote verschillen met de door de Raad behandelde zaak. Waar het hier in de eerste plaats om gaat, is dat het gewicht van de persvrijheid en de kapitale blunder van de overheid in het betoog van het Supreme Court een belangrijke rol spelen.

Daaruit blijkt een serieuzer inleving in de dilemma’s, waar een journalist zich voor geplaatst kan zien, indien hij vertrouwelijke informatie op een presenteerblaadje aangeboden krijgt, dan uit het betoog van de Raad. Deze miskent het probleem vrijwel geheel door uit de beslissing van de rechter tot het sluiten van de deuren vrijwel naadloos een publicatieverbod af te leiden, zonder enige overweging gewijd aan blunder, persvrijheid en concrete risico’s die met uitzending gemoeid zouden kunnen zijn. De simpele sluitrede van de Raad kan onbedoeld als steun opgevat worden voor de plannen van de huidige Minister van Justitie, die een wettelijk verbod in het leven wil roepen om de publicatie van vertrouwelijke informatie uit strafdossiers te voorkomen.

Hecht men aan het bestaan van de Raad, dan is in de uitspraak van het Supreme Court misschien ook een aanzet tot verbetering van de werkwijze van de Raad te vinden. De Raad zou in voorkomende gevallen ‘dissenting’ en ‘concurring opinions’ in de uitspraak kunnen opnemen. De eerlijkheid gebiedt mij overigens te zeggen dat ik niet weet of die er waren in de zaak ten aanzien van RTL Nieuws; er was geen geluidsverbinding met de ‘raadkamer’.

Uitspraken die verschillende nauwkeurig geformuleerde standpunten bevatten, zullen bij uitstek een interessante bijdrage aan de discussie over de grenzen van de verantwoordelijke journalistiek leveren. Een verliezend medium zal een dergelijke uitspraak wellicht ook eerder accepteren. De discussie kan dan blijven gaan over de aanvaardbaarheid van bepaalde journalistieke gedragingen en zal minder snel verworden tot een discussie over de aanvaardbaarheid van de Raad.

 


Geplaatst 21.02.2001