|
De aanhangige
Auteursrechtrichtlijn verplicht de Europese lidstaten om
technische voorzieningen te beschermen die verhinderen
om handelingen te verrichten met door intellectuele
eigendomsrechten beschermde informatie. In deze bijdrage
worden de aanleiding voor, en de achtergronden van de
bescherming van technische voorzieningen geschetst.
Verder wordt een poging gedaan om te beschrijven welke
gevolgen deze regelgeving kan hebben voor de wijze
waarop informatieproducten worden geëxploiteerd en
kunnen worden gebruikt.
Kopieerangst
Het internet is als een
huisdier: één mensenjaar staat voor vijf tot zeven
internetjaren, zo wordt vaak gezegd. Alles gaat
razendsnel. Volgens deze berekening is de commerciële
opgang van het net niet pas vijf jaar bezig, maar al
minstens vijfentwintig. Het mag daarom bevreemden dat de
entertainmentindustrie vooralsnog slechts marginaal
aanwezig is op het wereldwijde web, ondanks de vele
voordelen die online verspreiding van haar producten kan
hebben. Zo kan op het internet direct met de consument
worden gecommuniceerd, waardoor het mogelijk wordt om
klantgegevens te verzamelen en direct te marketen.
Bovendien vallen de kosten van productie en distributie
van 'harde' kopieën weg. Het product kan daardoor veel
goedkoper worden verkocht, zelfs als dezelfde winstmarge
per eenheid wordt aangehouden. Aangezien volgens
elementaire economische theorie, wanneer de prijs
omlaaggaat, de vraag stijgt, zou dit moeten leiden tot
een grotere totale winst. Dat lijkt een aantrekkelijk
vooruitzicht voor bijvoorbeeld een platenmaatschappij.
Desondanks valt muziek nog steeds niet of nauwelijks
rechtstreeks van de vijf majors online te
verwerven.[1]
De belangrijkste reden
hiervoor is de angst om de controle over de exploitatie
van de muziekcatalogus te verliezen. Men is gewend aan
een situatie waarin een dure en omvangrijke machinerie
nodig is om kwalitatief goede kopieën te produceren, en
een uitgebreid distributie-apparaat om de reproducties
bij de klant af te leveren. Vandaag de dag kan echter
iedereen in een vloek en een zucht een perfecte digitale
kopie maken en die kopie op het internet wereldwijd
verspreiden. Het kost niets meer om als piraat actief te
zijn. Velen zullen daardoor tot piraterij worden
verleid, zo wordt gevreesd. En als de werken overal op
het internet zeer goedkoop of zelfs gratis zijn te
verkrijgen, zal niemand nog bereid zijn om (veel) te
betalen voor informatieproducten. Daarmee zou daarom
geen cent meer worden verdiend. Dit vooruitzicht verlamt
de industrie. Zij weigert om met name muziek en films
digitaal aan te bieden, zolang aan het gebruiksgemak dat
het gevolg is van de digitale revolutie geen paal en
perk wordt gesteld. Door kopiëren technisch onmogelijk
te maken zou dit kunnen worden bewerkstelligd.
