|
Inleiding
1. Wat universiteit en
medewerkers verdienen aan royalties voor
wetenschappelijke publikaties is peanuts
vergeleken met wat zij verdienen aan contractonderzoek
en soortgelijke nevenactiviteiten. Het in dit boek
gepubliceerde SEO-rapport
meldt een bedrag van 8 miljoen aan omzet van
wetenschappelijke uitgevers in Nederland. Daar staat,
zoals ik straks zal laten zien, een bedrag van tenminste
750 miljoen tegenover aan inkomsten uit derde-geldstroom
activiteiten. Die inkomsten worden doorgaans niet op
royalty-basis betaald, maar als een aanneemsom. Als we
het toch over geldstromen hebben, is de geldstroom van
de kant van de uitgevers schamel vergeleken met die van
de kant van opdrachtgevers. De vraag is of
universiteiten zich dan meer moeten inspannen voor
laatstgenoemde activiteiten. Gelet op het hoofdthema van
dit boek, universiteit en auteursrecht, is de
bijbehorende vraag wat zulks betekent voor het
auteursrecht van medewerkers die contractonderzoek
uitvoeren.
Het dilemma
2. Alma Mater vertoont
trekjes van Hermes, de god van de handel. Zoals wij
weten is dat ook de god van de dieven. Een beetje
universiteit doet aan contractonderzoek. [1]
En steelt daarmee uit twee domeinen: het publieke en het
marktdomein. Van het marktdomein steelt zij de klanten
en om dat te kunnen doen moet ze van het publieke domein
openbaarheid en publieke taak verdonkeremanen teneinde
een exclusief marktproduct te kunnen leveren. Dat is in
een notedop de wat scherp aangezette problematiek van
mijn verhaal, dat als titel draagt: De Ivoren Toren
en de Kip met de Gouden Eieren. [2]
Moet de gouden kip van het derde-geldstroom
contractonderzoek worden geslacht? Als dat gebeurt
krijgen we volgens velen ivoren toren wetenschappers.
Moeten we de gouden kip koesteren? Dan gaan
wetenschappers zich als marktpartijen gedragen en
ontstaat oneerlijke concurrentie op de kennismarkt.
Ergens moet in dat dilemma een evenwicht worden
gevonden. De gouden kip slachten gaat niet meer omdat,
zoals ik straks zal laten zien, commercialisering van
contractonderzoek een autonoom proces is. De oplossing
ligt mijns inziens in een differentiatie van het
contractonderzoek. Voor uitgeefactiviteiten ligt het
moeilijker.
3. Universiteiten doen
aan contractonderzoek en aan contractonderwijs, zij
geven boeken, tijdschriften en ook electronische
publikaties uit en doen hier en daar nog wat aan andere
vormen van paracommercialisering door zalenverhuur,
horecadiensten, e.d. Ik heb het alleen over
contractonderzoek en uitgeefactiviteiten.
Contractonderzoek en uitgeefactiviteiten zijn
activiteiten die op het eerste gezicht niet behoren tot
de taak die gefinancierd wordt uit de rijksbijdrage.
Wanneer voor die nevenactiviteiten middelen worden
ingezet uit die rijksbijdrage, is er heden ten dage een
probleem. Dat probleem is er ook als het
contractonderzoek voor 100% commercieel wordt
gefinancierd, omdat de inzet van hoger personeel voor
zulk onderzoek altijd uit de rijksbijdrage wordt
betaald. Wanneer ik aan derde-geldstroom onderzoek doe,
betaalt de opdrachtgever tenminste mijn salaris en de
universiteit ook. Het eerste bedrag gaat naar de
universiteit en het tweede naar mij. Ik loop dus wat
mijn eigen positie betreft, geen commercieel risico.
Wanneer ik van opdrachten moet leven, zoals onderzoekers
bij een commercieel onderzoeksbureau, ligt dat anders.
De inzet van hoger personeel bij derde-geldstroom
onderzoek, levert dus altijd een voorsprong op in de
concurrentie met commerciële bureaus. Dat is het eerste
probleem: mogelijke oneerlijke concurrentie. Dat
probleem speelt in theorie ook bij universitaire
uitgeverijen die mede uit de rijksbijdrage worden
gefinancierd. De vraag of die concurrentie echt
oneerlijk is, is afhankelijk van de vraag of de
universiteit een publieke taak te vervullen heeft op het
terrein van het derde-geldstroom onderzoek. Als dat zo
is, is de concurrentie niet of minder oneerlijk. En voor
het bestaan van die publieke taak zouden tenminste
wettelijke, d.w.z. democratisch gefundeerde,
aanknopingspunten moeten bestaan.
Evidente principes
4. Ik geef eerst wat
evidente, maar simpele regels. De hoofdregel ten aanzien
van publiek bekostigde instellingen zoals universiteiten
is, dat die publieke bekostiging moet worden aangewend
voor de vervulling van de publieke taak. Daaruit volgen
tenminste twee subregels: de regel dat de instelling
niet gericht is op het maken van winst en de regel dat
de instelling niet dienstbaar is aan private belangen.
