Noot bij Hof van Beroep Brussel 13 februari 2001 (Belgacom Skynet/ IFPI)
Verschenen in Mediaforum 2001-5, p. 172-173

K.J. Koelman


 
De Belgische tak van IFPI hanteert de juridische knuppel met hardere hand dan onze NVPI. Onlangs overtuigde ze de Belgische justitie ervan om zo'n honderd gebruikers van Napster te vervolgen. Maar ook internet-providers moeten het ontgelden. In dit geval ging het om een hosting service provider op wiens servers websites stonden waarop hyperlinks voorkwamen naar door derden 'gehoste' sites, waarvandaan muziekwerken (MP3's) beweerdelijk onrechtmatig werden openbaar gemaakt. Herhaaldelijk was de provider er op gewezen dat zijn abonnees zulke links op hun websites hadden aangebracht, maar hij verzuimde om ze (snel) te wissen. IFPI stelde dat de provider daardoor in strijd handelde met artikel 93 van de Belgische 'Wet op de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument' en eiste een verbod en een dwangsom. Deze bepaling is de Belgische variant van onze oneerlijke mededinging. Zij verbiedt de met de 'eerlijke handelsgebruiken strijdige daad'. In Nederland valt dat onder het zorgvuldigheidscriterium van artikel 6:162 BW.

In eerste instantie werd het verbod toegewezen, onder verwijzing naar het Nederlandse Scientology-vonnis [1] en met een daarmee min of meer vergelijkbare motivering. [2] Ook het Brusselse Hof zit op de lijn van de Haagse Rechtbank en parafraseert de Nederlandse rechter. Maar dit keer werd geoordeeld dat de provider niet onzorgvuldig handelde door niet te reageren op de kennisgevingen van de platenmaatschappijen. Het Nederlandse vonnis bepaalt dat een hosting service provider in strijd handelt met de maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid, wanneer hij de toegang tot inbreukmakend materiaal (of links die naar zulk materiaal leiden) niet blokkeert na in kennis te zijn gesteld van het onrechtmatig handelen van zijn abonnee en wanneer aan de juistheid van die kennisgeving in redelijkheid niet valt te twijfelen.

Het Hof Brussel werkt dit criterium verder uit. In feite schetst de rechter de contouren van een 'notice and take-down procedure' die enigszins vergelijkbaar is met die welke in de Amerikaanse auteurswet is neergelegd. [3] Het uitgangspunt is dat de hyperlinker die bewust naar inbreukmakend materiaal verwijst een onrechtmatige daad pleegt. [4] Wat de provider betreft is het niet zozeer de vraag of hij onrechtmatig handelt door het aanwezig hebben ('stockeren') van de links op zijn servers, maar of het niet verwijderen ervan na in kennis te zijn gesteld een onrechtmatig nalaten oplevert.

De rechter oordeelt dat dit het geval is mits: (1) de provider op een aangegeven e-mailadres een kennisgeving heeft ontvangen waarin de webpagina's met de beweerdelijk onrechtmatige hyperlinks, de links zelf en de muziekstukken waarnaar wordt gelinkt duidelijk zijn ge‹dentificeerd; (2) de kennisgeving informatie bevat die het voor een 'redelijk ISP' prima facie aannemelijk maakt dat de bestanden waarnaar wordt verwezen zonder toestemming zijn openbaar gemaakt; (3) de provider de links niet verwijdert binnen drie dagen na in kennis te zijn gesteld, tenzij hij binnen die termijn met bewijs komt dat de muziekbestanden wel degelijk rechtmatig worden openbaar gemaakt; en (4) degene die om verwijdering verzoekt de provider vrijwaart voor alle schade die het gevolg kan zijn van een eventuele claim van de website-houder wiens links zijn gewist.

In casu had de provider de zorgvuldigheidsnorm niet geschonden, aldus het Hof, omdat de platenmaatschappijen hadden verzuimd om in hun kennisgevingen aannemelijk te maken dat de MP3-bestanden waarnaar de hyperlinks leidden, onrechtmatig werden aangeboden.