Techniek
Op verschillende
plaatsen en in verschillende verbanden wordt hard
gewerkt aan zogenaamde Digital Rights Management
(DRM) systemen.[2]
Aanvankelijk werd vooral beoogd om daarmee kopiëren
onmogelijk maken, maar inmiddels gaan de ambities veel
verder. Momenteel worden systemen ontwikkeld waarmee ieder
gebruik van informatieproducten technisch kan worden
gecontroleerd. Niet alleen de reproductie wordt
technisch geblokkeerd, maar ook bijvoorbeeld het
beluisteren van een muziekwerk. De meeste in
ontwikkeling zijnde technieken werken volgens het
principe van de versleuteling. De informatie wordt
geëncrypteerd en er wordt een soort digitale licentie
in het product aangebracht die aangeeft of, hoe en tegen
welke voorwaarden het mag worden gebruikt. De
afspeelapparatuur of -software zal zich automatisch aan
die licentie houden. Pas als (online) een vergoeding is
overgemaakt of anderszins aan de voorwaarden is voldaan,
zal de speler het materiaal ontsleutelen en kan men het
- alleen op de in de licentie toegestane wijze -
gebruiken.[3]
Wie anderen van gebruik
kan uitsluiten, of dat nu juridisch is of technisch, is
in de positie om voor dat gebruik een vergoeding te
vragen.[4]
Nu met de nieuwe technieken meer en andere handelingen
kunnen worden gecontroleerd dan mogelijk is op basis van
het auteursrecht, zijn er meer aanknopingspunten om een
vergoeding te bedingen. De techniek stelt immers in
staat om ieder gebruik te blokkeren, terwijl het
auteursrecht alleen reproduceren en mededelen aan het
publiek betreft, en zelfs tegen deze handelingen kan een
rechthebbende zich niet altijd verzetten. De
DRM-systemen maken daardoor veel verfijnder
afrekenmechanismen mogelijk. Nu dient men nog
bijvoorbeeld voor een vaste prijs een hele CD aan te
schaffen die dan onbeperkt kan worden gedraaid. In de
toekomst zal kunnen worden gekozen tussen een relatief
goedkoop muziekbestand dat slechts tien maal kan worden
afgespeeld, of een duurdere die dan wel honderd keer kan
worden geladen. Nadat het bestand een vastgesteld aantal
maal is afgespeeld, zal het automatisch van de harde
schijf worden gewist of zal de speler weigeren om het
ten gehore te brengen.
Er worden ook
exploitatiemodellen ontwikkeld waarin helemaal geen
kopieën meer worden uitgewisseld. In die modellen wordt
de informatie iedere keer dat die wordt gebruikt
opgevraagd bij enorme online bereikbare databanken en
dan naar het afspeelapparaat van de consument gestuurd.
Wanneer de bladzijde virtueel wordt 'omgeslagen' of het
nummer is afgelopen, beklijft er geen kopie. Dit is
vergelijkbaar met wat gebeurt bij radio en televisie,
daar vervliegt de informatie eveneens na consumptie,
maar een belangrijk verschil met het omroepmodel is dat
de informatie op ieder gewenst moment kan worden
opgevraagd. In plaats van een kopie in de walkman te
stoppen - of dat nu een cassettebandje, een CD of een
MP3-bestand is - zal via de UMTS-band in de celestial
jukebox worden ingelogd en zal zo de muziek on
demand worden beluisterd.[5]
De boekenkast en het CD-rek kunnen de deur uit. Het
spreekt voor zich dat de controle over het
informatiegebruik in dit model volkomen is; men moet
steeds bij de rechthebbende terecht wanneer men het
materiaal wil gebruiken.
Bescherming van
techniek
In theorie zou door de
toepassing van deze technieken de inbreuk kunnen worden
uitgebannen. Maar bovendien maken ze het mogelijk om
voor ieder afzonderlijk gebruik een vergoeding af te
dwingen. Deze technieken stellen daarom in staat om
prijsdiscriminatie te bedrijven - een hoogwaarderende
consument zal bijvoorbeeld een duurdere en vele malen te
gebruiken versie kopen, en een klant die minder voor het
werk overheeft een goedkopere van lagere kwaliteit die
minder lang meegaat - en wie aan prijsdiscriminatie
doet, verdient meer.[6]
Zo'n scenario klinkt de entertainmentindustrie uiteraard
als muziek in de oren. Maar toch is men niet helemaal
gerust op een goede afloop. De op techniek gebaseerde
exclusiviteit moet op haar beurt ook weer worden
beschermd. Bovenop de auteursrechtelijke bescherming en
de bescherming die door de techniek wordt geboden, moet
daarom een derde beschermingslaag worden aangebracht: de
juridische bescherming van technische voorzieningen die
door het recht beschermde werken beschermen.