Wanneer aan die regels is voldaan, kan er ook geen
sprake zijn van oneerlijke concurrentie. Wanneer aan die
subregels niet wordt voldaan, hebben we te maken met
gedrag dat kan worden beschouwd als marktgedrag. De
logische consequentie daarvan is dat geen beroep kan
worden gedaan op publieke privileges. Ik geef een
voorbeeld uit het contractonderwijs. Wanneer een
universiteit contractonderwijs geeft tegen een
winstgevend tarief en uitsluitend ten behoeve van een
particuliere opdrachtgever, kan zij bijvoorbeeld geen
beroep doen op de onderwijsuitzonderingen van artikel 12
lid 3 Auteurswet en al evenmin op het Reprobesluit ex
artikel 16b lid 6 Auteurswet.
Commercialisering
als autonoom proces
5. Dat is een wat
extreem voorbeeld, misschien, en de werkelijkheid is
minder simpel om een aantal redenen. De eerste die vaak
wordt genoemd is dat universiteiten om hun publieke taak
te kunnen blijven verrichten wel nevenactiviteiten
moeten ondernemen om de teruggang uit de rijksbijdrage
te compenseren. [3] Dat
argument kan bogen op realisme, maar het is uiteraard
geen principieel argument. De principiële oplossing is
verhoging van de rijksbijdrage. [4]
Bovendien is voor dat argument geen enkel wettelijk
aanknopingspunt te vinden, terwijl soortgelijke
wettelijke constructies op andere terreinen wel
voorhanden zijn. Zo mogen de publieke omroepen
bijvoorbeeld aan nevenactiviteiten doen; die wettelijke
toestemming is voorzien van een regeling omtrent de
inkomsten uit die activiteiten. Op het terrein van
telecommunicatie zijn nog andere voorbeelden te vinden. [5]
6. Ik vraag me echter
óók af of het argument wel realistisch is. Wanneer ik
de recente cijfers van het CBS bekijk, [6]
zie ik alleen maar dat beide posten, de rijksbijdrage
voor eerste geldstroom onderzoek en de inkomsten uit
derde-geldstroom onderzoek, allebei in absolute zin
steeds hoger worden. De enige dalende trend die ik zie
is de vermindering van de overheidsbijdrage aan
derde-geldstroom onderzoek. [7]
Daaruit concludeer ik dat kenniscommercialisering een autonome
factor is, die min of meer onafhankelijk lijkt van een
eventuele vermindering of vermeerdering van de
rijksbijdrage. Men zie de volgende cijfers:
Inkomsten eerste en
derde-geldstroom onderzoek in miljoenen guldens
|
1990: |
1991: |
1992: |
1993: |
1994: |
1995: |
| derde: |
508 |
590 |
659 |
723 |
718 |
754 |
| waarvan |
|
|
|
|
|
|
| overheid: |
187 |
217 |
243 |
260 |
254 |
224 |
| eerste: |
2498 |
2607 |
2611 |
2652 |
2766 |
2935 |
7. Het is mijns inziens
dus niet al te gewaagd om te stellen dat
kenniscommercialisering een autonoom proces is dat niet
- als men dat al zou willen - gestopt wordt door
verhoging van de rijksbijdrage (met laten we zeggen
ongeveer 750 miljoen). Beziet men de cijfers, dan rijst
zelfs de pikante vraag of universiteiten als zij de kip
met de gouden eieren van het contractonderzoek slachten,
niet ook hun gewone onderzoekwerk kunnen blijven doen.
Hoe dat ook zij, er zijn kennelijk zelfstandige
mechanismen werkzaam die universiteiten tot
kenniscommercialisering brengen. Bartels ziet
kenniscommercialisering "als een vrij
"logisch" gevolg van de voortschrijdende
commercialisering van de kennismarkt." [8]
Daarnaast zijn er andere factoren. Ik noem daarvan het
'ivoren toren'-verhaal, het smeerolie- argument, en in
wat gewonere termen, het verkrijgen van bekendheid, van
contacten, van onderzoeksmateriaal en 'last but not
least' van jonge onderzoekers.
8. De ivoren toren. Ik
citeer de Minister van Economische Zaken bij de
behandeling van het eindrapport 'Markt en overheid' van
de Commissie Cohen:
"Het lijkt
het kabinet goed dat om de wetenschapstaak uit te
oefenen wetenschapsbeoefenaren in hun werk echt in
contact komen met de samenleving. Een van de
mogelijkheden daartoe is werk voor die samenleving uit
te voeren. Dat komt de publieke taak zonder meer ten
goede. (...) Het gaat in dit geval om de
derde-geldstroom en de erkenning dat goede
wetenschapsbeoefening niet wel mogelijk is vanuit een
ivoren toren." [9]
9. Het
smeerolie-argument. Inkomsten uit derde-geldstroom
onderzoek leveren de smeerolie waarmee een vakgroep of
instituut binnen een bureaucratische organisatie als een
universiteit in ons land doorgaans is, soepel kan
draaien. Er is geld voor reizen, congressen, apparatuur
en boeken, onderzoeksassistentie en dat niet alleen voor
uitvoering van derde-geldstroom onderzoek, maar vaak ook
als een extraatje bij de gewone taken. Want die
derde-geldstroom lap top blijft natuurlijk gewoon op het
instituut staan na publikatie van het
contractonderzoeksrapport. Zolang de organisatie
bureaucratisch is, blijft die factor zich doen gevoelen.
