|
|
|
|
|
Noot bij
Rb. Rotterdam 22 augustus 2000 (kranten.com)
Verschenen in
Verschenen in Informatierecht/AMI2000-10, p. 207-210.
K.J. Koelman
|
| |
|
Hoewel deze uitspraak in de
wandelgangen bekend staat als het 'kranten.com-vonnis', is dit
geen domeinnamenzaak. De vraag was of een websitehouder kan
verbieden dat een 'deep link' wordt aangebracht naar
zijn site. De onderdelen van een website worden weliswaar 'webpagina's'
genoemd, maar de meeste sites hebben een opbouw die beter is
te vergelijken met de inrichting van een gebouw dan met de
lineaire structuur van een boek. De virtuele 'voordeur' van
een site wordt de homepage genoemd. Vanaf die homepage,
die ook wel met een receptie kan worden vergeleken, wordt men
via hyperlinks doorgeleid naar de verschillende
afdelingen van de site. Een 'deep' of diepe link is de
elektronische verwijzing naar een andere pagina van een site
dan de homepage, waardoor wie de link activeert als het ware
zonder de voordeur te passeren meteen naar het midden van het
gebouw wordt geteleporteerd. Zou de heer des huizes hiertegen
iets kunnen ondernemen of mag men zonder de deur het huis in
vallen?[1]
In deze zaak ging het om diepe
links naar webpagina's met actuele artikelen die waren
gepubliceerd op de sites van enkele dagbladen. De verweerders
drijven een site waarop zij een dagelijks ververst overzicht
geven van de artikelen die verschillende dagbladen op hun
websites plaatsen. De titels van de stukken worden overgenomen
en wanneer met de muis op een titel wordt geklikt opent de
browser een nieuw venster waarin de corresponderende
pagina van de site van de krant wordt vertoond. De homepage
wordt niet aangedaan. PCM, de eigenaar van de dagbladen, had
daar moeite mee en eiste een verbod. Ze beriep zich daarbij op
het auteursrecht, het sui generis databankenrecht en
het recht inzake de ongeoorloofde mededinging.
De rechter oordeelt - terecht
- dat het aanbrengen van een hyperlink op zichzelf niet als
een verveelvoudiging is aan te merken,[2]
de hyperlinker kopieert immers zelf niets, maar verwijst
slechts naar een andere site. Op de vraag of kan worden
gesproken van een openbaarmaking in de zin van de Auteurswet
wordt niet ingegaan. Het is verdedigbaar dat de verwijzer als
openbaarmaker moet worden aangemerkt; hij speelt immers een
rol bij het ter beschikkingstellen aan het publiek van het
werk waarnaar wordt verwezen.[3]
Maar ook al zou sprake zijn van een auteursrechtelijk
relevante openbaarmaking, in de meeste gevallen zal worden
aangenomen dat wie zijn werk op het World Wide Web
openbaar maakt, impliciet een licentie geeft om er
(rechtstreeks) naar te verwijzen. Hierover later meer.
