| De
Raad voor de Journalistiek
heeft een interessante bijdrage geleverd aan de discussie over
de Raad voor de Journalistiek. Zo zou men althans de uitspraak
van de Raad van 1 augustus jongstleden (Raad voor de
Journalistiek 1 augustus 2000, Officier van Justitie / RTL
Nieuws, gepubliceerd in Mediaforum 2000-11/12) en de
reacties daarop kunnen kwalificeren.
Het begon allemaal op de eerste
zittingsdag van het proces tegen Mink K. De zitting vond
achter gesloten deuren plaats, maar een ‘major-league asshole’
liet de geluidsverbinding met de perskamer openstaan. RTL
Nieuws nam een deel van de verklaring van de ook als
politie-informant werkzame verdachte op, en zond deze dezelfde
dag uit. De Raad voor de Journalistiek moest zoals de statuten
voorschrijven, beoordelen ‘of de grenzen zijn overschreden van
hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke
verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is’. De
Raad acht de klacht gegrond. In dit geval is het natuurlijk
wel opmerkelijk dat de zaak bij de Raad aanhangig is gemaakt
door hoofdofficier van Justitie Vrakking en ook de Raad voor
een juridische invalshoek kiest. Het verschil met een
rechtszaak kan dan erg klein lijken, al is de uitspraak niet
bindend en kan de Raad geen sancties in eigenlijke zin
opleggen. RTL Nieuws acht op zijn beurt de uitspraak van de
Raad onaanvaardbaar en zal niet op het verzoek van de Raad
ingaan om er aandacht aan te besteden in een uitzending. RTL
Nieuws heeft laten weten haar steun aan de stichting Raad voor
de Journalistiek te beëindigen.
Daarmee is een nieuwe schakel
toegevoegd aan de schier eindeloze discussie over aard en
functie van de Raad (vgl. de discussie tussen Jurgens en
Oppenoorth in de kolommen van Mediaforum 1995-9;
1995-11/12; 1996-3). Enerzijds wil hij gezaghebbend beoordelen
of in een bepaald geval een journalist niet de journalistieke
ethiek heeft geschonden. Die beoordeling laat de journalist
over het algemeen minder ruimte dan een oordeel van de
rechter. En om klagers genoegdoening te kunnen geven, schuwt
de Raad het geheven vingertje niet altijd. Anderzijds wil de
Raad, zoals veelal naar voren wordt gebracht, een bijdrage
leveren aan de discussie over journalistieke ethiek. Deze twee
functies zijn niet breukloos te combineren. Een deelnemer aan
een discussie, die tegelijkertijd met gezag meningsverschillen
beslecht, neemt al snel een vreemde positie in. Bovendien
bestaat de vrees dat de Raad door het aantrekken van
‘gezaghebbende ex-ministers’ het contact met de in de
journalistieke praktijk gevoelde normen verliest.
De zaak van de open microfoon
zelf doet in zeker opzicht denken aan een casus uit de
Amerikaanse jurisprudentie. De politie hing in een voor de
pers toegankelijke ruimte een politiebericht op waarin
abusievelijk en in strijd met de regels de naam van het
slachtoffer van een verkrachting was vermeld. Een krant die in
strijd met de wetgeving van de betreffende staat de naam
publiceerde, werd aangesproken door het slachtoffer. De zaak
bereikt uiteindelijk het Supreme Court (Florida Star v.
B.J.F.,
491 U.S. 524 (1989)). De opinie van het Supreme Court komt
erop neer dat het First Amendment zich verzet tegen een
veroordeling, mede omdat de eerste fout is begaan door de
overheid. De persvrijheid weegt zwaarder dan de aanwijsbare
nadelige gevolgen van de publicatie, ondanks het feit dat de
naam nauwelijks nieuwswaarde had. De ‘dissenting opinion’
neemt dit betoog op de korrel, juist nu de betreffende
journalisten wel degelijk wisten dat de politie een ernstige
vergissing had begaan. Men hoeft het niet met de meerderheid
eens te zijn, en er zijn grote verschillen met de door de Raad
behandelde zaak. Waar het hier in de eerste plaats om gaat, is
dat het gewicht van de persvrijheid en de kapitale blunder van
de overheid in het betoog van het Supreme Court een
belangrijke rol spelen.
Daaruit blijkt een serieuzer
inleving in de dilemma’s, waar een journalist zich voor
geplaatst kan zien, indien hij vertrouwelijke informatie op
een presenteerblaadje aangeboden krijgt, dan uit het betoog
van de Raad. Deze miskent het probleem vrijwel geheel door uit
de beslissing van de rechter tot het sluiten van de deuren
vrijwel naadloos een publicatieverbod af te leiden, zonder
enige overweging gewijd aan blunder, persvrijheid en concrete
risico’s die met uitzending gemoeid zouden kunnen zijn. De
simpele sluitrede van de Raad kan onbedoeld als steun opgevat
worden voor de plannen van de huidige Minister van Justitie,
die een wettelijk verbod in het leven wil roepen om de
publicatie van vertrouwelijke informatie uit strafdossiers te
voorkomen.
Hecht men aan het bestaan van
de Raad, dan is in de uitspraak van het Supreme Court
misschien ook een aanzet tot verbetering van de werkwijze van
de Raad te vinden. De Raad zou in voorkomende gevallen
‘dissenting’ en ‘concurring opinions’ in de uitspraak kunnen
opnemen. De eerlijkheid gebiedt mij overigens te zeggen dat ik
niet weet of die er waren in de zaak ten aanzien van RTL
Nieuws; er was geen geluidsverbinding met de ‘raadkamer’.
Uitspraken die verschillende
nauwkeurig geformuleerde standpunten bevatten, zullen bij
uitstek een interessante bijdrage aan de discussie over de
grenzen van de verantwoordelijke journalistiek leveren. Een
verliezend medium zal een dergelijke uitspraak wellicht ook
eerder accepteren. De discussie kan dan blijven gaan over de
aanvaardbaarheid van bepaalde journalistieke gedragingen en
zal minder snel verworden tot een discussie over de
aanvaardbaarheid van de Raad.
|