Van mijn werkgever krijg ik geen lap top.
10. De laatste autonome
factoren: bekendheid, contacten, onderzoeksmateriaal en
jonge onderzoekers. Het is allemaal waar. Ik maak een
kanttekening bij de jonge onderzoekers. In een beginfase
van derde-geldstroom onderzoek worden de jonge
onderzoekers niet oud, althans niet binnen een
universiteit. Zij worden aangetrokken omdat er een
opdracht is. Wanneer de opdracht is uitgevoerd,
verdwijnen ze vaak weer. Wanneer er echter zicht is op
wat meer en regelmatiger inkomsten, zullen jonge
onderzoekers worden aangetrokken om een vaste
derde-geldstroom onderzoeksgroep te kunnen formeren. Het
perspectief verandert dan. Binnenhalen van
derde-geldstroom onderzoek wordt een noodzaak om de
groep aan het werk te kunnen houden. Derde-geldstroom
onderzoek genereert dus derde-geldstroom onderzoek. Het
is zelf een autonome factor.
11. Tenslotte is geld
verdienen wellicht een autonome factor. Maar waaraan
wordt nu echt verdiend? De winst komt uit het extra
salaris dat de begeleidende senioronderzoekers
verdienen. De rest gaat, als het goed is - en het is
niet altijd goed, want universiteiten heffen wel opslag
voor, maar leveren niet altijd faciliteiten - weg aan
personeelskosten en faciliteiten. De winst kan dus
worden gemaakt omdat de rijksbijdrage, het gewone
salaris van de senior, door wordt betaald. Ik neem dan
maar aan dat die gewoon 38 uur per week werkt. En dat is
natuurlijk niet zo, maar met een ander urental kunnen we
binnen de universitaire bureaucratie nu eenmaal niet
rekenen en dus ook niet de bovengenoemde CBS sommetjes
maken. Er kleeft dus altijd een smet van oneerlijke,
want publiek bekostigde voorsprong, aan het blazoen van
het contractonderzoek.
12. Beziet men dit
alles, dan is het op zijn minst verwonderlijk, dat er,
anders dan bij andere gevallen van uitbating van publiek
bekostigde middelen (bijv. energiebedrijven), geen
klachten zijn van commerciële onderzoeks- en
adviesbureaus, laat staan procedures. Dat is overigens
tekenend voor de informatie- en kennismarkt. Die staat
bol van de nevenactiviteiten van publieke of
semi-publieke instellingen. Kadaster, CBS, Topografische
Dienst Nederland, Stichting Databank van de Kamers van
Koophandel, de publieke omroepen: zij alle doen aan,
vaak ook nog eens recent gelegaliseerde,
nevenactiviteiten. Dat is ook verklaarbaar: kennis en
informatie dienen immers bijna altijd een
maatschappelijk belang. Dan maakt het minder uit wie wat
doet, dan wanneer er bijvoorbeeld tomaten worden
verkocht met overheidsgeld. Dat is pas echt oneerlijk
tegenover tomatenkwekers die hun produkt bedrijfsmatig
moeten financieren. [10]
Commercialisering en
publieke taak
13. De belangrijkste
reden waarom er zo weinig principiële drukte over
kenniscommercialisering door universiteiten wordt
gemaakt, komt omdat de legitimatie ideologisch van aard
is en dus niet te falsifiëren: dat is het 'ivoren
toren' verhaal. Kort gezegd: contractonderzoek dient de
publieke taak en daarom mag het, zonder dat precies
wordt onderzocht wat de publieke taak behelst en in
hoeverre zij door contractonderzoek gediend wordt. Het
derde-geldstroom onderzoek behoeft daarom ook niet
altijd kostendekkend te zijn, omdat, aldus bijvoorbeeld
de Ministers van OC&W en van LN&V, de
universiteit bij die activiteiten baat kan hebben.
Middelen uit de eerste geldstroom mogen dus voor
contractonderzoek worden gebruikt. [11]
Het 'ivoren toren'
verhaal wordt breed ondersteund. Ik citeer uit het
rapport Cohen: [12]
"Op het
gebied van de kennisinfrastructuur is breed aanvaard
dat de aansluiting tussen publiek en privaat domein
verbeterd moet worden om een optimale spreiding van
kennis te bevorderen. Dit geldt in het bijzonder voor
wetenschappelijk onderzoek en daarbinnen voor
toegepast technologisch onderzoek. Dit vergt dat
wetenschappelijke, c.q. technologische kennis actief
in marktactiviteiten wordt omgezet door publieke
kennisinstellingen."