Aanvankelijk was het
idee dat deze bescherming noodzakelijk is, omdat de in
de digitale omgeving kwetsbaar geachte auteur een
steuntje in de rug verdient.[7]
Indien de technische beschermingsmaatregelen niet door
de wet zouden worden beschermd, zou iedereen die
maatregelen omzeilen en zou alsnog massaal inbreuk
worden gemaakt. Inmiddels is dit uitgangspunt echter
verlaten en worden de nieuwe exploitatiemodellen die
mogelijk worden door de toepassing van technische
voorzieningen van een juridische ruggengraat voorzien.
Wettelijk zal de door het aanbrengen van technische
beschermingssystemen teweeggebrachte feitelijke
exclusiviteit worden beschermd, waarmee meer gebruik kan
worden uitgesloten dan mogelijk is op basis van het
auteursrecht. In feite wordt daardoor het bereik van het
auteursrecht, of liever: van de rechthebbende vergroot.
Hij kan optreden in situaties waarin het auteursrecht
daarvoor geen enkele rechtsgrond biedt. Het betreffende
gebruik valt op basis van de i.e.-rechten niet te
verbieden, maar de omzeiling die de auteursrechtelijk
toegestane handeling mogelijk maakt kan wel juridisch
worden aangepakt. De aanstaande Auteursrechtrichtlijn
volgt deze benadering.
Auteursrechtrichtlijn
Artikel 6 van de
Auteursrechtrichtlijn betreft de bescherming van
technische voorzieningen. Deze bepaling is een
implementatie van artikel 11 van het WIPO
Auteursrechtverdrag van 1996 dat gebiedt om passende
rechtsbescherming te bieden tegen omzeiling van systemen
die verhinderen om auteursrechtelijk relevante
handelingen te verrichten.[8]
Eind 2000 bereikte de Richtlijn - niet zonder slag of
stoot - het stadium van Gemeenschappelijk Standpunt.[9]
Met name de bescherming van technische voorzieningen
zorgde voor een grote onenigheid tussen de lidstaten;
tot op het allerlaatste moment is onderhandeld over de
tekst van artikel 6 van de Richtlijn.[10]
En dat is te merken. De bepaling is op veel punten
onbegrijpelijk en is niet bijzonder evenwichtig te
noemen. In het navolgende wordt in grote lijnen een
overzicht gegeven van de norm aangaande technische
voorzieningen zoals die in het Gemeenschappelijk
Standpunt is neergelegd. Daarbij wordt vooral aandacht
besteed aan de meest controversiële aspecten van de
bepaling.[11]
Technische
voorzieningen
Het eerste lid van
artikel 6 van de Richtlijn gebiedt de lidstaten om
verwijtbare omzeiling van beschermde technische
voorzieningen aan te pakken. Het tweede lid verplicht om
apparatuur of software die specifiek is bedoeld voor
omzeiling van de markt te weren. Ook moeten
omzeilingdiensten worden verboden. In het derde lid
wordt een definitie gegeven van het begrip 'technische
voorzieningen'. Met het nieuwe vierde lid, dat in
eerdere ontwerpen ontbrak[12]
, wordt een poging gedaan om de bescherming van
technische voorzieningen enigszins te conformeren aan de
beperkingen van het auteursrecht.
De definitie van het
derde lid geeft aan dat voorzieningen tegen omzeiling
moeten worden beschermd die dienen om iedere handelingen
te blokkeren waarvoor geen toestemming is verkregen van
de rechthebbende. Het maakt niet uit of de geblokkeerde
handeling op grond van het auteursrecht kan worden
verboden of niet. In de Motivering van de Raad bij het
Gemeenschappelijk Standpunt wordt met zoveel woorden
gezegd dat men bescherming wil bieden tegen omzeiling,
ongeacht of de persoon die de voorziening buiten werking
stelt zich kan beroepen op een beperking van het
auteursrecht.[13]
De grotere controle over informatiegebruik die door
technische voorzieningen mogelijk wordt gemaakt, wordt
zo wettelijk bekrachtigd. Hierdoor neemt de omvang van
het auteursrecht als het ware toe - al is het niet de
handeling die met het werk wordt uitgevoerd die
onrechtmatig is, maar de omzeiling welke die handeling
mogelijk maakt.