Op zichzelf schendt de
elektronische verwijzing over het algemeen geen
auteursrechten, omdat er geen sprake is van een
auteursrechtelijk relevante handeling of omdat plaatsing op
het Web een toestemming impliceert om naar de pagina te
linken. In dit geval werden de links echter aangebracht onder
de overgenomen koppen van de artikelen. Die koppen werden dus
gekopieerd. Het is twijfelachtig of titels beschermde werken
zijn.[4] Maar al
zouden de koppen object van het recht zijn, de overname is
wettelijk toegestaan op grond van de beperkingen van artt. 15
en 15a Aw, zo zegt de rechter. Door art. 15 Aw wordt het in
een nieuwsmedium overnemen van actuele artikelen die in
dagbladen zijn gepubliceerd gebillijkt. Als men het artikel
mag overnemen, zal dat ook wel gelden voor de erbij behorende
kop. Een zeer legistische lezing van art. 15 Aw zou aan
toepassing ervan op overname in elektronische media in de weg
kunnen staan. In de literatuur wordt echter verkondigd dat de
bepaling ook van toepassing kan zijn op overname in
internet-kranten.[5]
Het derde lid van art. 15a Aw geeft uitdrukkelijk aan dat
citeren in persoverzichten uit in dagbladen gepubliceerde
artikelen geen inbreuk oplevert. Deze bepaling is
media-neutraal opgesteld en is daarom zonder meer
toepasselijk.[6]
Op basis van het auteursrecht
kan geen verbod worden toegewezen. Er wordt immers geen
inbreuk gemaakt. Of nu naar de homepage of dieper wordt
gelinkt maakt daarvoor niet uit. Dit zou anders kunnen liggen
waar het gaat om het recht van ongeoorloofde mededinging. De
verwijzende website verdient, evenals de dagbladen, geld met
advertenties. Op het internet worden advertenties (of:
banners) afgerekend per bezoeker van de pagina waarop zij
staan (of: per 'banner impression'). Een advertentie op
een pagina met een aantrekkelijke doelgroep levert zo'n
tachtig gulden per duizend bezoekers op, één op een pagina
welke kijkers trekt die minder hebben te besteden zo rond de
dertig gulden. De sites van de kranten hebben een 'voorpagina'
- de homepage - waarop een aantal banners staat en ook
op de pagina's met de afzonderlijke artikelen zijn
advertenties gezet. Nu de verwijzende site de lezer
rechtstreeks naar de artikelen leidt, lopen de dagbladen de
inkomsten mis uit de advertenties op de homepage, terwijl ze
erop hadden gerekend dat de gemiddelde bezoeker daar langs zou
komen. Die inkomsten - zo kan worden gezegd - stromen nu naar
de verwijzende site die daarom geld verdient over de rug van
de krant; de krant heeft immers geïnvesteerd in de artikelen
en de verwijzer doet niets anders dan als een luis in de pels
meeliften op de investeringen van het dagblad. Maar is dit een
vorm van ongeoorloofde mededinging? Wordt hier ook
onrechtmatig geprofiteerd van de prestatie van een ander,
zoals de dagbladen stelden?
De rechter meent van niet.
Bij de beoordeling van de vraag of een doen of nalaten
onzorgvuldig moet worden geacht in de zin van art. 6:162 BW,
wordt vaak de omvang van de schade betrokken.[7]
De President van de rechtbank is van mening dat de dagbladen
geen schade ondervinden van het feit dat naar hun sites wordt
'ge-deeplinkt'. Integendeel. Ze hebben daar juist baat bij.
Door de links wordt extra verkeer gegenereerd met alle extra
advertentie-inkomsten van dien. Voor deze rechter was dit
voldoende reden om aan te nemen dat geen onrechtmatige daad
werd gepleegd.[8]
De motivering is wat summier,
maar voor wie de jurisprudentie van de Hoge Raad kent komt het
oordeel niet als grote een verrassing. Al in 1961, in
Leesportefeuille II, oordeelde de Hoge Raad dat het niet
onrechtmatig is om door een ander uitgegeven tijdschriften in
een leesportefeuille op te nemen, daaromheen een eigen kaft
aan te brengen en op die kaft eigen advertenties te zetten.[9]
Dat de uitgever van de tijdschriften daardoor wellicht
adverteerders zou verliezen maakte geen verschil. Op zichzelf
is het profiteren van de aantrekkelijkheid van een product van
een ander niet onrechtmatig, ook niet als door dat profiteren
nadeel wordt toegebracht aan de ander. Alleen wanneer zich
bijzondere omstandigheden voordoen, zoals misleiding of het
stichten van onnodige verwarring, kan profiteren van een
anders inspanningen onrechtmatig zijn.[10]
Een andere uitspraak die in het hier besproken vonnis
doorklinkt is het Decca-arrest.[11]
De Hoge Raad zei daarin dat de schade van de klager enkel het
gevolg was van de wijze waarop hij zijn bedrijf had ingericht,
terwijl de grondregel is dat eenieder zelf het risico draagt
van de inrichting van zijn bedrijf. Dit was een reden om het
profiteren niet onrechtmatig te achten. In de hier besproken
zaak oordeelt de rechter dat de dagbladen het probleem
gemakkelijk kunnen oplossen door de inrichting van de sites te
veranderen en de advertenties over te hevelen van de homepage
naar de pagina's met de artikelen, of door de diepe link
technisch te blokkeren.