Differentiatie
14. Er is dus kennelijk
een maatschappelijke consensus op dit terrein. Een
wettelijk aanknopingspunt ontbreekt echter. Dat is niet
uniek voor Nederland. Er is nauwelijks een land waar
commercialisering van overheidsinformatie op een brede
wettelijke basis berust. Als ons probleemgebied wel
enigermate geregeld is, dan hebben wij zonder
uitzondering te maken met interne overheidsrichtlijnen
waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Het
duidelijkst wordt dat verwoord in de Amerikaanse
Federale regeling terzake: Circular No. A-130 inzake het
beheer van federale informatievoorziening; Section 11
daarvan bepaalt: "Nothing in this Circular shall be
construed to confer a private right of action on any
person." [13]
Ook de Nederlandse Beleidslijn werken voor organisaties
binnen en buiten de rijksoverheid van 21 maart 1996 is
als zodanig op te vatten. Datzelfde geldt voor de Franse
Circulaire van 14 februari 1994 inzake de verspreiding
van overheidsinformatie. [14]
Op basis van dat soort 'richtlijnen' wordt door de
Nederlandse betrokken Ministeries een financieel
onderscheid gemaakt. Men moet, aldus het Ministerie van
OC&W in een brief van 4 september 1995 een
onderscheid maken tussen 'inkoop van diensten' en
'stimulering van activiteiten'. Als er sprake is van inkoop
van universitaire diensten door derden, moeten tarieven
worden gevraagd die de kosten integraal dekken. Wanneer
het gaat om stimulering van activiteiten, geldt
die eis niet en mogen dus lagere tarieven worden
gevraagd. Dat standpunt is nog eens herhaald in de brief
van de Minister van EZ over Beleidsinitiatieven ter
verhoging van de kennisintensiteit van de Nederlandse
economie. [15]
15. Ondanks dit
moeilijk hanteerbare onderscheid en de gebrekkige
consequenties die eraan worden verbonden, ligt hier toch
een aanzet voor een oplossing. Inkoop van diensten
verwijst naar marktgedrag, stimulering van activiteiten
naar iets mooi's, dat wellicht te maken heeft met de
publieke taak van universiteiten. Als we de 'ivoren
toren' legitimatie serieus nemen - en dat is eigenlijk
de enige die we hebben -, dan moet er dus een
onderscheid worden gemaakt in grofweg twee soorten
contractonderzoek. Ik herinner aan mijn evidente
hoofdregel en de twee subregels. De eerste soort - dat
zou de stimuleringssoort kunnen zijn - is niet gericht
op het maken van winst en de instelling is met dat
onderzoek niet dienstbaar aan private belangen. Bij de
tweede soort, de inkoop van diensten - is dat wel het
geval. Mijns inziens moet het dan niet zo zijn dat
inkoop van diensten mag, als er maar integrale tarieven
worden gevraagd en zelfs niet dat inkoop van diensten
mag, als - zoals de Commissie Cohen in het algemeen
voorstelt - de resultaten van contractonderzoek openbaar
zijn, dan wel aan de instelling de intellectuele
eigendomsrechten terzake toekomen. [16]
Er is immers, hoe men het ook wendt of keert, bij dat
'inkoop van diensten' onderzoek geen verband met de
publieke taak aan te wijzen. En dat moet volgens mijn,
evidente, hoofdregel en overigens ook volgens de
rechtspraak op het terrein van de oneerlijke
mededinging. [17]
16. De vraag waar het
om gaat is echter hoe aan die evidente regel moet worden
vormgegeven. Er zijn inhoudelijke en procedurele
oplossingen te bedenken. De procedurele zijn het
gemakkelijkst maar niet aantrekkelijk: men ziet de
formulieren al voor zich. De inhoudelijke zijn het
moeilijkste, maar kunnen wellicht iets opleveren voor de
toch onvermijdelijke procedurele oplossingen. Materiaal
voor inhoudelijke criteria is te vinden in het
eindrapport van de Commissie Cohen.