De eerste door het Hof geformuleerde eis komt mij redelijk voor. De Amerikaanse wet stelt vergelijkbare voorwaarden aan een kennisgeving, om een verwijderingsplicht tot gevolg te hebben. [5] Het zou voor een intermediair wel een zeer grote last zou zijn, indien hij op iedere vage kennisgeving moet reageren die naar welke van zijn employees dan ook wordt verstuurd. Bovendien zou het ertoe kunnen leiden dat een provider, om aansprakelijkheid te mijden, steeds het zekere voor het onzekere neemt en daarom te veel links en andere informatie van zijn server wist, wat de uitingsvrijheid niet ten goede zou komen. Ook de recente Amerikaanse uitspraken in het Napster-geding liggen in lijn met die van het Brusselse Hof, al zijn die beslissingen niet expliciet gebaseerd op de wettelijke notice and take-down procedure. Daarin is uitgemaakt dat Napster - een tussenpersoon en in die zin vergelijkbaar met een internet-provider - onrechtmatig handelt wanneer de toegang tot door rechthebbenden precies ge‹dentificeerde muziekbestanden niet wordt geblokkeerd. [6] 

De tweede voorwaarde werpt meer vragen op. Wanneer zou het voor een 'redelijke ISP' prima facie aannemelijk zijn dat de MP3's onrechtmatig worden aangeboden? Alle tot nog toe verzonden kennisgevingen voldeden volgens het Hof niet aan dit criterium, ook al kwamen zij van gevestigde ondernemingen en partijen. Op zichzelf is deze eis wel begrijpelijk. Ook weer in het licht van de uitingsvrijheid, zou het wat ver gaan indien iedere notificatie die duidelijk een site, links en/of inbreukmakend materiaal identificeert, leidt tot verwijdering van het materiaal of de hyperlinks. Er zijn uit de Verenigde Staten bijvoorbeeld gevallen bekend waarin ongegrond een kennisgeving naar de provider van een concurrent werd verstuurd, met als enige doel de mededinger het leven zuur te maken. Het zou wat al te gemakkelijk zijn om anderen op het net de mond te snoeren, wanneer een provider op iedere claim moet reageren, zoals dat het geval is onder de Amerikaanse wet. Hoewel een ISP op grond van deze eis in ieder geval niet behoeft in te grijpen wanneer een kennisgeving overduidelijk te kwader trouw is verzonden, blijft de vraag welke elementen een kennisgeving dan wel moet bevatten om het aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk sprake is van inbreuk. Overigens is het criterium van de Nederlandse rechter al even vaag: wanneer valt 'in redelijkheid niet aan de juistheid van een kennisgeving te twijfelen'?

De internet-provider had gevraagd om een declaratoir vonnis waarin wordt gesteld dat hij pas onrechtmatig handelt, wanneer hij vijf dagen na de kennisgeving nog niet heeft ingegrepen. In deze periode zou de abonnee op de hoogte kunnen worden gesteld van de ontvangen notificatie, zodat de klant in de gelegenheid is om zelf de links te verwijderen of om met tegenbewijs te komen waaruit blijkt dat geen inbreuk wordt gemaakt op de sites waarnaar hij verwijst. Het Hof komt de ISP grotendeels tegemoet, maar vindt drie dagen wel genoeg. Kennelijk handelt een provider niet onzorgvuldig, wanneer het tegenbewijs aanleiding geeft om aan te nemen dat er van inbreuk geen sprake is en hij de links daarom niet blokkeert.

Deze norm mag wellicht zijn bedoeld om te voorkomen dat de toegang (via een hyperlink) tot een website zonder goede reden wordt afgesneden, het is twijfelachtig of hij dat doel zal bereiken. Het risico blijft namelijk voor rekening van de tussenpersoon; de provider moet beoordelen of het bewijs overtuigend is en of op hem een verwijderingsplicht rust. Aangenomen dat de meeste hosting service providers in hun algemene voorwaarden hebben opgenomen dat ze naar eigen goeddunken sites kunnen wissen en niet hoeven in te staan voor de gevolgen daarvan (en dat zo'n exoneratiebeding niet onredelijk bezwarend is), ligt hun keuze voor de hand. Doordat er van de zijde van de abonnee geen aansprakelijkheid valt te vrezen, maar wel van die van de klagende rechthebbende, zullen de meeste providers vermoedelijk geneigd zijn om de links of het materiaal te verwijderen, ook al ligt er overtuigend bewijs van de rechtmatigheid ervan. [7] 