Maar ook op een andere
wijze kan het Gemeenschappelijk Standpunt de macht over
het informatiegebruik doen groeien. Uit de definitie van
het derde lid blijkt dat systemen niet zijn beschermd,
wanneer zij worden ingezet om gebruik van informatie te
verhinderen die niet het object is van het auteursrecht,
de naburige rechten of het sui generis
databankenrecht. Omzeilen mag dus om dergelijk
onbeschermd materiaal te gebruiken en ook mogen in
beginsel kraakmiddelen worden verspreid die dergelijke
omzeiling mogelijk maken. Maar als wordt aangenomen dat
dezelfde beschermingssystemen zullen worden aangebracht
op zowel wel als op niet door een i.e.-recht beschermde
informatie, zullen de benodigde omzeilingsmiddelen toch
niet beschikbaar zijn. Ze zijn dan verboden, omdat ze
óók systemen kunnen uitschakelen die handelingen
blokkeren ten aanzien van wel beschermde informatie. De
technische voorziening mag worden gekraakt, maar wie de
technische kennis daartoe ontbeert zal er feitelijk niet
toe in staat zijn, omdat er geen kraakmiddelen
beschikbaar zijn. Hierdoor kan de Richtlijn in de
praktijk tot gevolg hebben dat het gebruik van
informatie die niet het object is van één van de
rechten, technisch effectief kan worden uitgesloten.
Toegangscontrole
De meeste nu in
ontwikkeling zijnde systemen zijn gebaseerd op het
principe van de versleuteling. Dergelijke systemen
verhinderen om kennis te nemen van de inhoud van een
gedigitaliseerd werk. Onder het huidige auteursrecht kan
een rechthebbende niet optreden tegen degene die een
werk tot zich neemt, zelfs niet als het om een
onrechtmatig gedrukt of verspreid exemplaar gaat. Lezen
en luisteren vallen niet onder de exclusieve rechten.[14]
Bovendien valt de kosteloze privé-mededeling in
familiekring uitdrukkelijk niet onder het auteursrecht.
De hier besproken norm verbiedt omzeiling van systemen
die ¡edere handeling blokkeren waarvoor geen
toestemming is van de rechthebbende. Daaronder kan
bijvoorbeeld ook het openen van een bestand worden
verstaan, of het beluisteren van een muziekwerk.
Bovendien lijken de
woorden van de tweede zin van het derde lid van artikel
6 te impliceren dat de lidstaten voorzieningen tegen
omzeiling moeten beschermen waarmee de toegang tot een
werk wordt geblokkeerd. Indien dit inderdaad is wat de
Richtlijn beoogt, zou dat een bijzonder opmerkelijke
ontwikkeling zijn: wanneer een civielrechtelijke actie
tegen omzeiling wordt toegekend, komt de eindgebruiker
binnen de juridische invloedssfeer van de rechthebbende,
terwijl het auteursrecht zich tot nog toe vooral richtte
op handelingen in verband met de commerciële
exploitatie van een werk en niet op het 'consumeren'
ervan.
Of de Richtlijn
inderdaad dit resultaat beoogt is echter niet duidelijk.