Rapport van de
Commissie Cohen
17. Het principe van de
Commissie Cohen is even eenvoudig als radicaal. Wat is
de beste remedie om oneerlijke overheidsconcurrentie
tegen te gaan? Afstoten, die handel, mooier gezegd:
'unbundling' of ontvlechting. En dat niet alleen
boekhoudkundig, beheersmatig of juridisch, maar ook
economisch: een structuurregeling dus. Als, om het
eenvoudig te zeggen, mijn instituut zonodig aan
contractonderzoek wil doen, dan doen de medewerkers dat
maar in hun eigen tijd, met hun eigen bureau en voor
eigen rekening en risico, zonder mee te drijven op
universitaire goodwill of faciliteiten. We hebben er wel
eens over gedacht, moet ik zeggen. Is dat nu ook onze
toekomst volgens Cohen? Nee, ik verwijs naar het eerder
gegeven citaat: er ligt hier juist een publieke taak
voor universitaire onderzoeksinstituten en daarom is er
reden voor een uitzondering. Die uitzondering moet
echter niet leiden tot oneerlijke concurrentie. Om die
te vermijden is de uitzondering alleen van toepassing op
contractonderzoek wanneer: [18]
- het onlosmakelijk
verbonden is aan een wettelijke geformuleerde
publieke taak; òf
- het uniek is op de
markt; òf
- het openbaar wordt
gemaakt; òf
- aan de instelling de
intellectuele eigendomsrechten toekomen.
18. Vooral de twee
laatste voorwaarden lijken vrij baan te geven aan welk
contractonderzoek dan ook, met uitsluiting van
vertrouwelijke adviezen. Dat is echter allerminst het
geval. Op elke uitzondering zijn gedragsregels
van toepassing die gelijkheid van concurrentie moeten
bewerkstelligen en met name een juiste toerekening van
kosten aan marktactiviteiten. [19]
Dat betekent - en ik som op: vennootschapsbelasting
betalen, geen kruissubsidie, vermogen vanuit de publieke
instelling mag alleen beschikbaar worden gesteld op
marktconforme condities, toerekening van activa aan
marktactiviteit, non-discriminatoire en marktconforme
beschikbaarstelling van overheidsinformatie door de
publieke instelling, integrale afrekening van loon- en
andere personeelslasten, niet aanleunen tegen imago
universiteit (geen universitair beeldmerk), geen
toepasselijkheid van bestuursrecht maar ook niet van
publieke openbaarheidswetgeving.
Kritiek
19. Wanneer men deze
voorwaarden beziet en zich probeert voor te stellen hoe
die binnen de universitaire gemeenschap moeten worden
uitgewerkt, kunnen wij als instituut beter meteen maar
voor ons zelf beginnen. Het praktisch resultaat van de
gedragsregels die de uitzondering omgeven, leidt in mijn
ogen tot hetzelfde resultaat als een structuurregeling.
Het enige verschil is dat er juridisch niet behoeft te
worden ontvlochten; boekhoudkundig, beheersmatig en
economisch is er echter sprake van een 100%
ontvlechting. De vraag is of zo'n operatie nodig is,
gelet op het gegeven dat er tot nu toe, na minstens
vijftien jaar contractonderzoek, geen sprake is van
klachten of procedures wegens oneerlijke concurrentie.
De vraag is bovendien hoe op de internationale
derde-geldstroom markt, met name die waarin de Europese
Commissie als opdrachtgever fungeert, nog met
buitenlandse universitaire instellingen kan worden
geconcurreerd waarvoor die gedragsregels niet of in veel
mindere mate gelden.
20. Dit al te radicale
resultaat wordt veroorzaakt doordat de Commissie Cohen
bij het analyseren van uitzonderingen wèl, maar bij de
toepassing van de gedragsregels voor die uitzonderingen
géén onderscheid maakt tussen de verschillende soorten
contractonderzoek. Er is immers contractonderzoek dat
volkomen past binnen de publieke taak van
universiteiten. Voorbeelden daarvan vinden wij in het
tweede geldstroom onderzoek. Dat soort onderzoek wordt
onder meer gekenmerkt door grootschaligheid en
bijbehorend langere termijn onderzoek, door
betrokkenheid van universitaire onderzoekers bij de
bepaling van onderwerpen en door openbaarheid van de
onderzoeksresultaten via publikaties en
wetenschappelijke congressen. Het is absoluut niet
ondenkbaar dat dergelijk onderzoek ook in de
derde-geldstroom plaats kan vinden. Een voorbeeld
daarvan dat ik van nabij ken, is het zgn. IMPRIMATUR
project waarbij een internationaal consortium van
belanghebbenden met overigens vaak tegengestelde
belangen aan verschillende universitaire
onderzoeksgroepen een ruim geformuleerde
onderzoeksopdracht heeft gegeven op het vlak van
auteursrecht en internet. Qua wijze van opzet,
uitvoering en begeleiding, verschilt een dergelijk
project niet van een tweede geldstroom project. Pikant
detail is dat senior onderzoek niet door de
opdrachtgever wordt betaald. In mijn opvatting is dat
ook terecht. Het is ook moeilijk voorstelbaar dat
commerciële onderzoeksbureaus een dergelijk onderzoek
op zo'n manier vorm zouden geven. En zo zijn er nog wel
meer voorbeelden te vinden, met name bij opdrachtgevers
uit de hoek van de non-profit instellingen. Kortom, de
conclusie van de Commissie Cohen doet tekort aan de
grote verscheidenheid van samenwerkingsvormen tussen
private sector en universiteit. [20]
Er bestaat nu eenmaal onderzoek in opdracht dat ten
volle voldoet aan de regel dat de instelling niet
gericht is op het maken van winst en aan de regel dat de
instelling niet dienstbaar is aan private belangen. Daar
moet dan ook voldoende ruimte aan worden gegeven in die
zin dat er uiteraard boekhoudkundige transparantie moet
bestaan, maar verder geen bijzondere gedragsregels
behoeven te worden gesteld.