Of de vordering op basis van
het sui generis databankenrecht zou worden toegewezen
was veel minder voorspelbaar. De lijstjes met titels, zo'n
tien per krant per dag, zouden als beschermde databanken
kunnen worden beschouwd. Het gebruik van die lijsten op de
site zou dan als te verbieden opvragen en hergebruik kunnen
gelden.[12]
Maar (de inhoud van) een databank wordt alleen beschermd
indien voor het totstandbrengen en instandhouden ervan een
'substantiële investering' nodig is. In tegenstelling tot alle
andere Nederlandse rechters die zich tot nog toe moesten
uitspreken over de betekenis van dit begrip,[13]
legt deze rechter het eng uit. In overeenstemming met het
commentaar van de minister bij invoering van de Databankenwet
(Dw), meent de rechter dat investeringen die niet primair zijn
gericht op de productie van de betreffende databank, niet
meetellen bij de vraag of een producent 'substantieel' in een
databank heeft geïnvesteerd.[14]
Een databank die de spin-off is van een andere activiteit, is
daarom niet het object van het sui generis
databankenrecht. De achterliggende gedachte is dat het nieuwe
recht bedoeld is om de productie van databanken te stimuleren;
databanken die toch wel zouden totstandkomen behoeven daarom
geen bescherming. De dagelijkse titellijsten op de websites
van de dagbladen zijn een bijproduct van het samenstellen van
de krant en hebben daarom geen 'substantiële investering'
gevergd, aldus de rechter.
Niet alleen de lijstjes met
koppen, maar ook de websites als geheel kunnen misschien als
beschermde databanken worden beschouwd. Men zou kunnen
argumenteren dat de verzameling pagina's van een site
'systematisch of methodisch' zijn geordend in de zin van art.
1 Dw, doordat ze op een samenhangende manier met hyperlinks
naar elkaar verwijzen. Bovendien bevatten veel sites,
waaronder de sites van de in dit geding eisende kranten, een
lokale zoekmachine die het mogelijk maakt om op trefwoord te
zoeken.[15] In
veel websites zijn tonnen gestoken, wellicht zal dat
'substantieel' genoeg zijn om bescherming te verdienen.
Volgens de rechter maakt het echter niet uit of in het
onderhavige geval sprake is van door het sui generis
recht beschermde databanken; al zou dit zo zijn, dan vindt
geen inbreuk plaats omdat met de titellijstjes geen
'substantieel deel' van de inhoud van die databank wordt
hergebruikt of opgevraagd. En al wordt met de lijstjes
systematisch iedere dag een 'niet-substantieel deel' van de
databank overgenomen, omdat de kranten daarvan geen schade
ondervinden wordt ook op grond van art. 2 lid 1 onder b Dw
geen inbreuk gemaakt. Ook in deze context legt deze rechter
het begrip 'substantieel' enger uit dan andere rechters deden.[16]
Zoals het handelen van de
verwijzer wellicht als auteursrechtelijk 'openbaar maken' kan
worden beschouwd, zo kan het ook als databankrechtelijk
'hergebruik' worden gezien. Indien deze visie juist zou
blijken, zijn de rapen gaar. Alle informatie op het internet -
maar vooral die op grote commerciële sites - zou plotseling
het object van een vrijwel onbeperkt IE-recht zijn. Wanneer
het begrip 'substantieel deel' al te ruim zou worden uitgelegd
waardoor iedere afzonderlijke pagina reeds een dergelijk deel
vertegenwoordigt, zou elke elektronische verwijzing als te
verbieden hergebruik kunnen worden opgevat. Indien, zoals in
het hier besproken geval, naar meerdere pagina's van één site
wordt verwezen, wordt het alleen maar waarschijnlijker dat het
om databankrechtelijk relevant hergebruik gaat. Evenals de
rechter de vraag uit de weg gaat of linken op zichzelf als
openbaar maken moet worden beschouwd, vermijdt hij de kwestie
of het wellicht te verbieden hergebruik oplevert.