In de Motivering van de Raad bij het Gemeenschappelijk
Standpunt wordt gezegd dat men de suggestie wil
vermijden dat de Richtlijn toegangcontrolerende systemen
betreft. Vraagstukken aangaande de toegang tot
informatie zouden namelijk buiten het bereik van het
auteursrecht vallen.[15]
De Raad is echter niet geslaagd in deze opzet. Niet
alleen lijkt het derde lid (nog steeds) te impliceren
dat toegangscontrole onder de Richtlijn valt, ook het
vierde lid suggereert dat er zoiets bestaat als op
onrechtmatige wijze toegang verkrijgen tot technisch
beschermde werken.[16]
Beperkingen
Het is duidelijk dat de
controle die een rechthebbende wettelijk over
informatiegebruik kan uitoefenen wordt uitgebreid. De
beperkingen van de i.e.-rechten worden grotendeels
buitenspel gezet. In het nieuwe vierde lid van artikel 6
wordt een poging gedaan om dit effect enigszins te
mitigeren. Daar wordt gezegd dat de lidstaten - onder
omstandigheden - maatregelen moeten nemen om er voor te
zorgen dat rechthebbenden de middelen leveren die het
voor de 'begunstigden' van een klein aantal van de
beperkingen die in artikel 5 van de Richtlijn worden
genoemd, mogelijk maken om het wettelijk toegestane
gebruik ook daadwerkelijk te maken. In deze zin kan de
rechthebbende in sommige gevallen een
faciliteringsverplichting hebben. Hij moet dan
bijvoorbeeld een exemplaar leveren waarop geen
technische voorziening is aangebracht, of zijn
technische beschermingsmaatregel zo aanpassen dat de
uitgezonderde handeling daardoor niet wordt geblokkeerd.
Het blijft echter
absoluut verboden om een systeem te kraken, ook wanneer
dat gebeurt om een handeling te verrichten waartegen een
auteur zich op grond van het auteursrecht niet kan
verzetten. Technisch geblokkeerde handelingen die niet
onder één van de in het vierde lid opgesomde
beperkingen vallen, zullen daarom in geen geval kunnen
plaatsvinden. De niet in dit lid genoemde beperkingen
van het auteursrecht verliezen dus hun betekenis ten
aanzien van werken die (alleen) beschikbaar zijn in
technisch beschermde formats.
De Richtlijn kan echter
tot gevolg hebben dat ook de beperkingen die wel worden
genoemd hun functie verliezen in het digitale domein. De
faciliteringsverplichting mag namelijk niet worden
opgelegd, wanneer een technisch beschermd werk on
demand online wordt verspreid en met de klant is
overeengekomen dat hij afziet van gebruik dat onder
één van de in deze bepaling genoemde beperkingen valt.
Wie technische voorzieningen aanbrengt, zijn werken via
het internet distribueert, de wederpartij door een
overeenkomst laat 'scrollen' waarin de beperkingen van
het auteursrecht worden 'weggecontracteerd' en
vervolgens op een virtuele knop met 'akkoord' laat
drukken, wordt in het geheel niet meer gehinderd door de
beperkingen van de i.e.-rechten.[17]
Analyse
Kennelijk zijn de
opstellers van de Richtlijn van opvatting dat de
beperkingen van de i.e.-rechten geen functie (meer)
hebben in de 'informatiemaatschappij'. Daar dient de
contractsvrijheid voorrang te hebben en de markt vrij
spel. Men kan zich afvragen of de verschillen tussen de
ouderwetse 'analoge' wereld en de nieuwe digitale
inderdaad van dien aard zijn dat het toestaan - en zelfs
wettelijk bekrachtigen - van volkomen controle over
informatiegebruik plotseling gepast is.[18]
Het veelgehoorde uitgangspunt 'wat offline geldt, moet
ook online gelden', wordt met opvallend gemak verlaten.
Eén reden daarvoor kan
de onverenigbaarheid zijn van de bescherming van
technische voorzieningen met de huidige
beschermingsomvang van het auteursrecht. De (huidige)
techniek kan geen onderscheid maken tussen wettelijk wel
en niet toegestaan informatiegebruik. Omdat de
toepasselijkheid van een beperking van het auteursrecht
vaak afhankelijk is van de omstandigheden van het geval,
zal bijvoorbeeld een technische kopieerbeveiliging ook
gebruik blokkeren waartegen de auteur zich niet kan
verzetten. Een wetgever zou kunnen toestaan om te
omzeilen in gevallen waarin de omzeiling een beperking
van het auteursrecht dient. Maar aangezien slechts
weinigen beschikken over de technische vaardigheden om
zelfstandig een technische voorziening uit te schakelen,
zal zo'n wettelijke toestemming om te omzeilen weinig
praktisch nut hebben, wanneer de daartoe benodigde
kraakmiddelen niet verkrijgbaar zijn. Een kraakmiddel
waarmee een systeem kan worden uitgeschakeld om
niet-inbreukmakende reproducties te maken, kan echter
eveneens worden gebruikt voor kopiëren dat wel
auteursrechtelijk relevant is. Indien het middel
verboden is en daarom niet verkrijgbaar, kan het
uitgezonderde gebruik niet plaatsvinden. Maar als het
vrij in omloop is, wordt de op techniek gebaseerde
exclusiviteit wellicht al te zeer ondermijnd. Dit lijkt
een onoverkomelijk dilemma.