21. De keerzijde van de
medaille is het onderzoek dat net zo goed door de markt
zou kunnen worden gedaan. Precieze criteria zijn
moeilijk aan te geven, maar de stelregel dient toch te
zijn, net zoals in de discussie over de taak van de
publieke omroepen, dat wat goed door de markt wordt
verricht niet ook nog eens publiek moet worden
overgedaan. Die stelregel is bijvoorbeeld terug te
vinden in de al oude Aanbevelingen van de Europese
Commissie ter verbetering van de samenwerking tussen de
openbare en de particuliere sector op de informatiemarkt
van 1989. [21]
Rechtstreekse informatiedienstverlening door een
overheidsorganisatie moet volgens die Aanbeveling worden
getoetst aan:
- de publieke noodzaak
van die dienst en de behoefte aan neutrale en
onafhankelijke dienstverlening,
èn
- de onmogelijkheid
voor de particuliere sector deze dienst tegen
aanvaardbare voorwaarden aan te bieden.
22. Dat betekent dus
onthouding; een aansporing daartoe wordt uiteraard
gevormd door de gedragsregels van de Commissie Cohen. De
dreiging die van die regels uitgaat zou de meesten wel
twee keer moeten doen nadenken voordat zij kortlopend,
louter inventariserend, niet fundamenteel onderzoek in
opdracht zullen aanvaarden. In mijn optiek vervullen de
voorstellen voor die regels dus een nuttige preventieve
functie. Verdere preventie kan wellicht uitgaan van de
stelregel dat marktgedrag geen aanspraak geeft op
publieke privileges. Die privileges zijn natuurlijk
fiscaal, maar ook auteursrechtelijk. Ik noemde ze
hierboven al. Verder moet worden bedacht dat op grond
van het oneerlijke mededingingsrecht maatregelen kunnen
worden genomen. Zo kan het oneerlijk kan zijn zich te
tooien met een overheidsimago, wanneer men louter
commerciële activiteiten verricht. De Nederlandse
jurisprudentie leert dat de rechter nauwkeurig aan de
hand van alle omstandigheden van het concrete geval
onderzoekt of het belang van de instelling om
nevenactiviteiten uit te voeren opweegt tegen het belang
van particuliere ondernemingen om beschermd te worden
tegen die concurrerende activiteiten. [22]
Naar Nederlands recht geldt de regel dat de
nevenactiviteit geschikt is voor de publieke
taakvervulling en niet verder mag gaan dan daartoe
noodzakelijk is. [23]
Met die regel in de hand kan mijns inziens hier en daar
flink worden gesnoeid in het universitaire
contractonderzoek.
23. De conclusies van
de Commissie Cohen lijken desastreus voor
uitgeversactiviteiten van universiteiten. Past men
immers de stelregels van het eindrapport toe, dan vallen
universitaire uitgevers niet onder de uitzondering van
de kennisinfrastructuur. Dat betekent dat universiteiten
de rijksbijdrage niet mogen aanwenden voor dit soort
activiteiten en dat voor universitaire uitgeverijen een
structuurregeling moet worden getroffen. Die
structuurregeling komt onder andere neer op het absurde
resultaat dat universitaire uitgeverijen geen
universitaire uitgeverijen mogen heten. Dat kan
natuurlijk niet de bedoeling zijn. Ook hier geldt
tenminste de regel dat universitaire uitgeverijen die
niet gericht zijn op het maken van winst en niet
dienstbaar zijn aan private belangen, ongestoord hun
werk moeten kunnen blijven doen. Juist op dit terrein
zouden de regels andersom moeten worden toegepast. De
universiteit heeft een publieke taak om tegen de
commerciële uitgeversmarkt in te zorgen voor een
toegankelijke informatievoorziening van wetenschappelijk
onderzoek. [24]
24. Al met al rijst de
vraag of de conclusies van de Commissie Cohen wel moeten
worden doorgevoerd. Het kabinet vindt van wel. Ik beperk
mij hier tot de mogelijk oneerlijke concurrentie die
uitgaat van derde-geldstroom onderzoek en universitaire
uitgeefactiviteiten. Te constateren valt dat er in de
praktijk geen sprake is van oneerlijke concurrentie,
althans ik ken geen klachten en weet van geen
procedures. Te constateren valt voorts dat de
Nederlandse rechtspraak op het gebied van de oneerlijke
mededinging voldoende mogelijkheden biedt om in concrete
gevallen ergerlijke vormen van oneerlijke
overheidsconcurrentie tegen te gaan. Tenslotte vermeld
ik dat door de in dit opzicht onverdachte bestrijder van
oneerlijke concurrentie, de Ligue Internationale du
Droit de la Concurrence, tijdens haar recente
Studiedagen in Kopenhagen (september 1997) de opvatting
is verdedigd dat het bestaande (oneerlijke)
mededingingsrecht vooralsnog voldoende remedies biedt
ter bestrijding van oneerlijke overheidsconcurrentie.