Het is opmerkelijk dat het
vonnis niet ingaat op het verweer van de verwijzer, inhoudende
dat wie zijn werk op het World Wide Web plaatst daarmee
impliciet toestemming geeft om er rechtsreeks naar te linken.
De hyperlink is immers de essentie van het Web - de hyper
text markup language (html) die aan het Web ten grondslag
ligt en waarmee internetpagina's worden opgemaakt, is een
programmeertaal die speciaal is ontworpen om links naar
pagina's mogelijk te maken. Uitgangspunt is dat wie een pagina
op het Web zet, dat doet juist zodat ernaar kan en zal worden
gelinkt. In beginsel kan de verwijzer redelijkerwijs aannemen
dat hij naar iedere op het Web gepubliceerde pagina een link
mag aanbrengen.[17]
Met dit argument zouden auteursrechtelijke en
databankrechtelijke vorderingen in één keer van tafel kunnen
worden geveegd.[18]
Maar zou de impliciete toestemming - zo die al nodig is -
kunnen worden 'ingetrokken'?
Dit geschil laat zien dat een
sitehouder commercieel belang kan hebben bij controle over de
wijze waarop bezoekers door zijn site surfen - zolang op
internet vooral geld wordt verdiend met advertenties zal dat
wel zo blijven. Een andere reden om bezoekers een bepaalde weg
af te laten leggen is om ze te verleiden tot impulsinkopen.
Zoals dat het geval is bij een supermarkt kunnen de 'schappen'
van een website zo worden geplaatst dat klanten spullen kopen
waarvoor ze eigenlijk niet kwamen. Amerikaanse advocaten
hebben een nieuwe markt ontdekt en hameren op het belang van
de zogenaamde 'linking agreement'. Meestal gaat het dan
echter om een overeenkomst op grond waarvan de verwijzer -
vaak een portal of een startpagina - zich verplicht een
link aan te brengen en daarvoor een vergoeding krijgt. Men kan
dit nog het best vergelijken met betalen voor plaatsing van
een advertentie. De site waarnaar wordt gelinkt hoopt zo meer
verkeer te genereren. Wie daarvoor betaald krijgt, zal wel
bereid zijn om af te spreken op welke wijze naar (welke pagina
van) een andere site wordt verwezen. Er is dan een contract op
basis waarvan de diepe link kan worden aangepakt.
Zou zo'n contractrechtelijke
grond ook kunnen ontstaan door op de site aan te geven hoe
ernaar moet worden verwezen, of door de impliciete licentie
'in te trekken' door de diepe link technisch onmogelijk te
maken en zo aan te geven dat men niet van een dergelijke
verwijzing is gediend? In een recente Amerikaanse uitspraak is
uitgemaakt dat een contractuele relatie niet in het leven kan
worden geroepen, door in de aan een site hangende algemene
voorwaarden te zeggen dat geen deeplinks mogen worden
aangebracht.[19]
Daarbij was vooral van belang dat door met kleine lettertjes
naar de algemene voorwaarden te linken nog geen overeenkomst
totstandkomt. Maar zou zoiets naar Nederlands recht wél
mogelijk zijn, bijvoorbeeld als duidelijk wordt aangegeven dat
de voorwaarden van toepassing zijn?