Een regelgever moet dus
kiezen tussen een effectieve bescherming van technische
voorzieningen en feitelijke handhaving van de
beperkingen van de i.e.-rechten in de digitale omgeving.
Indien hij de angsten van de entertainmentindustrie
deelt, kan het een logische gevolgtrekking zijn dat de
bescherming van technische voorzieningen moet gaan
vóór de beperkingen van het auteursrecht.
Het is echter nog maar
de vraag of die angsten reëel zijn en of de
bovengeschetste doemscenario's zich inderdaad zullen
voordoen wanneer een ruime bescherming uitblijft. Het is
bijvoorbeeld goed mogelijk dat piraterijbestrijding in
de online omgeving veel gemakkelijker en goedkoper zal
zijn, dan het van de markt weren van 'vaste' kopieën.
Met zoekmachines kan inbreukmakend materiaal
geautomatiseerd worden opgespoord en door middel van
gestroomlijnde 'notice and take down'-procedures
kan de publieke toegang ertoe snel en tegen relatief
lage kosten worden geblokkeerd.[19]
Er is reeds software beschikbaar die automatisch het net
afzoekt en een kennisgeving verstuurt naar de hosting
service provider wanneer het programma inbreukmakend
materiaal tegenkomt op diens server.[20]
Als de provider een complementair programma heeft
geïnstalleerd, wordt de toegang tot de betreffende site
of tot de aangeslotene bij een peer-to-peer
netwerk (zoals Napster) automatisch afgesloten.
Al zal de
inbreukmakende mededeling aan het publiek waarschijnlijk
niet volledig kunnen worden uitgebannen, de sites die
zonder toestemming auteursrechtelijk beschermd materiaal
aanbieden, zullen voor het publiek moeilijk vindbaar
zijn. En wie zou uren het net afzoeken naar een gratis
exemplaar, als het werk gemakkelijk, snel en goedkoop
langs de officiële kanalen kan worden verworven?
Wanneer ook de lagere kosten van online distributie in
aanmerking worden genomen en de daarmee gepaard gaande
hogere winsten, zou hieruit kunnen volgen dat de
digitale revolutie meer voor- dan nadelen voor
rechthebbenden met zich meebrengt - zelfs als geen extra
rechten worden toegekend en wanneer de mogelijkheden van
technische beschermingsmaatregelen nog buiten
beschouwing worden gelaten.[21]
Het tegenovergestelde
is uiteraard ook mogelijk. Maar nu nog onzeker is hoe de
markt en de techniek zich zullen ontwikkelen en de
bescherming van technische voorzieningen noodzakelijk
het auteursrechtelijk evenwicht verstoort, ware het
misschien beter geweest om nog even te wachten en eerste
eens te bezien of die bescherming wel echt nodig is. De
Europese regelgever heeft echter voor een omgekeerde
benadering gekozen. Technische voorzieningen worden
alvast beschermd, maar als blijkt dat bij wet toegestane
handelingen een nadelige invloed ondervinden van het
gebruik van beschermingssystemen, dient de Europese
Commissie voorstellen te doen tot wijziging van de
Richtlijn.[22]
Het zou echter verbazen wanneer het daadwerkelijk tot
beperking van de bescherming van technische
voorzieningen zou komen. Tot nog toe kwamen uit Brussel
alleen regelingen die de controle over het
informatiegebruik hebben uitgebreid.