Die opvatting is ook terug te vinden in het Nederlandse
rapport dat voor die studiedagen is uitgebracht. [25]
Ik citeer:
"In our
opinion, the courts are sufficiently equipped to
examine thoroughly possible negative effects of
commercial activities of public bodies."
Conclusie
25. Mijn conclusie zou
dus zijn dat het aan de markt kan worden overgelaten om
uitwassen te bestrijden, vooropgesteld dat de wetgever
de publieke taak van universiteiten in dit opzicht
herdefinieert. Nevenactiviteiten dienen niet op zichzelf
te staan, maar in het verlengde te liggen van de
hoofdtaak. Dat betekent dat de huidige aanzetten tot
stimulering van derde-geldstroom onderzoek opnieuw
moeten worden overdacht. Wanneer men de stelregel
huldigt, dat contractonderzoek behoort tot de publieke
taak van een universiteit, dan bestaat er geen noodzaak
om dat soort onderzoek meer te stimuleren dan gewoon
onderzoek. In die visie behoren bijvoorbeeld
begeleidende senior-onderzoekers die toch al worden
betaald door de universiteit, niet nog eens een extra
door de universiteit op te souperen salaris uit
contractonderzoek te krijgen. Wil men het anders, dan
dient een differentiatie in universiteiten plaats te
vinden, van onderwijsuniversiteiten tot en met
ondernemende universiteiten.
Besluit:
universiteit en auteursrecht
26. De eigen aard van
contractonderzoek doet de vraag rijzen hoe het met het
auteursrecht terzake is gesteld. Zoals in het begin al
gezegd, zijn de inkomsten uit onderzoek in opdracht
doorgaans niet op auteursrechtelijke principes
gebaseerd. Het gaat om een afrekening op basis van
tijdsbesteding en faciliteiten. De procedurele inbedding
van dit soort onderzoek is ook geheel anders dan bij
onderzoek dat rechtstreeks leidt tot een
wetenschappelijk artikel of een boek. Vaak wordt door de
universiteit personeel speciaal aangesteld voor dit
soort onderzoek, het contract wordt door de
faculteitsdirecteur getekend, aansprakelijkheid voor
tekortkomingen in de uitvoering van de
contractvoorwaarden ligt, althans in theorie bij de
instelling en niet bij de individuele onderzoeker,
individuele onderzoekers zijn in het kader van het
onderzoek vervangbaar, en zo zijn er nog wel meer
verschillen. Al die verschillen moeten tot de conclusie
leiden dat, althans op dit terrein, niet kan worden
verdedigd dat het auteursrecht aan de individuele
onderzoeker toekomt en dat derhalve de gewone regeling
van artikel 7 Auteurswet van toepassing is.
|
GECITEERDE BRONNEN:
AWT (1995): Adviesraad
voor het Wetenschaps en Technologiebeleid, Exploitatie
van universitaire kennis, Advies 19, februari 1995
Bartels (1996): Bureau
Bartels B.V., Kennis creëren om te innoveren, Een
analyse van kennisinteracties tussen bedrijven en
kennisinstellingen, Eindrapport opgesteld in opdracht
van het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Assen/Utrecht 9
oktober 1996
Bartels (1994): Bartels,
C.P.A., Veel weten kan somtijds baten. Over het
commercialiseren van kennis, rede Nijmegen, Van Gorcum
1994
CBS (1997): Kennis en
economie 1997, Centraal Bureau voor de Statistiek,
Voorburg/Heerlen, september 1997
Cohen (1997): Eindrapport
Werkgroep Markt en overheid, 20 februari 1997
Feenstra (1997): Jaap
Feenstra, Question No. 4, Should bodies governed by public
law be subject without any exemption to the general rules
of te law of competition or the law of unfair
competition?, Revue Internationale de la Concurrence
1997, nr. 2, p. 26-36
Kabel (1997): J.J.C.
Kabel, Communicatie en commercie, rede Utrecht,
Kluwer-Deventer 1997
Pijnacker Hordijk en
Snoep (1996): E.P.H. Pijnacker Hordijk en T.M. Snoep, De
overheid als ondernemer. Kanttekeningen vanuit
mededingingsrechtelijk perspectief, NJB 1996, nr.
24, p. 923-929
Rekenkamer (1994): Derde-geldstroom
onderzoek bij universiteiten, Rapport van de
rekenkamer, TK 1994-1995, 24 100, Nr. 2 en de bijbehorende
brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, 24 100, nr. 3
Van de Meent e.a. (1997):
G.W.A. van de Meent, M.O. Meulenbelt, M.M. Slotboom, Questionaire,
Question 4, Ligue Internationale de Droit de la
Concurrence, rapport van de Vereniging voor
Mededingingsrecht, oktober 1997
Zwetsloot (1996): F.J.M.