Er moeten twee situaties
worden onderscheiden. Ten eerste die waarin de hyperlink een
inbreuk oplevert, bijvoorbeeld omdat het gaat om openbaar
maken of hergebruik in de zin van de wet. In dat geval is in
beginsel toestemming nodig en zal het ervan afhangen of de
sitehouder naar wiens website wordt verwezen redelijkerwijs
geacht kan worden met de diepe link te hebben ingestemd. Het
is goed verdedigbaar dat dit niet het geval is, wanneer hij
duidelijk aangeeft dat alleen naar de homepage mag worden
verwezen. Wie toch een diepe link aanbrengt zal dan een
intellectueel eigendomsrecht schenden. Overigens mag ervan
worden uitgegaan dat het in het hier besproken geval voor de
auteursrechtelijke vordering geen verschil zou hebben gemaakt
of de sitehouders hadden aangegeven dat alleen naar de
homepage mocht worden verwezen; art. 15 lid 3 Aw geeft immers
met zoveel woorden aan dat een voorbehoud in een geval als het
onderhavige geen soelaas kan bieden.
De tweede mogelijkheid is dat
er geen IE-rechten in het spel zijn. In beginsel is dan geen
toestemming nodig om een verwijzing aan te brengen. Zou in dat
geval een overeenkomst tot stand kunnen komen door ergens op
de site of in de algemene voorwaarden te vermelden dat alleen
naar de homepage mag worden gelinkt (en door een zinsnede op
te nemen als: 'gebruik van deze site drukt aanvaarding van de
voorwaarden uit'), en zo kunnen worden bewerkstelligd dat de
aanbrenger van een diepe link wanprestatie pleegt?[20]
Er bestaat een merkwaardige relatie tussen de leesportefeuille
en de diepe link: ook voor beantwoording van deze vraag kan
weer aansluiting worden gezocht bij een arrest dat over
leesportefeuilles handelde. In Leesportefeuille I
oordeelde de Hoge Raad dat het niet aangaat zich een recht
voor te behouden dat men niet heeft.[21]
Bij wijze van analogie kan wellicht uit deze uitspraak worden
geconcludeerd dat een voorbehoud waarmee de diepe link wordt
uitgesloten niet kan worden geëffectueerd - indien tenminste
door (diep) te linken geen IE-recht wordt geschonden.
K.J. Koelman
|
[1]
Zie voor een uitgebreid overzicht van zaken uit verschillende
landen waarin de hyperlink centraal stond de 'link
controversy page' van S. Bechtold. Return to
Text
[2]
Zie echter
Rb. 's-Gravenhage 9 juni 1999, Informatierecht/AMI
1999/7, p. 112 (Scientology/xs4all) (ook beschikbaar in
Word6.0-formaat). Return to Text
[3]
Zie hierover M. de Cock Buning & M. Vermeer, 'Hyperlinks en
metatags; meeliften in cyberspace', Computerrecht, p.
168; P.B.
Hugenholtz, 'Het
Internet: het auteursrecht voorbij?', Handelingen NJV
1998-I, p. 212-213. Return to Text
[4]
Zie hierover J.F. Haeck,
Idee en
programmaformule in het auteursrecht (diss.), Kluwer
1998, p. 72-78. Return to Text
[5]
Zie D.W.G. Visser, 'Naar een multimediabestendig
auteursrecht', ITeR deel 10, Alphen aan den Rijn/
Diegem: Samsom 1998, p. 28. Return to Text
[6]
Visser 1998, supra nt 5, p. 40-43. Return to
Text
[7]
Zie voor een overzicht van de factoren die worden meegewogen
C.C. van Dam, Zorgvuldigheidsnorm en aansprakelijkheid
(diss.), Deventer: Kluwer 1989, p. 109-130. Return to
Text
[8]
Een min of meer vergelijkbaar gemotiveerd oordeel werd geveld
in een recente Amerikaanse uitspraak. Zie Ticketmaster
Corp. v. Tickets.com Inc., C.D.Cal., Case No. 99-CV-7654,
8 augustus 2000. Return to Text
[9]
HR 23 juni 1961, NJ 1961, 423 (Leesportefeuille II).