De benadering die de
Richtlijn volgt kan worden gezien als een - overspannen
en premature - reactie op de vermeende kwetsbaarheid van
rechthebbenden in de digitale omgeving: het verlies aan
controle over gebruik dient te worden gecompenseerd met
de bescherming van de extra controle waartoe technische
voorzieningen in staat stellen. Er is echter ook een
alternatieve verklaring mogelijk. Sommigen geleerden
betogen dat ratio voor de beperkingen van de rechten
vervalt, indien goedkoop en gemakkelijk voor het
(momenteel) wettelijk uitgezonderde gebruik een licentie
kan worden overeengekomen. De beperkingen zouden
namelijk zijn aangebracht om gebruik niet te belemmeren
in situaties waarin al te hoge transactiekosten aan de
totstandkoming van een overeenkomst in de weg staan. In
beginsel zouden de (potentiële) gebruiker en de
rechthebbende het over de prijs voor het betreffende
gebruik wel eens kunnen worden. Maar de kosten verbonden
aan totstandkoming en afhandeling van de licentie zouden
al hoger zijn, dan de waarde die de klant aan het
gebruik hecht. Die zal er daarom van afzien, waardoor
het gebruik niet zal plaatsvinden. Om dit marktfalen te
helen zouden bijvoorbeeld privé-gebruik en de korte
aanhaling zijn vrijgesteld.
Nu het internet direct
contact tussen aanbieder en afnemer faciliteert en
automatisch en goedkoop contracteren mogelijk maakt,
vervalt deze ratio en kunnen de beperkingen worden
geschrapt.[23]
Zou deze gedachte aan de Richtlijn ten grondslag liggen?
Dat zou een tamelijk beperkte visie op de functie en
ratio van de beperkingen van de i.e.-rechten uitdrukken.
Volgens veel schrijvers moeten die beperkingen worden
begrepen in verband met fundamentele rechten, zoals het
recht op informatievrijheid en het recht op privacy.
Volkomen controle over informatiegebruik is onwenselijk
in een democratische samenleving en handhaving van een
verbodsrecht op privé-gebruik zou met het recht op
privacy in conflict komen. Het spreekt voor zich dat
aanhangers van de laatste opvatting betogen dat de
beperkingen van de rechten ook in de digitale omgeving
behoren te gelden.[24]
Overigens menen zelfs
geleerden die de beperkingen zien als noodoplossingen
voor gevallen waarin de transactiekosten aan de
totstandkoming van een licentie in de weg staan, dat een
beperkingen als die welke de parodie en het citaat in
een recensie toestaan, ook als de transactiekosten laag
zijn, nog steeds van belang zijn. Vermoedelijk zal een
rechthebbende immers niet toestaan dat zijn werk wordt
geciteerd in een hem onwelgevallige recensie of dat het
wordt belachelijk gemaakt in een parodie, hoeveel er ook
wordt geboden voor dat gebruik.[25]
De Auteursrechtrichtlijn plaatst de auteur echter in een
positie waarin hij ook dergelijk gebruik kan verbieden.
Niet alleen ontbreken deze beperkingen in de lijst van
uitzonderingen ten behoeve waarvan de lidstaten
eventueel een faciliteringsplicht moeten instellen, maar
al zouden ze op lijst voorkomen, dan zou de
rechthebbende die zijn werk technisch beschermd over het
internet verspreidt, de parodie en het citaat
contractueel kunnen uitsluiten.
Elektronicaproducent
De bescherming van
technische voorzieningen zoals die is vormgegeven in het
Gemeenschappelijk Standpunt kan relatie tussen de
rechthebbende en de gebruiker ingrijpend veranderen.