Zwetsloot (red.), De markt voor wetenschappelijk
onderzoek, Lemma bv, Utrecht 1996
[1]
Er zijn vier soorten universiteiten (excellente,
ondernemende, veelzijdige en onderwijsuniversiteiten);
Nederlandse universiteiten zijn veelzijdig en dat is het
probleem, vgl. Bartels (1994), p. 21.
[2]
Mijn beeldspraak is niet echt origineel, zoals ik later
zag. Vgl. C.A.M. Baas-Hoffschulte in: Zwetsloot (1996), p.
238, die spreekt van de tegenstelling tussen de Ivoren
Toren van de Academische Vrijheid en het Gouden Kalf van
de Vrijheid van Ondernemerschap alsmede van de
universiteit als kip met de gouden eieren, gekluisterd in
een legbatterij.
[3]
Vgl. Bartels (1994), p. 71.
[4]
Vgl. in die zin bijvoorbeeld ook het PvdA kamerlid Van der
Ploeg tijdens de behandeling van het eindrapport van de
Commissie Cohen, TK 1996-1997, 24 036, nr. 63, p. 11.
[5]
Zie art. 57a Mediawet; Kabel (1997), p. 27-29.
[6]
CBS (1997), p. 96. De cijfers van de eerste geldstroom heb
ik in dit geval verkregen door van de cijfers van het
'totaal onderzoek universiteiten' de inkomsten uit
'onderzoek in opdracht' af te trekken. De cijfers wisselen
echter nogal eens. Zie Rekenkamer (1994), p. 21: 17%
inkomsten uit derde geldstroom activiteiten waaronder
contract onderwijs over 1992); AWT (1995), p. 9: "het
relatieve aandeel van de derde geldstroom in de
financiering van het universitaire onderzoek is in de
periode 1980-1993 meer dan verdubbeld en bedraagt thans
30%."; Bartels (1994), p. 18: groei derde-geldstroom
van 2,5 % naar 20 % over 1983-1991); Bartels (1996), p.
19: de inkomsten uit contractonderzoek over 1994 van de
gezamenlijke universiteiten bedragen 33% van het eerste
geldstroom onderzoeksdeel. Volgens laatstgenoemd rapport
zou overigens een stabilisering plaatsvinden, zie p. 23.
[7]
Volgens de CBS cijfers is in 1995 het aandeel van de
Nederlandse overheid als opdrachtgever scherp gedaald (van
gemiddeld 36% naar 29,7%) en neemt dat van de Europese
Unie geleidelijk toe van 11% in 1990 tot 17,4% in 1995).
Het aandeel van bedrijven en non-profitorganisaties blijft
min of meer stabiel (op 20%, resp. 30%). Over de omzet van
universitaire uitgevers heb ik geen gegevens gevonden.
[8]
Bartels (1994), p. 72.
[9]
TK 1996-1997, 24 036, nr. 63, p. 15.
[10]
Het voorbeeld van de tomaten komt uit Denemarken waar een
openbaar energiebedrijf overtollige warmte gebruikte om
tomaten in kassen te kweken en die vervolgens op de markt
bracht. Vgl. voor andere voorbeelden het Verslag van een
algemeen overleg over het eindrapport van de werkgroep
Cohen, TK 1996-1997, 24 036, Nr. 63, pass. Zie voor een
internationaal overzicht: Feenstra (1997).
[11]
TK 1994-1995, 24 100, nrs. 1-2, p. 17-18.
[12]
Cohen (1997), p. 69.
[13]
Circular No. A-130, revised February 8, 1996.
[14]
Circulaire du 14 février 1994 relative à la diffusion
des données publiques, Journal Officiel de la
République Française, 19 février 1994, pp.
2864-2868.
[15]
TK 1996-1997, 24 229, p. 12, p. 4.
[16]
Vgl. Cohen (1997), p. 70.
[17]
Zie voor dat laatste Kabel (1997), p. 20-23.
[18]
Cohen (1997), p. 69-71.
[19]
Cohen (1997), p. 73-75.
[20]
Vgl. ook C.A.M. Baas-Hoffschulte, in: Zwetsloot, p. 327.
[21]
Zie voor de Nederlandse tekst Computerrecht 1990,
nr. 1, p. 44-46.
[22]
Vgl. Rb. Zutphen 19 mei 1994, NJ Kort 1995, nr. 8.
Zie verder Pijnacker Hordijk en Snoep (1996), p. 923-929.
[23]
Kabel (1997), p. 23.
[24]
Zie o.m. Folia Civitatis, 24 oktober 1997, p. 3.
[25]
Van de Meent e.a. (1997), p. 41.
[26]
Zie voor de Nederlandse tekst Computerrecht 1990,
nr. 1, pp. 44-46.
|