Return to Text
[10]
Zie uitgebreid over hyperlinken en Nederlands recht van
ongeoorloofde mededinging De Cock Buning & Vermeer 1999,
supra nt 3. p. 169-170. Return to Text
[11]
HR 27 juni 1986, NJ 1987, 191 (Holland Nautic/Decca).
Return to Text
[12]
Vgl. Pres. Rb. Amsterdam 16 december 1999, Mediaforum
2000-2, p. 62 (Ter Wee/van den Haak), waarin werd
uitgemaakt dat een dagelijks wisselende lijst van vijftig
links naar pornosites een beschermde databank is in de zin van
de Databankenwet en niet mag worden overgenomen. Ook in de
hier besproken zaak ging het om dagelijks wisselende lijsten
met links (al waren het er maar tien per krant) die werden
overgenomen. Return to Text
[13]
Zie (anticiperend) Hof Arnhem 15 april 1997, Mediaforum
1997-5, B 72 (Denda/KPN); Pres. Rb. Amsterdam 16
december 1999, Mediaforum 2000-2, p. 62 (Ter Wee/van
den Haak); Pres. Rb. Den Haag 14 januari 2000,
Informatierecht/AMI 2000, p. 71 (KPN/XSO), waarover
A. Beunen, 'Kanttekeningen bij KPN/XSO',
Informatierecht/AMI 2000, p. 59; Pres. Rb. Den Haag 12
september 2000 (NVM/De Telegraaf), Mediaforum
2000-11/12, nr. 76
m.nt. M.M.M. van
Eechoud. Zie over de inhoud van het begrip ook Pres. Rb.
Haarlem 21 april 2000, Computerrecht 2000, p. 209 (IMS/Pharma
Vision). Return to Text
[14]
Zie D.J.G. Visser & D.W.F. Verkade, Inleiding en
parlementaire geschiedenis Databankenwet, Den Haag: Boom
1999, p. 57-59. Vgl. NMa 10 september 1998,
Informatierecht/AMI 1999-1, p. 12 (De Telegraaf/NOS).
Return to Text
[15]
Zie hierover H.M.H. Speyart, 'De databank-richtlijn en haar
gevolgen voor Nederland', Informatierecht/AMI 1996, p.
154-155. Return to Text
[16]
Zie met name de in nt 13 genoemde NVM/De Telegraaf-uitspraak
en de vernietigende kritiek daarop in de
annotatie van
M.M.M. van Eechoud. Return to Text
[17]
Vgl. Rb. Amsterdam 24 september 1997, Informatierecht/AMI
1997/9, p. 194 (Heg c.s./Volkskrant); Rb. Rotterdam 22
augustus 2000, Mediaforum 2000/10, nr. 61 (Dagbladen/Eureka).
Return to Text
[18]
Zie bijvoorbeeld OLG Düsseldorf 29 juni 1999, Computer und
Recht 2000, p. 184. Return to Text
[19]
Ticketmaster Corp. v. Tickets.com Inc., C.D. Calif.,
No. 99-7654 HLH (BQRx), 27 maart 2000. Zie voor een ander
vonnis in hetzelfde geschil supra nt 8. Return to
Text
[20]
Vgl. het colofon voorin dit blad. Denk ook aan het
fotografeerverbod dat in musea vaak wordt uitgevaardigd.
Return to Text
[21]
HR 25 januari 1952, NJ 1952, 95 (Leesportefeuille I);
zie ook HR 20 november 1987, NJ 1988, 280/
Informatierecht/AMI 1988, p. 15 (Stemra/Free Record
Shop).
|
|
Geplaatst
29.01.2001
|
|
|
|