Maar er is nog een partij wiens positie kan worden
beïnvloed. Een al te ruim gesteld verbod op
omzeilingsmiddelen zou apparatuur die momenteel volkomen
legaal is, plotseling tot verboden waar kunnen
verklaren. Zoals hierboven is aangegeven, zijn de
systemen die momenteel worden ontwikkeld afhankelijk van
de afspeelapparatuur; indien de speler, recorder of
afspeelsoftware de in het werk ingebedde digitale
licentie niet leest en daarnaar handelt, werkt de
beveiliging niet. Zou een elektronicafabrikant onder het
regime van de Richtlijn het verbod op omzeilingsmiddelen
overtreden, wanneer hij nalaat om zijn waar zodanig te
ontwerpen dat die op de juiste wijze reageert op een
door een rechthebbende in een werk aangebrachte code? In
dat geval zou kunnen worden afgedwongen dat
elektronicaproducenten zich voegen naar de luimen van
rechthebbenden. Fabrikanten zouden niet meer vrij zijn
om de beste, snelste en goedkoopste oplossingen te
gebruiken. Tot nog toe konden rechthebbenden op basis
van de wet geen invloed uitoefenen op de wijze waarop
elektronica wordt ontworpen.[26]
In overweging 48 wordt
gezegd dat in beginsel niet wordt beoogd fabrikanten te
verplichten om hun producten af te stemmen op door
rechthebbenden aangebrachte technische voorzieningen,
maar dat het uiteindelijk afhangt van de bepaling of een
apparaat als een verboden omzeilingsmiddel moet worden
beschouwd of niet. Het tweede lid van artikel 6 somt een
drietal alternatieve criteria op waaraan elektronica of
software niet mag voldoen, om niet onder het verbod te
vallen. Apparaten en diensten die worden aangeprezen of
vooral zijn bedoeld om omzeiling mogelijk te maken, of
slechts een beperkt commercieel doel hebben afgezien van
omzeiling, vallen onder de bepaling. Deze criteria zijn
zonder precedent en de precieze betekenis ervan zal
daarom moeten worden afgewacht. Maar stel dat een
recorder zo wordt gebouwd dat die niet reageert op een
algemeen aanvaarde standaardcode die op een werk is
aangebracht en die aangeeft dat het niet mag worden
gekopieerd,[27]
de recorder daarom bekend staat en aantoonbaar vooral
wordt aangeschaft wegens deze eigenschap. Heeft het
apparaat dan geen ander commercieel significant doel dan
omzeiling en kan het daarom worden verboden?
Conclusie
De mogelijkheid om
anderen technisch van meer gebruik uit te sluiten dan
mogelijk is op basis van de exclusieve rechten, wordt
juridisch bekrachtigd. De beschermingsomvang van het
auteursrecht neemt daardoor als het ware toe. Op grond
van de wet zal toestemming nodig zijn voor ¡eder
informatiegebruik, althans voor het openen van het slot
dat het gebruik onmogelijk maakt. Praktisch maakt dat
echter geen verschil. De beperkingen van de i.e-rechten
kunnen hierdoor hun betekenis verliezen in de digitale
omgeving. Deze ontwikkeling lijkt het gevolg van
premature aannames ten aanzien van de gevolgen van de
digitale revolutie voor de betrokken partijen, een
beperkte visie op de functie en ratio van de beperkingen
van de i.e.-rechten en/of een bijna naïef vertrouwen in
de marktwerking.
Niet alleen breidt de
juridische invloedssfeer van de rechthebbende zich uit
voor wat betreft de handelingen die kunnen worden
verboden wanneer zij technisch onmogelijk zijn gemaakt.
Ook kunnen twee nieuwe partijen binnen zijn bereik
komen. Wellicht is straks toestemming nodig om een
technisch beschermd werk rechtmatig te kunnen
'consumeren'. De eindgebruiker kan daardoor worden
aangepakt. Maar ook de positie van de rechthebbende
tegenover elektronicafabrikanten kan door de Richtlijn
worden versterkt. Een bijeffect van het verbod op
omzeilingsmiddelen kan zijn dat gebruik van materiaal
dat niet het object is van een i.e.-recht effectief
technisch kan worden gecontroleerd, zodat ook in deze
zin de controle over het informatiegebruik toeneemt. Al
met al een weinig evenwichtig resultaat.
|