In de Verenigde Staten benaderde men dit probleem enigszins anders. Daar is bepaald dat de provider niet aansprakelijk kan worden gehouden wanneer de website-houder bezwaar maakt tegen het blokkeren van de toegang naar zijn site. Dan móet de host het materiaal zelfs weer toegankelijk maken, wil hij aansprakelijkheid van welke zijde dan ook ontlopen. Zo wordt vermeden dat de intermediair in de rol van rechter wordt gedwongen en dient te beoordelen of de rechthebbende of juist de site-houder een betere zaak heeft. Pas als de rechthebbende vervolgens naar de rechter stapt moet, in afwachting van diens beslissing, het beweerdelijk inbreukmakende materiaal weer worden gewist. Het oordeel over de rechtmatigheid van het gedrag van de abonnee ligt zo waar het hoort: bij de rechter. Een bezwaar tegen de Amerikaanse benadering is dat de toegang tot de site is geblokkeerd hangende de rechterlijke beslissing. De rechthebbende krijgt tot dat moment dus het voordeel van de twijfel. Het is wel betoogd dat het andersom beter zou zijn. [8] Eén argument hiervoor kan zijn dat een website-houder die bezwaar maakt in beginsel identificeerbaar is en dus kan worden aangesproken. In zo'n geval kan, mocht de klagende rechthebbende toch gelijk hebben, de schade worden verhaald op de site-houder en is het niet meer nodig dat de provider daarvoor instaat.

Alle vier de door het Hof genoemde voorwaarden hebben kennelijk (mede) ten doel te voorkomen dat materiaal of links ten onrechte van het net wordt gehaald. De vierde zou daartoe echter wel eens het meest kunnen bijdragen. Doordat degene die de kennisgeving verstuurt de provider moet vrijwaren voor alle schade die het gevolg is van vorderingen van de zijde van de klant wiens site wordt gesloten of wiens links worden gewist, wordt een deel van het risico bij de platenmaatschappijen gelegd. Deze eis voor het ontstaan van een verwijderingsplicht kan ervan weerhouden om te kwader trouw een kennisgeving te versturen. Hier valt echter weer tegenin te brengen dat van een provider die zich met zijn algemene voorwaarden goed tegen claims van zijn klanten heeft ingedekt, weinig vorderingen zijn te verwachten. In de Amerikaanse wet is dit opgelost door degene die opzettelijk te kwader trouw een kennisgeving verstuurt, ook te laten opdraaien voor de schade van de website-houder wiens materiaal wordt gewist. [9] 

Gezamenlijk ontwikkelen de Nederlandse en Belgische rechters een ongeschreven notice and take-down procedure. Deze ontwikkeling is met name van belang nu artikel 14 van de E-Commerce Richtlijn in de mogelijkheid voorziet om zo'n procedure in de wet vast te leggen. [10]  Het is geen eenvoudige opgave om een juiste balans te vinden tussen de belangen van de intermediair, van zijn klant, van degene die meent dat zijn recht wordt geschonden en een kennisgeving verstuurt en het maatschappelijke belang bij de informatievrijheid. [11] Wellicht kunnen de Europese lidstaten - mochten zij beslissen om van de door de richtlijn geboden mogelijkheid gebruik te maken - lering trekken uit de verdiensten en gebreken van de door de rechters ontwikkelde norm en van de Amerikaanse wet.

Tot slot nog het volgende: de Nederlandse lezer vraagt zich misschien af waarom de platenmaatschappijen geen beroep deden op hun naburige rechten door te stellen dat de provider die hyperlinks stockeert 'openbaar maakt' in de zin van de wet. Van de linkende website-houder kan worden betoogd dat hij direct inbreuk maakt en men zou kunnen argumenteren dat ook zijn provider een rol speelt bij het ter beschikking stellen van de MP3-bestanden aan het publiek. Dat deze lijn van redeneren misschien wat ver is gezocht en dat internationale en regionale regelgeving haar ontkracht, [12] neemt niet weg dat het geen kwaad kan om zoiets te stellen en subsidiair voor de oneerlijke mededinging te gaan. De Belgische 'rechter van koophandel', aan wie het geschil in eerste instantie werd voorgelegd, is echter niet bevoegd om verboden op te leggen op grond van de intellectuele eigendomsrechten. Daarom kon geen beroep worden gedaan op de naburige rechten.

 

 

[1]  Rb. 's-Gravenhage 9 juni 1999 (Scientology / xs4all), Mediaforum 1999, p. 205, m.nt. Visser; Informatierecht/AMI 1999, p. 110, m.nt. Koelman; Computerrecht 1999, p. 200, m.nt. Hugenholtz.

[2]  Pres. Rb. van Koophandel Brussel 2 november 1999, Computerrecht 2000, p. 36.

[3]  Artikel 512 (c) van de Amerikaanse auteurswet.

[4]  Vgl. Pres. Rb. van eerste aanleg Antwerpen 21 december 1999, Computerrecht 2000, p. 247.

[5]  In een omstreden recent Amerikaans vonnis werd de vereiste precisie overigens weer wat teruggenomen. De rechter oordeelde dat een brief van een rechthebbende waarin wordt gemeld dat meer dan tienduizend van zijn pornografische foto's onrechtmatig worden verspreid, voldoet. Het was niet nodig om iedere foto apart te identificeren. Vermoedelijk speelde in deze zaak echter een rol dat het ging om een nieuwsgroep die alleen was opgezet om pornografie van de klager (A.L.S.) te verspreiden en vond de rechter dat de provider simpelweg de hele nieuwsgroep (met het adres 'alt.als') moest sluiten. ALS Scan Inc. v. RemarQ Communities Inc., No. 00-1351, 4th Cir. 6 February 2001 (6 ECLR 160, 2/14/01), beschikbaar op http://pub.bna.com/eclr/001351.htm.

[6]  A&M Records Inc. v. Napster Inc., 9th Cir., No. 00-16401, 12 February 2001 (6 ECLR 144, 2/14/01); A&M Records Inc. v. Napster Inc., N.D. Calif., No. C 99-05183 MHP, 6 March 2001. Zie hierover D.J.G. Visser, 'De Napster-beslissing van 12 februari 2001 van het Court of Appeals for the ninth circuit', AMI 2001-2, p. 38.

[7]  Belgacom zit echter met het probleem dat ze een termijn van 10 dagen in haar algemene voorwaarden heeft bedongen, voordat zonder schadeloosstelling de toegang kan worden geblokkeerd. Maar onder invloed van dit vonnis zal die termijn in de toekomst wel worden teruggebracht tot 3 dagen. Zie artikel VI.4 van de Algemene voorwaarden van Belgacom: 'Als blijkt dat de "home page" van de klant strijdig is met de van kracht zijnde Belgische wetten, zal Belgacom Skynet de klant in gebreke stellen het voorschrift van punt 1 van dit artikel na te leven. Indien de klant binnen de 10 dagen, te rekenen vanaf de dag na het verzenden van de e-mail met de aanmaning, geen gevolg geeft aan het verzoek van Belgacom Skynet, kan deze laatste de toegang tot de litigieuze "home page" opschorten. Bovendien heeft Belgacom Skynet het recht om het contract ten nadele van de klant te verbreken. De opschorting van de toegang tot de "home page" of de verbreking van het contract ten gevolge van het niet naleven van het voorgaande door de klant, geeft de klant geen enkel recht op enige schadeloosstelling.' Beschikbaar op http://help.skynet.be/general/lawnl.html.

[8]  Zie G.A.I. Schuijt, 'Wet computercriminaliteit II: van uitgever en drukker naar tussenpersoon', Mediaforum 1998, p. 72; P.B. Hugenholtz, 'Het Internet: het auteursrecht voorbij?', Handelingen NJV 1998-I, p. 230-231.

[9]  Artikel 512(f) van de Amerikaanse auteurswet.

[10]  Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt. Pb.EG L 178/1 (17.07.2000).

[11]  Zie hierover uitgebreid R. Juliá-Barceló & K.J. Koelman, 'Intermediary Liability in the E-commerce Directive: So Far, So Good, But It's Not Enough', Computer Law & Security Report 2000, p. 231-239.

[12]  Een Agreed Statement bij artikel 8 van het WIPO Auteursrechtverdrag en overweging 27 bij het Gemeenschappelijk Standpunt voor de Auteursrechtrichtlijn stellen dat de 'beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken of te verrichten op zich geen [openbaarmaking] is'.


Geplaatst 17.04.2001